Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21143

2026-06-23 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.51372
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-23
Publicatiedatum
2026-07-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.51372
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ingangsdatum EU-verblijfsrecht - beroep gegrond - de rechtbank stelt zelf de feitelijke ingangsdatum vast.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.534 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: NL25.51372


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Latul).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om aan hem een nieuw verblijfsdocument te verlenen met een eerdere ingangsdatum.



1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 18 juni 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.3.
De rechtbank heeft verweerder verzocht om een verweerschrift in te dienen. In reactie hierop heeft verweerder verzocht om een termijn om een aanvullend dan wel vervangend besluit te nemen. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen. Op 1 april 2026 heeft verweerder het bestreden besluit van 3 oktober 2025 ingetrokken en een nieuw besluit genomen. Het beroep heeft van rechtswege ook betrekking op het vervangende besluit van 1 april 2026.



1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.




Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



2. Bij besluit van 27 maart 2025 heeft verweerder vastgesteld dat eiser voldoet aan de voorwaarden voor afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw), waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Op 24 april 2025 heeft eiser verweerder verzocht om een nieuw verblijfsdocument aan hem te verlenen met als ingangsdatum van het verblijfsrecht 19 augustus 2019. In het primaire besluit van 18 juni 2025 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat de ingangsdatum van het verblijfsdocument niet gelijkstaat aan de ingangsdatum van het verblijfsrecht en het verblijfsdocument enkel een reeds bestaand recht bevestigt dat van rechtswege is ontstaan. In het bestreden besluit van 3 oktober 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard, omdat er geen sprake was van een lopende verblijfsrechtelijke procedure waarvoor het van belang was om een eerdere ingangsdatum vast te stellen. In het besluit van 1 april 2026 heeft verweerder het bestreden besluit van 3 oktober 2025 ingetrokken. Verweerder heeft het bezwaar gegrond verklaard, voor zover in bezwaar is verzocht om het vaststellen van de ingangsdatum van het EU-verblijfsrecht. De ingangsdatum van het EU-verblijfsrecht heeft verweerder vastgesteld op 19 juni 2023, omdat vanaf dat moment voldoende waarschijnlijk is gemaakt dat sprake is van een oprechte relatie met een EU-burger. Het bezwaar voor zover gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om een nieuw verblijfsdocument, heeft verweerder ongegrond verklaard. Verweerder heeft geen proceskostenvergoeding voor het bezwaar toegekend, omdat de afwijzing in het primaire besluit van het verzoek om een nieuw verblijfsdocument niet is teruggedraaid. Eiser heeft pas in bezwaar verzocht om vaststelling van de ingangsdatum van het EU-recht.



Wat vindt eiser in beroep?



3. Tegen het bestreden besluit van 3 oktober 2025 heeft eiser aangevoerd dat verweerder gehouden is om desgevraagd vast te stellen met ingang van welke datum het EU-verblijfsrecht bestaat. Tegen het vervangende besluit van 1 april 2026 heeft eiser aangevoerd dat verweerder de ingangsdatum ten onrechte heeft vastgesteld op 19 juni 2023. Primair vindt eiser dat de ingangsdatum op 19 augustus 2019 moet worden vastgesteld, de datum van zijn eerste aanvraag. Subsidiair verzoekt eiser de rechtbank om de ingangsdatum vast te stellen op 1 september 2022. De redenering van verweerder volgend is dat namelijk de eerste aanvraag die is ingewilligd. Verder is eiser van mening dat verweerder het verzoek om een proceskostenvergoeding in bezwaar ten onrechte heeft afgewezen. De aanvraag moet gezien worden als een verzoek tot vaststelling van de ingangsdatum, waardoor verweerder in het primaire besluit al had moeten ingaan op de ingangsdatum van het verblijfsrecht.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



4. Verweerder heeft het besluit van 3 oktober 2025 ingetrokken. Dat betekent in beginsel dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van het tegen dit besluit gerichte beroep. Daarom is het beroep tegen het besluit van 3 oktober 2025 niet-ontvankelijk. Omdat het beroep wel terecht was ingediend, zal de rechtbank hiervoor wel een proceskostenvergoeding toekennen.

5. Tussen eiser en verweerder is in geschil wat de ingangsdatum van eisers EU-verblijfsrecht is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat verweerder niet bevoegd is om de ingangsdatum van een afgeleid verblijfsrecht op verzoek van een vreemdeling vast te stellen, maar dat verweerder wel gehouden is om desgevraagd vast te stellen met ingang van welke datum een afgeleid verblijfsrecht feitelijk bestaat. Wanneer de vreemdeling niet aannemelijk kan maken dat het verblijfsrecht al eerder bestond dan de datum waarop hij de aanvraag heeft ingediend, mag verweerder bij deze feitelijke vaststelling uitgaan van de datum waarop een vreemdeling te kennen heeft gegeven dat hij een afgeleid verblijfsrecht aan het Unierecht ontleent.


5.1.
Het primaire standpunt van eiser dat de ingangsdatum moet worden vastgesteld op 19 augustus 2019, volgt de rechtbank niet. Eisers aanvraag van 19 augustus 2019 is afgewezen omdat sprake was van een schijnrelatie en dit besluit is in beroep en hoger beroep bevestigd.



5.2.
De rechtbank volgt eiser wel in zijn subsidiaire standpunt dat de ingangsdatum moet worden vastgesteld op 1 september 2022. Het standpunt van verweerder dat de eerste positieve beslissing is genomen op basis van de aanvraag van 19 juni 2023 en 26 januari 2024, is onjuist. Op 30 januari 2025 heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten van verweerder van 26 januari 2024 en 31 mei 2024 op de aanvragen van eiser van 1 september 2022 en 19 juni 2023, gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd. Daarmee zijn dus de bezwaarprocedures van eiser met betrekking tot zijn aanvragen van 1 september 2022 en 19 juni 2023 opengevallen. In het besluit van 27 maart 2025 heeft verweerder op alle nog openstaande bezwaarprocedures beslist en vastgesteld dat eiser aan de voorwaarden van het EU-verblijfsrecht voldoet. De aanvraag van 1 september 2022 moet daarom worden aangemerkt als de eerste aanvraag waarop een positieve beslissing is genomen.


6. Verder is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag van eiser redelijkerwijs niet anders kan worden gelezen dan een verzoek om het vaststellen van de ingangsdatum van zijn verblijfsrecht. Hoewel eiser heeft verzocht om aan hem een nieuw verblijfsdocument te verlenen, heeft hij verzocht dit te doen ‘met als ingangsdatum van het verblijfsrecht 19 augustus 2019’. Ook heeft eiser in zijn aanvraag opgenomen dat hij meent dat er al op een veel eerder moment sprake was van rechtmatig verblijf. De stelling van verweerder dat eiser pas in bezwaar heeft gevraagd om vaststelling van de ingangsdatum van het EU-recht en dat hij in zijn aanvraag alleen heeft gevraagd om een nieuw pasje, volgt de rechtbank daarom niet en getuigt van een te formalistische opvatting van de aanvraag.





Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Ook herroept de rechtbank het primaire besluit omdat daarin ten onrechte geen ingangsdatum is vastgesteld.

8. De rechtbank neemt nu zelf een beslissing en stelt vast dat het EU-verblijfsrecht van eiser feitelijk bestaat met ingang van 1 september 2022.

8.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.534,-.






Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het besluit van 3 oktober 2025;


verklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen het besluit van 1 april 2026;


vernietigt het besluit van 1 april 2026;


herroept het primaire besluit van 18 juni 2025;


stelt vast dat het EU-verblijfsrecht van eiser feitelijk bestaat met ingang van 1 september 2022 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;


bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.534,-.







Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Dat volgt uit artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).


Artikel 8:57 van de Awb maakt dat mogelijk.


Eiser heeft hierbij gewezen op Informatiebericht 2024/52 (inmiddels vervangen door IB 2025/49) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2540.


Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2540, r.o. 4 tot en met 4.3.


ECLI:NL:RBDHA:2025:1414 en ECLI:NL:RBDHA:2025:1412.


Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.


In beroep: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het indienen van aanvullende gronden tegen het vervangende besluit met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. In bezwaar: 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor 1.