Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21118

2026-07-16 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.37344
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-16
Publicatiedatum
2026-07-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.37344
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Artikel 59 (AMP) / gronden niet bestreden / verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom er geen risico is op non-refoulement / rechtmatig TKB ten grondslag / voldoende voortvaarendheid / ongegrond

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.229 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.37344


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H. Loth),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).



Procesverloop


1. Met het bestreden besluit van 4 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



1.2.
Verweerder heeft op 10 juli 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven.



1.3.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 14 juli 2026 gesloten.





Beoordeling door de rechtbank

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de oplegging of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure
ontwijkt of belemmert.


3.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;n. zich niet heeft gehouden aan een hem opgelegde maatregel ter beperking van beweging van de vrijheid, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4. De gemachtigde van eiser voert aan dat in het gehoor voorafgaand aan de maatregel onvoldoende is doorgevraagd naar wat eiser kan verwachten bij terugkeer naar Tunesië. Ter ondersteuning wordt verwezen naar een arrest van 4 september 2025 van het Hof. Eiser heeft tweemaal eerder asiel aangevraagd en het non-refoulementbeginsel is niet geactualiseerd. Uit de maatregel volgt ook niet dat er zorgvuldig onderzoek is gedaan. Ter ondersteuning wordt verwezen naar een uitspraak van de Afdeling. Voorts kunnen de terugkeerbesluiten niet ten grondslag worden gelegd aan de maatregel van bewaring wat maakt dat de maatregel onrechtmatig is. Daarbij is ook beroep ingesteld tegen de meeromvattende beschikking van 25 december 2025 waarin ook het terugkeerbesluit is opgenomen. Uit het dossier blijkt ook niet op welk tijdstip eiser is aangekomen op het detentiecentrum Rotterdam. Ook blijkt niet welke uitzettingshandelingen zijn verricht, aldus eiser.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

6. Allereerst wordt vastgesteld dat de gronden waarop de maatregel berust niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gronden en de daarbij gegeven motivering in onderlinge samenhang bezien reeds voldoende om aan te nemen dat een risico op onderduiken bestaat en deze gronden kunnen de maatregel dan ook dragen.

7. Ten aanzien van het standpunt van de gemachtigde van eiser dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar het non-refoulementrisico, merkt de rechtbank het volgende op. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringsstelling is door verweerder specifiek gevraagd of eiser bij terugkeer naar Tunesië heeft te vrezen voor vervolging en of onmenselijke/vernederende behandeling. Eiser heeft toen verklaard dat hij niet terug wil naar Tunesië omdat hij problemen heeft met de overheid omdat hij alimentatie moet betalen voor zijn vader. In hetzelfde gehoor heeft eiser ook verklaard dat er ten aanzien van zijn eerdere asielaanvragen geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn die maken dat hij niet uitgezet kan worden naar Tunesië. In het licht hiervan heeft verweerder voldaan aan zijn onderzoeksplicht en slaagt het betoog van eiser niet. Nu door eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd heeft verweerder in het bestreden besluit bovendien kunnen volstaan met een verwijzing naar de refoulement beoordeling in de eerdere afwijzing van een asielaanvraag. De rechtbank merkt nog op dat eiser in het vertrekgesprek van 8 juli 2026 heeft aangegeven dat als hij financiële hulp krijgt bij zijn vertrek hij wel terug kan. Ook loopt hij volgens zijn eigen verklaringen geen gevaar in Tunesië en mist hij zijn land en moeder.

8. Anders dan de gemachtigde van eiser stelt is de rechtbank van oordeel dat er een rechtmatig terugkeerbesluit ten grondslag ligt aan de maatregel. Weliswaar is door eiser beroep ingesteld tegen het besluit van 5 december 2026, maar dit beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Hiermee is het terugkeerbesluit in rechte vast komen te staan. Daarbij heeft eiser ook niet voldaan aan zijn verplichting om Nederland te verlaten.

9. Uit het processtuk “Uitboeken arrestant” blijkt dat eiser op 4 juli 2026 om 16:15 uur is uitgeplaatst. De maatregel is op 4 juli 2026 om 14:25 uur opgelegd wat maakt dat de uitplaatsing binnen 24 uur heeft plaatsgevonden.

10. In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat door de regievoerder op 6 juli 2026 aan het Openbaar Ministerie is verzocht om toestemming om eiser uit te zetten. Op 8 juli 2026 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden en op 9 juli 2026 is een vluchtaanvraag verzonden. Vervolgens heeft verweerder op 10 juli 2026 een strafvonnis ontvangen waaruit volgt dat eiser nog 21 dagen gevangenisstraf heeft uitstaan. Verweerder heeft naar aanleiding hiervan de vluchtaanvraag geannuleerd en de maatregel van bewaring opgeheven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld tot de opheffing van de maatregel.

11. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.








Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.


Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.