Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21111
2026-06-09
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.16199 en NL25.745
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 6 van besluit nr. 1/80; Terugkeerbesluit; Beroep gegrond; Standpunt van verweerder niet in lijn met Afdelingsuitspraak waarin is geoordeeld dat bescherming onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming wel een onbetwist verblijfsrecht inhoudt.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2026:1453 Raad van State 13-03-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.238 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.16199 en NL25.745
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S.N. Arikan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1982 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft tot 2022 in Oekraïne verbleven en is daarna naar Nederland vertrokken. Hij heeft in Nederland van 4 maart 2022 tot 5 maart 2024 verblijf gehad op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming(RTB) omdat hij in Oekraïne in het bezit was van een tijdelijke verblijfsvergunning, anders dan een verblijfsvergunning op asielrechtelijke gronden.
In afwachting van een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie mocht eiser langer gebruikmaken van de rechten die onder de RTB zijn verleend, waaronder het recht om te werken. Eiser is sinds 1 augustus 2022 in loondienst werkzaam. Op 18 maart 2024 heeft eiser in verband met deze werkzaamheden een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 6 van besluit nr. 1/80. Verweerder heeft deze aanvraag op 8 mei 2024 afgewezen. Bij besluit van 9 december 2024 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit in zaak NL25.745).
Verweerder heeft op 14 maart 2024 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken na 4 september 2025 Nederland dient te verlaten (het bestreden besluit in zaak NL24.16199).
Eiser heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.
Na afloop van de behandeling van de beroepen ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de bestreden besluiten;
draagt verweerder op binnen vier weken nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 2.802,-;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.
Overwegingen
1. Deze twee zaken gaan over de vraag of eiser in Nederland mag verblijven. Daarbij staat de vraag centraal of eiser rechten kan ontlenen aan artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80. Verweerder meent dat dit niet het geval is, omdat eiser weliswaar op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming in Nederland heeft mogen werken, maar dit geen arbeid op grond van een “onomstreden verblijfsrecht” is.
2. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 13 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1453, geoordeeld dat bescherming onder de Richtlijn tijdelijke bescherming wel degelijk een onbetwist verblijfsrecht inhoudt.
3. Verweerder heeft te kennen gegeven niet op zitting te verschijnen. De rechtbank heeft verweerder daarom gisteren gevraagd om (kort) aan te geven wat volgens haar de betekenis van voornoemde uitspraak is voor de twee onderhavige beroepszaken. Verweerder heeft telefonisch aangegeven dat er geen capaciteit is voor het geven van een reactie.
4. Nu het standpunt van verweerder niet valt te rijmen met voornoemde uitspraak en bij gebreke van een nadere reactie en motivering ziet de rechtbank reden om beide besluiten te vernietigen vanwege een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. Verweerder zal – met inachtneming van deze uitspraak – binnen vier weken nieuwe besluiten moeten nemen.
5. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten en moet verweerder het door eiser betaalde griffierrecht aan hem vergoeden.
6. Partijen hebben, na verzending van het proces-verbaal van deze mondelinge uitspraak, vier weken de tijd om in hoger beroep te gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als ze het niet eens zijn met deze uitspraak.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026 door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
Dit proces-verbaal is bekend gemaakt op:
Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.16199 en NL25.745
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S.N. Arikan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1982 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft tot 2022 in Oekraïne verbleven en is daarna naar Nederland vertrokken. Hij heeft in Nederland van 4 maart 2022 tot 5 maart 2024 verblijf gehad op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming(RTB) omdat hij in Oekraïne in het bezit was van een tijdelijke verblijfsvergunning, anders dan een verblijfsvergunning op asielrechtelijke gronden.
In afwachting van een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie mocht eiser langer gebruikmaken van de rechten die onder de RTB zijn verleend, waaronder het recht om te werken. Eiser is sinds 1 augustus 2022 in loondienst werkzaam. Op 18 maart 2024 heeft eiser in verband met deze werkzaamheden een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 6 van besluit nr. 1/80. Verweerder heeft deze aanvraag op 8 mei 2024 afgewezen. Bij besluit van 9 december 2024 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit in zaak NL25.745).
Verweerder heeft op 14 maart 2024 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken na 4 september 2025 Nederland dient te verlaten (het bestreden besluit in zaak NL24.16199).
Eiser heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.
Na afloop van de behandeling van de beroepen ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de bestreden besluiten;
draagt verweerder op binnen vier weken nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 2.802,-;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.
Overwegingen
1. Deze twee zaken gaan over de vraag of eiser in Nederland mag verblijven. Daarbij staat de vraag centraal of eiser rechten kan ontlenen aan artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80. Verweerder meent dat dit niet het geval is, omdat eiser weliswaar op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming in Nederland heeft mogen werken, maar dit geen arbeid op grond van een “onomstreden verblijfsrecht” is.
2. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 13 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1453, geoordeeld dat bescherming onder de Richtlijn tijdelijke bescherming wel degelijk een onbetwist verblijfsrecht inhoudt.
3. Verweerder heeft te kennen gegeven niet op zitting te verschijnen. De rechtbank heeft verweerder daarom gisteren gevraagd om (kort) aan te geven wat volgens haar de betekenis van voornoemde uitspraak is voor de twee onderhavige beroepszaken. Verweerder heeft telefonisch aangegeven dat er geen capaciteit is voor het geven van een reactie.
4. Nu het standpunt van verweerder niet valt te rijmen met voornoemde uitspraak en bij gebreke van een nadere reactie en motivering ziet de rechtbank reden om beide besluiten te vernietigen vanwege een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. Verweerder zal – met inachtneming van deze uitspraak – binnen vier weken nieuwe besluiten moeten nemen.
5. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten en moet verweerder het door eiser betaalde griffierrecht aan hem vergoeden.
6. Partijen hebben, na verzending van het proces-verbaal van deze mondelinge uitspraak, vier weken de tijd om in hoger beroep te gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als ze het niet eens zijn met deze uitspraak.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026 door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
Dit proces-verbaal is bekend gemaakt op:
Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1.