Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21093
2026-07-08
Civiel recht
C/09/694030 / HA ZA 25-973
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Aanneming van werk. Uitleg overeenkomst. Sprake van vaste aanneemsom, richtprijs of regiebasis? Gebreken.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2019:1581 Hoge Raad 11-10-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (49.943 tekens)
RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaak- / rolnummer: C/09/694030 / HA ZA 25-973
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[partij A]
te [woonplaats] ([land]),
eiser in conventie, gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. H.R. Flipse te Rotterdam,
tegen
[partij B] B.V. te [vestigingsplaats],
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
advocaat: mr. S. Velthuizen te Rotterdam.
Partijen worden hierna [partij A] en [partij B] genoemd.
1Waar gaat deze zaak over?
1.1.
[partij B] heeft verbouwingswerkzaamheden uitgevoerd aan de woning van [partij A]. Partijen verschillen van mening over de prijs die [partij A] daarvoor aan [partij B] verschuldigd is. Volgens [partij A] heeft hij met [partij B] een vaste aanneemsom of in elk geval een richtprijs afgesproken en heeft [partij B] zich hier niet aan gehouden. Daarnaast is volgens [partij A] sprake van gebreken aan het werk. [partij B] voert aan dat sprake is van een aannemingsovereenkomst op basis van regie en dat [partij A] juist te weinig heeft betaald.
1.2.
De rechtbank oordeelt dat partijen een richtprijs hebben afgesproken en dat de gevorderde schadevergoeding met betrekking tot de erkende gebreken kan worden toegewezen. De vorderingen van [partij A] worden deels toegewezen. De (tegen)vorderingen van [partij B] worden afgewezen.
2De procedure
2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 20 oktober 2025 met producties 1 tot en met 22;- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met producties 1 tot en met 10;- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 23 en 24;
- het tussenvonnis van 21 januari 2026, waarin de mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overlegging aanvullende producties;
- de door beide partijen overgelegde pleitnotities.
2.2.
Op 16 april 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt.
3De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
[partij A] is eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning).
3.2.
In verband met zijn wens om de woning te verbouwen heeft [partij A] contact gezocht met [partij B].
3.3.
[partij B] heeft een kostenoverzicht gedateerd op 18 november 2019 aan [partij A] verstrekt ter hoogte van € 425.350 incl. btw (hierna: het kostenoverzicht). In het kostenoverzicht is onder meer het volgende te lezen:
‘Betreft: kostenraming verbouwing(…)
Naar aanleiding van ons gesprek op 1 november j.l. doen wij u hierbij onze prijsindicatie toekomen voor het revitaliseren van uw woning aan de [adres] te [plaats].
Onze prijsindicatie is gebaseerd op onderstaande gegevens:
Uitgangspunten:
Tijdens ons bezoek op 11 oktober 2019 heeft u een aantal uitgangspunten geformuleerd waaraan uw woning moet voldoen. Op 1 november jl. hebben wij een schetsmatige presentatie gegeven en dit voorstel bij u achtergelaten. U heeft aangegeven graag te willen weten wat de globale kosten zouden zijn van deze grootschalige revitalisering.(…)
De volgende onderdelen hebben wij meegenomen in onze kostenraming:(...)
Bovenstaande bedragen zijn een kostenindicatie. Deze behoeven een verdere verfijning!
Werkzaamheden derden:
Open haard;
Dressing;
Keuken;
Vloerbedekking;
Niet genoemde werken.(…)’
3.4.
In het kostenoverzicht zijn stelposten opgenomen voor de daarin omschreven werkzaamheden.
3.5.
[partij B] is in februari 2020 gestart met de werkzaamheden aan de woning.
3.6.
Op 10 januari 2020 en 28 februari 2020 hebben er bouwvergaderingen plaatsgevonden waarbij partijen aanwezig waren. Er zijn tijdens deze vergaderingen diverse wijzigingen in het werk besproken, waaronder dat de garage bij de woning zal worden betrokken tegen een meerwerkprijs van € 15.000,00 exclusief btw.
3.7.
[partij A] heeft gedurende de uitvoering van de werkzaamheden gewijzigde ontwerptekeningen aan [partij B] verstrekt.
3.8.
Op 25 september 2020 hebben partijen een rondgang door de woning gemaakt. In het daarvan opgemaakte verslag staan nog openstaande punten gemeld.
3.9.
Partijen hebben op 16 januari 2021 een overleg gehad. Van dat overleg is een verslag gemaakt met resterende openstaande punten.
3.10.
[partij B] heeft [partij A] op 20 januari 2021 via Whatsapp gevraagd of de werkzaamheden naar wens zijn uitgevoerd. [partij A] heeft hier bevestigend op gereageerd, maar heeft melding gemaakt van vier andere punten: het aansluiten van de tv, warm licht in de voordeur, een gaatje in het travertin en afwerking van parket achter het bad.
3.11.
Op 3 maart 2021 heeft [partij A] via Whatsapp melding gemaakt van een aantal gebreken.
3.12.
[partij A] heeft bij e-mailbericht van 21 november 2022 opnieuw contact opgenomen over gebreken. Vervolgens heeft op 25 november 2022 een overleg plaatsgevonden tussen partijen. [partij B] heeft per e-mailbericht van 2 december 2022 een verslag opgesteld van dit overleg waarin zij ten aanzien van een aantal punten heeft bevestigd dat zij zal overgaan tot herstel, waaronder het laten schilderen van de schuifpui en het dichtzetten van (krimp)scheuren in de wand en/of het plafond van de slaapkamer.
3.13.
[partij B] heeft over de periode maart 2020 tot en met juli 2021 negen facturen aan [partij A] gestuurd voor een bedrag van in totaal € 605.000 incl. btw. [partij A] heeft daarvan € 599.000 betaald. Van de factuur van 7 juli 2021 heeft [partij A] een bedrag van € 6.000 onbetaald gelaten.
3.14.
Tussen partijen is vanaf juli 2023 discussie ontstaan over de voorwaarden waaronder het werk moet worden afgerekend.
3.15.
[partij B] heeft bij e-mail van 27 januari 2024 aan [partij A] geschreven dat er nog een bedrag van € 6.000 niet betaald is en dat er nog een bedrag van € 67.371 moet worden gefactureerd.
3.16.
[partij A] heeft zich bij brief van 20 juni 2024 op het standpunt gesteld dat er sprake is van gebreken, dat er niet is opgeleverd, dat sprake is van een vaste aanneemsom en dat hij teveel heeft betaald. In die brief is [partij B] gesommeerd om een gespecificeerde eindafrekening aan [partij A] te doen toekomen en over te gaan tot herstel van de gebreken.
3.17.
[partij B] heeft hieraan niet voldaan, maar heeft [partij A] bij brief van 12 september 2024 gesommeerd tot betaling van het openstaande bedrag van € 6.000.
3.18.
[partij A] heeft [partij B] bij brief van 8 november 2024 nogmaals gesommeerd om een gespecificeerde eindafrekening toe te zenden en over te gaan tot herstel van de gebreken.
3.19.
In een brief van 9 oktober 2025 heeft [partij A] drie nieuwe gebreken gemeld en gesommeerd deze te herstellen.
3.20.
[partij A] heeft [partij B] op 20 maart 2025 een door hemzelf opgesteld overzicht verzonden waaruit volgt dat hij een bedrag van € 80.661,37 incl. btw onverschuldigd heeft betaald. [partij A] vordert betaling van dit bedrag en een bedrag van € 13.385,77 incl. btw aan schadevergoeding.
3.21.
[partij A] heeft in oktober 2025 conservatoir beslag laten leggen ten laste van [partij B].
4Het geschil
in conventie
4.1.
[partij A] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [partij B] veroordeelt tot (terug)betaling van een bedrag van € 80.428,16 incl. btw, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente;
II. [partij B] veroordeelt om aan [partij A] een bedrag van € 21.527,84 incl. btw aan (vervangende) schadevergoeding te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente;
III. [partij B] veroordeelt om aan [partij A] een bedrag van € 2.171,42 incl. btw aan buitengerechtelijke kosten aan [partij A] te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente;
IV. [partij B] veroordeelt in de proceskosten (incl. beslagkosten).
4.2.
[partij A] legt aan zijn vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag. Partijen zijn een vaste aanneemsom, dan wel een richtprijs overeengekomen, maar [partij B] heeft meer gefactureerd. Ondanks dat [partij A] meerdere malen heeft verzocht om een eindafrekening, heeft [partij B] geen duidelijkheid gegeven over het prijsverschil. Vordering I ziet op de (terug)betaling van het bedrag dat [partij A] te veel en dus onverschuldigd aan [partij B] heeft betaald. Daarnaast is sprake van gebreken in de werkzaamheden. Vordering II ziet op vergoeding van de schade vanwege die gebreken.
4.3.
[partij B] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [partij A] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.5.
[partij B] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [partij A] veroordeelt om aan [partij B] een bedrag van € 6.000 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente;
II. [partij A] veroordeelt om aan [partij B] een bedrag van € 67.371,11 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente;
III. de ten laste van [partij B] gelegde beslagen op te heffen, althans [partij A] te veroordelen tot opheffing daarvan op straffe van een dwangsom;
IV. [partij A] veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over het bedrag van € 333.801 (het door het beslag geraakte bedrag) vanaf 9 oktober 2025 (datum beslaglegging) tot aan de datum dat het beslag is opgeheven;
V. [partij A] veroordeelt in de proceskosten.
4.6.
[partij B] legt daaraan - samengevat - het volgende ten grondslag. [partij B] heeft in opdracht van [partij A] werkzaamheden verricht die betaald moeten worden. Het in de offerte opgenomen bedrag kan niet als vaste aanneemsom of richtprijs worden aangemerkt. Omdat het werk meermaals door [partij A] is gewijzigd, is ervoor gekozen om de werkzaamheden op basis van regie te laten uitvoeren. Aan [partij B] zijn veel extra werkzaamheden opgedragen en het uiteindelijke ontwerp van de architect wijkt aanzienlijk af van de offerte. [partij A] heeft een bedrag van € 6.000 van de laatste factuur onbetaald gelaten (vordering I). Daarnaast staat er nog een bedrag van € 67.371,11 open dat nog niet is gefactureerd (vordering II). Ten slotte is het beslag onrechtmatig gelegd en moet dit worden opgeheven.
4.7.
[partij A] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [partij B] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
4.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling in conventie en in reconventie
5.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden deze gezamenlijk behandeld.
Consumentenrecht
5.2.
De overeenkomst tussen partijen is gesloten tussen [partij A] als consument en [partij B] als professioneel handelende partij. De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om een de constructie van nieuwbouw of ingrijpende verbouw van een bestaand gebouw in de zin van artikel 6:230h lid 2 sub g BW, zodat niet ambtshalve hoeft te worden getoetst aan het consumentenrecht.
Welke prijsafspraak hebben partijen gemaakt?
5.3.
Tussen partijen bestaat discussie over de vraag wat zij zijn overeengekomen over de prijs die [partij A] aan [partij B] moet betalen voor de verrichte werkzaamheden. [partij A] voert aan dat partijen een vaste aanneemsom dan wel een richtprijs zijn overeengekomen, terwijl [partij B] zich op het standpunt stelt dat sprake is van een overeenkomst op basis van regie.
5.4.
De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is, dat partijen een overeenkomst van aanneming van werk als bedoeld in artikel 7:750 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hebben gesloten. De vraag wat partijen precies zijn overeengekomen over de prijs van het werk is een vraag van uitleg. Hierbij geldt dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet kan worden beantwoord op grond van een uitsluitend taalkundige uitleg van hun afspraken. Doorslaggevend bij de uitleg daarvan is de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en wat zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat [partij B] voor wat betreft de in de offerte weergegeven werkzaamheden een richtprijs heeft afgegeven. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Vaste aanneemsom, regieovereenkomst of richtprijs?
5.6.
Van een vaste aanneemsom voor de in het kostenoverzicht vermelde werkzaamheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. In het kostenoverzicht staat namelijk vermeld: ‘kostenraming verbouwing’ (p. 1), ‘prijsindicatie’ (p. 1), ‘de volgende onderdelen hebben wij meegenomen in onze kostenraming’ (p. 2). Daarnaast staat onder het genoemde bedrag van € 425.350 ‘Bovenstaande bedragen zijn een kostenindicatie. Deze behoeven een verdere verfijning!’ (p. 9). Deze bewoordingen duiden naar het oordeel van de rechtbank op een kostenindicatie en niet op een vaste aanneemsom. [partij A] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat hij het in het kostenoverzicht opgenomen bedrag van € 425.350 incl. btw, ondanks de bewoordingen die duiden op een kostenindicatie, redelijkerwijs als een vaste aanneemsom heeft kunnen begrijpen. Dat in de offerte staat ‘plaatsen van sanitair is in de aanneemsom opgenomen’ (p. 8) is onvoldoende om de door [partij A] gestelde vaste aanneemsom aan te nemen. Daarmee wordt namelijk nog niet gezegd dat de aanneemsom ‘vast’ is, terwijl in het kostenoverzicht verder uitdrukkelijk en herhaald is vermeld dat het gaat om een kostenindicatie. Hoe en wanneer [partij B] heeft ingestemd met een vaste aanneemsom is onvoldoende door [partij A] onderbouwd. Er is geen correspondentie in het geding gebracht waaruit volgt dat partijen hebben gesproken over een vaste aanneemsom. Dat [partij B] met het kostenoverzicht inzicht heeft gegeven in de werkzaamheden, betekent nog niet dat zij zich daarmee vast heeft gelegd op een bepaalde aanneemsom. Verder duidt de omstandigheid dat [partij A] wijzigingen kon laten doorvoeren en kon beslissen een deel van de werkzaamheden niet te laten uitvoeren er ook op dat van een vaste aanneemsom geen sprake is.
5.7.
Van een overeenkomst op basis van regie – zoals door [partij B] is betoogd – is naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake. [partij B] heeft onvoldoende onderbouwd hoe, waar en wanneer precies met [partij A] zou zijn afgesproken dat de werkzaamheden op regiebasis zouden worden uitgevoerd. Het had als professionele aannemer die een aannemingsovereenkomst sluit met een particulier op de weg van [partij B] gelegen om die duidelijkheid te verschaffen, maar dit heeft [partij B] nagelaten. De door [partij B] gestelde afspraak is niet vastgelegd en er is ook geen correspondentie overgelegd waaruit de juistheid van de gestelde afspraak zou kunnen worden afgeleid. Bij gebrek aan voldoende concrete feiten en omstandigheden kan de rechtbank niet vaststellen dat [partij B] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat er een overeenkomst op basis van regie tot stand was gekomen. De omstandigheid dat het werk is gewijzigd gedurende de uitvoering van de werkzaamheden is onvoldoende om aan te nemen dat partijen een overeenkomst op regiebasis zijn overeengekomen. Bij een vaste aanneemsom is meer- en minderwerk niet ongebruikelijk.
5.8.
De rechtbank is van oordeel dat het kostenoverzicht wel kan worden gezien als een richtprijs. Het kostenoverzicht bevat diverse stelposten. Hoewel het opnemen van een stelpost er niet altijd toe leidt dat er sprake is van een richtprijs, is de rechtbank van oordeel dat met het opnemen van een stelpost al een bepaalde indicatie wordt gegeven en een verwachting wordt geschept over de prijs van de betreffende werkzaamheden, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat [partij A] erop mocht vertrouwen dat de in het kostenoverzicht opgenomen stelposten een richtprijs betroffen. Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat [partij A] een particulier is die zijn huis grondig liet verbouwen, waarbij hij in beginsel mag vertrouwen op de expertise van [partij B] als aannemer bij het afgeven van een inschatting van de te verwachten kosten.
5.9.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het kostenoverzicht kan worden beschouwd als een richtprijs in de zin van artikel 7:752 lid 2 BW.
Welk bedrag moet [partij A] betalen?
5.10.
Partijen zijn het niet eens over welk bedrag [partij A] moet betalen voor de door [partij B] verrichte werkzaamheden. Vast staat dat [partij B] een bedrag van
€ 605.000 incl. btw aan [partij A] heeft gefactureerd, waarvan [partij A] een bedrag van € 599.000 incl. btw heeft betaald.
5.11.
[partij B] stelt zich op het standpunt dat [partij A] naast het onbetaald gelaten bedrag van € 6.000 nog een bedrag van € 67.371,11 verschuldigd is. Het kostenoverzicht bevat volgens [partij B] niet al het werk dat is uitgevoerd. Volgens [partij B] is uiteindelijk veel meer werk uitgevoerd dan in het kostenoverzicht is opgenomen, onder meer omdat [partij A] een gewijzigde ontwerptekening heeft laten maken door zijn eigen architect. [partij B] heeft als productie 10 een overzicht in het geding gebracht van de volgens haar uitgevoerde werkzaamheden. Daarnaast is volgens [partij B] sprake geweest van kostenverhogende onvoorziene omstandigheden, waaronder als gevolg van Covid-19.
5.12.
[partij A] erkent dat er wijzigingen zijn geweest in het werk, maar dit rechtvaardigt volgens hem niet een overschrijding van het in het kostenoverzicht opgenomen bedrag van ruim € 200.000. [partij A] voert aan dat [partij B] onvoldoende heeft gewaarschuwd voor overschrijding van het bedrag dat in het kostenoverzicht stond dan wel meerwerk. Volgens [partij A] mocht [partij B] op basis van het kostenoverzicht, meer- en minderwerk maximaal een bedrag van € 518.571,84 incl. btw in rekening brengen. Omdat hij een bedrag van € 599.000 incl. btw aan [partij B] heeft voldaan, heeft hij een bedrag van
€ 80.428,16 incl. btw teveel betaald. Ter onderbouwing hiervan wijst [partij A] op een door hemzelf opgesteld overzicht dat hij heeft overgelegd als productie 12.
Overschrijding richtprijs
5.13.
Omdat het kostenoverzicht een richtprijs van € 425.350 incl. btw bevat, geldt op grond van het bepaalde in artikel 7:752 lid 2 BW dat die prijs met niet meer dan 10% mag worden overschreden, tenzij de aannemer de opdrachtgever zo tijdig mogelijk voor de waarschijnlijkheid van een verdere overschrijding heeft gewaarschuwd om hem de gelegenheid te geven het werk alsnog te beperken of te vereenvoudigen.
Niet gebleken is dat [partij B] heeft gewaarschuwd als hiervoor bedoeld. [partij B] heeft niet onderbouwd gesteld wanneer en op welke wijze hij [partij A] heeft gewaarschuwd voor de waarschijnlijkheid van een verdere overschrijding van de richtprijs dan met 10% (€ 42.535). [partij B] heeft naar voren gebracht dat voor zover geen sprake is van een aannemingsovereenkomst op basis van regie, er een redelijke prijs vermeerderd met 10% door [partij A] verschuldigd is. Omdat [partij A] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat een overschrijding van 10% in dit geval redelijk is, mag [partij B] 10% meer dan de richtprijs in rekening brengen. Dit brengt mee dat [partij B] op grond van artikel 7:752 lid 2 BW voor de in het kostenoverzicht opgenomen werkzaamheden aan [partij A] een bedrag van € 467.885 incl. btw in rekening mag brengen (de richtprijs plus 10%).
Meerwerk en minderwerk
5.14.
Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van meer- en minderwerk. In artikel 7:755 BW is geregeld wanneer een aannemer het recht heeft meerwerk in rekening te brengen. Daarvoor is vereist dat op verzoek van de opdrachtgever werkzaamheden zijn toegevoegd of gewijzigd ten opzichte van het oorspronkelijk overeengekomen werk. Ook moet de aannemer de opdrachtgever tijdig hebben gewezen op de extra kosten die hiervan het gevolg zouden zijn, tenzij de opdrachtgever uit zichzelf de noodzaak van extra kosten had moeten begrijpen. De bewijslast daarvan rust op de aannemer.
5.15.
Door [partij A] is een bedrag van € 229.673,41 incl. btw aan meerwerk erkend. Het gaat blijkens het door hem als productie 12 in het geding gebrachte overzicht om de volgende posten:
Omschrijving
Prijs excl. btw
Prijs incl. btw
Triple beglazing
€ 4.000,00
€ 4.840,00
Voordeurkozijn
€ 10.000,00
€ 12.100,00
Meterkast verplaatsen
€ 1.395,00
€ 1.687,95
Drie dakramen
€ 2.945,00
€ 3.563,45
Staalconstructie hoekpui woonkamer
€ 14.000,00
€ 16.940,00
Schuifpui slaapkamer
€ 1.828,78
€ 2.212,82
Frans balkon rookglas
€ 3.170,00
€ 3.835,70
Buitenzonwering
€ 2.332,00
€ 2.821,72
Geïsoleerde voorzetwanden
€ 7.250,00
€ 8.772,50
Extra isolatie kopgevels
€ 2.800,00
€ 3.388,00
Tuitgevels opnieuw metselen
€ 9.720,00
€ 11.761,20
Garage voorbereiden woning
€ 15.000,00
€ 18.150,00
Garagedeur
€ 5.500,00
€ 6.655,00
Keldertrap verhogen
€ 998,00
€ 1.207,58
Tegelzetter BG en garage
€ 9.200,00
€ 11.132,00
Vlisotrap met luik
€ 800,00
€ 968,00
Stalen deur
€ 1.070,00
€ 1.294,70
Schoorsteen geverfd/gekeimd
€ 800,00
€ 968,00
Traditionele verwarming
€ 20.000,00
€ 24.200,00
WTW-systeem
€ 8.500,00
€ 10.285,00
WTW-ventilatiesleuven
€ 750,00
€ 907,50
Airco installatie
€ 4.930,00
€ 5.965,30
Electrawerkzaamheden
€ 62.823,96
€ 76.016,99
Totaal
€ 189.812,74
€ 229.673,41
5.16.
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [partij A] naast het erkende bedrag van € 229.673,41 incl. btw nog ander meerwerk verschuldigd is. Het door [partij B] als productie 10 overgelegde overzicht is daartoe ontoereikend. Gelet op de onderbouwde betwisting door [partij A] had het op de weg van [partij B] gelegen om te onderbouwen dat voor wat betreft het meerdere de (i) de toevoegingen of veranderingen door [partij A] gewenst waren, (ii) [partij B] hem over de (globale) prijsverhogingen heeft geïnformeerd en (iii) [partij B] hem heeft gewaarschuwd voor de (aanzienlijke) extra kosten bovenop de richtprijs of (iv) [partij A] die noodzaak van de prijsverhogingen uit zichzelf hadden moeten begrijpen. Dit geldt temeer omdat van een aannemer als [partij B] verwacht mag worden dat hij (kan laten zien dat hij) zijn klanten, zeker als het consumenten zijn, tijdig informeert over noodzakelijke kostenverhogingen. Aangezien [partij B] heeft nagelaten haar stellingen op dit punt deugdelijk te onderbouwen komt de rechtbank tot het oordeel dat slechts het door [partij A] erkende bedrag van € 229.673,41 incl. btw kwalificeert als meerwerk in de zin van artikel 7:755 BW.
5.17.
Verder is door [partij A] gemotiveerd gesteld dat sprake is van een bedrag van
€ 135.050,04 incl. btw aan minderwerk, omdat [partij B] een deel van de in het kostenoverzicht opgenomen werkzaamheden niet heeft uitgevoerd of niet heeft hoeven uitvoeren. De rechtbank is van oordeel dat [partij B] het door [partij A] gestelde minderwerk en de omvang daarvan onvoldoende concreet en gemotiveerd heeft weersproken, zodat de rechtbank zal uitgaan van dit bedrag.
5.18.
[partij B] heeft een beroep gedaan op prijsverhoging vanwege onvoorziene omstandigheden. In dit kader heeft [partij B] naar voren gebracht dat zij in verband met de gevolgen van de uitbraak van Covid-19 is geconfronteerd met hogere (inkoop)prijzen en kosten. De rechtbank acht het beroep van [partij B] op prijsverhoging vanwege onvoorziene omstandigheden in het licht van de gemotiveerde betwisting door [partij A] onvoldoende onderbouwd. [partij B] heeft haar stellingen op dit punt slechts in algemene termen toegelicht en heeft bijvoorbeeld niet concreet gemaakt welke financiële gevolgen dit heeft gehad voor het werk. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het beroep van [partij B].
5.19.
De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat [partij B] in totaal maximaal aanspraak kan maken op een prijs van € 562.508,37 incl. btw (€ 467.885 (de richtprijs van € 425.350 + 10%) + € 229.673,41 – € 135.050,04). Omdat [partij A] al een bedrag van € 599.000 heeft betaald voor de werkzaamheden aan de woning, brengt dit mee dat hij een bedrag van € 36.491,63 incl. btw onverschuldigd heeft betaald. [partij B] zal in conventie worden veroordeeld tot (terug)betaling van dit bedrag.
5.20.
De gevorderde rente over dit bedrag wordt toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding. Er is namelijk door [partij A] niet toegelicht waarom de rente met ingang van de gevorderde ingangsdatum van 5 april 2025 verschuldigd is.
De gestelde gebreken
5.21.
[partij A] stelt zich op het standpunt dat [partij B] is tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst door gebreken in het werk en dat [partij B] deze gebreken heeft erkend. Volgens [partij A] is sprake van de volgende gebreken en/of opleverpunten:
Gesteld gebrek
Gestelde werkzaamheden
Kosten/schade excl. btw
a.
Schuifpui moet nog worden geschilderd
Schilderen
€ 1.260,-
b.
Natuurstenen die gescheurd zijn moeten vervangen worden. Er moeten uitzetvoegen worden gemaakt om scheuren te voorkomen
Tegelwerk, afbouwtimmerwerk, schilderwerk, kitwerk
€ 1.485,-
c.
Scheur in het plafond van de slaapkamer dichtzetten
Zie d.
d.
Krimpscheuren wand/plafond afkitten
Spuitwerk
€ 1.455,-
e.
Herstel van schade wasruimte door verkeerd aansluiten wasmachine
€ 1.365,-
f.
De verf van de garagedeur begint te bladderen
Glaslatten vervangen, vervangen buitendeur, schilderwerk
€ 2.990,-
g.
De handgrepen van de buitendeuren verliezen zwarte kleur
Vervangen deurbeslag
€ 1.384,-
h.
De deurbel moet vervangen
Vervangen deurbel
€ 387,60
i.
De verlichting van het tuinhuisje kan niet worden aan- of uitgeschakeld
Verlichting herstellen
€ 1.000,-
j.
Het waterfonteintje werkt niet meer
Schakelaar herstellen
Zie i.
k.
Ondeugdelijk werk buitendeuren
Vervanging buitendeuren
€ 5.454,-
l.
Schade achterdeurkozijn (buitenzijde)
Schilderwerk
€ 515,-
m.
Radiator kelder niet aangesloten op cv
Aansluiten op installatie
€ 496,-
5.22.
[partij B] heeft hiertegen ingebracht dat [partij A] de gebreken bij oplevering had moeten ontdekken (artikel 7:758 lid 3 BW), dat [partij A] niet heeft voldaan aan de klachtplicht (artikel 6:89 BW) en dat de vorderingen van [partij A] zijn verjaard (artikel 7:761 lid 1 BW). Volgens [partij B] gaat het daarnaast slechts om ondergeschikte gebreken die [partij A] op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken.
5.23.
[partij A] heeft allereerst naar voren gebracht dat de door hem gestelde gebreken door [partij B] zijn erkend. De rechtbank stelt vast dat [partij B] in het e-mailbericht van
2 december 2022 aan [partij A] heeft bevestigd dat gebrek a (de schuifpui), c (scheur plafond slaapkamer) en d (krimpscheuren wand/plafond) zullen worden opgelost. De op grond daarvan berekende kosten van in totaal € 5.082 incl. btw (€ 1.260 excl. btw +
€ 1.485,- excl. btw + € 1.455,- excl. btw) zijn daarmee toewijsbaar. De rechtbank is van oordeel dat voor de overige door [partij A] gestelde gebreken geen erkenning in de correspondentie tussen partijen valt te lezen. Voor die gebreken (c, e tot en met m) geldt het volgende.
5.24.
Voor de beoordeling van de door [partij A] gestelde gebreken is van belang of er al dan niet oplevering van het werk heeft plaatsgevonden. [partij A] meent dat dit niet zo is. [partij B] voert daartegenover aan dat [partij A] de oplevering van het werk stilzwijgend heeft aanvaard, nu [partij A] de woning in gebruik heeft genomen. De rechtbank is van oordeel dat het werk is opgeleverd. Partijen hebben op 25 september 2020 en 16 januari 2021 overleg gevoerd over nog openstaande punten. [partij B] heeft naar aanleiding daarvan nog werkzaamheden verricht. Vervolgens heeft [partij B] op 18 februari 2021 bij [partij A] geïnformeerd of de werkzaamheden naar wens zijn uitgevoerd. [partij A] heeft daar op diezelfde dag bevestigend op gereageerd en heeft melding gemaakt van enkele kleine restpunten, waaronder over het aansluiten van een tv. De rechtbank leidt hieruit af dat [partij A] de woning in ieder geval op 18 februari 2021 in gebruik heeft genomen. Dat [partij A] mogelijk bij de ingebruikneming van de woning nog enkele opmerkingen heeft gemaakt, maakt naar het oordeel niet dat [partij A] het werk heeft geweigerd. Indien [partij A] zich tegen oplevering had willen verzetten had het op zijn weg gelegen uitdrukkelijk kenbaar te maken dat hij het werk (of onderdelen daarvan) weigerde. Uit de tussen partijen gevoerde correspondentie blijkt niet dat [partij A] dit heeft gedaan. Daarnaast betrekt de rechtbank in haar oordeel dat niet is gebleken dat de op dat moment vastgestelde openstaande punten van dien aard waren dat deze aan de ingebruikname van de woning in de weg stonden. De conclusie is dat [partij A] het werk heeft aanvaard – mogelijk onder voorbehoud van enkele afwerkingen – en in gebruik heeft genomen door in de woning te gaan wonen en niet expliciet kenbaar te maken dat hij het werk weigerde.
5.25.
De rechtbank is van oordeel dat voor de gestelde gebreken b (natuurstenen vervangen), h (deurbel vervangen), i (verlichting tuinhuisje), j (waterfonteintje), k (buitendeuren), l (achterdeurkozijn) en m (radiator kelder) geldt dat dit gebreken zijn die bij oplevering zichtbaar of kenbaar waren. Een aannemer moet erop kunnen vertrouwen dat kwesties die kenbaar en zichtbaar zijn, niet eindeloos door kunnen spelen. Niet gebleken is dat [partij A] de genoemde gebreken bij oplevering c.q. ingebruikname heeft gemeld. Dat betekent dat [partij B] ten aanzien van deze gebreken niet (langer) aansprakelijk is. De op grond daarvan berekende kosten zijn daarom niet toewijsbaar.
5.26.
Ten aanzien van de door [partij A] gestelde gebreken f (afbladderen verf garagedeur) en g (handgrepen verliezen kleur) is de rechtbank van oordeel dat dit gebreken zijn die nog niet bij oplevering, maar pas na tijdsverloop kenbaar en zichtbaar konden zijn. [partij B] heeft als verweer gevoerd dat zij niet aansprakelijk is voor de gestelde gebreken, omdat [partij A] te laat heeft geklaagd en de gestelde gebreken onder de normale onderhoudsverplichting van [partij A] als eigenaar vallen. Dit verweer slaagt niet. [partij A] heeft deze gebreken bij brief van 20 juni 2024 aan [partij B] gemeld. De klachttermijn van deze gebreken vangt aan op het moment dat [partij A] de gebreken heeft ontdekt of redelijkerwijs hadden behoren te ontdekken. De stelplicht en bewijslast ten aanzien van de aanvang van de klachttermijn rusten op [partij B]. [partij B] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [partij A] de gebreken al eerder hebben ontdekt of hadden behoren te ontdekken dan medio 2024. Daarnaast hoefde [partij A] niet te verwachten dat de verf van de garagedeur op een dergelijke termijn zou afbladderen of dat de handgrepen binnen die termijn hun kleur zouden verliezen. Dat dit gebreken zijn die binnen de normale onderhoudsverplichting van een eigenaar vallen, is door [partij B] onvoldoende onderbouwd. Verder heeft [partij B] naar voren gebracht dat de door [partij A] op grond van de gebreken gevorderde kosten te hoog zijn, met name omdat niet alle opgevoerde werkzaamheden noodzakelijk zijn voor het door [partij A] gestelde gebrek. Dit verweer slaagt wel. Omdat de rechtbank de kosten in verband met deze gebreken niet nauwkeurig kan vaststellen zal zij deze – mede om proceseconomische redenen – schatten. De rechtbank schat deze op 50% van de door [partij A] opgevoerde kosten. Dit brengt mee dat de rechtbank ten aanzien van gebrek f een bedrag van € 1.495 excl. btw (€ 1.808,95 incl. btw) en ten aanzien van gebrek g een bedrag van € 692 (€ 837,32 incl. btw) toewijst.
5.27.
Ten slotte overweegt de rechtbank ten aanzien van gebrek e. (herstel schade wasruimte) als volgt. Niet gebleken is dat [partij B] op grond van de overeenkomst tussen partijen gehouden was de wasmachine aan te sluiten. [partij B] heeft toegelicht dat haar werknemers onverplicht de wasmachine naar de wasruimte hebben gedragen toen deze werd bezorgd. Toen de wasmachine vervolgens door [partij A] in gebruik is genomen, is de transportbeveiliging niet verwijderd waardoor de wasmachine is gevallen, aldus [partij B]. [partij A] heeft hier onvoldoende tegenover gesteld. Dit is daarom geen gebrek dat voor rekening van [partij B] komt en de op grond daarvan gestelde kosten worden niet toegewezen.
5.28.
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank voor de gebreken een bedrag van
€ 7.728, 27 (incl. btw) toewijzen (€ 5.082 + € 1.808,95 + € 837,32).
Buitengerechtelijke incassokosten
5.29.
[partij A] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [partij B] betwist de grondslag voor de toewijzing van deze kosten en de hoogte en/of noodzakelijkheid ervan. Bovendien heeft [partij A] volgens [partij B] niet aangetoond dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die meer inhouden dan het versturen van een aanmaning of het enkel doen/aanvaarden van een schikkingsvoorstel.
5.30.
De rechtbank wijst de vergoeding van de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) toe. [partij A] heeft immers voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, waaronder het sturen van een sommatiebrief en het voeren van correspondentie. Voor het verschuldigd zijn van buitengerechtelijke incassokosten is weliswaar vereist dat incassowerkzaamheden hebben plaatsgevonden, maar daartoe is het versturen van één brief in beginsel voldoende. De rechtbank zal de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten berekenen op basis van het toegewezen bedrag van € 44.219,90. Dit betekent dat [partij A] recht heeft op een vergoeding voor deze kosten ten bedrage van € 1.217,20. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen. Dit bedrag zal vermeerderd worden met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding zoals door [partij A] gevorderd.
Opheffen beslag
5.31.
[partij B] vordert opheffing van de ten laste van haar gelegde beslagen. Volgens [partij B] is het beslag gelegd voor een ondeugdelijke vordering, is het beslag onnodig en wordt zij daardoor onevenredig zwaar in haar belangen getroffen.
5.32.
De maatstaf ter beoordeling van de vraag of beslagen opgeheven moeten worden is dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering waarvoor beslag is gelegd. Ook moet een belangenafweging plaatsvinden tussen de belangen van de beslaglegger bij handhaving van de beslagen aan de ene kant en de belangen van de beslagene bij opheffing van dat beslag aan de andere kant.
5.33.
Er is niet gebleken van de ondeugdelijkheid van de vorderingen van [partij A]. Omdat de vorderingen van [partij A] in conventie gedeeltelijk worden toegewezen, heeft [partij A] ook achteraf bezien terecht conservatoir beslag gelegd tot zekerheid van zijn vorderingen. Dat de vorderingen van [partij A] voor een lager bedrag zijn toegewezen dan waarvoor [partij A] de beslagen heeft gelegd, maakt dit niet anders. Ook heeft [partij A] voldoende onderbouwd waarom hij, gelet op zijn verhaalspositie, belang heeft bij handhaving van de beslagen. [partij B] heeft haar belang bij opheffing van het beslag onvoldoende onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat het belang van [partij A] bij handhaving van het beslag zwaarder weegt dan het belang van [partij B] bij opheffing daarvan. De vordering tot opheffing van het beslag wordt daarom afgewezen. In het verlengde hiervan wordt ook de vordering tot betaling van de wettelijke rente over het beslagen bedrag afgewezen.
Proceskosten en beslagkosten
5.34.
[partij B] is in conventie en in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (incl. beslagkosten en nakosten) betalen. Aangezien de vordering in reconventie voortvloeit uit het verweer in conventie wordt het salaris advocaat gehalveerd. De beslagkosten zullen daarom worden toegewezen voor zover deze blijken uit de overgelegde exploten (€ 403,60). Daarnaast wordt bij de proceskostenvergoeding in conventie een extra punt toegekend voor het opstellen van het beslagrekest. De proceskosten van [partij A] worden in conventie en in reconventie aldus begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 2.723,00 (waarvan € 331 voor het beslagrekest)
- salaris advocaat € 5.127,50 (2,5 punten x € 2.051)
- overige explootkosten € 403,60
- nakosten € 296,00 (met de in de beslissing genoemde eventuele verhoging)
Totaal € 8.694,57
5.35.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 36.491,63 incl. btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 7.728,27 incl. btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 1.217,20 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.5.
wijst de vorderingen af,
in conventie en in reconventie
6.6.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 8.694,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [partij B] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.7.
verklaart 6.1, 6.2, 6.3 en 6.6 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Schueler en in het openbaar uitgesproken op
8 juli 2026.
3219
HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581.
Team handel
Zaak- / rolnummer: C/09/694030 / HA ZA 25-973
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[partij A]
te [woonplaats] ([land]),
eiser in conventie, gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. H.R. Flipse te Rotterdam,
tegen
[partij B] B.V. te [vestigingsplaats],
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
advocaat: mr. S. Velthuizen te Rotterdam.
Partijen worden hierna [partij A] en [partij B] genoemd.
1Waar gaat deze zaak over?
1.1.
[partij B] heeft verbouwingswerkzaamheden uitgevoerd aan de woning van [partij A]. Partijen verschillen van mening over de prijs die [partij A] daarvoor aan [partij B] verschuldigd is. Volgens [partij A] heeft hij met [partij B] een vaste aanneemsom of in elk geval een richtprijs afgesproken en heeft [partij B] zich hier niet aan gehouden. Daarnaast is volgens [partij A] sprake van gebreken aan het werk. [partij B] voert aan dat sprake is van een aannemingsovereenkomst op basis van regie en dat [partij A] juist te weinig heeft betaald.
1.2.
De rechtbank oordeelt dat partijen een richtprijs hebben afgesproken en dat de gevorderde schadevergoeding met betrekking tot de erkende gebreken kan worden toegewezen. De vorderingen van [partij A] worden deels toegewezen. De (tegen)vorderingen van [partij B] worden afgewezen.
2De procedure
2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 20 oktober 2025 met producties 1 tot en met 22;- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met producties 1 tot en met 10;- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 23 en 24;
- het tussenvonnis van 21 januari 2026, waarin de mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overlegging aanvullende producties;
- de door beide partijen overgelegde pleitnotities.
2.2.
Op 16 april 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt.
3De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
[partij A] is eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning).
3.2.
In verband met zijn wens om de woning te verbouwen heeft [partij A] contact gezocht met [partij B].
3.3.
[partij B] heeft een kostenoverzicht gedateerd op 18 november 2019 aan [partij A] verstrekt ter hoogte van € 425.350 incl. btw (hierna: het kostenoverzicht). In het kostenoverzicht is onder meer het volgende te lezen:
‘Betreft: kostenraming verbouwing(…)
Naar aanleiding van ons gesprek op 1 november j.l. doen wij u hierbij onze prijsindicatie toekomen voor het revitaliseren van uw woning aan de [adres] te [plaats].
Onze prijsindicatie is gebaseerd op onderstaande gegevens:
Uitgangspunten:
Tijdens ons bezoek op 11 oktober 2019 heeft u een aantal uitgangspunten geformuleerd waaraan uw woning moet voldoen. Op 1 november jl. hebben wij een schetsmatige presentatie gegeven en dit voorstel bij u achtergelaten. U heeft aangegeven graag te willen weten wat de globale kosten zouden zijn van deze grootschalige revitalisering.(…)
De volgende onderdelen hebben wij meegenomen in onze kostenraming:(...)
Bovenstaande bedragen zijn een kostenindicatie. Deze behoeven een verdere verfijning!
Werkzaamheden derden:
Open haard;
Dressing;
Keuken;
Vloerbedekking;
Niet genoemde werken.(…)’
3.4.
In het kostenoverzicht zijn stelposten opgenomen voor de daarin omschreven werkzaamheden.
3.5.
[partij B] is in februari 2020 gestart met de werkzaamheden aan de woning.
3.6.
Op 10 januari 2020 en 28 februari 2020 hebben er bouwvergaderingen plaatsgevonden waarbij partijen aanwezig waren. Er zijn tijdens deze vergaderingen diverse wijzigingen in het werk besproken, waaronder dat de garage bij de woning zal worden betrokken tegen een meerwerkprijs van € 15.000,00 exclusief btw.
3.7.
[partij A] heeft gedurende de uitvoering van de werkzaamheden gewijzigde ontwerptekeningen aan [partij B] verstrekt.
3.8.
Op 25 september 2020 hebben partijen een rondgang door de woning gemaakt. In het daarvan opgemaakte verslag staan nog openstaande punten gemeld.
3.9.
Partijen hebben op 16 januari 2021 een overleg gehad. Van dat overleg is een verslag gemaakt met resterende openstaande punten.
3.10.
[partij B] heeft [partij A] op 20 januari 2021 via Whatsapp gevraagd of de werkzaamheden naar wens zijn uitgevoerd. [partij A] heeft hier bevestigend op gereageerd, maar heeft melding gemaakt van vier andere punten: het aansluiten van de tv, warm licht in de voordeur, een gaatje in het travertin en afwerking van parket achter het bad.
3.11.
Op 3 maart 2021 heeft [partij A] via Whatsapp melding gemaakt van een aantal gebreken.
3.12.
[partij A] heeft bij e-mailbericht van 21 november 2022 opnieuw contact opgenomen over gebreken. Vervolgens heeft op 25 november 2022 een overleg plaatsgevonden tussen partijen. [partij B] heeft per e-mailbericht van 2 december 2022 een verslag opgesteld van dit overleg waarin zij ten aanzien van een aantal punten heeft bevestigd dat zij zal overgaan tot herstel, waaronder het laten schilderen van de schuifpui en het dichtzetten van (krimp)scheuren in de wand en/of het plafond van de slaapkamer.
3.13.
[partij B] heeft over de periode maart 2020 tot en met juli 2021 negen facturen aan [partij A] gestuurd voor een bedrag van in totaal € 605.000 incl. btw. [partij A] heeft daarvan € 599.000 betaald. Van de factuur van 7 juli 2021 heeft [partij A] een bedrag van € 6.000 onbetaald gelaten.
3.14.
Tussen partijen is vanaf juli 2023 discussie ontstaan over de voorwaarden waaronder het werk moet worden afgerekend.
3.15.
[partij B] heeft bij e-mail van 27 januari 2024 aan [partij A] geschreven dat er nog een bedrag van € 6.000 niet betaald is en dat er nog een bedrag van € 67.371 moet worden gefactureerd.
3.16.
[partij A] heeft zich bij brief van 20 juni 2024 op het standpunt gesteld dat er sprake is van gebreken, dat er niet is opgeleverd, dat sprake is van een vaste aanneemsom en dat hij teveel heeft betaald. In die brief is [partij B] gesommeerd om een gespecificeerde eindafrekening aan [partij A] te doen toekomen en over te gaan tot herstel van de gebreken.
3.17.
[partij B] heeft hieraan niet voldaan, maar heeft [partij A] bij brief van 12 september 2024 gesommeerd tot betaling van het openstaande bedrag van € 6.000.
3.18.
[partij A] heeft [partij B] bij brief van 8 november 2024 nogmaals gesommeerd om een gespecificeerde eindafrekening toe te zenden en over te gaan tot herstel van de gebreken.
3.19.
In een brief van 9 oktober 2025 heeft [partij A] drie nieuwe gebreken gemeld en gesommeerd deze te herstellen.
3.20.
[partij A] heeft [partij B] op 20 maart 2025 een door hemzelf opgesteld overzicht verzonden waaruit volgt dat hij een bedrag van € 80.661,37 incl. btw onverschuldigd heeft betaald. [partij A] vordert betaling van dit bedrag en een bedrag van € 13.385,77 incl. btw aan schadevergoeding.
3.21.
[partij A] heeft in oktober 2025 conservatoir beslag laten leggen ten laste van [partij B].
4Het geschil
in conventie
4.1.
[partij A] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [partij B] veroordeelt tot (terug)betaling van een bedrag van € 80.428,16 incl. btw, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente;
II. [partij B] veroordeelt om aan [partij A] een bedrag van € 21.527,84 incl. btw aan (vervangende) schadevergoeding te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente;
III. [partij B] veroordeelt om aan [partij A] een bedrag van € 2.171,42 incl. btw aan buitengerechtelijke kosten aan [partij A] te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente;
IV. [partij B] veroordeelt in de proceskosten (incl. beslagkosten).
4.2.
[partij A] legt aan zijn vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag. Partijen zijn een vaste aanneemsom, dan wel een richtprijs overeengekomen, maar [partij B] heeft meer gefactureerd. Ondanks dat [partij A] meerdere malen heeft verzocht om een eindafrekening, heeft [partij B] geen duidelijkheid gegeven over het prijsverschil. Vordering I ziet op de (terug)betaling van het bedrag dat [partij A] te veel en dus onverschuldigd aan [partij B] heeft betaald. Daarnaast is sprake van gebreken in de werkzaamheden. Vordering II ziet op vergoeding van de schade vanwege die gebreken.
4.3.
[partij B] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [partij A] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.5.
[partij B] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [partij A] veroordeelt om aan [partij B] een bedrag van € 6.000 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente;
II. [partij A] veroordeelt om aan [partij B] een bedrag van € 67.371,11 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente;
III. de ten laste van [partij B] gelegde beslagen op te heffen, althans [partij A] te veroordelen tot opheffing daarvan op straffe van een dwangsom;
IV. [partij A] veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over het bedrag van € 333.801 (het door het beslag geraakte bedrag) vanaf 9 oktober 2025 (datum beslaglegging) tot aan de datum dat het beslag is opgeheven;
V. [partij A] veroordeelt in de proceskosten.
4.6.
[partij B] legt daaraan - samengevat - het volgende ten grondslag. [partij B] heeft in opdracht van [partij A] werkzaamheden verricht die betaald moeten worden. Het in de offerte opgenomen bedrag kan niet als vaste aanneemsom of richtprijs worden aangemerkt. Omdat het werk meermaals door [partij A] is gewijzigd, is ervoor gekozen om de werkzaamheden op basis van regie te laten uitvoeren. Aan [partij B] zijn veel extra werkzaamheden opgedragen en het uiteindelijke ontwerp van de architect wijkt aanzienlijk af van de offerte. [partij A] heeft een bedrag van € 6.000 van de laatste factuur onbetaald gelaten (vordering I). Daarnaast staat er nog een bedrag van € 67.371,11 open dat nog niet is gefactureerd (vordering II). Ten slotte is het beslag onrechtmatig gelegd en moet dit worden opgeheven.
4.7.
[partij A] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [partij B] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
4.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling in conventie en in reconventie
5.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden deze gezamenlijk behandeld.
Consumentenrecht
5.2.
De overeenkomst tussen partijen is gesloten tussen [partij A] als consument en [partij B] als professioneel handelende partij. De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om een de constructie van nieuwbouw of ingrijpende verbouw van een bestaand gebouw in de zin van artikel 6:230h lid 2 sub g BW, zodat niet ambtshalve hoeft te worden getoetst aan het consumentenrecht.
Welke prijsafspraak hebben partijen gemaakt?
5.3.
Tussen partijen bestaat discussie over de vraag wat zij zijn overeengekomen over de prijs die [partij A] aan [partij B] moet betalen voor de verrichte werkzaamheden. [partij A] voert aan dat partijen een vaste aanneemsom dan wel een richtprijs zijn overeengekomen, terwijl [partij B] zich op het standpunt stelt dat sprake is van een overeenkomst op basis van regie.
5.4.
De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is, dat partijen een overeenkomst van aanneming van werk als bedoeld in artikel 7:750 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hebben gesloten. De vraag wat partijen precies zijn overeengekomen over de prijs van het werk is een vraag van uitleg. Hierbij geldt dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet kan worden beantwoord op grond van een uitsluitend taalkundige uitleg van hun afspraken. Doorslaggevend bij de uitleg daarvan is de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en wat zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat [partij B] voor wat betreft de in de offerte weergegeven werkzaamheden een richtprijs heeft afgegeven. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Vaste aanneemsom, regieovereenkomst of richtprijs?
5.6.
Van een vaste aanneemsom voor de in het kostenoverzicht vermelde werkzaamheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. In het kostenoverzicht staat namelijk vermeld: ‘kostenraming verbouwing’ (p. 1), ‘prijsindicatie’ (p. 1), ‘de volgende onderdelen hebben wij meegenomen in onze kostenraming’ (p. 2). Daarnaast staat onder het genoemde bedrag van € 425.350 ‘Bovenstaande bedragen zijn een kostenindicatie. Deze behoeven een verdere verfijning!’ (p. 9). Deze bewoordingen duiden naar het oordeel van de rechtbank op een kostenindicatie en niet op een vaste aanneemsom. [partij A] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat hij het in het kostenoverzicht opgenomen bedrag van € 425.350 incl. btw, ondanks de bewoordingen die duiden op een kostenindicatie, redelijkerwijs als een vaste aanneemsom heeft kunnen begrijpen. Dat in de offerte staat ‘plaatsen van sanitair is in de aanneemsom opgenomen’ (p. 8) is onvoldoende om de door [partij A] gestelde vaste aanneemsom aan te nemen. Daarmee wordt namelijk nog niet gezegd dat de aanneemsom ‘vast’ is, terwijl in het kostenoverzicht verder uitdrukkelijk en herhaald is vermeld dat het gaat om een kostenindicatie. Hoe en wanneer [partij B] heeft ingestemd met een vaste aanneemsom is onvoldoende door [partij A] onderbouwd. Er is geen correspondentie in het geding gebracht waaruit volgt dat partijen hebben gesproken over een vaste aanneemsom. Dat [partij B] met het kostenoverzicht inzicht heeft gegeven in de werkzaamheden, betekent nog niet dat zij zich daarmee vast heeft gelegd op een bepaalde aanneemsom. Verder duidt de omstandigheid dat [partij A] wijzigingen kon laten doorvoeren en kon beslissen een deel van de werkzaamheden niet te laten uitvoeren er ook op dat van een vaste aanneemsom geen sprake is.
5.7.
Van een overeenkomst op basis van regie – zoals door [partij B] is betoogd – is naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake. [partij B] heeft onvoldoende onderbouwd hoe, waar en wanneer precies met [partij A] zou zijn afgesproken dat de werkzaamheden op regiebasis zouden worden uitgevoerd. Het had als professionele aannemer die een aannemingsovereenkomst sluit met een particulier op de weg van [partij B] gelegen om die duidelijkheid te verschaffen, maar dit heeft [partij B] nagelaten. De door [partij B] gestelde afspraak is niet vastgelegd en er is ook geen correspondentie overgelegd waaruit de juistheid van de gestelde afspraak zou kunnen worden afgeleid. Bij gebrek aan voldoende concrete feiten en omstandigheden kan de rechtbank niet vaststellen dat [partij B] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat er een overeenkomst op basis van regie tot stand was gekomen. De omstandigheid dat het werk is gewijzigd gedurende de uitvoering van de werkzaamheden is onvoldoende om aan te nemen dat partijen een overeenkomst op regiebasis zijn overeengekomen. Bij een vaste aanneemsom is meer- en minderwerk niet ongebruikelijk.
5.8.
De rechtbank is van oordeel dat het kostenoverzicht wel kan worden gezien als een richtprijs. Het kostenoverzicht bevat diverse stelposten. Hoewel het opnemen van een stelpost er niet altijd toe leidt dat er sprake is van een richtprijs, is de rechtbank van oordeel dat met het opnemen van een stelpost al een bepaalde indicatie wordt gegeven en een verwachting wordt geschept over de prijs van de betreffende werkzaamheden, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat [partij A] erop mocht vertrouwen dat de in het kostenoverzicht opgenomen stelposten een richtprijs betroffen. Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat [partij A] een particulier is die zijn huis grondig liet verbouwen, waarbij hij in beginsel mag vertrouwen op de expertise van [partij B] als aannemer bij het afgeven van een inschatting van de te verwachten kosten.
5.9.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het kostenoverzicht kan worden beschouwd als een richtprijs in de zin van artikel 7:752 lid 2 BW.
Welk bedrag moet [partij A] betalen?
5.10.
Partijen zijn het niet eens over welk bedrag [partij A] moet betalen voor de door [partij B] verrichte werkzaamheden. Vast staat dat [partij B] een bedrag van
€ 605.000 incl. btw aan [partij A] heeft gefactureerd, waarvan [partij A] een bedrag van € 599.000 incl. btw heeft betaald.
5.11.
[partij B] stelt zich op het standpunt dat [partij A] naast het onbetaald gelaten bedrag van € 6.000 nog een bedrag van € 67.371,11 verschuldigd is. Het kostenoverzicht bevat volgens [partij B] niet al het werk dat is uitgevoerd. Volgens [partij B] is uiteindelijk veel meer werk uitgevoerd dan in het kostenoverzicht is opgenomen, onder meer omdat [partij A] een gewijzigde ontwerptekening heeft laten maken door zijn eigen architect. [partij B] heeft als productie 10 een overzicht in het geding gebracht van de volgens haar uitgevoerde werkzaamheden. Daarnaast is volgens [partij B] sprake geweest van kostenverhogende onvoorziene omstandigheden, waaronder als gevolg van Covid-19.
5.12.
[partij A] erkent dat er wijzigingen zijn geweest in het werk, maar dit rechtvaardigt volgens hem niet een overschrijding van het in het kostenoverzicht opgenomen bedrag van ruim € 200.000. [partij A] voert aan dat [partij B] onvoldoende heeft gewaarschuwd voor overschrijding van het bedrag dat in het kostenoverzicht stond dan wel meerwerk. Volgens [partij A] mocht [partij B] op basis van het kostenoverzicht, meer- en minderwerk maximaal een bedrag van € 518.571,84 incl. btw in rekening brengen. Omdat hij een bedrag van € 599.000 incl. btw aan [partij B] heeft voldaan, heeft hij een bedrag van
€ 80.428,16 incl. btw teveel betaald. Ter onderbouwing hiervan wijst [partij A] op een door hemzelf opgesteld overzicht dat hij heeft overgelegd als productie 12.
Overschrijding richtprijs
5.13.
Omdat het kostenoverzicht een richtprijs van € 425.350 incl. btw bevat, geldt op grond van het bepaalde in artikel 7:752 lid 2 BW dat die prijs met niet meer dan 10% mag worden overschreden, tenzij de aannemer de opdrachtgever zo tijdig mogelijk voor de waarschijnlijkheid van een verdere overschrijding heeft gewaarschuwd om hem de gelegenheid te geven het werk alsnog te beperken of te vereenvoudigen.
Niet gebleken is dat [partij B] heeft gewaarschuwd als hiervoor bedoeld. [partij B] heeft niet onderbouwd gesteld wanneer en op welke wijze hij [partij A] heeft gewaarschuwd voor de waarschijnlijkheid van een verdere overschrijding van de richtprijs dan met 10% (€ 42.535). [partij B] heeft naar voren gebracht dat voor zover geen sprake is van een aannemingsovereenkomst op basis van regie, er een redelijke prijs vermeerderd met 10% door [partij A] verschuldigd is. Omdat [partij A] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat een overschrijding van 10% in dit geval redelijk is, mag [partij B] 10% meer dan de richtprijs in rekening brengen. Dit brengt mee dat [partij B] op grond van artikel 7:752 lid 2 BW voor de in het kostenoverzicht opgenomen werkzaamheden aan [partij A] een bedrag van € 467.885 incl. btw in rekening mag brengen (de richtprijs plus 10%).
Meerwerk en minderwerk
5.14.
Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van meer- en minderwerk. In artikel 7:755 BW is geregeld wanneer een aannemer het recht heeft meerwerk in rekening te brengen. Daarvoor is vereist dat op verzoek van de opdrachtgever werkzaamheden zijn toegevoegd of gewijzigd ten opzichte van het oorspronkelijk overeengekomen werk. Ook moet de aannemer de opdrachtgever tijdig hebben gewezen op de extra kosten die hiervan het gevolg zouden zijn, tenzij de opdrachtgever uit zichzelf de noodzaak van extra kosten had moeten begrijpen. De bewijslast daarvan rust op de aannemer.
5.15.
Door [partij A] is een bedrag van € 229.673,41 incl. btw aan meerwerk erkend. Het gaat blijkens het door hem als productie 12 in het geding gebrachte overzicht om de volgende posten:
Omschrijving
Prijs excl. btw
Prijs incl. btw
Triple beglazing
€ 4.000,00
€ 4.840,00
Voordeurkozijn
€ 10.000,00
€ 12.100,00
Meterkast verplaatsen
€ 1.395,00
€ 1.687,95
Drie dakramen
€ 2.945,00
€ 3.563,45
Staalconstructie hoekpui woonkamer
€ 14.000,00
€ 16.940,00
Schuifpui slaapkamer
€ 1.828,78
€ 2.212,82
Frans balkon rookglas
€ 3.170,00
€ 3.835,70
Buitenzonwering
€ 2.332,00
€ 2.821,72
Geïsoleerde voorzetwanden
€ 7.250,00
€ 8.772,50
Extra isolatie kopgevels
€ 2.800,00
€ 3.388,00
Tuitgevels opnieuw metselen
€ 9.720,00
€ 11.761,20
Garage voorbereiden woning
€ 15.000,00
€ 18.150,00
Garagedeur
€ 5.500,00
€ 6.655,00
Keldertrap verhogen
€ 998,00
€ 1.207,58
Tegelzetter BG en garage
€ 9.200,00
€ 11.132,00
Vlisotrap met luik
€ 800,00
€ 968,00
Stalen deur
€ 1.070,00
€ 1.294,70
Schoorsteen geverfd/gekeimd
€ 800,00
€ 968,00
Traditionele verwarming
€ 20.000,00
€ 24.200,00
WTW-systeem
€ 8.500,00
€ 10.285,00
WTW-ventilatiesleuven
€ 750,00
€ 907,50
Airco installatie
€ 4.930,00
€ 5.965,30
Electrawerkzaamheden
€ 62.823,96
€ 76.016,99
Totaal
€ 189.812,74
€ 229.673,41
5.16.
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [partij A] naast het erkende bedrag van € 229.673,41 incl. btw nog ander meerwerk verschuldigd is. Het door [partij B] als productie 10 overgelegde overzicht is daartoe ontoereikend. Gelet op de onderbouwde betwisting door [partij A] had het op de weg van [partij B] gelegen om te onderbouwen dat voor wat betreft het meerdere de (i) de toevoegingen of veranderingen door [partij A] gewenst waren, (ii) [partij B] hem over de (globale) prijsverhogingen heeft geïnformeerd en (iii) [partij B] hem heeft gewaarschuwd voor de (aanzienlijke) extra kosten bovenop de richtprijs of (iv) [partij A] die noodzaak van de prijsverhogingen uit zichzelf hadden moeten begrijpen. Dit geldt temeer omdat van een aannemer als [partij B] verwacht mag worden dat hij (kan laten zien dat hij) zijn klanten, zeker als het consumenten zijn, tijdig informeert over noodzakelijke kostenverhogingen. Aangezien [partij B] heeft nagelaten haar stellingen op dit punt deugdelijk te onderbouwen komt de rechtbank tot het oordeel dat slechts het door [partij A] erkende bedrag van € 229.673,41 incl. btw kwalificeert als meerwerk in de zin van artikel 7:755 BW.
5.17.
Verder is door [partij A] gemotiveerd gesteld dat sprake is van een bedrag van
€ 135.050,04 incl. btw aan minderwerk, omdat [partij B] een deel van de in het kostenoverzicht opgenomen werkzaamheden niet heeft uitgevoerd of niet heeft hoeven uitvoeren. De rechtbank is van oordeel dat [partij B] het door [partij A] gestelde minderwerk en de omvang daarvan onvoldoende concreet en gemotiveerd heeft weersproken, zodat de rechtbank zal uitgaan van dit bedrag.
5.18.
[partij B] heeft een beroep gedaan op prijsverhoging vanwege onvoorziene omstandigheden. In dit kader heeft [partij B] naar voren gebracht dat zij in verband met de gevolgen van de uitbraak van Covid-19 is geconfronteerd met hogere (inkoop)prijzen en kosten. De rechtbank acht het beroep van [partij B] op prijsverhoging vanwege onvoorziene omstandigheden in het licht van de gemotiveerde betwisting door [partij A] onvoldoende onderbouwd. [partij B] heeft haar stellingen op dit punt slechts in algemene termen toegelicht en heeft bijvoorbeeld niet concreet gemaakt welke financiële gevolgen dit heeft gehad voor het werk. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het beroep van [partij B].
5.19.
De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat [partij B] in totaal maximaal aanspraak kan maken op een prijs van € 562.508,37 incl. btw (€ 467.885 (de richtprijs van € 425.350 + 10%) + € 229.673,41 – € 135.050,04). Omdat [partij A] al een bedrag van € 599.000 heeft betaald voor de werkzaamheden aan de woning, brengt dit mee dat hij een bedrag van € 36.491,63 incl. btw onverschuldigd heeft betaald. [partij B] zal in conventie worden veroordeeld tot (terug)betaling van dit bedrag.
5.20.
De gevorderde rente over dit bedrag wordt toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding. Er is namelijk door [partij A] niet toegelicht waarom de rente met ingang van de gevorderde ingangsdatum van 5 april 2025 verschuldigd is.
De gestelde gebreken
5.21.
[partij A] stelt zich op het standpunt dat [partij B] is tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst door gebreken in het werk en dat [partij B] deze gebreken heeft erkend. Volgens [partij A] is sprake van de volgende gebreken en/of opleverpunten:
Gesteld gebrek
Gestelde werkzaamheden
Kosten/schade excl. btw
a.
Schuifpui moet nog worden geschilderd
Schilderen
€ 1.260,-
b.
Natuurstenen die gescheurd zijn moeten vervangen worden. Er moeten uitzetvoegen worden gemaakt om scheuren te voorkomen
Tegelwerk, afbouwtimmerwerk, schilderwerk, kitwerk
€ 1.485,-
c.
Scheur in het plafond van de slaapkamer dichtzetten
Zie d.
d.
Krimpscheuren wand/plafond afkitten
Spuitwerk
€ 1.455,-
e.
Herstel van schade wasruimte door verkeerd aansluiten wasmachine
€ 1.365,-
f.
De verf van de garagedeur begint te bladderen
Glaslatten vervangen, vervangen buitendeur, schilderwerk
€ 2.990,-
g.
De handgrepen van de buitendeuren verliezen zwarte kleur
Vervangen deurbeslag
€ 1.384,-
h.
De deurbel moet vervangen
Vervangen deurbel
€ 387,60
i.
De verlichting van het tuinhuisje kan niet worden aan- of uitgeschakeld
Verlichting herstellen
€ 1.000,-
j.
Het waterfonteintje werkt niet meer
Schakelaar herstellen
Zie i.
k.
Ondeugdelijk werk buitendeuren
Vervanging buitendeuren
€ 5.454,-
l.
Schade achterdeurkozijn (buitenzijde)
Schilderwerk
€ 515,-
m.
Radiator kelder niet aangesloten op cv
Aansluiten op installatie
€ 496,-
5.22.
[partij B] heeft hiertegen ingebracht dat [partij A] de gebreken bij oplevering had moeten ontdekken (artikel 7:758 lid 3 BW), dat [partij A] niet heeft voldaan aan de klachtplicht (artikel 6:89 BW) en dat de vorderingen van [partij A] zijn verjaard (artikel 7:761 lid 1 BW). Volgens [partij B] gaat het daarnaast slechts om ondergeschikte gebreken die [partij A] op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken.
5.23.
[partij A] heeft allereerst naar voren gebracht dat de door hem gestelde gebreken door [partij B] zijn erkend. De rechtbank stelt vast dat [partij B] in het e-mailbericht van
2 december 2022 aan [partij A] heeft bevestigd dat gebrek a (de schuifpui), c (scheur plafond slaapkamer) en d (krimpscheuren wand/plafond) zullen worden opgelost. De op grond daarvan berekende kosten van in totaal € 5.082 incl. btw (€ 1.260 excl. btw +
€ 1.485,- excl. btw + € 1.455,- excl. btw) zijn daarmee toewijsbaar. De rechtbank is van oordeel dat voor de overige door [partij A] gestelde gebreken geen erkenning in de correspondentie tussen partijen valt te lezen. Voor die gebreken (c, e tot en met m) geldt het volgende.
5.24.
Voor de beoordeling van de door [partij A] gestelde gebreken is van belang of er al dan niet oplevering van het werk heeft plaatsgevonden. [partij A] meent dat dit niet zo is. [partij B] voert daartegenover aan dat [partij A] de oplevering van het werk stilzwijgend heeft aanvaard, nu [partij A] de woning in gebruik heeft genomen. De rechtbank is van oordeel dat het werk is opgeleverd. Partijen hebben op 25 september 2020 en 16 januari 2021 overleg gevoerd over nog openstaande punten. [partij B] heeft naar aanleiding daarvan nog werkzaamheden verricht. Vervolgens heeft [partij B] op 18 februari 2021 bij [partij A] geïnformeerd of de werkzaamheden naar wens zijn uitgevoerd. [partij A] heeft daar op diezelfde dag bevestigend op gereageerd en heeft melding gemaakt van enkele kleine restpunten, waaronder over het aansluiten van een tv. De rechtbank leidt hieruit af dat [partij A] de woning in ieder geval op 18 februari 2021 in gebruik heeft genomen. Dat [partij A] mogelijk bij de ingebruikneming van de woning nog enkele opmerkingen heeft gemaakt, maakt naar het oordeel niet dat [partij A] het werk heeft geweigerd. Indien [partij A] zich tegen oplevering had willen verzetten had het op zijn weg gelegen uitdrukkelijk kenbaar te maken dat hij het werk (of onderdelen daarvan) weigerde. Uit de tussen partijen gevoerde correspondentie blijkt niet dat [partij A] dit heeft gedaan. Daarnaast betrekt de rechtbank in haar oordeel dat niet is gebleken dat de op dat moment vastgestelde openstaande punten van dien aard waren dat deze aan de ingebruikname van de woning in de weg stonden. De conclusie is dat [partij A] het werk heeft aanvaard – mogelijk onder voorbehoud van enkele afwerkingen – en in gebruik heeft genomen door in de woning te gaan wonen en niet expliciet kenbaar te maken dat hij het werk weigerde.
5.25.
De rechtbank is van oordeel dat voor de gestelde gebreken b (natuurstenen vervangen), h (deurbel vervangen), i (verlichting tuinhuisje), j (waterfonteintje), k (buitendeuren), l (achterdeurkozijn) en m (radiator kelder) geldt dat dit gebreken zijn die bij oplevering zichtbaar of kenbaar waren. Een aannemer moet erop kunnen vertrouwen dat kwesties die kenbaar en zichtbaar zijn, niet eindeloos door kunnen spelen. Niet gebleken is dat [partij A] de genoemde gebreken bij oplevering c.q. ingebruikname heeft gemeld. Dat betekent dat [partij B] ten aanzien van deze gebreken niet (langer) aansprakelijk is. De op grond daarvan berekende kosten zijn daarom niet toewijsbaar.
5.26.
Ten aanzien van de door [partij A] gestelde gebreken f (afbladderen verf garagedeur) en g (handgrepen verliezen kleur) is de rechtbank van oordeel dat dit gebreken zijn die nog niet bij oplevering, maar pas na tijdsverloop kenbaar en zichtbaar konden zijn. [partij B] heeft als verweer gevoerd dat zij niet aansprakelijk is voor de gestelde gebreken, omdat [partij A] te laat heeft geklaagd en de gestelde gebreken onder de normale onderhoudsverplichting van [partij A] als eigenaar vallen. Dit verweer slaagt niet. [partij A] heeft deze gebreken bij brief van 20 juni 2024 aan [partij B] gemeld. De klachttermijn van deze gebreken vangt aan op het moment dat [partij A] de gebreken heeft ontdekt of redelijkerwijs hadden behoren te ontdekken. De stelplicht en bewijslast ten aanzien van de aanvang van de klachttermijn rusten op [partij B]. [partij B] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [partij A] de gebreken al eerder hebben ontdekt of hadden behoren te ontdekken dan medio 2024. Daarnaast hoefde [partij A] niet te verwachten dat de verf van de garagedeur op een dergelijke termijn zou afbladderen of dat de handgrepen binnen die termijn hun kleur zouden verliezen. Dat dit gebreken zijn die binnen de normale onderhoudsverplichting van een eigenaar vallen, is door [partij B] onvoldoende onderbouwd. Verder heeft [partij B] naar voren gebracht dat de door [partij A] op grond van de gebreken gevorderde kosten te hoog zijn, met name omdat niet alle opgevoerde werkzaamheden noodzakelijk zijn voor het door [partij A] gestelde gebrek. Dit verweer slaagt wel. Omdat de rechtbank de kosten in verband met deze gebreken niet nauwkeurig kan vaststellen zal zij deze – mede om proceseconomische redenen – schatten. De rechtbank schat deze op 50% van de door [partij A] opgevoerde kosten. Dit brengt mee dat de rechtbank ten aanzien van gebrek f een bedrag van € 1.495 excl. btw (€ 1.808,95 incl. btw) en ten aanzien van gebrek g een bedrag van € 692 (€ 837,32 incl. btw) toewijst.
5.27.
Ten slotte overweegt de rechtbank ten aanzien van gebrek e. (herstel schade wasruimte) als volgt. Niet gebleken is dat [partij B] op grond van de overeenkomst tussen partijen gehouden was de wasmachine aan te sluiten. [partij B] heeft toegelicht dat haar werknemers onverplicht de wasmachine naar de wasruimte hebben gedragen toen deze werd bezorgd. Toen de wasmachine vervolgens door [partij A] in gebruik is genomen, is de transportbeveiliging niet verwijderd waardoor de wasmachine is gevallen, aldus [partij B]. [partij A] heeft hier onvoldoende tegenover gesteld. Dit is daarom geen gebrek dat voor rekening van [partij B] komt en de op grond daarvan gestelde kosten worden niet toegewezen.
5.28.
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank voor de gebreken een bedrag van
€ 7.728, 27 (incl. btw) toewijzen (€ 5.082 + € 1.808,95 + € 837,32).
Buitengerechtelijke incassokosten
5.29.
[partij A] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [partij B] betwist de grondslag voor de toewijzing van deze kosten en de hoogte en/of noodzakelijkheid ervan. Bovendien heeft [partij A] volgens [partij B] niet aangetoond dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die meer inhouden dan het versturen van een aanmaning of het enkel doen/aanvaarden van een schikkingsvoorstel.
5.30.
De rechtbank wijst de vergoeding van de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) toe. [partij A] heeft immers voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, waaronder het sturen van een sommatiebrief en het voeren van correspondentie. Voor het verschuldigd zijn van buitengerechtelijke incassokosten is weliswaar vereist dat incassowerkzaamheden hebben plaatsgevonden, maar daartoe is het versturen van één brief in beginsel voldoende. De rechtbank zal de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten berekenen op basis van het toegewezen bedrag van € 44.219,90. Dit betekent dat [partij A] recht heeft op een vergoeding voor deze kosten ten bedrage van € 1.217,20. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen. Dit bedrag zal vermeerderd worden met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding zoals door [partij A] gevorderd.
Opheffen beslag
5.31.
[partij B] vordert opheffing van de ten laste van haar gelegde beslagen. Volgens [partij B] is het beslag gelegd voor een ondeugdelijke vordering, is het beslag onnodig en wordt zij daardoor onevenredig zwaar in haar belangen getroffen.
5.32.
De maatstaf ter beoordeling van de vraag of beslagen opgeheven moeten worden is dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering waarvoor beslag is gelegd. Ook moet een belangenafweging plaatsvinden tussen de belangen van de beslaglegger bij handhaving van de beslagen aan de ene kant en de belangen van de beslagene bij opheffing van dat beslag aan de andere kant.
5.33.
Er is niet gebleken van de ondeugdelijkheid van de vorderingen van [partij A]. Omdat de vorderingen van [partij A] in conventie gedeeltelijk worden toegewezen, heeft [partij A] ook achteraf bezien terecht conservatoir beslag gelegd tot zekerheid van zijn vorderingen. Dat de vorderingen van [partij A] voor een lager bedrag zijn toegewezen dan waarvoor [partij A] de beslagen heeft gelegd, maakt dit niet anders. Ook heeft [partij A] voldoende onderbouwd waarom hij, gelet op zijn verhaalspositie, belang heeft bij handhaving van de beslagen. [partij B] heeft haar belang bij opheffing van het beslag onvoldoende onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat het belang van [partij A] bij handhaving van het beslag zwaarder weegt dan het belang van [partij B] bij opheffing daarvan. De vordering tot opheffing van het beslag wordt daarom afgewezen. In het verlengde hiervan wordt ook de vordering tot betaling van de wettelijke rente over het beslagen bedrag afgewezen.
Proceskosten en beslagkosten
5.34.
[partij B] is in conventie en in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (incl. beslagkosten en nakosten) betalen. Aangezien de vordering in reconventie voortvloeit uit het verweer in conventie wordt het salaris advocaat gehalveerd. De beslagkosten zullen daarom worden toegewezen voor zover deze blijken uit de overgelegde exploten (€ 403,60). Daarnaast wordt bij de proceskostenvergoeding in conventie een extra punt toegekend voor het opstellen van het beslagrekest. De proceskosten van [partij A] worden in conventie en in reconventie aldus begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 2.723,00 (waarvan € 331 voor het beslagrekest)
- salaris advocaat € 5.127,50 (2,5 punten x € 2.051)
- overige explootkosten € 403,60
- nakosten € 296,00 (met de in de beslissing genoemde eventuele verhoging)
Totaal € 8.694,57
5.35.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 36.491,63 incl. btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 7.728,27 incl. btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 1.217,20 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.5.
wijst de vorderingen af,
in conventie en in reconventie
6.6.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 8.694,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [partij B] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.7.
verklaart 6.1, 6.2, 6.3 en 6.6 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Schueler en in het openbaar uitgesproken op
8 juli 2026.
3219
HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581.