Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:21070
2026-07-27
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.61981 en NL25.61982 hersteluitspraak
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel Georgië, eiser MOB, procesbelang, Bahaddar, beroep niet-ontvankelijk
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2024:2662 Raad van State 01-07-2024
- ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.465 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.61981 (beroep)
NL25.61982 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser],
geboren op [geboortedag] 1985, van Georgische nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.E. Martinez Linnemann),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Kuster).
Inleiding
1. Eiser heeft op 30 oktober 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 10 december 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en gelijktijdig een verzoek om een voorlopige voorziening ertoe strekkende dat eiser niet wordt uitgezet totdat op het beroep is beslist en dat hij tot die tijd gebruik mag blijven maken van de opvangvoorzieningen.
1.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser is niet verschenen en zijn gemachtigde heeft zich afgemeld voor de zitting.
De beoordeling van de rechtbank
2. De rechtbank ziet zich in het kader van de ontvankelijkheid van het beroep voor de vraag gesteld of er nog sprake is van procesbelang. Verweerder heeft namelijk op 26 maart 2026 meegedeeld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken (MOB-melding). Op 24 juni 2026 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld geen contact meer te hebben met eiser.
3. Als een vreemdeling die in Nederland internationale bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt dan moet er volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling in beginsel vanuit worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. De bestuursrechter zal echter voorzichtig moeten omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een zogenoemde MOB-melding. Zolang de gemachtigde contact heeft met de vreemdeling, mag er volgens de Afdeling van worden uitgegaan dat de vreemdeling belang heeft bij zijn procedure om een verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen.
4. Gelet op de omstandigheid dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat zijn gemachtigde geen contact meer met hem heeft, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk wegens een gebrek aan procesbelang.
5. De rechtbank ziet zich, gelet hierop, nog slechts voor de vraag gesteld of het digitale dossier aanleiding geeft om aan te nemen dat sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar. Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor, indien hetgeen is aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat gedwongen overdracht schending zou opleveren van artikel 3 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.
7. Nu met deze uitspraak op het beroep van eiser is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor de door hem gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL25.37310 NL25.61981:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL25.33552 NL25.61982:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zei bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
Van het EHRM 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.61981 (beroep)
NL25.61982 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser],
geboren op [geboortedag] 1985, van Georgische nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.E. Martinez Linnemann),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Kuster).
Inleiding
1. Eiser heeft op 30 oktober 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 10 december 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en gelijktijdig een verzoek om een voorlopige voorziening ertoe strekkende dat eiser niet wordt uitgezet totdat op het beroep is beslist en dat hij tot die tijd gebruik mag blijven maken van de opvangvoorzieningen.
1.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser is niet verschenen en zijn gemachtigde heeft zich afgemeld voor de zitting.
De beoordeling van de rechtbank
2. De rechtbank ziet zich in het kader van de ontvankelijkheid van het beroep voor de vraag gesteld of er nog sprake is van procesbelang. Verweerder heeft namelijk op 26 maart 2026 meegedeeld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken (MOB-melding). Op 24 juni 2026 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld geen contact meer te hebben met eiser.
3. Als een vreemdeling die in Nederland internationale bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt dan moet er volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling in beginsel vanuit worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. De bestuursrechter zal echter voorzichtig moeten omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een zogenoemde MOB-melding. Zolang de gemachtigde contact heeft met de vreemdeling, mag er volgens de Afdeling van worden uitgegaan dat de vreemdeling belang heeft bij zijn procedure om een verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen.
4. Gelet op de omstandigheid dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat zijn gemachtigde geen contact meer met hem heeft, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk wegens een gebrek aan procesbelang.
5. De rechtbank ziet zich, gelet hierop, nog slechts voor de vraag gesteld of het digitale dossier aanleiding geeft om aan te nemen dat sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar. Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor, indien hetgeen is aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat gedwongen overdracht schending zou opleveren van artikel 3 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.
7. Nu met deze uitspraak op het beroep van eiser is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor de door hem gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL25.37310 NL25.61981:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL25.33552 NL25.61982:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zei bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
Van het EHRM 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.