Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21023

2026-07-13 Bestuursrecht SGR 24/7596
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-13
Publicatiedatum
2026-07-27
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 24/7596
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep. Eiser heeft op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) bij Sociale Banken Nederland (SBN) een schuldenlijst ingediend met private schulden. Bij besluit van 13 april 2023 heeft SBN laten weten dat een deel van deze schulden niet wordt betaald. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk omdat het beroep is gericht tegen de brief van verweerder van 15 augustus 2024. Gelet op artikelen 8.1 en 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan alleen bezwaar en beroep worden ingesteld tegen een besluit in de zin van de Awb. De brief van 15 augustus 2024 is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, maar een informatieve brief waarin een uitleg wordt gegeven over de ambtshalve beoordeling die is gemaakt in de beslissing op bezwaar van 15 juli 2024. Beroep niet-ontvankelijk.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.194 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 24/7596


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen



[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),


en




de minister van Financiën, verweerder
(gemachtigde: mr. S.N. Ishak).




Inleiding


1. Eiser heeft op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) bij Sociale Banken Nederland (SBN) een schuldenlijst ingediend met private schulden.



1.1.
Bij besluit van 13 april 2023 heeft SBN laten weten dat een deel van deze schulden niet wordt betaald.



1.2.
Eiser heeft bij brief van 21 mei 2024, door verweerder ontvangen op 22 mei 2024, een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 13 april 2023.



1.3.
Bij brief van 29 mei 2024 heeft verweerder meegedeeld dat het bezwaar is ingediend na het verstrijken van de bezwaartermijn. Verweerder heeft eiser gevraagd te laten weten welke (verschoonbare) redenen ten grondslag liggen aan het overschrijden van de wettelijke bezwaartermijn.



1.4.
Eiser heeft bij e-mail van 10 juni 2024 toegelicht dat het voor hem duidelijk is dat het bezwaarschrift buiten de wettelijke termijn is ingediend, hij verzoekt het bezwaarschrift tevens aan te merken als een verzoek tot herziening.



1.5.
Verweerder heeft bij besluit van 15 juli 2024 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend. Hij heeft het bezwaar wel ambtshalve beoordeeld en geconcludeerd dat de resterende schulden op de schuldenlijst niet voor betaling in aanmerking komen.



1.6.
Eiser heeft bij brief van 13 augustus 2024 een bezwaarschrift ingediend.



1.7.
Verweerder heeft bij brief van 15 augustus 2024 gereageerd op het bezwaar tegen de uitkomst van de ambtshalve beoordeling, en geconcludeerd dat de ambtshalve beoordeling van 16 juli 2024 geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit is.



1.8.
Eiser heeft bij brief van 11 september 2024 beroep ingesteld tegen de brief van 15 augustus 2024.



1.9.
Omdat partijen toestemming hebben gegeven de zaak op de stukken af te doen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



2. Eiser is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Een onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is dat de overheid private schulden van een gedupeerde ouder en zijn of haar toeslagpartner overneemt, zodat zij een schuldenvrije start kunnen maken. Om in aanmerking te komen voor afbetaling van zijn private schulden, heeft eiser op 26 april 2022 een schuldenlijst aan de SBN gezonden en verzocht om die schulden voor hem af te betalen. Deze zaak ziet op het verzoek tot herziening van 10 juni 2024 en de vraag of de beslissing op een dergelijk verzoek vatbaar is voor bezwaar en beroep.



Wat vindt eiser in beroep?



3. Eiser stelt in beroep dat het mogelijk is om in het kader van de Wht een verzoek tot herziening in te dienen gelet op artikel 21a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir. De beslissing op het herzieningsverzoek moet worden gezien als een voor bezwaar vatbare beslissing. Verweerder had het verzoek tot herziening bovendien moeten toetsen aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze bepaling ziet volgens eiser ook op verzoeken om terug te komen op een reeds genomen besluit. Eiser wijst op verschillende (tussen)uitspraken. Verder had verweerder eiser moeten horen alvorens een beslissing te nemen. Overigens merkt eiser nog op dat Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) in de trajecten van de compensatieberekening zich op het standpunt heeft gesteld dat ook bezwaarschriften die buiten de wettelijke bezwaartermijn zijn ingediend, in behandeling worden genomen vanwege de bijzondere aard van het herstelproces, en dat van verweerder mag worden verwacht dat deze lijn ook in het traject van de SBN wordt doorgetrokken. Tot slot wijst eiser erop dat als Belastingdienst/Toeslagen niet onrechtmatig jegens hem had gehandeld hij waarschijnlijk niet in een schuldenpositie terecht was gekomen.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



4. De rechtbank maakt het volgende op uit de stukken. Eiser weerspreekt niet dat hij het bezwaarschrift van 21 mei 2024 te laat heeft ingediend. Wel heeft eiser in zijn e-mail van 10 juni 2024 vermeld dat zijn bezwaar (mede) dient te worden gezien als een verzoek tot herziening. In zijn brief van 13 augustus 2024 heeft eiser uitdrukkelijk gesteld niet op te komen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaarschrift van 21 mei 2024. Tegen de beslissing op bezwaar van 15 juli 2024 heeft hij ook geen beroep ingesteld bij de rechtbank. In de brief van 15 augustus 2024 licht verweerder toe dat niet twee keer bezwaar kan worden gemaakt tegen het hetzelfde besluit (van 15 juli 2024) en dat hij de brief van eiser van 13 augustus 2024 daarom opvat als een beroepschrift. Omdat eiser heeft laten weten niet op te komen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift van 21 mei 2024, heeft verweerder de brief van 13 augustus 2024 niet (direct) doorgestuurd naar de rechtbank als beroepschrift, maar vraagt hij aan eiser of hij wenst dat verweerder dit alsnog doet. Hierop heeft eiser niet gereageerd. Eiser is vervolgens apart in beroep gegaan tegen de brief van 15 augustus 2024.

5. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk omdat het beroep is ingesteld tegen de brief van 15 augustus 2024. Gelet op artikelen 8.1 en 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan alleen bezwaar en beroep worden ingesteld tegen een besluit in de zin van de Awb. De brief van 15 augustus 2024 is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, maar een informatieve brief waarin een uitleg wordt gegeven over de ambtshalve beoordeling die is gemaakt in de beslissing op bezwaar van 15 juli 2024. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het niet mogelijk is om bezwaar en beroep in te stellen tegen deze brief. Voor zover eiser bedoeld heeft een herzieningsverzoek in te dienen met de e-mail van 10 juni 2024, kan de brief van 15 augustus 2024 niet worden aangemerkt als een besluit op het herzieningsverzoek.

6. De stelling door eiser dat zijn verzoek tot herziening een grondslag vindt in de artikelen 21a Awir en artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir leidt niet tot een ander oordeel. Eiser betoogt dat de Wht onder het bereik van de Awir valt. De aangehaalde artikelen zijn echter niet van toepassing op een aanvraag die wordt gedaan op grond van de artikelen 4.1 en 4.3 van de Wht. Dit betekent dat voor eiser geen mogelijkheid openstaat om (nadat verweerder een beslissing op de aanvraag om overname van private schulden heeft genomen en de termijnen voor bezwaar en beroep zijn verstreken) op grond van die artikelen een verzoek tot herziening in te dienen. Verweerder mag voorts bepaalde eisen stellen aan een verzoek op grond van artikel 4:6 van de Awb. Voor zover dan ook al sprake is van een verzoek tot herziening dat aan die eisen voldoet, geldt zoals hiervoor overwogen dat de brief van 15 augustus 2024 niet aangemerkt kan worden als een besluit daarop. Ook van schending van de hoorplicht in de bezwaarfase is geen sprake, er ligt immers geen besluit voor waartegen bezwaar (en beroep) openstaat.

7. Eiser heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 15 juli 2024 waarbij zijn bezwaarschrift van 21 mei 2024 niet-ontvankelijk is verklaard. In zijn brief van 13 augustus 2024 heeft eiser ook uitdrukkelijk gesteld niet op te komen tegen de nietontvankelijkverklaring van zijn bezwaarschrift van 21 mei 2024. Nu de nietontvankelijkheid van dat bezwaar hier niet voorligt, gaat de rechtbank niet in op de stelling van eiser dat vanwege de bijzondere aard van het herstelproces van verweerder mag worden verwacht dat ook in het traject van de SBN minder strikt wordt omgegaan met de wettelijke bezwaartermijn.




Conclusie en gevolgen


8. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Besluit betalen private schulden. Per 5 november 2022 is het Besluit verankerd in afdeling 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen.


Uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 1 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:363, ECLI:NL:CRVB:2018:364, en ECLI:NL:CRVB:2018:365, en uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2016:3131.