Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21144
2026-04-21
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.50783 en NL25.50784
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Intrekking verblijfsvergunning verblijf bij familie- of gezinslid en afwijzing wijziging verblijfsdoel naar niet-tijdelijke humanitaire gronden - eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van huiselijk geweld - belangenafweging privéleven heeft verweerder in het nadeel kunnen laten uitvallen - beroep ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2024:876 Raad van State 04-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2022:1918 Raad van State 06-07-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:1918 Raad van State 06-07-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.302 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.50783 en NL25.59784 NL25.50784
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
mede namens zijn kinderen:
[kind 1]
, V-nummer: [v-nummer 2]
[kind 2]
, V-nummer: [v-nummer 3]
en [kind 3], V-nummer: [v-nummer 4]
(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.I. Latul).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en die van zijn kinderen en de afwijzing van zijn aanvraag voor het wijzigen van het doel van zijn verblijfsvergunning. Ook beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft de verblijfsvergunningen van eiser en zijn kinderen ingetrokken en de aanvraag tot het wijzigen van het verblijfsdoel afgewezen op 22 mei 2025. Met het bestreden besluit van 22 september 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de intrekking en de afwijzing gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 13 juli 2024 heeft eiser een verblijfsvergunning regulier met als doel verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] (hierna: referente) gekregen. Zijn kinderen hebben per dezelfde datum een van hem afhankelijke verblijfsvergunning gekregen.
2.1.
Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiser en zijn kinderen met terugwerkende kracht per 30 oktober 2024 ingetrokken, omdat referente aan verweerder heeft laten weten dat haar relatie met eiser op die datum is verbroken. Eisers aanvraag voor wijziging van zijn verblijfsdoel naar niet-tijdelijke humanitaire gronden, heeft verweerder afgewezen. Eiser heeft een beroep gedaan op het beleid voor slachtoffers van huiselijk geweld, maar hij heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is geweest van huiselijk geweld dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de relatie. Ook is niet gebleken van andere bijzondere individuele omstandigheden waaruit blijkt dat eiser en zijn kinderen blijvend op verblijf in Nederland zijn aangewezen. De weigering om aan eiser voortgezet verblijf in Nederland toe te staan en de intrekking van zijn verblijfsvergunning vormen volgens verweerder geen schending van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Niet gesteld of gebleken is van familie- of gezinsleven anders dan tussen eiser en zijn kinderen. Ook is geen sprake van een schending van het recht op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Hoewel eiser en zijn kinderen gedurende een aantal maanden in Nederland privéleven hebben opgebouwd, weegt het belang van de Nederlandse overheid zwaarder dan het belang van eiser en zijn kinderen om in Nederland te mogen blijven wonen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Verweerder heeft de verblijfsvergunningen van eiser en zijn kinderen ten onrechte met terugwerkende kracht ingetrokken. Dat de relatie verbroken is, impliceert niet dat sprake was van een schijnrelatie. Ook is het enkele gegeven dat eiser de gewijzigde omstandigheden niet zelf heeft doorgegeven geen frauduleuze omstandigheid op grond waarvan het verblijf met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken en een terugkeerbesluit kan worden opgelegd. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte de aanvraag voor het wijzigen van het verblijfsdoel naar niet-tijdelijke humanitaire gronden afgewezen. De relatie van eiser met referente is beëindigd als gevolg van huiselijk geweld dat zij richting de minderjarige kinderen van eiser heeft gepleegd. Eiser en zijn kinderen kunnen niet de schuld krijgen van het beëindigen van de relatie, omdat eiser zijn relatie moest beëindigen om de belangen van zijn kinderen te beschermen. Verweerder overweegt ten onrechte dat de staat van de woning en de krappe leefomstandigheden mogelijke verklaringen zijn voor de behandeling waaraan eisers kinderen zijn blootgesteld. Dit is ook in strijd met artikel 19 van het IVRK, op grond waarvan landen passende maatregelen moeten nemen om kinderen te beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld. Verder is de beëindiging van het verblijfsrecht een inbreuk op het recht van eiser en zijn kinderen om hun familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM in Nederland uit te oefenen. Het besluit is ook in strijd met het recht van eiser en zijn kinderen op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft geen evenwichtige belangenafweging gemaakt. Het besluit is ook in strijd met artikel 16 van het IVRK, op grond waarvan minderjarige kinderen recht hebben op bescherming tegen inmenging in hun privé- en gezinsleven, en met artikel 3 van het IVRK omdat de belangen van de minderjarige kinderen ten onrechte niet zijn betrokken bij de belangenafweging. Tot slot heeft verweerder eiser en zijn kinderen ten onrechte niet gehoord.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Intrekking van de verblijfsvergunning
4. Op de zitting is gebleken dat de intrekking van de verblijfsvergunning met als verblijfsdoel verblijf als familie- of gezinslid bij referente niet langer in geschil is.
Afwijzing verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk
5. Verweerder kan een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden verlenen vanwege bijzondere individuele omstandigheden na verblijf als familie- of gezinslid. Bijzondere individuele omstandigheden kunnen onder andere gelegen zijn in aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie. De bewijslast ligt bij eiser om aannemelijk te maken dat huiselijk geweld binnen de familie heeft geleid tot feitelijke verbreking van de relatie. Verweerder beschouwt als bewijsmiddel van huiselijk geweld:
recente bescheiden van de politie, zoals een aangifte of een melding huiselijk geweld; of
een recente verklaring van de politie of het OM dat het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld.
Bij deze bewijsmiddelen dient ook recente medische informatie van de (vertrouwens)arts of een recente verklaring van een andere hulpverlener of recente gegevens over verblijf in de opvang of andere objectieve gegevens uit betrouwbare bron te worden overgelegd, waaruit voldoende moet blijken dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden.
5.1.
Hoewel eiser aangifte heeft gedaan van huiselijk geweld bij de politie heeft verweerder hierin onvoldoende bewijs van het gestelde huiselijk geweld mogen zien. Een aangifte is immers niet meer dan een weergave van hetgeen aangever bij de politie heeft verklaard. Verweerder mag hiernaast objectieve onderbouwing verwachten van het gestelde huiselijk geweld. De politie heeft besloten om de zaak niet verder te onderzoeken omdat een andere niet-strafrechtelijke oplossing beter bij eisers zaak past. Ook is de aangifte niet verder ondersteund door andere bewijsmiddelen waaruit blijkt dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. Eiser heeft een video getoond aan de politie waarop te zien is dat referente tegen één van zijn kinderen schreeuwt, maar dit onderbouwt niet dat sprake is geweest van een patroon van huiselijk geweld dat geleid heeft tot de verbreking van de relatie. De politie heeft een melding gedaan bij Veilig Thuis voor eiser en één van zijn kinderen, maar uit de brieven van Veilig Thuis blijkt dat zij hierin geen indicatie hebben gezien voor verdere inzet vanuit Veilig Thuis. Veilig Thuis heeft eiser doorverwezen naar het wijkteam, maar eiser heeft geen stukken overgelegd waarmee eventuele hulpverlening door het wijkteam onderbouwd is. Veilig Thuis heeft zich daarnaast ook niet uitgelaten over (de aannemelijkheid van) het gestelde huiselijk geweld. Verder heeft verweerder kunnen overwegen dat hoewel eiser en zijn kinderen begeleid worden door de praktijkondersteuner van de huisarts, niet duidelijk is wat deze begeleiding precies inhoudt en waarom het wordt verleend. Het verband tussen de psychische ondersteuning van de praktijkondersteuner en het gestelde huiselijk geweld is dus niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder op grond van de overgelegde stukken heeft kunnen concluderen dat eisers kinderen weliswaar vervelende dingen hebben meegemaakt met referente, maar dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van huiselijk geweld.
6. Eisers beroepsgrond dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 19 van het IVRK slaagt niet. Nog los van de vraag of artikel 19 van het IVRK rechtstreekse werking heeft, is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van huiselijk geweld tegen de kinderen.
Artikel 8 van het EVRM
7. Verweerder heeft kunnen concluderen dat niet is gebleken van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM anders dan tussen eiser en zijn kinderen. Nu zij allemaal geen verblijfsvergunning krijgen en terug moeten keren naar Suriname, is er geen sprake van scheiding van de gezinsleden.
8. Verweerder heeft de belangenafweging in het kader van het privéleven in het nadeel van eiser en zijn kinderen kunnen laten uitvallen. Verweerder heeft in eisers nadeel kunnen wegen dat hij 44 jaar in Suriname heeft gewoond en korter dan één jaar rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland, en heeft gelet hierop kunnen aannemen dat eiser sterkere banden met Suriname heeft dan met Nederland. Daarnaast heeft verweerder de belangen van de kinderen voldoende betrokken in zijn belangenafweging. Eisers kinderen zijn ook geboren en getogen in Suriname en hebben relatief kort (rechtmatig) verblijf gehad in Nederland. Daarbij heeft verweerder kunnen overwegen dat er geen reden is om aan te nemen dat begeleiding zoals de kinderen die in Nederland ontvangen van de praktijkondersteuner van de huisarts, niet mogelijk zou zijn in Suriname. Verweerder kan gelet hierop verwachten dat eiser en zijn kinderen weer in Suriname kunnen gaan wonen en daar hun leven (weer) kunnen opbouwen. Eisers beroepsgrond dat de beëindiging van het verblijf niet gerechtvaardigd is in het economisch belang omdat hij nooit een beroep heeft gedaan op publieke middelen, slaagt niet. Het belang van de Nederlandse staat bestaat ook uit het belang van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid, en ziet op meer dan alleen het belang van de Nederlandse economie in de vorm van uitkeringen uit de openbare kas. Ook kan bijvoorbeeld relevant zijn in hoeverre eiser en zijn kinderen in Nederland aanspraak zullen maken op al dan niet schaarse onderdelen van de maatschappelijke infrastructuur, zoals woningen of zorg.
9. Gelet op wat onder 7 en 8 is overwogen is niet gebleken van een willekeurige of onrechtmatige inmenging in het privé- en gezinsleven van de kinderen van eiser waardoor het besluit in strijd zou zijn met artikel 16 van het IVRK.
Hoorplicht
10. Het uitgangspunt is dat belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om te worden gehoord, voordat verweerder op het bezwaar beslist. Dit uitgangspunt geldt te meer in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. Daaronder vallen onder meer zaken waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt. Verweerder kan, onder andere, afzien van horen wanneer het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer iemand nalaat zijn bezwaar te motiveren of in het bezwaarschrift alleen maar een herhaling van zetten geeft.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren en heeft kunnen afzien van horen. In bezwaar heeft eiser geen nieuwe stukken overgelegd ten opzichte van de aanvraagfase en ook geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht. Het betoog van de gemachtigde van eiser ter zitting dat uit het IVRK volgt dat ieder kind individueel gehoord moet worden, slaagt niet omdat zowel in bezwaar als in beroep geen individuele belangen van de kinderen naar voren zijn gebracht.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
12. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
13. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
Deze hersteluitspraak vervangt de inhoud van de uitspraak van 21 april 2026. De uitspraakdatum blijft ongewijzigd. De hersteluitspraak is in het openbaar gedaan, ondertekend en bekend gemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Verdrag inzake de rechten van het kind.
Artikel 3.51, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb) in samenhang met artikel 3.24aa, tweede lid, onder c, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: het VV).
Paragraaf B9/11 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc).
Paragraaf B9/20.2 van de Vc.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:876, r.o. 2.
Zie artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 5.
Zie artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 5.1.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.50783 en NL25.59784 NL25.50784
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
mede namens zijn kinderen:
[kind 1]
, V-nummer: [v-nummer 2]
[kind 2]
, V-nummer: [v-nummer 3]
en [kind 3], V-nummer: [v-nummer 4]
(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.I. Latul).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en die van zijn kinderen en de afwijzing van zijn aanvraag voor het wijzigen van het doel van zijn verblijfsvergunning. Ook beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft de verblijfsvergunningen van eiser en zijn kinderen ingetrokken en de aanvraag tot het wijzigen van het verblijfsdoel afgewezen op 22 mei 2025. Met het bestreden besluit van 22 september 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de intrekking en de afwijzing gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 13 juli 2024 heeft eiser een verblijfsvergunning regulier met als doel verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] (hierna: referente) gekregen. Zijn kinderen hebben per dezelfde datum een van hem afhankelijke verblijfsvergunning gekregen.
2.1.
Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiser en zijn kinderen met terugwerkende kracht per 30 oktober 2024 ingetrokken, omdat referente aan verweerder heeft laten weten dat haar relatie met eiser op die datum is verbroken. Eisers aanvraag voor wijziging van zijn verblijfsdoel naar niet-tijdelijke humanitaire gronden, heeft verweerder afgewezen. Eiser heeft een beroep gedaan op het beleid voor slachtoffers van huiselijk geweld, maar hij heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is geweest van huiselijk geweld dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de relatie. Ook is niet gebleken van andere bijzondere individuele omstandigheden waaruit blijkt dat eiser en zijn kinderen blijvend op verblijf in Nederland zijn aangewezen. De weigering om aan eiser voortgezet verblijf in Nederland toe te staan en de intrekking van zijn verblijfsvergunning vormen volgens verweerder geen schending van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Niet gesteld of gebleken is van familie- of gezinsleven anders dan tussen eiser en zijn kinderen. Ook is geen sprake van een schending van het recht op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Hoewel eiser en zijn kinderen gedurende een aantal maanden in Nederland privéleven hebben opgebouwd, weegt het belang van de Nederlandse overheid zwaarder dan het belang van eiser en zijn kinderen om in Nederland te mogen blijven wonen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Verweerder heeft de verblijfsvergunningen van eiser en zijn kinderen ten onrechte met terugwerkende kracht ingetrokken. Dat de relatie verbroken is, impliceert niet dat sprake was van een schijnrelatie. Ook is het enkele gegeven dat eiser de gewijzigde omstandigheden niet zelf heeft doorgegeven geen frauduleuze omstandigheid op grond waarvan het verblijf met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken en een terugkeerbesluit kan worden opgelegd. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte de aanvraag voor het wijzigen van het verblijfsdoel naar niet-tijdelijke humanitaire gronden afgewezen. De relatie van eiser met referente is beëindigd als gevolg van huiselijk geweld dat zij richting de minderjarige kinderen van eiser heeft gepleegd. Eiser en zijn kinderen kunnen niet de schuld krijgen van het beëindigen van de relatie, omdat eiser zijn relatie moest beëindigen om de belangen van zijn kinderen te beschermen. Verweerder overweegt ten onrechte dat de staat van de woning en de krappe leefomstandigheden mogelijke verklaringen zijn voor de behandeling waaraan eisers kinderen zijn blootgesteld. Dit is ook in strijd met artikel 19 van het IVRK, op grond waarvan landen passende maatregelen moeten nemen om kinderen te beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld. Verder is de beëindiging van het verblijfsrecht een inbreuk op het recht van eiser en zijn kinderen om hun familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM in Nederland uit te oefenen. Het besluit is ook in strijd met het recht van eiser en zijn kinderen op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft geen evenwichtige belangenafweging gemaakt. Het besluit is ook in strijd met artikel 16 van het IVRK, op grond waarvan minderjarige kinderen recht hebben op bescherming tegen inmenging in hun privé- en gezinsleven, en met artikel 3 van het IVRK omdat de belangen van de minderjarige kinderen ten onrechte niet zijn betrokken bij de belangenafweging. Tot slot heeft verweerder eiser en zijn kinderen ten onrechte niet gehoord.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Intrekking van de verblijfsvergunning
4. Op de zitting is gebleken dat de intrekking van de verblijfsvergunning met als verblijfsdoel verblijf als familie- of gezinslid bij referente niet langer in geschil is.
Afwijzing verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk
5. Verweerder kan een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden verlenen vanwege bijzondere individuele omstandigheden na verblijf als familie- of gezinslid. Bijzondere individuele omstandigheden kunnen onder andere gelegen zijn in aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie. De bewijslast ligt bij eiser om aannemelijk te maken dat huiselijk geweld binnen de familie heeft geleid tot feitelijke verbreking van de relatie. Verweerder beschouwt als bewijsmiddel van huiselijk geweld:
recente bescheiden van de politie, zoals een aangifte of een melding huiselijk geweld; of
een recente verklaring van de politie of het OM dat het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld.
Bij deze bewijsmiddelen dient ook recente medische informatie van de (vertrouwens)arts of een recente verklaring van een andere hulpverlener of recente gegevens over verblijf in de opvang of andere objectieve gegevens uit betrouwbare bron te worden overgelegd, waaruit voldoende moet blijken dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden.
5.1.
Hoewel eiser aangifte heeft gedaan van huiselijk geweld bij de politie heeft verweerder hierin onvoldoende bewijs van het gestelde huiselijk geweld mogen zien. Een aangifte is immers niet meer dan een weergave van hetgeen aangever bij de politie heeft verklaard. Verweerder mag hiernaast objectieve onderbouwing verwachten van het gestelde huiselijk geweld. De politie heeft besloten om de zaak niet verder te onderzoeken omdat een andere niet-strafrechtelijke oplossing beter bij eisers zaak past. Ook is de aangifte niet verder ondersteund door andere bewijsmiddelen waaruit blijkt dat het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. Eiser heeft een video getoond aan de politie waarop te zien is dat referente tegen één van zijn kinderen schreeuwt, maar dit onderbouwt niet dat sprake is geweest van een patroon van huiselijk geweld dat geleid heeft tot de verbreking van de relatie. De politie heeft een melding gedaan bij Veilig Thuis voor eiser en één van zijn kinderen, maar uit de brieven van Veilig Thuis blijkt dat zij hierin geen indicatie hebben gezien voor verdere inzet vanuit Veilig Thuis. Veilig Thuis heeft eiser doorverwezen naar het wijkteam, maar eiser heeft geen stukken overgelegd waarmee eventuele hulpverlening door het wijkteam onderbouwd is. Veilig Thuis heeft zich daarnaast ook niet uitgelaten over (de aannemelijkheid van) het gestelde huiselijk geweld. Verder heeft verweerder kunnen overwegen dat hoewel eiser en zijn kinderen begeleid worden door de praktijkondersteuner van de huisarts, niet duidelijk is wat deze begeleiding precies inhoudt en waarom het wordt verleend. Het verband tussen de psychische ondersteuning van de praktijkondersteuner en het gestelde huiselijk geweld is dus niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder op grond van de overgelegde stukken heeft kunnen concluderen dat eisers kinderen weliswaar vervelende dingen hebben meegemaakt met referente, maar dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van huiselijk geweld.
6. Eisers beroepsgrond dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 19 van het IVRK slaagt niet. Nog los van de vraag of artikel 19 van het IVRK rechtstreekse werking heeft, is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van huiselijk geweld tegen de kinderen.
Artikel 8 van het EVRM
7. Verweerder heeft kunnen concluderen dat niet is gebleken van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM anders dan tussen eiser en zijn kinderen. Nu zij allemaal geen verblijfsvergunning krijgen en terug moeten keren naar Suriname, is er geen sprake van scheiding van de gezinsleden.
8. Verweerder heeft de belangenafweging in het kader van het privéleven in het nadeel van eiser en zijn kinderen kunnen laten uitvallen. Verweerder heeft in eisers nadeel kunnen wegen dat hij 44 jaar in Suriname heeft gewoond en korter dan één jaar rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland, en heeft gelet hierop kunnen aannemen dat eiser sterkere banden met Suriname heeft dan met Nederland. Daarnaast heeft verweerder de belangen van de kinderen voldoende betrokken in zijn belangenafweging. Eisers kinderen zijn ook geboren en getogen in Suriname en hebben relatief kort (rechtmatig) verblijf gehad in Nederland. Daarbij heeft verweerder kunnen overwegen dat er geen reden is om aan te nemen dat begeleiding zoals de kinderen die in Nederland ontvangen van de praktijkondersteuner van de huisarts, niet mogelijk zou zijn in Suriname. Verweerder kan gelet hierop verwachten dat eiser en zijn kinderen weer in Suriname kunnen gaan wonen en daar hun leven (weer) kunnen opbouwen. Eisers beroepsgrond dat de beëindiging van het verblijf niet gerechtvaardigd is in het economisch belang omdat hij nooit een beroep heeft gedaan op publieke middelen, slaagt niet. Het belang van de Nederlandse staat bestaat ook uit het belang van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid, en ziet op meer dan alleen het belang van de Nederlandse economie in de vorm van uitkeringen uit de openbare kas. Ook kan bijvoorbeeld relevant zijn in hoeverre eiser en zijn kinderen in Nederland aanspraak zullen maken op al dan niet schaarse onderdelen van de maatschappelijke infrastructuur, zoals woningen of zorg.
9. Gelet op wat onder 7 en 8 is overwogen is niet gebleken van een willekeurige of onrechtmatige inmenging in het privé- en gezinsleven van de kinderen van eiser waardoor het besluit in strijd zou zijn met artikel 16 van het IVRK.
Hoorplicht
10. Het uitgangspunt is dat belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om te worden gehoord, voordat verweerder op het bezwaar beslist. Dit uitgangspunt geldt te meer in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. Daaronder vallen onder meer zaken waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt. Verweerder kan, onder andere, afzien van horen wanneer het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer iemand nalaat zijn bezwaar te motiveren of in het bezwaarschrift alleen maar een herhaling van zetten geeft.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren en heeft kunnen afzien van horen. In bezwaar heeft eiser geen nieuwe stukken overgelegd ten opzichte van de aanvraagfase en ook geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht. Het betoog van de gemachtigde van eiser ter zitting dat uit het IVRK volgt dat ieder kind individueel gehoord moet worden, slaagt niet omdat zowel in bezwaar als in beroep geen individuele belangen van de kinderen naar voren zijn gebracht.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
12. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
13. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
Deze hersteluitspraak vervangt de inhoud van de uitspraak van 21 april 2026. De uitspraakdatum blijft ongewijzigd. De hersteluitspraak is in het openbaar gedaan, ondertekend en bekend gemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Verdrag inzake de rechten van het kind.
Artikel 3.51, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb) in samenhang met artikel 3.24aa, tweede lid, onder c, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: het VV).
Paragraaf B9/11 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc).
Paragraaf B9/20.2 van de Vc.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:876, r.o. 2.
Zie artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 5.
Zie artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 5.1.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.