Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21148
2026-07-16
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.23472
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel Pakistan - eiser is al een tijdje niet gesignaleerd in de opvang en gemachtigde heeft geen contact meer met eiser - geen procesbelang - beroep niet-ontvankelijk.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2026:671 Raad van State 05-02-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.153 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23472
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 22 maart 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 21 april 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting laten weten niet aanwezig te kunnen zijn.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1986 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Als sympathisant van de politieke partij Pakistan Tehreek-e-Insaf (PTI) ging eiser sinds 2018 langs de deuren in zijn dorp om stemmen voor deze partij te werven. Ook nam eiser deel aan demonstraties. Vanwege deze activiteiten is eiser bedreigd door leden van de politieke partij Pakistan Muslim League-Nawaz (PML-N).
Het bestreden besluit
3. Verweerder vindt eisers nationaliteit, identiteit en herkomst geloofwaardig. Ook eisers politieke overtuiging is geloofwaardig volgens verweerder. De politieke activiteiten en daaruit voortvloeiende problemen met de PML-N vindt verweerder niet geloofwaardig. Ten eerste heeft eiser zijn deelname aan demonstraties niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast is het niet aannemelijk dat juist eiser in de negatieve aandacht van de PML-N stond. Eiser was geen lid van de PTI en ook niet prominent politiek actief. De enige politieke activiteit die eiser verrichtte was langs de deuren gaan in zijn eigen dorp om stemmen te winnen tijdens de verkiezingen. Uit het Algemeen Ambtsbericht (AAB) over Pakistan van juli 2024 volgt niet dat elke PTI-aanhanger actief wordt vervolgd of bedreigd. Ook heeft eiser ongerijmd en wisselend verklaard over de bedreigingen. Verder is het niet aannemelijk dat PML-N-leden recent bij eiser thuis langs zijn geweest en zijn moeder hebben mishandeld.
Vervolgens leidt eisers politieke overtuiging niet tot een gegronde vrees voor vervolging.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt dat zijn verklaringen over problemen met de PML-N wel geloofwaardig zijn. Uit landeninformatie blijkt dat de PTI de gedoodverfde tegenstander van de PML-N is en dat activiteiten voor de PTI tot negatieve belangstelling van leden en sympathisanten van de PML-N en van de autoriteiten zullen leiden. Het is aannemelijk dat eiser gelet op zijn activiteiten bekend is geworden als sympathisant van de PTI bij leden van de PML-N. Verweerder stelt in het bestreden besluit ook dat eiser deels gevolgd kan worden in zijn stelling dat hij door zijn activiteiten in het vizier van de tegenpartij is gekomen. Volgens verweerder zijn andere leden van de PTI in het dorp niet in de problemen gekomen, maar dat volgt niet uit de verklaringen van eiser. Verweerder heeft de deelname van eiser aan demonstraties ten onrechte niet aannemelijk gevonden. Verder stelt verweerder ten onrechte dat eiser zonder problemen kon weigeren om zich aan te sluiten bij de PML-N en dat het niet aannemelijk is dat eisers moeder mishandeld is. Tot slot heeft verweerder eisers referentiekader niet dan wel onvoldoende betrokken in de besluitvorming.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat hij van de gemeentelijke noodopvanglocatie heeft vernomen dat eiser al een tijdje niet gesignaleerd is in de opvang. De gemachtigde van eiser kon niet precies aangeven hoe lang eiser al niet meer gezien is bij de opvang, maar de medewerker van de noodopvanglocatie relateerde het aan de datum van het bestreden besluit op 21 april 2026. De gemachtigde van eiser heeft zelf sinds het instellen van het beroep, op 24 april 2026, geen contact meer gehad met eiser. Hij heeft tevergeefs geprobeerd contact op te nemen met eiser via eisers vrouw en zijn familie in Pakistan.
6. Uit de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in overweging 5 leidt de rechtbank af dat eiser niet langer bescherming in Nederland zoekt. Daarom heeft eiser geen belang bij de beoordeling van het beroep.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is niet-ontvankelijk.
8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:671.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23472
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 22 maart 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 21 april 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting laten weten niet aanwezig te kunnen zijn.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1986 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Als sympathisant van de politieke partij Pakistan Tehreek-e-Insaf (PTI) ging eiser sinds 2018 langs de deuren in zijn dorp om stemmen voor deze partij te werven. Ook nam eiser deel aan demonstraties. Vanwege deze activiteiten is eiser bedreigd door leden van de politieke partij Pakistan Muslim League-Nawaz (PML-N).
Het bestreden besluit
3. Verweerder vindt eisers nationaliteit, identiteit en herkomst geloofwaardig. Ook eisers politieke overtuiging is geloofwaardig volgens verweerder. De politieke activiteiten en daaruit voortvloeiende problemen met de PML-N vindt verweerder niet geloofwaardig. Ten eerste heeft eiser zijn deelname aan demonstraties niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast is het niet aannemelijk dat juist eiser in de negatieve aandacht van de PML-N stond. Eiser was geen lid van de PTI en ook niet prominent politiek actief. De enige politieke activiteit die eiser verrichtte was langs de deuren gaan in zijn eigen dorp om stemmen te winnen tijdens de verkiezingen. Uit het Algemeen Ambtsbericht (AAB) over Pakistan van juli 2024 volgt niet dat elke PTI-aanhanger actief wordt vervolgd of bedreigd. Ook heeft eiser ongerijmd en wisselend verklaard over de bedreigingen. Verder is het niet aannemelijk dat PML-N-leden recent bij eiser thuis langs zijn geweest en zijn moeder hebben mishandeld.
Vervolgens leidt eisers politieke overtuiging niet tot een gegronde vrees voor vervolging.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt dat zijn verklaringen over problemen met de PML-N wel geloofwaardig zijn. Uit landeninformatie blijkt dat de PTI de gedoodverfde tegenstander van de PML-N is en dat activiteiten voor de PTI tot negatieve belangstelling van leden en sympathisanten van de PML-N en van de autoriteiten zullen leiden. Het is aannemelijk dat eiser gelet op zijn activiteiten bekend is geworden als sympathisant van de PTI bij leden van de PML-N. Verweerder stelt in het bestreden besluit ook dat eiser deels gevolgd kan worden in zijn stelling dat hij door zijn activiteiten in het vizier van de tegenpartij is gekomen. Volgens verweerder zijn andere leden van de PTI in het dorp niet in de problemen gekomen, maar dat volgt niet uit de verklaringen van eiser. Verweerder heeft de deelname van eiser aan demonstraties ten onrechte niet aannemelijk gevonden. Verder stelt verweerder ten onrechte dat eiser zonder problemen kon weigeren om zich aan te sluiten bij de PML-N en dat het niet aannemelijk is dat eisers moeder mishandeld is. Tot slot heeft verweerder eisers referentiekader niet dan wel onvoldoende betrokken in de besluitvorming.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat hij van de gemeentelijke noodopvanglocatie heeft vernomen dat eiser al een tijdje niet gesignaleerd is in de opvang. De gemachtigde van eiser kon niet precies aangeven hoe lang eiser al niet meer gezien is bij de opvang, maar de medewerker van de noodopvanglocatie relateerde het aan de datum van het bestreden besluit op 21 april 2026. De gemachtigde van eiser heeft zelf sinds het instellen van het beroep, op 24 april 2026, geen contact meer gehad met eiser. Hij heeft tevergeefs geprobeerd contact op te nemen met eiser via eisers vrouw en zijn familie in Pakistan.
6. Uit de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in overweging 5 leidt de rechtbank af dat eiser niet langer bescherming in Nederland zoekt. Daarom heeft eiser geen belang bij de beoordeling van het beroep.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is niet-ontvankelijk.
8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:671.