Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21113

2026-07-01 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.44454
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-01
Publicatiedatum
2026-07-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.44454
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aanvraag afgifte mvv met als doel 'verblijf als familie- of gezinslid', Beroep ongegrond; Verweerder heeft voldoende uitgelegd dat referent niet onder het jongvolwassenenbeleid valt; Verweerder heeft op goede gronden gesteld dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en hechte persoonlijke banden.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.582 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: NL25.44454



uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen




[eiser], V-nummer: [V-nummer 1], eiser



[eiseres 1]
, V-nummer: [V-nummer 2], eiseres


[eiseres 2]
, V-nummer: [V-nummer 3], eiseres 2


[eiseres 3]
, V-nummer: [V-nummer 4], eiseres 3
hierna tezamen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. K. Yousef),



en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen om afgifte van een mvv met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’.



1.1.
Verweerder heeft deze aanvragen met het besluit van 11 december 2024 afgewezen (hierna: het primaire besluit). Met het bestreden besluit van 20 augustus 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referent] (de referent) en de gemachtigde van eisers. Als tolk is verschenen A. Toma. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



2. Eisers vormen een gezin, bestaande uit een vader en moeder met hun meerderjarige zoon en minderjarige dochters. Eiser (de vader) is geboren op [geboortedatum 1] 1978 en eiseres (de moeder) is geboren op [geboortedatum 2] 1982. Eiseres 2 en eiseres 3 (de dochters) zijn geboren op [geboortedatum 3] 2006 en [geboortedatum 4] 2017. Eisers zijn afkomstig uit Syrië. Referent is geboren op [geboortedatum 5] 2002 en is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Referent heeft op 11 november 2022 nareis aangevraagd voor zijn ouders en zusjes.
3. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen omdat er geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen referent en zijn ouders. Referent voldoet niet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er ook geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en zijn ouders. Daarnaast is er geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen referent en zijn zusjes.



Wat vinden eisers in beroep?



4. Allereerst is het bestreden besluit onrechtmatig, omdat verweerder ten onrechte het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard en om die reden niet heeft gehoord. In dit dossier lagen nieuwe of verduidelijkende feiten voor. Afzien van horen is daarom in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

Ook is het jongvolwassenenbeleid onjuist en te rigide toegepast. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom een kort studie-verblijf en een marginale bijbaan het beleid buiten werking zouden stellen.
Daarnaast zijn de “bijkomende elementen van afhankelijkheid” onjuist en onvolledig getoetst. Verweerder beperkt zijn beoordeling tot aannames. De antwoorden in de EVRM-vragenlijst geven aan dat referent (beperkt) financieel en emotioneel bijspringt, terwijl structurele ondersteuning uit Syrië/de Verenigde Arabische Emiraten onzeker is. Verder weegt verweerder de gezondheidsproblematiek van de ouders summier af en concludeert zonder medische tegenexpertise dat hieruit geen afhankelijkheid volgt. Daarmee wordt de lat voor hulpbehoevendheid te hoog gelegd en de integrale afhankelijkheidstoets uitgehold. Verweerder stelt verder dat het gezin sterke banden met Syrië behoudt. Die redenering abstraheert van de realiteit dat gezinsleven in Syrië feitelijk en juridisch niet kan worden uitgeoefend.
Zelfs als de rechtbank zou oordelen dat het jongvolwassenenbeleid niet onverkort van toepassing is, dan nog had verweerder een fair balance-afweging moeten verrichten.
Tot slot voeren eisers aan dat de uitgangspunten van WBV 2014/33 analoge betekenis dienen te krijgen in de EVRM-afweging. Ook indien het beleid niet rechtstreeks van toepassing is.




Wat is het oordeel van de rechtbank?



5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eisers ongegrond is. Hierna legt de
rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Jongvolwassenenbeleid


6. De rechtbank zal eerst ingaan op de toepassing van het jongvolwassenenbeleid. Verweerder gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM zonder dat verweerder daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid vereist. Het jongvolwassenenbeleid bevat vier cumulatieve vereisten:


het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn;


met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven;


niet in zijn eigen onderhoud voorzien; en


geen zelfstandig gezin hebben gevormd.




6.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft uitgelegd waarom referent niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Zo heeft verweerder erop kunnen wijzen dat referent al geruimde tijd zelfstandig van zijn ouders woont. Ook voor zijn vertrek uit Syrië heeft hij een half jaar zonder zijn ouders in [plaats] gewoond. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat uit het dossier niet blijkt dat zijn zelfstandige verblijf in [plaats] noodgedwongen was. Hij is namelijk vanwege studie naar [plaats] vertrokken. Verweerder heeft verder op goede gronden gesteld dat referent (deels) voorziet in zijn eigen levensonderhoud. Zo heeft hij tijdens zijn zelfstandige verblijf in [plaats] als bijbaan in een GSM winkel gewerkt waarmee hij 40 procent van zijn uitgaven kon dekken. Dat de inkomsten onvoldoende waren om van rond te komen, betekent niet dat referent nog bij het gezin van zijn ouders hoorde. Daar komt bij dat niet is gebleken dat referent op dit moment financieel afhankelijk is van zijn ouders. Het betoog van eisers dat verweerder het jongvolwassenenbeleid onjuist en te rigide heeft toegepast, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande niet.

Bijkomende elementen van afhankelijkheid

7. Als een meerderjarig kind geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid, beoordeelt verweerder of dat kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven hebben omdat er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. Verweerder moet een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Deze elementen kunnen onder meer zijn: samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.



7.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en eiser en eiseres. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser weliswaar tot zijn achttiende levensjaar heeft samengewoond met eiser en eiseres, maar dat dit onvoldoende is om op basis hiervan bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen. Het is namelijk gebruikelijk dat kinderen tot deze leeftijd bij hun ouders wonen.
Verweerder heeft er ook op kunnen wijzen dat referent niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij substantiële financiële steun geeft aan eiser en eiseres. Daarnaast is niet gebleken dat referent financieel afhankelijk is van hen. Ten aanzien van de materiële of praktische afhankelijkheid heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat daar geen blijk van is. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat referent ten tijde van het primaire besluit vier jaar zonder zijn ouders woont.
Met betrekking tot de gezondheid van referent en zijn ouders heeft verweerder in aanmerking mogen nemen dat er niet is gebleken van afhankelijkheid vanwege medische redenen. Referent heeft medische stukken overgelegd, maar hieruit volgt niet dat eiser en eiseres zorg nodig hebben en dat alleen referent deze zorg kan dragen. Het betoog van eisers dat verweerder de gezondheidsproblematiek van de ouders summier afweegt en zonder medische tegenexpertise concludeert dat hieruit geen afhankelijkheid volgt, leidt niet tot een ander oordeel. Het is immers aan eisers om aannemelijk te maken dat er sprake is van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie die de normale band tussen volwassen familieleden overstijgt.
Tot slot heeft verweerder het standpunt mogen innemen dat de emotionele band die referent met eiser en eiseres heeft onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daar komt bij dat deze band op afstand kan worden onderhouden.




Hechte persoonlijke banden


8. Eisers hebben geen beroepsgronden ingediend tegen de conclusie van verweerder dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referent en eiseres 2 en 3. De rechtbank zal hier daarom geen oordeel over vellen.
9. Nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder op goede gronden heeft gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en hechte persoonlijke banden, heeft verweerder niet ten onrechte geen familie- of gezinsleven aangenomen in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen referent en eisers. Dat betekent dat hij in dit geval geen belangenafweging hoefde te maken. Het betoog van eisers dat verweerder een fair balance-afweging had moeten verrichten, volgt de rechtbank daarom niet.

10. De rechtbank begrijpt dat het zwaar is voor referent om zonder familie in Nederland te zijn en dat hij daarom graag wil dat zijn familie naar Nederland komt. Dit laat echter onverlet dat verweerder in het licht van de huidige regelgeving niet gehouden was om zijn familie een mvv te geven.



Hoorplicht


11. De Afdeling heeft geoordeeld dat het uitgangspunt is dat een vreemdeling in bezwaar moet worden gehoord en dat dit uitgangspunt des te meer geldt in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Daaronder vallen onder meer zaken waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt. Maar de plicht om te horen in bezwaar is wel afhankelijk van wat de vreemdeling in bezwaar heeft aangevoerd. Wanneer een vreemdeling nalaat om zijn bezwaar te motiveren of in zijn bezwaarschrift alleen maar een herhaling van zetten geeft, kan verweerder het bezwaar redelijkerwijs afwijzen als kennelijk ongegrond. Hij hoeft dan niet te horen. Verweerder heeft op 4 oktober 2024 een brief gestuurd aan referent met daarin een aantal vragen over zijn band met zijn ouders, zijn zelfstandige verblijf in [plaats] en zijn inkomen. In het primaire besluit heeft verweerder vervolgens gemotiveerd waarom er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en hechte persoonlijke banden. De bezwaargronden van eisers bevatten vervolgens enkel een herhaling van zetten zonder nieuwe informatie. Verweerder heeft het bezwaar gelet hierop kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond en heeft daarom ook kunnen afzien van horen.






Conclusie en gevolgen


12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgt daarom geen vergoeding van hun proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr.S.M.H. van der Velden, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.







Machtiging tot voorlopig verblijf.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.


Zie de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.


Zie de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.


Dat volgt uit artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).