Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21075
2026-04-07
Civiel recht; Insolventierecht
C/09/701430 FT RK 26-160 en C/09/701431 FT RK 26-161
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Whoa: toewijzing verzoek afkoelingsperiode ex art. 376 Fw. Afwijzing verzoek tot het opheffen van beslagen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.287 tekens)
beschikking
RECHTBANK DEN HAAG
Team Toezicht – meervoudige kamer
verzoek afkondigen afkoelingsperiode en opheffen beslagen
rekestnummers: C/09/701430 FT RK 26-160 en C/09/701431 FT RK 26-161
uitspraakdatum: 7 april 2026
beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 376 Faillissementswet (Fw) in de besloten akkoordprocedure van:
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster 1] B.V.
statutair gevestigd te [plaats] ,
hierna te noemen: [verzoekster 1] ,
en
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster 2] B.V.
statutair gevestigd te [plaats] ,
hierna te noemen: [verzoekster 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen: verzoeksters,
advocaat: mr. R.R.G.M. van Beurden.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de op 4 maart 2026 gedeponeerde startverklaring van [verzoekster 1] ;
- de op 4 maart 2026 gedeponeerde startverklaring van [verzoekster 2] ;
- het verzoekschrift van 16 maart 2026, met producties, van verzoeksters strekkende tot 1) het afgeven van een voorshandse beslissing inhoudende bij wijze van tijdelijke voorziening een afkoelingsperiode zoals bedoeld in artikel 376 lid 2 Fw voor de periode totdat bij eindbeslissing op de andere verzoeken is beslist, 2) het afkondigen van een afkoelingsperiode voor de duur van vier dan wel twee maanden en 3) het opheffen van de door de Staat der Nederlanden (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Agentschap van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) en [bedrijfsnaam] B.V. tegens verzoeksters gelegde beslagen.
1.2.
Op 18 maart 2026 heeft mr. Van Beurden, naar aanleiding van vragen van de rechtbank, de rechtbank telefonisch laten weten het verzoek voor zover dat ziet op het afgeven van een voorshandse beslissing inhoudende bij wijze van tijdelijke voorziening een afkoelingsperiode zoals bedoeld in artikel 376 lid 2 Fw voor de periode totdat bij eindbeslissing op de andere verzoeken is beslist niet te handhaven.
1.3.
Op 27 maart 2026 heeft de rechtbank verzoeksters verzocht een liquiditeitsprognose per week toe te zenden voor de periode waarvoor een afkoeling wordt verzocht en waarin de verwachte inkomende en uitgaande kasstromen inzichtelijk worden gemaakt. Mr. Van Beurden heeft op 30 maart 2026 per e-mail deze nadere informatie verstrekt.
1.4.
De rechtbank heeft bij e-mail van 27 maart 2026 mr. Van Beurden bericht dat de online mondelinge behandeling van het verzoekschrift zal plaatsvinden op dinsdag 31 maart 2026 te 10:00 uur. De rechtbank heeft daarbij – via mr. Van Beurden – de zienswijzen van de Staat der Nederlanden (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Agentschap van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat), hierna RvO, en [bedrijfsnaam] B.V., hierna RNG, opgevraagd en verzocht hen uit te nodigen voor de digitale zitting.
1.5.
Het verzoek is op 31 maart 2026 te 10:00 uur in raadkamer behandeld en nader toegelicht. Ter zitting zijn, door middel van een online videoverbinding, verschenen en gehoord:
[naam 1] , indirect bestuurder van verzoeksters,
mr. Van Beurden, advocaat van verzoeksters, en
[naam 2] , accountant van verzoeksters.
1.6.
RvO en RNG zijn zonder bericht niet verschenen en hebben geen zienswijze ingediend of op andere wijze hun standpunt aan de rechtbank kenbaar gemaakt.
1.7.
De rechtbank heeft ter zitting de uitspraak bepaald op 14 april 2026 met aankondiging dat indien mogelijk de uitspraak bij vervroeging zal worden gedaan.
2Het verzoek en de stellingen van verzoeksters
2.1.
Verzoeksters zijn verbonden vennootschappen en exploiteren sinds 1998 een café-restaurantbedrijf. Hun huidige schuldenpositie is het gevolg van een opeenstapeling van omstandigheden, zoals de coronacrisis, sterk stijgende energieprijzen, personeelstekorten en inflatie. Hoewel gebruik is gemaakt van beschikbare steunmaatregelen zoals de NOW-regeling, was dit ontoereikend om de financiële schade op te vangen. De ondernemingen functioneren naar eigen zeggen thans gezond en zijn in de kern levensvatbaar. De totale schuld is echter te groot gebleken om zonder herstructurering van de schulden structureel op te lossen.
2.2.
Verzoeksters hebben daarom een verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode zoals bedoeld in artikel 376 Fw ingediend voor de duur van primair vier en subsidiair twee maanden. Verzoeksters hebben in het verzoekschrift en ter zitting toegezegd binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw te zullen aanbieden.
2.3.
Verzoeksters stellen dat de afkoelingsperiode noodzakelijk is om de door verzoeksters gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten. Namens RvO en RNG is reeds executoriaal derdenbeslag gelegd onder de ING Bank N.V. Voorts is door de gemeente Den Haag beslag aangekondigd.
2.4.
Verzoeksters stellen dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers zijn gediend bij het aanbieden van een akkoord. De onderneming is in de kern gezond en de financiële problemen zijn het gevolg van externe omstandigheden die van tijdelijke aard waren.
2.5.
Verzoeksters stellen dat de belangen van de schuldeisers niet wezenlijk worden geschaad. Verzoeksters kunnen namelijk gedurende de komende vier maanden aan hun lopende verplichtingen voldoen en hebben ter onderbouwing daarvan liquiditeitsprognoses, jaarrekeningen als ook een actuele staat van baten en lasten overgelegd.
3De beoordeling
Rechtsmacht en bevoegdheid
3.1.
Verzoeksters hebben blijkens de startverklaring gekozen voor een besloten akkoordprocedure. Verzoeksters zijn statutair gevestigd in Den Haag. Gezien het bepaalde in artikel 369 lid 7 aanhef en onder b Fw juncto artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om het verzoek in behandeling te nemen. Uit artikel 262 Rv volgt verder dat deze rechtbank bevoegd is van het verzoek kennis te nemen.
Afkoelingsperiode
3.2.
Op grond van artikel 376 Fw kan, nadat een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw is gedeponeerd, door de schuldenaar of (zo die is aangewezen) door de herstructureringsdeskundige aan de rechtbank het verzoek worden gedaan om een afkoelingsperiode af te kondigen. Indien (nog) geen herstructureringsdeskundige is aangewezen en het verzoek door de schuldenaar is gedaan, dient het akkoord reeds te zijn aangeboden of dient de schuldenaar toe te zeggen dat binnen ten hoogste twee maanden een akkoord zal worden aangeboden.
3.3.
Verzoeksters hebben in hun verzoekschrift toegezegd dat zij binnen twee maanden een akkoord zullen aanbieden, zodat zij kunnen worden ontvangen in hun verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode.
Noodzakelijkheid en belangen schuldeisers
3.4.
Op grond van artikel 376 lid 4 Fw wordt het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode toegewezen indien summierlijk blijkt dat aan drie vereisten wordt voldaan, namelijk (1) dat dit noodzakelijk is om de door de schuldenaar gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten of om de door schuldenaar gedreven onderneming door middel van een akkoord gecontroleerd af te kunnen wikkelen, (2) dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers hierbij gediend zijn en (3) dat de door de afkoelingsperiode getroffen derden niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad.
3.5.
Bij de behandeling van het verzoek is summierlijk gebleken dat een afkoelingsperiode noodzakelijk is om de door de verzoeksters gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten. Er bestaat immers een kans dat deze onderhandelingen worden doorkruist door verhaalsacties van een of meer schuldeisers, te meer nu door RvO en RNG reeds executoriale beslagen zijn gelegd. Daarmee bestaat het risico dat verzoeksters opnieuw met dergelijke verhaalsacties worden geconfronteerd, hetgeen hun bedrijfsvoering zou kunnen stilleggen of in ieder geval aanzienlijk zal belemmeren.
3.6.
Ook is summierlijk gebleken dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers van verzoeksters bij een afkoelingsperiode zijn gediend. Uit de stellingen van verzoeksters volgt dat er een hogere uitkering aan schuldeisers zal volgen dan ingeval van een faillissement. De liquidatiewaarde van verzoeksters is minimaal; er zijn nauwelijks activa waarop vorderingsrechten kunnen worden verhaald, maar er lijkt wel voldoende toekomstperspectief voor de onderneming van verzoeksters te zijn. Bovendien zijn verzoeksters in een vergevorderd stadium met betrekking tot de voorbereiding van een akkoord. De belastingdienst, de grootste schuldeiser, heeft al ingestemd met het kwijtschelden van 70% van haar vordering als een WHOA-akkoord tot stand komt. Verzoeksters verwachten op korte termijn een aanbod aan de schuldeisers te kunnen doen, te weten mogelijk een honderd procent uitkering (met uitzondering van de belastingdienst en het UWV) over een periode van achttien maanden, waardoor het ook in het belang van de schuldeisers is dat verzoeksters de onderhandelingen over een akkoord kunnen blijven voortzetten.
3.7.
Voor zover de rechtbank nu kan overzien, wordt geen van de schuldeisers door het afkondigen van een afkoelingsperiode wezenlijk in zijn of haar belangen geschaad. Met de nagezonden stukken en de toelichting ter zitting hebben verzoeksters voldoende aannemelijk gemaakt dat zij hun lopende verplichtingen kunnen nakomen. De schuld aan het Pensioenfonds kan niet worden meegenomen in het WHOA-akkoord. Met het Pensioenfonds loopt een afbetalingsregeling die maandelijks wordt betaald. Voor deze afbetalingen zijn op basis van de liquiditeitsprognose en exploitatiebegroting voldoende liquide middelen beschikbaar. Een lening van leverancier Heineken wordt ook buiten het WHOA-akkoord gehouden. Uit de toelichting ter zitting leidt de rechtbank af dat Heineken een dwangcrediteur is aangezien zij het bier en speciaal bier levert. Zonder dat bier kan de onderneming niet worden voortgezet. Als voldoende bier wordt omgezet, wordt deze lening bovendien (deels) omgezet in een korting.
Termijn van afkoeling
3.8.
Verzoeksters hebben gevraagd om de termijn van de afkoelingsperiode te bepalen op vier en subsidiair twee maanden. Op zeer korte termijn kunnen (en zullen) verzoeksters een aanbod doen aan de schuldeisers.
3.9.
De totstandkoming van een eventueel akkoord is mede afhankelijk van een door een bank te verstrekken financiering. Verzoeksters zijn daarover met twee banken in gesprek. Of deze financiering verstrekt zal worden, wordt binnen enkele weken duidelijk. Dit maakt dat de rechtbank (vooralsnog) geen aanleiding ziet voor een afkoelingsperiode van meer dan twee maanden. Verzoeksters kunnen eventueel nog een verlenging van de afkoelingsperiode verzoeken. Daarbij zullen zij dan actuele financiële informatie dienen te verstrekken. Die informatie moet de rechtbank in staat stellen zich een oordeel te vormen over de werkelijke omzet ten opzichte van de prognoses, over de liquiditeitspositie en over de verdere ontwikkelingen in het WHOA-traject van verzoeksters. De rechtbank ziet in een en ander aanleiding om de verzochte afkoelingsperiode daarom voor niet vier, maar twee maanden te gelasten, ingaande op 7 april 2026.
Opheffen beslagen
3.10.
De rechtbank kan op grond van artikel 376 lid 2 sub b Fw op verzoek van (onder meer) de schuldenaar beslagen opheffen. De rechtbank zet daarbij het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag af tegen het belang van de schuldenaar bij opheffing van het beslag en de noodzaak daarvan om de onderneming voort te kunnen zetten.
3.11.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben verzoeksters de noodzaak van het op te heffen beslag onvoldoende onderbouwd. De betreffende beslagen, die voor een bedrag van € 3.000,- doel hebben getroffen, vormen geen bedreiging voor de voortzetting van de onderneming, wat door verzoeksters ter zitting werd bevestigd.
3.12.
Het belang van verzoeksters dient dan ook niet te prevaleren boven het belang van de beslagleggers bij handhaving van het beslag. Het verzoek tot het opheffen van de beslagen zal worden afgewezen. Dit neemt niet weg dat gedurende de af te kondigen afkoelingsperiode nieuwe beslagen voorlopig niet meer gelegd kunnen worden.
4De beslissing
De rechtbank:
- kondigt een afkoelingsperiode af zoals bedoeld in artikel 376 Fw voor een periode van twee maanden, ingaande op 7 april 2026, die inhoudt:
- dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op goederen die tot het vermogen van verzoeksters behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van verzoeksters bevinden, niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits die derden geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat er een akkoord wordt voorbereid, en
- dat de behandeling van een verzoek tot verlening van surseance, een eigen aangifte of een door een schuldeiser jegens de verzoeksters ingediend verzoek tot faillietverklaring van (een van) verzoeksters wordt geschorst dan wel geschorst blijft;
- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Mundt, voorzitter, mr. M.D.E. Leppens en
mr. M.W. Koenis, rechters, en in aanwezigheid van mr. M.Y.P.M. Zeeman, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
Het verzoek tot het opheffen van de tegen verzoeksters gelegde beslagen is in het verzoekschrift opgenomen onder het verzoek tot het afgeven van een voorshandse beslissing. De rechtbank begrijpt en ter zitting is toegelicht dat dit echter als een afzonderlijk verzoek moet worden beschouwd.
RECHTBANK DEN HAAG
Team Toezicht – meervoudige kamer
verzoek afkondigen afkoelingsperiode en opheffen beslagen
rekestnummers: C/09/701430 FT RK 26-160 en C/09/701431 FT RK 26-161
uitspraakdatum: 7 april 2026
beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 376 Faillissementswet (Fw) in de besloten akkoordprocedure van:
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster 1] B.V.
statutair gevestigd te [plaats] ,
hierna te noemen: [verzoekster 1] ,
en
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster 2] B.V.
statutair gevestigd te [plaats] ,
hierna te noemen: [verzoekster 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen: verzoeksters,
advocaat: mr. R.R.G.M. van Beurden.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de op 4 maart 2026 gedeponeerde startverklaring van [verzoekster 1] ;
- de op 4 maart 2026 gedeponeerde startverklaring van [verzoekster 2] ;
- het verzoekschrift van 16 maart 2026, met producties, van verzoeksters strekkende tot 1) het afgeven van een voorshandse beslissing inhoudende bij wijze van tijdelijke voorziening een afkoelingsperiode zoals bedoeld in artikel 376 lid 2 Fw voor de periode totdat bij eindbeslissing op de andere verzoeken is beslist, 2) het afkondigen van een afkoelingsperiode voor de duur van vier dan wel twee maanden en 3) het opheffen van de door de Staat der Nederlanden (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Agentschap van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) en [bedrijfsnaam] B.V. tegens verzoeksters gelegde beslagen.
1.2.
Op 18 maart 2026 heeft mr. Van Beurden, naar aanleiding van vragen van de rechtbank, de rechtbank telefonisch laten weten het verzoek voor zover dat ziet op het afgeven van een voorshandse beslissing inhoudende bij wijze van tijdelijke voorziening een afkoelingsperiode zoals bedoeld in artikel 376 lid 2 Fw voor de periode totdat bij eindbeslissing op de andere verzoeken is beslist niet te handhaven.
1.3.
Op 27 maart 2026 heeft de rechtbank verzoeksters verzocht een liquiditeitsprognose per week toe te zenden voor de periode waarvoor een afkoeling wordt verzocht en waarin de verwachte inkomende en uitgaande kasstromen inzichtelijk worden gemaakt. Mr. Van Beurden heeft op 30 maart 2026 per e-mail deze nadere informatie verstrekt.
1.4.
De rechtbank heeft bij e-mail van 27 maart 2026 mr. Van Beurden bericht dat de online mondelinge behandeling van het verzoekschrift zal plaatsvinden op dinsdag 31 maart 2026 te 10:00 uur. De rechtbank heeft daarbij – via mr. Van Beurden – de zienswijzen van de Staat der Nederlanden (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Agentschap van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat), hierna RvO, en [bedrijfsnaam] B.V., hierna RNG, opgevraagd en verzocht hen uit te nodigen voor de digitale zitting.
1.5.
Het verzoek is op 31 maart 2026 te 10:00 uur in raadkamer behandeld en nader toegelicht. Ter zitting zijn, door middel van een online videoverbinding, verschenen en gehoord:
[naam 1] , indirect bestuurder van verzoeksters,
mr. Van Beurden, advocaat van verzoeksters, en
[naam 2] , accountant van verzoeksters.
1.6.
RvO en RNG zijn zonder bericht niet verschenen en hebben geen zienswijze ingediend of op andere wijze hun standpunt aan de rechtbank kenbaar gemaakt.
1.7.
De rechtbank heeft ter zitting de uitspraak bepaald op 14 april 2026 met aankondiging dat indien mogelijk de uitspraak bij vervroeging zal worden gedaan.
2Het verzoek en de stellingen van verzoeksters
2.1.
Verzoeksters zijn verbonden vennootschappen en exploiteren sinds 1998 een café-restaurantbedrijf. Hun huidige schuldenpositie is het gevolg van een opeenstapeling van omstandigheden, zoals de coronacrisis, sterk stijgende energieprijzen, personeelstekorten en inflatie. Hoewel gebruik is gemaakt van beschikbare steunmaatregelen zoals de NOW-regeling, was dit ontoereikend om de financiële schade op te vangen. De ondernemingen functioneren naar eigen zeggen thans gezond en zijn in de kern levensvatbaar. De totale schuld is echter te groot gebleken om zonder herstructurering van de schulden structureel op te lossen.
2.2.
Verzoeksters hebben daarom een verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode zoals bedoeld in artikel 376 Fw ingediend voor de duur van primair vier en subsidiair twee maanden. Verzoeksters hebben in het verzoekschrift en ter zitting toegezegd binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw te zullen aanbieden.
2.3.
Verzoeksters stellen dat de afkoelingsperiode noodzakelijk is om de door verzoeksters gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten. Namens RvO en RNG is reeds executoriaal derdenbeslag gelegd onder de ING Bank N.V. Voorts is door de gemeente Den Haag beslag aangekondigd.
2.4.
Verzoeksters stellen dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers zijn gediend bij het aanbieden van een akkoord. De onderneming is in de kern gezond en de financiële problemen zijn het gevolg van externe omstandigheden die van tijdelijke aard waren.
2.5.
Verzoeksters stellen dat de belangen van de schuldeisers niet wezenlijk worden geschaad. Verzoeksters kunnen namelijk gedurende de komende vier maanden aan hun lopende verplichtingen voldoen en hebben ter onderbouwing daarvan liquiditeitsprognoses, jaarrekeningen als ook een actuele staat van baten en lasten overgelegd.
3De beoordeling
Rechtsmacht en bevoegdheid
3.1.
Verzoeksters hebben blijkens de startverklaring gekozen voor een besloten akkoordprocedure. Verzoeksters zijn statutair gevestigd in Den Haag. Gezien het bepaalde in artikel 369 lid 7 aanhef en onder b Fw juncto artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om het verzoek in behandeling te nemen. Uit artikel 262 Rv volgt verder dat deze rechtbank bevoegd is van het verzoek kennis te nemen.
Afkoelingsperiode
3.2.
Op grond van artikel 376 Fw kan, nadat een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw is gedeponeerd, door de schuldenaar of (zo die is aangewezen) door de herstructureringsdeskundige aan de rechtbank het verzoek worden gedaan om een afkoelingsperiode af te kondigen. Indien (nog) geen herstructureringsdeskundige is aangewezen en het verzoek door de schuldenaar is gedaan, dient het akkoord reeds te zijn aangeboden of dient de schuldenaar toe te zeggen dat binnen ten hoogste twee maanden een akkoord zal worden aangeboden.
3.3.
Verzoeksters hebben in hun verzoekschrift toegezegd dat zij binnen twee maanden een akkoord zullen aanbieden, zodat zij kunnen worden ontvangen in hun verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode.
Noodzakelijkheid en belangen schuldeisers
3.4.
Op grond van artikel 376 lid 4 Fw wordt het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode toegewezen indien summierlijk blijkt dat aan drie vereisten wordt voldaan, namelijk (1) dat dit noodzakelijk is om de door de schuldenaar gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten of om de door schuldenaar gedreven onderneming door middel van een akkoord gecontroleerd af te kunnen wikkelen, (2) dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers hierbij gediend zijn en (3) dat de door de afkoelingsperiode getroffen derden niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad.
3.5.
Bij de behandeling van het verzoek is summierlijk gebleken dat een afkoelingsperiode noodzakelijk is om de door de verzoeksters gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten. Er bestaat immers een kans dat deze onderhandelingen worden doorkruist door verhaalsacties van een of meer schuldeisers, te meer nu door RvO en RNG reeds executoriale beslagen zijn gelegd. Daarmee bestaat het risico dat verzoeksters opnieuw met dergelijke verhaalsacties worden geconfronteerd, hetgeen hun bedrijfsvoering zou kunnen stilleggen of in ieder geval aanzienlijk zal belemmeren.
3.6.
Ook is summierlijk gebleken dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers van verzoeksters bij een afkoelingsperiode zijn gediend. Uit de stellingen van verzoeksters volgt dat er een hogere uitkering aan schuldeisers zal volgen dan ingeval van een faillissement. De liquidatiewaarde van verzoeksters is minimaal; er zijn nauwelijks activa waarop vorderingsrechten kunnen worden verhaald, maar er lijkt wel voldoende toekomstperspectief voor de onderneming van verzoeksters te zijn. Bovendien zijn verzoeksters in een vergevorderd stadium met betrekking tot de voorbereiding van een akkoord. De belastingdienst, de grootste schuldeiser, heeft al ingestemd met het kwijtschelden van 70% van haar vordering als een WHOA-akkoord tot stand komt. Verzoeksters verwachten op korte termijn een aanbod aan de schuldeisers te kunnen doen, te weten mogelijk een honderd procent uitkering (met uitzondering van de belastingdienst en het UWV) over een periode van achttien maanden, waardoor het ook in het belang van de schuldeisers is dat verzoeksters de onderhandelingen over een akkoord kunnen blijven voortzetten.
3.7.
Voor zover de rechtbank nu kan overzien, wordt geen van de schuldeisers door het afkondigen van een afkoelingsperiode wezenlijk in zijn of haar belangen geschaad. Met de nagezonden stukken en de toelichting ter zitting hebben verzoeksters voldoende aannemelijk gemaakt dat zij hun lopende verplichtingen kunnen nakomen. De schuld aan het Pensioenfonds kan niet worden meegenomen in het WHOA-akkoord. Met het Pensioenfonds loopt een afbetalingsregeling die maandelijks wordt betaald. Voor deze afbetalingen zijn op basis van de liquiditeitsprognose en exploitatiebegroting voldoende liquide middelen beschikbaar. Een lening van leverancier Heineken wordt ook buiten het WHOA-akkoord gehouden. Uit de toelichting ter zitting leidt de rechtbank af dat Heineken een dwangcrediteur is aangezien zij het bier en speciaal bier levert. Zonder dat bier kan de onderneming niet worden voortgezet. Als voldoende bier wordt omgezet, wordt deze lening bovendien (deels) omgezet in een korting.
Termijn van afkoeling
3.8.
Verzoeksters hebben gevraagd om de termijn van de afkoelingsperiode te bepalen op vier en subsidiair twee maanden. Op zeer korte termijn kunnen (en zullen) verzoeksters een aanbod doen aan de schuldeisers.
3.9.
De totstandkoming van een eventueel akkoord is mede afhankelijk van een door een bank te verstrekken financiering. Verzoeksters zijn daarover met twee banken in gesprek. Of deze financiering verstrekt zal worden, wordt binnen enkele weken duidelijk. Dit maakt dat de rechtbank (vooralsnog) geen aanleiding ziet voor een afkoelingsperiode van meer dan twee maanden. Verzoeksters kunnen eventueel nog een verlenging van de afkoelingsperiode verzoeken. Daarbij zullen zij dan actuele financiële informatie dienen te verstrekken. Die informatie moet de rechtbank in staat stellen zich een oordeel te vormen over de werkelijke omzet ten opzichte van de prognoses, over de liquiditeitspositie en over de verdere ontwikkelingen in het WHOA-traject van verzoeksters. De rechtbank ziet in een en ander aanleiding om de verzochte afkoelingsperiode daarom voor niet vier, maar twee maanden te gelasten, ingaande op 7 april 2026.
Opheffen beslagen
3.10.
De rechtbank kan op grond van artikel 376 lid 2 sub b Fw op verzoek van (onder meer) de schuldenaar beslagen opheffen. De rechtbank zet daarbij het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag af tegen het belang van de schuldenaar bij opheffing van het beslag en de noodzaak daarvan om de onderneming voort te kunnen zetten.
3.11.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben verzoeksters de noodzaak van het op te heffen beslag onvoldoende onderbouwd. De betreffende beslagen, die voor een bedrag van € 3.000,- doel hebben getroffen, vormen geen bedreiging voor de voortzetting van de onderneming, wat door verzoeksters ter zitting werd bevestigd.
3.12.
Het belang van verzoeksters dient dan ook niet te prevaleren boven het belang van de beslagleggers bij handhaving van het beslag. Het verzoek tot het opheffen van de beslagen zal worden afgewezen. Dit neemt niet weg dat gedurende de af te kondigen afkoelingsperiode nieuwe beslagen voorlopig niet meer gelegd kunnen worden.
4De beslissing
De rechtbank:
- kondigt een afkoelingsperiode af zoals bedoeld in artikel 376 Fw voor een periode van twee maanden, ingaande op 7 april 2026, die inhoudt:
- dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op goederen die tot het vermogen van verzoeksters behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van verzoeksters bevinden, niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits die derden geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat er een akkoord wordt voorbereid, en
- dat de behandeling van een verzoek tot verlening van surseance, een eigen aangifte of een door een schuldeiser jegens de verzoeksters ingediend verzoek tot faillietverklaring van (een van) verzoeksters wordt geschorst dan wel geschorst blijft;
- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Mundt, voorzitter, mr. M.D.E. Leppens en
mr. M.W. Koenis, rechters, en in aanwezigheid van mr. M.Y.P.M. Zeeman, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
Het verzoek tot het opheffen van de tegen verzoeksters gelegde beslagen is in het verzoekschrift opgenomen onder het verzoek tot het afgeven van een voorshandse beslissing. De rechtbank begrijpt en ter zitting is toegelicht dat dit echter als een afzonderlijk verzoek moet worden beschouwd.