Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21108

2026-07-09 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.12947
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-09
Publicatiedatum
2026-07-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.12947
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asielaanvraag; Syrië; Beroep gegrond; De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten; Verweerder heeft terecht eisers problemen met zijn familie vanwege zijn homoseksuele broer ongeloofwaardig geacht; Niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer homoseksualiteit zal worden toegedicht; Voldoende gemotiveerd dat er in Aleppo sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld; In het bestreden besluit is niet voldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM gelet op de toets uit het Sufi en Elmi arrest; Motiveringsgebrek in beroep hersteld.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.420 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: NL26.12947


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van Es).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.



1.1.
Eiser heeft op 31 januari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 2 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.



1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, A. Yasin als tolk en de gemachtigde van verweerder.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



Asielrelaas


2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1995. Eiser heeft verklaard dat in 2022 foto’s van zijn homoseksuele broer onder zijn familieleden in Syrië zijn verspreid. Hierdoor is zijn familie achter de seksuele geaardheid van zijn broer gekomen. Vervolgens hebben familieleden telefonisch contact opgenomen met eiser. Tijdens dit gesprek is eiser vernederd en beledigd omdat hij zijn broer steunde. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij nooit gelovig is geweest en kritisch is op de islam. Eiser vreest dat zijn familie of omgeving hem bij terugkeer naar Syrië iets zal aandoen, omdat hij openlijk kritiek heeft op de islam en steun heeft geboden aan zijn homoseksuele broer.



Het bestreden besluit


3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:


eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;


dat eiser niet gelooft in de islam;


dat eiser problemen heeft met zijn familie vanwege zijn homoseksuele broer.




3.1.
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Verweerder vindt het ook geloofwaardig dat eiser niet gelooft in de islam. Verweerder vindt het echter niet geloofwaardig dat eiser problemen heeft met zijn familie vanwege zijn homoseksuele broer, omdat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.Verweerder vindt verder dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging omdat hij niet gelooft in de islam. Verweerder vindt tot slot dat er geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Hoewel er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië, gelden voor eiser geen individuele omstandigheden die maken dat hij daar slachtoffer van zal worden.



Wat vindt eiser in beroep?



4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser voert allereerst aan dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van eisers problemen vanwege de homoseksualiteit van zijn broer onvoldoende recht doet aan de persoonlijke situatie en de verklaringen die hij heeft afgelegd. De afwijzing is gebaseerd op formele inconsistenties en het niet voldoen aan een te strikt bewijscriterium terwijl het gaat om gevoelige, persoonlijke en emotioneel beladen situaties die zich niet volledig laten vastleggen in objectief bewijs. Verder voert eiser aan dat de tegenstrijdige verklaringen over wie wanneer op de hoogte was van de homoseksualiteit van zijn broer voortvloeien uit de complexe en emotioneel beladen familiecontext en het verloop van informatie via verschillende familieleden. Daarnaast stelt eiser dat hij de exacte bewoording en frequentie van de telefonische bedreigingen niet kan reproduceren, omdat de gesprekken ingrijpend, bedreigend en emotioneel belastend waren. Bovendien benadrukt eiser dat de toegedichte homoseksualiteit een reëel risico vormt bij terugkeer naar Syrië.

Verder voert eiser aan dat op basis van het arrest Elgafaji en de nationale rechtspraak inzake de vereiste duurzaamheid van stabilisatie, kan worden geconcludeerd dat het niveau van willekeurig geweld in Aleppo, mede door de recente escalatie in 2026, de kritieke grens van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn overstijgt. Daarnaast is het openlijk uiten van een niet-religieuze identiteit nagenoeg onmogelijk in Aleppo. Verweerder houdt onvoldoende rekening met de cumulatieve risico’s bij terugkeer en beoordeelt de situatie in Syrië uitsluitend op basis van statistieken en formele criteria, zonder oog te hebben voor de persoonlijke context van eiser. Dit leidt tot een onzorgvuldige en onvolledige beoordeling van het asielrelaas.

Wat is het oordeel van de rechtbank?



5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en zal het daarom vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank dat uit.

Arrest Ebilum

6. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom de geloofwaardigheid vol toetsen.



Eisers problemen met zijn familie vanwege zijn homoseksuele broer


7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat eisers problemen met zijn familie vanwege zijn homoseksuele broer ongeloofwaardig zijn en overweegt hiertoe als volgt.



7.1.
Verweerder heeft terecht tegengeworpen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser ongerijmd heeft verklaard over de foto’s van zijn broer die zouden zijn verspreid onder familieleden in Syrië. Eiser heeft namelijk niet kunnen verklaren hoe deze foto’s bij zijn familie terecht zijn gekomen en waar ze vandaan komen. Bovendien heeft verweerder er terecht op gewezen dat uit de overgelegde foto’s niet blijkt dat eisers familie deze aan hem heeft gestuurd. Daarnaast heeft verweerder terecht betrokken dat eiser algemene verklaringen heeft afgelegd over de telefonische bedreigingen. Zo is aan eiser gevraagd of hij echt denkt dat zijn oom hem ziet als homoseksueel nu hij dit slechts één keer naar hem heeft geroepen. Eiser heeft daarop verklaard dat algemeen geldt dat wanneer je opkomt voor homoseksualiteit, men je als homoseksueel kan zien en dat hij er daarom vrij zeker van is dat zijn oom denkt dat hij homoseksueel is. Verweerder heeft deze verklaring terecht als te algemeen bestempeld. Daarnaast kan eiser niet benoemen wat er precies is gezegd tijdens het gesprek met zijn oom. Eiser heeft enkel verklaard dat zijn oom met harde beledigingen kwam en zei dat hij geen eer en geloof heeft. Voorts kan eiser niet concretiseren hoe vaak zijn familie hem heeft gebeld. Eiser heeft enkel verklaard dat hij ‘wel eens’ werd gebeld. Eisers betoog dat hij de exacte bewoording en frequentie van de telefonische bedreigingen niet kan reproduceren, omdat de gesprekken ingrijpend, bedreigend en emotioneel belastend waren, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat van eiser verwacht mag worden dat hij hier gedetailleerder over kan verklaren nu dit raakt aan de kern van het asielrelaas en uit het referentiekader niet volgt dat hij hier niet gedetailleerd over kan verklaren. Verweerder heeft ook terecht tegengeworpen dat eiser ongerijmd heeft verklaard over de bekendmaking van de homoseksualiteit van zijn broer. Eiser heeft enerzijds verklaard dat niemand van zijn familie voor 2022 wist dat zijn broer homoseksueel is en anderzijds dat zijn andere broer het in 2019 al wist. Eisers stelling dat de tegenstrijdige verklaringen voortvloeien uit de complexe en emotioneel beladen familiecontext en het verloop van informatie via verschillende familieleden, volgt de rechtbank zonder nadere onderbouwing niet. Daar komt bij dat verweerder terecht van belang heeft geacht dat eiser voor het laatst in 2022 is gebeld, sindsdien geen enkel contact meer heeft gehad met zijn familieleden in Syrië en dat dit niet wijst op problemen.



7.2.

Eisers stelling dat de geloofwaardigheidsbeoordeling onvoldoende recht doet aan de persoonlijke situatie en verklaringen, slaagt gelet op het voorgaande niet. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de afwijzing is gebaseerd op formele inconsistenties en het niet voldoen aan een strikt bewijscriterium terwijl het gaat om gevoelige, persoonlijke en emotioneel beladen situaties die zich niet volledig laten vastleggen in objectief bewijs. Verweerder mocht in alle redelijkheid van eiser verwachten dat hij consistent en gedetailleerd verklaart over de bedreigingen van zijn familie nu dit de kern van zijn asielrelaas is. Niet is gebleken dat eiser niet in staat was om compleet, coherent en consistent te verklaren.

Gegronde vrees voor vervolging


8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege het niet geloven in de islam. Verweerder heeft terecht verwezen naar passages uit het ambtsbericht waaruit volgt dat er in Syrië geen sprake is van vervolging vanwege het niet volgen van de islamitische leefregels. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat eiser nooit problemen heeft ondervonden vanwege zijn geloof en weliswaar discussies voerde op de universiteit, maar deze discussies niet openlijk waren. 8.1. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat eiser als familielid van een homoseksuele man te vrezen heeft bij een terugkeer naar Syrië. Dit volgt ook niet uit de landeninformatie waarnaar eiser verwijst in dit kader. Eiser heeft zijn stelling dat hem homoseksualiteit zal worden toegedicht ook niet aannemelijk gemaakt. Nergens blijkt namelijk uit dat hij bij terugkeer zal worden gelinkt aan zijn broer. Ook eisers activiteiten in Nederland, namelijk het draaien van een bardienst tijdens Pride The Hague 2024 namens het COC en het plaatsen van een aantal kritische berichten op sociale media, bieden onvoldoende aanknopingspunten om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. De activiteiten zijn namelijk marginaal en niet is gebleken dat eiser daardoor in de negatieve belangstelling van de Syrische autoriteiten staat of zal komen te staan.



Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld


9. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.
Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.


9.1.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. Verweerder heeft terecht uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geconcludeerd dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Verweerder heeft daarbij terecht geconcludeerd dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in Aleppo, het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie Aleppo onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 34 (november 2025) en 72 (september 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in Aleppo. In de verslagperiode keerden ook meer dan 700.000 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in Aleppo.



9.2.
Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er in het verweerschrift terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en Aleppo in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden.


9.3.
Eisers stelling dat op basis van het arrest Elgafaji en de nationale rechtspraak inzake de vereiste duurzaamheid van stabilisatie, kan worden geconcludeerd dat het niveau van willekeurig geweld in Aleppo de kritieke grens van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn overstijgt, volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt dat hoewel niet zeker is hoe de situatie in Syrië zich in de toekomst ontwikkelt, er inmiddels meer dan een jaar is verstreken sinds het regime van Assad is gevallen en er twee Algemeen Ambtsberichten zijn uitgebracht. Verweerder is – zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen – op basis van deze ambtsberichten dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Aleppo. De door eiser in beroep overgelegde landeninformatie, waaronder de Flash Update van OCHA, laat geen ander beeld zien dan al is betrokken bij de 15c-beoordeling. Bovendien blijkt juist uit de overgelegde landeninformatie dat de situatie is gestabiliseerd in mei en dat er veel humanitaire hulp aanwezig is in het gebied.


9.4.

Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen relevante persoonlijke kenmerken heeft aangevoerd die maken dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

De humanitaire situatie in het kader van artikel 3 van het EVRM


9. Tot slot wijst de rechtbank er nog op dat de slechte humanitaire omstandigheden die het cumulatieve gevolg zijn van het jarenlange conflict in Syrië een rol kunnen spelen in de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.
Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt:- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.



9.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Een beoordeling in dit kader ontbreekt namelijk in het geheel in het bestreden besluit. Gelet hierop is het beroep gegrond.



9.2.

Het hiervoor geconstateerde motiveringsgebrek is in het verweerschrift hersteld.
Verweerder heeft er in het verweerschrift op gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Eiser heeft volgens verweerder niet aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie.




9.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser een gezonde volwassen man is en dat niet is gebleken dat hij zich niet zelfstandig staande kan houden of bijzonder kwetsbaar is. Dat eiser geen familie heeft wonen in het herkomstgebied, is onvoldoende om tot een schending van het arrest Sufi en Elmi te concluderen.




Conclusie en gevolgen


10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, gelet op wat zij hiervoor onder 9.2 en 9.3 heeft overwogen. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
10. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-.





Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit van 2 maart 2026;


bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.







Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).


Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (Elgafaji).


Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).


Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.


Arrest van het HvJEU van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.


Nader gehoor van 23 februari 2026, p. 18.


Nader gehoor van 23 februari 2026, p. 14.


Nader gehoor van 23 februari 2026, p. 15.


Nader gehoor van 23 februari 2026, p. 13.


Nader gehoor van 23 februari 2026, p. 17.


Algemeen Ambtsbericht Syrië, januari 2026, p. 107 en 108.


Arrest van het HvJEU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X en Y).


Arrest van het HvJEU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN).


Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.


Uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.


Zie de Beslisnota van 4 juni 2025, behorend bij de Kamerbrief over het landenbeleid voor Syrië van 10 juni 2025.


Zie ook de uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.3.


Zie bijvoorbeeld het Humanitarian Situation Report No. 2 van het OCHA van 3 februari 2026: Syria: The Humanitarian Response in Aleppo and the Northeast Governorates | Humanitarian Situation Report No. 2 (As of 3 February 2026) | OCHA (https://www.unocha.org/publications/report/syrian-arab-republic/humanitarian-response-aleppo-and-northeast-governorates-humanitarian-situation-report-no-2-3-february-2026) en de artikelen op ReliefWeb van 25 mei 2026 en 3 juni 2026: Restoring access to care for displaced families in northern Aleppo - Syrian Arab Republic | ReliefWeb (https://reliefweb.int/report/syrian-arab-republic/restoring-access-care-displaced-families-northern-aleppo)) en From Ruins to Rebuilding Inclusive Economic Recovery in Aleppo [EN/AR] - Syrian Arab Republic | ReliefWeb (https://reliefweb.int/report/syrian-arab-republic/ruins-rebuilding-inclusive-economic-recovery-aleppo-enar).


Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), punt 278-283.


1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.