Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21095

2026-06-22 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.41112
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-22
Publicatiedatum
2026-07-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.41112
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Machtiging tot voorlopig verblijf; Beroep gegrond; Verweerder heeft de hoorplicht geschonden; Verweerder had eiser nader moeten bevragen over zijn vader.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.378 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummers: NL25.41112


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. van Werven),



en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. F.H. van Zanden).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).



1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 juli 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.


1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Solomon als tolk en de gemachtigde van verweerder.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?




2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2009 en heeft de Eritrese nationaliteit. Eiser heeft op 7 augustus 2024 een aanvraag ingediend voor een mvv met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij zijn moeder, [referente] (hierna: referente).



2.1.
Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een mvv nareis. Eiser heeft zijn identiteit en de familierechtelijke relatie met zijn moeder niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft aanleiding gezien om eiser het voordeel van de twijfel te geven. Verweerder is echter niet overgegaan tot nader onderzoek ter vaststelling van de identiteit en de familierechtelijke relatie, nu eiser geen toestemmingsverklaring van de achterblijvende ouder heeft overgelegd en ook niet heeft aangetoond dat zijn vader is overleden, zoals gesteld. Een DNA onderzoek zal daarom niet tot toelating leiden. Verweerder heeft tot slot niet getoetst aan artikel 8 van het EVRM, omdat de identiteit van eiser en de familierechtelijke relatie met referente niet aannemelijk zijn gemaakt.



Wat vindt eiser in beroep?



3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert, kort samengevat, het volgende aan.

Allereerst heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd dat eiser en referente niet aannemelijk hebben gemaakt dat er geen toestemmingsverklaring van eisers vader kan worden verlangd. Het bestreden besluit is ook onzorgvuldig voorbereid, nu eiser en referente in een onevenredige bewijspositie zijn geplaatst waarbij volledig voorbij is gegaan aan het belang van het kind. Verwezen wordt naar het arrest E. van het Hof van Justitie. Daarbij dient ook rekening te worden gehouden met de zeer beperkte rol die eisers vader heeft gespeeld bij de zorg voor hem en met het feit dat er een ondertekende toestemmingsverklaring was maar dat deze enkel nog geverifieerd diende te worden op de ambassade. Bovendien is van duurzame opvang in het belang van het kind geen sprake. Verweerder heeft in dit kader te weinig gewicht toegekend aan het Best Interest Determination (BID) rapport van het UNHCR waarin is geconcludeerd dat het in het belang van eiser is dat hij wordt herenigd met zijn moeder.
Daarnaast is het laten verrichten van een contra-expertise naar de echtheid van de overlijdensakte geen reële optie. Verweerder heeft ten onrechte overwogen dat nader onderzoek naar het overlijden van de vader in de vorm van bijvoorbeeld een interview met eiser en/of referente geen nieuwe inzichten zal opleveren. Het is daarnaast onzorgvuldig dat verweerder eiser en referente niet heeft gehoord in bezwaar om bestaande twijfel over de bewijzen ten aanzien van het overlijden van de vader weg te nemen.
Verweerder heeft verder ondeugdelijk gemotiveerd dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en van de hoorplicht kan worden afgezien, nu verweerder eiser en referente in bezwaar heeft gevolgd in het standpunt dat bij de integrale beoordeling onvoldoende rekening is gehouden met de beschikbare landeninformatie en het belang van het kind en derhalve het voordeel van de twijfel dient te worden gegund. Verweerder heeft tot slot ten onrechte niet ambtshalve getoetst aan artikel 8 van het EVRM.




Wat is het oordeel van de rechtbank?



4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Mocht verweerder afzien van het horen in bezwaar?
5. Het is vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in bezwaar vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit.



5.1.

De rechtbank volgt eiser in zijn betoog dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht of er in het geval van eiser sprake is van een risico op kinderontvoering en of dat eventuele risico zwaarder weegt dan het belang van eiser om als kind met zijn moeder herenigd te worden. Eiser heeft in de bezwaarprocedure een BID-assessment rapport van het UNHCR van 10 juli 2024 overgelegd. In dit rapport staat vermeld dat eiser aan de UNHCR-medewerker heeft verklaard dat hij zijn vader nooit heeft gezien en niet weet waar hij momenteel woont. Deze verklaring roept de vraag op welke rol de vader speelde in het leven van [eiser]. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen in het BID-assessment rapport, gezien de mogelijke betekenis voor de beoordeling van het risico op kinderontvoering, verweerder aanleiding hadden moeten geven om eiser hier nader over te bevragen teneinde meer duidelijkheid te verkrijgen over de vader en de relatie tot eiser.
De rechtbank acht hierbij ook van belang dat eisers vader reeds een toestemmingsverklaring had ondertekend waarvan enkel de handtekening nog geverifieerd diende te worden op de ambassade in Addis Abeba. Bovendien heeft verweerder niet betwist dat de vader kort na eisers geboorte al uit beeld was en enkel een beperkte rol in de verzorging heeft gespeeld.




5.2.
Dat eiser een overlijdensakte heeft overgelegd waarvan Bureau Documenten heeft geoordeeld dat het betreffende de echtheid, opmaak en afgifte van het document met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is, leidt er ook niet toe dat verweerder geen nader onderzoek hoefde te doen naar het risico op kinderontvoering en van het horen had mogen afzien. Immers, uit het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van december 2023 volgt dat in Eritrea in het geval van een overlijden buiten het ziekenhuis officiële documenten vaak ontbreken en getuigenverklaringen kunnen worden gebruikt om het overlijden te bevestigen.



5.3.
Tot slot heeft eiser er ter zitting terecht op gewezen dat verweerders verwijzing naar de eerdere uitspraak van de rechtbank van 15 juni 2022 geen doel treft. Voor gezinsherenigingszaken in het kader van artikel 8 van het EVRM geldt namelijk een ander toetsingskader dan voor gezinsherenigingszaken in het kader van nareis.


6. De rechtbank concludeert dat het op voorhand niet uitgesloten was dat het bezwaar niet tot een andersluidend besluit kon leiden. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen, na het horen van eiser en/of referente. Nu de rechtbank het beroep reeds gegrond acht vanwege schending van de hoorplicht, zal niet worden ingegaan op hetgeen eiser verder in de beroepsgronden heeft aangevoerd.






Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak.

8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-.

9. De rechtbank bepaalt ook dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.


Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit van 1 augustus 2025;


draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-;



draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van €194,- te vergoeden.








Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.




Deze hersteluitspraak vervangt de inhoud van de uitspraak van 22 juni 2026. De
uitspraakdatum blijft ongewijzigd. De hersteluitspraak is in het openbaar gedaan,
ondertekend en bekend gemaakt op 30 juni 2026.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.







Arrest E., Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 maart 2019, C-635/17, ECLI:EU:C:2019:192, JV 2019/88, m. nt. T. Strik.


United Nations High Commissioner for Refugees.


Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.


Uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.


Zie uitspraak van de Afdeling van 16 september 2019, r.o. 6 en 7.


Algemeen Ambtsbericht voor Eritrea, december 2023, p. 31.


Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13326.


1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1.