Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21057

2026-07-27 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.39030
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-27
Publicatiedatum
2026-07-27
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.39030
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring - grensdetentie - artikel 6, derde lid, van de Vw – buiten zitting – proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel niet ondertekend – grensbewakingsbelang rechtvaardigt toepassing vrijheidsbenemende maatregel – artikel 10, vierde lid, van de Opvangrichtlijn – individuele beoordeling – lichter middel – beroep ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (2)

Volledige tekst

Volledige tekst (6.318 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



Zaaknummer: NL26.39030


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),



en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. G. Cambier).




Procesverloop


Bij besluit van 13 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.



Verweerder heeft de rechtbank op 13 juli 2026 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt tevens aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.



Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Hij heeft op 19 juli 2026 de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 21 juli 2026 een verweerschrift ingediend. Op 21 juli 2026 heeft eiser aanvullende beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 27 juli 2026 gesloten.




Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1981 en heeft de Tanzaniaanse nationaliteit.

2. Eiser heeft op 13 juli 2026 om 17:30 aan de buitengrens op de luchthaven Schiphol een verzoek om internationale bescherming kenbaar gemaakt. Verweerder heeft diezelfde dag het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. Onderhavig beroep ziet uitsluitend op de vrijheidsontnemende maatregel, nu tegen de uitgestelde toegangsweigering geen beroep openstaat.
3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel.

4. Eiser voert aan dat de maatregel onrechtmatig is, omdat het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel niet is ondertekend door de verbalisant. Hiermee is volgens eiser sprake van een gebrek bij de totstandkoming van de maatregel, die daarmee vanaf het begin onrechtmatig is. Verder doet eiser een beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 18 juli 2026.

5. De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat voorafgaand aan de oplegging van de maatregel een gehoor heeft plaatsgevonden. Dat het verslag van dit gehoor niet is voorzien van een handtekening van de gehoorambtenaar maakt op zichzelf niet dat de vrijheidsbenemende maatregel onrechtmatig moet worden geacht omdat deze onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Uit het ontbreken van de handtekening volgt niet dat aan de inhoud van het verslag geen betekenis toekomt. Het verslag vermeldt dat eiser tijdig is gehoord door de ter zake bevoegde ambtenaar die de maatregel heeft genomen. Niet is gebleken dat het verslag een onjuiste of onvolledige weergave bevat van eisers verklaringen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

6. De rechtbank volgt evenmin eisers beroep op de uitspraak van de zittingsplaats Amsterdam. Verweerder heeft in reactie op het beroepschrift meegedeeld dat hij van deze uitspraak in hoger beroep is gegaan. Zoals verweerder opmerkt, rechtvaardigt het grensbewakingsbelang naar zijn aard dat een vrijheidsbenemende maatregel wordt toegepast. Het grensbewakingsbelang is in dit geval aan de orde nu nog moet worden geoordeeld over het verlenen van toegang tot het grondgebied van een vreemdeling die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoet. De bewaring is in overeenstemming met artikel 10, vierde lid, van de Opvangrichtlijn.

7. De vaststelling dat grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen, betekent niet dat in ieder individueel geval automatisch een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. Verweerder dient steeds te beoordelen of met een lichter middel moet worden volstaan - ook al geeft hij dan het grensbewakingsbelang prijs. Uit de maatregel blijkt dat verweerder die beoordeling heeft verricht. Daarbij heeft verweerder betrokken dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel heeft verklaard geen bezwaren te hebben tegen de maatregel. Daarnaast is niet gebleken van individuele omstandigheden op grond waarvan de bewaring achterwege dient te blijven. Eiser heeft buiten zijn verwijzing naar de uitspraak van de zittingsplaats Amsterdam niet toegelicht waarom hij vindt dat verweerders motivering niet toereikend is.

8. Ook is overigens niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan op 27 juli 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



De uitspraak is bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.




Vreemdelingenwet 2000.


Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451.


ECLI:NL:RBDHA:2026:19758.


Zie artikel; 43, eerste lid van de Asielprocedureverordening (Verordening (EU) nr. 2024/1348) in samenhang met artikel 6 van de Schengengrenscode (Verordening (EU) nr. 2016/399).