Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21152
2026-07-14
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.28962 en NL26.28963
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel Marokko. Verweerder heeft de geloofwaardigheid in het midden gelaten en alleen de zwaarwegendheid beoordeeld. De beoordeling van de zwaarwegendheid is niet op de juiste wijze verricht, omdat verweerder daarin vraagtekens heeft gezet bij onderdelen van eisers verklaringen. Ook heeft verweerder zonder onderbouwing gesteld dat het mogelijk is voor eiser om de bescherming van de autoriteiten in te roepen. Beroep gegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2022:2333 Raad van State 17-08-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:2333 Raad van State 17-08-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.898 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.28962 en NL26.28963
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Eiser heeft op 18 april 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 16 mei 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en Z. Agourram als tolk. Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting laten weten niet aanwezig te kunnen zijn.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2004. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Op jonge leeftijd is eiser door zijn vader en de familie van zijn vader zowel fysiek als psychisch mishandeld. Eisers vader heeft ook de moeder van eiser mishandeld. Eiser heeft in 2017 aangifte gedaan tegen zijn vader, maar de politie heeft hier niets mee gedaan. Daarnaast is eiser op 14-jarige leeftijd tweemaal door onbekende mannen verkracht. Drie maanden nadat eiser vertrokken is uit Marokko is een video van de verkrachting gepubliceerd op Facebook. Eiser vreest bij terugkeer naar Marokko dat zijn vader hem zal vermoorden, omdat zijn vader hem als de oorzaak ziet van de scheiding met eisers moeder en vanwege de verkrachting.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen van eiser met zijn familie.
Verweerder vindt de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De identiteit van eiser vindt verweerder daarentegen niet geloofwaardig. Eiser heeft geen oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven en heeft onvoldoende documenten overgelegd zonder goede verklaring hiervoor. De kopieën van de documenten die eiser heeft overgelegd, kunnen niet op echtheid worden onderzocht. Ook heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend. Eiser verblijft al sinds 2023 in Nederland en heeft pas in 2026 zijn asielaanvraag ingediend. Verder kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd, omdat uit zijn verklaringen is gebleken dat hij in verschillende Europese landen is geweest, waaronder België en Spanje, waar hij langere tijd heeft verbleven en gewerkt. In die landen heeft hij geen asielaanvraag ingediend. Dit doet afbreuk aan de gestelde beschermingsbehoefte van eiser.
Verweerder heeft de geloofwaardigheid van de problemen van eiser met zijn familie in het midden gelaten, omdat op voorhand duidelijk is dat eisers verklaringen niet zwaarwegend genoeg zijn om te leiden tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. De documenten die eiser heeft overgelegd wat betreft de gestelde mishandeling door zijn vader, hebben voornamelijk betrekking op zijn moeder en zijn onvoldoende om eisers eigen mishandeling te onderbouwen. Tegen de mishandeling door zijn vader kan eiser bescherming inroepen van de Marokkaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat de autoriteiten eiser niet willen of kunnen beschermen. Daarnaast heeft eiser geen documenten kunnen overleggen van de gestelde aangifte in 2017. Eisers stelling dat de politie hem niet zou willen helpen omdat zij zijn vader kennen en door hem worden omgekocht, volgt verweerder niet. De verklaringen van eiser dat zijn vader hem verantwoordelijk houdt voor familieproblemen en hem zou hebben bedreigd en ook in Spanje personen op hem af zou hebben gestuurd, berusten op indirecte informatie, vermoedens en niet-verifieerbare verklaringen. Verder passen de verklaringen van eiser over de gestelde verkrachtingen niet in de tijdlijn die hij heeft geschetst. Ook heeft eiser geen schermafbeeldingen van de beeldopnames van de verkrachting overgelegd, terwijl hij die wel zou hebben ontvangen.
Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat eiser bij terugkeer naar Marokko geen gegronde vrees voor vervolging heeft of reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond om drie redenen: eiser heeft verklaringen afgelegd die als kennelijk tegenstrijdig, inconsistent en wisselend worden aangemerkt, eiser heeft de aanvraag ingediend enkel om zijn uitzetting of overdracht uit te stellen of verijdelen, en eiser heeft niet onmiddellijk asiel aangevraagd op het moment dat dit mogelijk was.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Verweerder heeft ten onrechte eisers identiteit ongeloofwaardig gevonden. Eiser heeft kopieën van zijn paspoort, familieboekje en rijbewijs overgelegd. Verweerder heeft met behulp van deze documenten ook een laissez-passer (hierna: lp) aangevraagd. Daarnaast doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat verweerder bij een andere Marokkaanse asielzoeker die helemaal geen documenten had overgelegd wel zijn identiteit heeft gevolgd. Daarnaast heeft verweerder het asielrelaas van eiser op onjuiste wijze beoordeeld. Nu verweerder de geloofwaardigheid in het midden heeft gelaten, moet de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde feiten en omstandigheden worden aangenomen bij de beoordeling van de zwaarwegendheid. Maar uit het voornemen volgt dat verweerder toch de geloofwaardigheid heeft beoordeeld. Ook heeft verweerder geen rekening gehouden met eisers persoonlijke achtergrond, zijn leeftijd en kwetsbaarheid, zijn herkomst, en zijn sociale omgeving. Daarnaast heeft verweerder geen actuele landeninformatie betrokken bij de motivering dat er bescherming van de autoriteiten mogelijk is voor de specifieke problemen van eiser. Ook heeft verweerder nagelaten te beoordelen of de verkrachting aanleiding zou kunnen zijn om een verblijfsvergunning te verlenen op grond van het traumatabeleid. Tot slot heeft verweerder de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook dit verdraagt zich niet met het afdoen van de aanvraag op zwaarwegendheid, waarbij moet worden uitgegaan van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Geloofwaardigheid identiteit
5. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiser zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft geen originele identificerende documenten overgelegd en heeft ook geen goede verklaring gegeven waarom hij deze niet zou kunnen overleggen. Zijn rijbewijs zou ingenomen zijn door de Nederlandse politie, maar verweerder heeft dit niet terug kunnen zien in het dossier. Eisers identiteitskaart bevindt zich volgens hem in Marokko, maar niet is gebleken dat hij een poging heeft ondernomen om deze naar Nederland te laten sturen. Verder zou eiser documenten zijn kwijtgeraakt, maar is onduidelijk welke documenten dit zijn en is niet gebleken dat eiser stappen heeft ondernomen om nieuwe documenten te verkrijgen. Nu eiser geen goede verklaring heeft voor het ontbreken van originele identificerende documenten, heeft verweerder de overgelegde kopieën van zijn paspoort, familieboekje en rijbewijs onvoldoende kunnen vinden omdat deze niet op echtheid kunnen worden onderzocht.
5.1.
Dat verweerder met de overgelegde kopieën een lp-aanvraag heeft gedaan, maakt het oordeel niet anders. In het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas, is het aan eiser om zijn identiteit aannemelijk te maken. Dit heeft hij gelet op wat is overwogen in overweging 5 niet gedaan. Ook eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Door enkel een v-nummer te benoemen en te stellen dat die persoon volledig ongedocumenteerd is, is het beroep op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende onderbouwd. De rechtbank kan hiermee bijvoorbeeld niet controleren of deze andere persoon mogelijk wel een goede verklaring heeft gegeven waarom hij geen documenten kon overleggen.
De beoordeling van de gestelde problemen van eiser
6. Verweerder beoordeelt normaal gesproken eerst de geloofwaardigheid van de asielmotieven. Vervolgens worden de geloofwaardig gevonden asielmotieven verder getoetst op zwaarwegendheid. Verweerder beoordeelt dan of dat waar een asielzoeker voor vreest bij terugkeer naar zijn land van herkomst aannemelijk is op basis van zijn geloofwaardig gevonden asielmotieven. Als deze vrees aannemelijk is, beoordeelt verweerder of dat waar eiser voor vreest een daad van vervolging is of kwalificeert als ernstige schade. Wanneer op voorhand duidelijk is dat de verklaringen, als ze geloofwaardig zouden zijn, nooit zwaarwegend genoeg zijn om tot een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade te leiden, kan verweerder de geloofwaardigheid in het midden laten en alleen de zwaarwegendheid beoordelen. De verklaringen van de asielzoeker die verband houden met zijn asielmotieven vormen in dat geval het uitgangspunt van de beoordeling van de zwaarwegendheid van het asielrelaas. Verweerder kan hierbij geen onderscheid maken tussen verklaringen. Hij kan niet van een deel van de verklaringen de geloofwaardigheid in het midden laten en een ander deel van de verklaringen geloofwaardig of ongeloofwaardig vinden. Verder moet het er bij de rechterlijke toetsing voor worden gehouden dat verweerder de geloofwaardigheid van de door de asielzoeker gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen.
7. De rechtbank is, gelet op het in overweging 6 beschreven kader, van oordeel dat de beoordeling van verweerder van de zwaarwegendheid in het geval van eiser niet op de juiste wijze is verricht. Verweerder heeft in deze beoordeling ten onrechte vraagtekens gezet bij onderdelen van eisers verklaringen, terwijl verweerder alle feiten en omstandigheden zoals eiser daarover heeft verklaard als uitgangspunt had moeten nemen. Verweerder heeft daarom niet mogen tegenwerpen dat eiser zijn eigen mishandeling niet met documenten heeft onderbouwd. Ook heeft verweerder moeten uitgaan van eisers verklaring dat hij in 2017 aangifte heeft gedaan. Verweerder heeft daarnaast ten onrechte niet gevolgd dat de politie eiser niet zou willen helpen, omdat zijn vader hen had omgekocht. Verder heeft verweerder ten onrechte niet gevolgd dat eisers vader hem verantwoordelijk houdt voor familieproblemen, hem heeft bedreigd, en in Spanje personen op hem heeft afgestuurd. Ook heeft verweerder geen vraagtekens kunnen stellen bij de verklaringen van eiser over de verkrachtingen en de door hem gestelde tijdlijn. Daarbij heeft verweerder eiser ten onrechte tegengeworpen dat hij geen schermafbeelding van de beeldopnames van de verkrachting heeft overgelegd. Uitgaande van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen is er daarnaast ook sprake van eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade, wat een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van eiser voor vervolging gegrond is of het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Dit uitgangspunt ziet de rechtbank ook niet terug in de zwaarwegendheidsbeoordeling.
8. Verder heeft verweerder zonder onderbouwing gesteld dat het mogelijk is voor eiser om de bescherming van de Marokkaanse autoriteiten in te roepen. Het is in eerste instantie aan verweerder om op grond van landeninformatie te onderbouwen dat bescherming van de autoriteiten in het algemeen mogelijk is. Pas wanneer verweerder dit heeft onderbouwd, is het aan eiser om aannemelijk te maken dat een verzoek om bescherming bij de autoriteiten in zijn individuele geval zinloos of gevaarlijk is. Daarbij heeft eiser verklaard dat hij aangifte heeft gedaan en dat hier niets mee is gebeurd omdat zijn vader de politie omkoopt, en had verweerder deze verklaring als uitgangspunt moeten nemen.
9. Verweerder heeft, gelet op wat is overwogen in overweging 7 en 8, het bestreden besluit niet goed gemotiveerd. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en komt niet meer toe aan de beoordeling van de overige beroepsgronden. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen waarbij hij rekening houdt met deze uitspraak.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
10.1.
De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
10.2.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
10.3.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 16 mei 2026;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/de voorzieningenrechter:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 30b, eerste lid, onder e, f, en h van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) zoals dit artikel luidde op het moment van het bestreden besluit (per 12 juni 2026 is dit artikel gewijzigd in verband met de uitvoering en implementatie van het Europees asiel- en migratiepact).
Eiser verwijst hierbij naar ECLI:NL:RVS:2022:2333, r.o. 8.1. en 8.2.
Artikel 29, eerste lid, onder b van de Vw zoals dit artikel luidde op het moment van het bestreden besluit (per 12 juni 2026 is dit artikel gewijzigd in verband met de uitvoering en implementatie van het Europees asiel- en migratiepact) en paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc) zoals dit beleid luidde op het moment van het bestreden besluit (per 12 juni 2026 is ook de Vc gewijzigd en is het traumatabeleid afgeschaft).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333.
De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.28962 en NL26.28963
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Eiser heeft op 18 april 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 16 mei 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en Z. Agourram als tolk. Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting laten weten niet aanwezig te kunnen zijn.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2004. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Op jonge leeftijd is eiser door zijn vader en de familie van zijn vader zowel fysiek als psychisch mishandeld. Eisers vader heeft ook de moeder van eiser mishandeld. Eiser heeft in 2017 aangifte gedaan tegen zijn vader, maar de politie heeft hier niets mee gedaan. Daarnaast is eiser op 14-jarige leeftijd tweemaal door onbekende mannen verkracht. Drie maanden nadat eiser vertrokken is uit Marokko is een video van de verkrachting gepubliceerd op Facebook. Eiser vreest bij terugkeer naar Marokko dat zijn vader hem zal vermoorden, omdat zijn vader hem als de oorzaak ziet van de scheiding met eisers moeder en vanwege de verkrachting.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen van eiser met zijn familie.
Verweerder vindt de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De identiteit van eiser vindt verweerder daarentegen niet geloofwaardig. Eiser heeft geen oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven en heeft onvoldoende documenten overgelegd zonder goede verklaring hiervoor. De kopieën van de documenten die eiser heeft overgelegd, kunnen niet op echtheid worden onderzocht. Ook heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend. Eiser verblijft al sinds 2023 in Nederland en heeft pas in 2026 zijn asielaanvraag ingediend. Verder kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd, omdat uit zijn verklaringen is gebleken dat hij in verschillende Europese landen is geweest, waaronder België en Spanje, waar hij langere tijd heeft verbleven en gewerkt. In die landen heeft hij geen asielaanvraag ingediend. Dit doet afbreuk aan de gestelde beschermingsbehoefte van eiser.
Verweerder heeft de geloofwaardigheid van de problemen van eiser met zijn familie in het midden gelaten, omdat op voorhand duidelijk is dat eisers verklaringen niet zwaarwegend genoeg zijn om te leiden tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. De documenten die eiser heeft overgelegd wat betreft de gestelde mishandeling door zijn vader, hebben voornamelijk betrekking op zijn moeder en zijn onvoldoende om eisers eigen mishandeling te onderbouwen. Tegen de mishandeling door zijn vader kan eiser bescherming inroepen van de Marokkaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat de autoriteiten eiser niet willen of kunnen beschermen. Daarnaast heeft eiser geen documenten kunnen overleggen van de gestelde aangifte in 2017. Eisers stelling dat de politie hem niet zou willen helpen omdat zij zijn vader kennen en door hem worden omgekocht, volgt verweerder niet. De verklaringen van eiser dat zijn vader hem verantwoordelijk houdt voor familieproblemen en hem zou hebben bedreigd en ook in Spanje personen op hem af zou hebben gestuurd, berusten op indirecte informatie, vermoedens en niet-verifieerbare verklaringen. Verder passen de verklaringen van eiser over de gestelde verkrachtingen niet in de tijdlijn die hij heeft geschetst. Ook heeft eiser geen schermafbeeldingen van de beeldopnames van de verkrachting overgelegd, terwijl hij die wel zou hebben ontvangen.
Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat eiser bij terugkeer naar Marokko geen gegronde vrees voor vervolging heeft of reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond om drie redenen: eiser heeft verklaringen afgelegd die als kennelijk tegenstrijdig, inconsistent en wisselend worden aangemerkt, eiser heeft de aanvraag ingediend enkel om zijn uitzetting of overdracht uit te stellen of verijdelen, en eiser heeft niet onmiddellijk asiel aangevraagd op het moment dat dit mogelijk was.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Verweerder heeft ten onrechte eisers identiteit ongeloofwaardig gevonden. Eiser heeft kopieën van zijn paspoort, familieboekje en rijbewijs overgelegd. Verweerder heeft met behulp van deze documenten ook een laissez-passer (hierna: lp) aangevraagd. Daarnaast doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat verweerder bij een andere Marokkaanse asielzoeker die helemaal geen documenten had overgelegd wel zijn identiteit heeft gevolgd. Daarnaast heeft verweerder het asielrelaas van eiser op onjuiste wijze beoordeeld. Nu verweerder de geloofwaardigheid in het midden heeft gelaten, moet de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde feiten en omstandigheden worden aangenomen bij de beoordeling van de zwaarwegendheid. Maar uit het voornemen volgt dat verweerder toch de geloofwaardigheid heeft beoordeeld. Ook heeft verweerder geen rekening gehouden met eisers persoonlijke achtergrond, zijn leeftijd en kwetsbaarheid, zijn herkomst, en zijn sociale omgeving. Daarnaast heeft verweerder geen actuele landeninformatie betrokken bij de motivering dat er bescherming van de autoriteiten mogelijk is voor de specifieke problemen van eiser. Ook heeft verweerder nagelaten te beoordelen of de verkrachting aanleiding zou kunnen zijn om een verblijfsvergunning te verlenen op grond van het traumatabeleid. Tot slot heeft verweerder de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook dit verdraagt zich niet met het afdoen van de aanvraag op zwaarwegendheid, waarbij moet worden uitgegaan van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Geloofwaardigheid identiteit
5. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiser zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft geen originele identificerende documenten overgelegd en heeft ook geen goede verklaring gegeven waarom hij deze niet zou kunnen overleggen. Zijn rijbewijs zou ingenomen zijn door de Nederlandse politie, maar verweerder heeft dit niet terug kunnen zien in het dossier. Eisers identiteitskaart bevindt zich volgens hem in Marokko, maar niet is gebleken dat hij een poging heeft ondernomen om deze naar Nederland te laten sturen. Verder zou eiser documenten zijn kwijtgeraakt, maar is onduidelijk welke documenten dit zijn en is niet gebleken dat eiser stappen heeft ondernomen om nieuwe documenten te verkrijgen. Nu eiser geen goede verklaring heeft voor het ontbreken van originele identificerende documenten, heeft verweerder de overgelegde kopieën van zijn paspoort, familieboekje en rijbewijs onvoldoende kunnen vinden omdat deze niet op echtheid kunnen worden onderzocht.
5.1.
Dat verweerder met de overgelegde kopieën een lp-aanvraag heeft gedaan, maakt het oordeel niet anders. In het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas, is het aan eiser om zijn identiteit aannemelijk te maken. Dit heeft hij gelet op wat is overwogen in overweging 5 niet gedaan. Ook eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Door enkel een v-nummer te benoemen en te stellen dat die persoon volledig ongedocumenteerd is, is het beroep op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende onderbouwd. De rechtbank kan hiermee bijvoorbeeld niet controleren of deze andere persoon mogelijk wel een goede verklaring heeft gegeven waarom hij geen documenten kon overleggen.
De beoordeling van de gestelde problemen van eiser
6. Verweerder beoordeelt normaal gesproken eerst de geloofwaardigheid van de asielmotieven. Vervolgens worden de geloofwaardig gevonden asielmotieven verder getoetst op zwaarwegendheid. Verweerder beoordeelt dan of dat waar een asielzoeker voor vreest bij terugkeer naar zijn land van herkomst aannemelijk is op basis van zijn geloofwaardig gevonden asielmotieven. Als deze vrees aannemelijk is, beoordeelt verweerder of dat waar eiser voor vreest een daad van vervolging is of kwalificeert als ernstige schade. Wanneer op voorhand duidelijk is dat de verklaringen, als ze geloofwaardig zouden zijn, nooit zwaarwegend genoeg zijn om tot een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade te leiden, kan verweerder de geloofwaardigheid in het midden laten en alleen de zwaarwegendheid beoordelen. De verklaringen van de asielzoeker die verband houden met zijn asielmotieven vormen in dat geval het uitgangspunt van de beoordeling van de zwaarwegendheid van het asielrelaas. Verweerder kan hierbij geen onderscheid maken tussen verklaringen. Hij kan niet van een deel van de verklaringen de geloofwaardigheid in het midden laten en een ander deel van de verklaringen geloofwaardig of ongeloofwaardig vinden. Verder moet het er bij de rechterlijke toetsing voor worden gehouden dat verweerder de geloofwaardigheid van de door de asielzoeker gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen.
7. De rechtbank is, gelet op het in overweging 6 beschreven kader, van oordeel dat de beoordeling van verweerder van de zwaarwegendheid in het geval van eiser niet op de juiste wijze is verricht. Verweerder heeft in deze beoordeling ten onrechte vraagtekens gezet bij onderdelen van eisers verklaringen, terwijl verweerder alle feiten en omstandigheden zoals eiser daarover heeft verklaard als uitgangspunt had moeten nemen. Verweerder heeft daarom niet mogen tegenwerpen dat eiser zijn eigen mishandeling niet met documenten heeft onderbouwd. Ook heeft verweerder moeten uitgaan van eisers verklaring dat hij in 2017 aangifte heeft gedaan. Verweerder heeft daarnaast ten onrechte niet gevolgd dat de politie eiser niet zou willen helpen, omdat zijn vader hen had omgekocht. Verder heeft verweerder ten onrechte niet gevolgd dat eisers vader hem verantwoordelijk houdt voor familieproblemen, hem heeft bedreigd, en in Spanje personen op hem heeft afgestuurd. Ook heeft verweerder geen vraagtekens kunnen stellen bij de verklaringen van eiser over de verkrachtingen en de door hem gestelde tijdlijn. Daarbij heeft verweerder eiser ten onrechte tegengeworpen dat hij geen schermafbeelding van de beeldopnames van de verkrachting heeft overgelegd. Uitgaande van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen is er daarnaast ook sprake van eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade, wat een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van eiser voor vervolging gegrond is of het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Dit uitgangspunt ziet de rechtbank ook niet terug in de zwaarwegendheidsbeoordeling.
8. Verder heeft verweerder zonder onderbouwing gesteld dat het mogelijk is voor eiser om de bescherming van de Marokkaanse autoriteiten in te roepen. Het is in eerste instantie aan verweerder om op grond van landeninformatie te onderbouwen dat bescherming van de autoriteiten in het algemeen mogelijk is. Pas wanneer verweerder dit heeft onderbouwd, is het aan eiser om aannemelijk te maken dat een verzoek om bescherming bij de autoriteiten in zijn individuele geval zinloos of gevaarlijk is. Daarbij heeft eiser verklaard dat hij aangifte heeft gedaan en dat hier niets mee is gebeurd omdat zijn vader de politie omkoopt, en had verweerder deze verklaring als uitgangspunt moeten nemen.
9. Verweerder heeft, gelet op wat is overwogen in overweging 7 en 8, het bestreden besluit niet goed gemotiveerd. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en komt niet meer toe aan de beoordeling van de overige beroepsgronden. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen waarbij hij rekening houdt met deze uitspraak.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
10.1.
De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
10.2.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
10.3.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 16 mei 2026;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/de voorzieningenrechter:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 30b, eerste lid, onder e, f, en h van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) zoals dit artikel luidde op het moment van het bestreden besluit (per 12 juni 2026 is dit artikel gewijzigd in verband met de uitvoering en implementatie van het Europees asiel- en migratiepact).
Eiser verwijst hierbij naar ECLI:NL:RVS:2022:2333, r.o. 8.1. en 8.2.
Artikel 29, eerste lid, onder b van de Vw zoals dit artikel luidde op het moment van het bestreden besluit (per 12 juni 2026 is dit artikel gewijzigd in verband met de uitvoering en implementatie van het Europees asiel- en migratiepact) en paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc) zoals dit beleid luidde op het moment van het bestreden besluit (per 12 juni 2026 is ook de Vc gewijzigd en is het traumatabeleid afgeschaft).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333.
De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.