Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20982

2026-06-26 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/684792 / FA RK 25-3401
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-26
Publicatiedatum
2026-07-27
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/684792 / FA RK 25-3401
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Verdeling huwelijksgemeenschap. Schulden.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (81.346 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige Kamer


Rekestnummer: FA RK 25-3401 (echtscheiding) en FA RK 25-5422 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/684792 (echtscheiding) en C/09/688646 (verdeling)
Datum beschikking: 26 juni 2026


Echtscheiding met nevenvoorzieningen



Beschikking op het op 6 mei 2025 ingekomen verzoek van:




[de man] ,

de man,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: voorheen P.C. Burger, nu mr. R.W. van den Hoek in Leiden.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D. Abd Rabou in Hoofddorp.




Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:


het verzoekschrift;


het F9-formulier van 19 mei 2025, met bijlagen, van de man;


het F9-formulier van 27 mei 2025, met bijlagen, van de man;


het F9-formulier van 3 juli 2025, van de man;


het verweerschrift met een zelfstandig verzoek;


het F9-formulier van 18 mei 2026, met bijlagen, van de man;


het F9-formulier van 19 mei 2026, met bijlagen, van de vrouw;


het F9-formulier van 21 mei 2026, met bijlagen, van de man.


het F9-formulier van 27 mei 2026, met bijlagen, van de vrouw.




De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een gesprek gehad met de kinderrechter op 28 mei 2026.



Op 29 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.



Op de zitting is gebleken dat de man productie 15 niet volledig had overgelegd. Hij is vervolgens in de gelegenheid gesteld deze productie alsnog volledig over te leggen.
Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- het F9-formulier van 5 juni 2026, met bijlagen, van de man.





Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [dag] in [plaats] .
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:



[minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] ;



[minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] .




De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.


Partijen zijn tevens de ouders van de meerderjarige [jong-meerderjarige] ( [jong-meerderjarige] ), geboren op [geboortedatum 2] 2005 in [geboorteplaats] .


Deze rechtbank heeft op 28 juli 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat:




de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] , waarbij de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;


de kinderen aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;


de door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op € 394,- per maand voor de twee kinderen samen bedraagt, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;


de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot vaststelling van een voorlopige


kinderalimentatie voor de jong-meerderjarige [jong-meerderjarige] .



Verzoek en verweer
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:


de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;


de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw te bepalen;


een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen bij de man zijn: in de even



weken van zondag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, alsmede gedurende de helft van de
vakanties en feestdagen;

- vaststelling van de huwelijksgemeenschap conform het voorstel van de man.


De vrouw stemt in met de verzoeken van de man ten aanzien van de echtscheiding en de hoofdverblijfplaats. Zij voert verweer tegen de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling en de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Daarnaast verzoekt de vrouw zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:



de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;


de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw te bepalen;


een zorgregeling tussen de man en de kinderen te bepalen, inhoudende dat het contact tussen hen in onderling overleg wordt vormgegeven;


te bepalen dat de man, met ingang van de datum echtscheidingsbeschikking, dient bij te



dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen ten
bedrage van € 332,- per kind per maand, in totaal aldus € 664,- per maand, telkens bij
vooruitbetaling voor de 1e dag van iedere kalendermaand aan de vrouw te voldoen;

- te bepalen dat de man, met ingang van de datum van de echtscheidingsbeschikking, een

bijdrage dient te voldoen in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van
de meerderjarige [jong-meerderjarige] ten bedrage van € 433,- per maand;



vaststelling van de huwelijksgemeenschap conform het voorstel van de vrouw;


althans een zodanige beschikking te wijzen als de rechtbank in goede justitie juist acht.




De meerderjarige [jong-meerderjarige] heeft de vrouw gemachtigd om namens haar in rechte op te treden ten aanzien van het verzoek betreffende de onderhoudsbijdrage.




Beoordeling


Echtscheiding


Ontvankelijkheid

Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. Partijen hebben dat niet gedaan. De rechtbank heeft de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).



De rechtbank zal in dit geval voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 lid 2 Rv, omdat naar het oordeel van de rechtbank voldoende naar voren is gekomen dat de ouders niet in staat zijn om gezamenlijk tot een ouderschapsplan te komen.



Nu aan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.




Inhoudelijke beoordeling

Beide partijen stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal daarom de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding toewijzen.




Hoofdverblijfplaats

Partijen zijn het er over eens dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben. Nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank de over en weer gedane verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats toewijzen.




Zorgregeling

Op de zitting heeft de man zijn verzoek ten aanzien van de zorgregeling ingetrokken. Nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bijna achttien jaar zijn en de ouders het erover eens zijn dat het contact met de man in onderling overleg met hen kan worden afgestemd, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen en bepalen dat het contact tussen de man en de kinderen in onderling overleg zal worden vormgegeven.




Kinderalimentatie [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.




Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 1.167,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.221,- per maand.



De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.




Draagkracht vrouw

Tussen partijen is in geschil of bij de berekening van de draagkracht van de vrouw rekening moet worden gehouden met een verhoging van haar maandsalaris met 2%.



De man stelt dat bij het maandsalaris van de vrouw van € 3.502,- rekening moet worden gehouden met een salarisverhoging van 2%, nu uit de cao van Rabobank volgt dat de salarissen per 1 juni 2026 met 2% zullen worden verhoogd. De vrouw heeft aangevoerd dat deze verhoging pas per 1 januari 2027 ingaat en dat daarmee dus geen rekening moet worden gehouden.



De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft haar stelling dat de salarisverhoging pas per 1 januari 2027 ingaat, niet met stukken onderbouwd. De rechtbank zal daarom het huidige maandsalaris van de vrouw, zoals dat blijkt uit haar salarisstrook van april 2026 (€ 3.502,-), verhogen met 2%, conform de cao van Rabobank.



Gelet op het voorgaande, gaat de rechtbank voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw uit van een inkomen van € 3.572,- (€ 3.502 + 2%) bruto per maand exclusief vakantiegeld, te vermeerderen met een 13e maand van € 298,- per maand, een Employee Benefit Budget (EBB) van € 416,- per maand en de Cash Compensation pension (CPP) van € 35,- per maand. De rechtbank gaat hierbij uit van de salarisspecificatie van april 2026.



Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.



De rechtbank houdt verder rekening met:



de pensioenpremie van € 87,- per maand;


de aanvullende pensioenpremie van € 35,- per maand;


de PAWW premie van € 4,- per maand.




De rechtbank houdt geen rekening met de aflossing op de schulden bij Quander en IB Krediet, omdat de vrouw heeft aangegeven haar aandeel in één keer te zullen aflossen uit de overwaarde van de woning.



Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 4.140,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.



Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [4.140 – (1.242 + 1.365)] = € 1.073,- per maand.




Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 5.390,- bruto per maand, te vermeerderen met een IKB van € 889,- per maand, zoals blijkt uit de salarisspecificatie van maart 2026.



Tussen partijen is in geschil of de CAO-uitkering van € 800,- per jaar – die de man in november 2024 heeft ontvangen – en de overwerkvergoeding in de berekening moeten worden betrokken.



De rechtbank zal met de CAO-uitkering geen rekening houden, nu nergens uit blijkt dat sprake is van een jaarlijks terugkerende uitkering. De man is voor de ontvangst van de uitkering afhankelijk van de vakbond, zodat onzeker is of hij deze uitkering in de toekomst opnieuw zal ontvangen. De uitkering kan daarom niet als structureel inkomen worden aangemerkt.



De rechtbank zal de overwerkvergoeding eveneens niet meenemen, omdat deze inkomsten ook onzeker zijn. Er kan van de man niet gevergd worden dat hij – naast zijn fulltime werkweek – overuren blijft maken.



De rechtbank houdt verder rekening met:



de premie ABP Pensioen van € 418,-;


de premie ABP AP van € 9,-.




De man heeft enkele schulden opgevoerd waar naar zijn mening rekening mee gehouden moet worden bij het bepalen van zijn draagkracht. Het betreft schulden bij Quander, IB Krediet en Eneco.



De rechtbank zal geen rekening houden met de aflossingen op de schulden bij Quander en IB Krediet, nu partijen zijn overeengekomen dat het aandeel van de man in deze schulden zal worden voldaan uit zijn aandeel in de overwaarde van de woning.



Wel zal de rechtbank rekening houden met de maandelijkse aflossing van € 100,- op de schuld bij Eneco. Naar de rechtbank begrijpt, heeft de vrouw op zitting erkend dat dit een gezamenlijke schuld is. Het bestaan van deze schuld en het feit dat de man daarop aflost staan tussen partijen vast. De schuld heeft betrekking op de gezamenlijke energiekosten van partijen en is niet vermijdbaar of verwijtbaar.



Verder heeft de man aangevoerd dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de leasekosten voor zijn auto (€364,- per maand). Ter onderbouwing hiervan voert de man aan dat hij na het uiteengaan van partijen noodgedwongen naar België moest verhuizen vanwege de krappe Nederlandse woningmarkt en dat hij vanuit daar zonder auto niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren. De vrouw voert verweer. De man heeft de auto aangeschaft voordat hij (wist dat hij) naar België ging.



De rechtbank ziet geen aanleiding om rekening te houden met de leasekosten van de man. De leaseovereenkomst is aangegaan voordat de man wist dat hij naar België zou verhuizen. Daarnaast is gebleken dat de man ongeveer twee dagen per week in Den Haag werkt. De overige dagen gebruikt hij de auto dus privé. De kosten van zijn auto wegen daarom niet zwaarder dan zijn onderhoudsplicht jegens de kinderen. Hoewel de rechtbank onderkent dat de auto voor de man noodzakelijk is voor woon-werkverkeer, volgt uit het rapport dat in een dergelijk geval een deel van zijn reiskosten in aanmerking zou kunnen worden genomen. Daartoe is evenwel geen verzoek gedaan.



Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 4.097,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.



Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [4.097 – (1.229 + 1.365)] = € 982,- per maand.




Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.055,- per maand (€ 1.073,- + € 982,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 982 / 2.055 x 1.221 = € 583,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.073 / 2.055 x 1.221 = € 638,-
samen € 1.221,-



Van de totale behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] komt een gedeelte van € 583,- per maand, wat neerkomt op € 291,50 per maand per kind voor rekening van de man. Een gedeelte van € 638,- per maand, wat neerkomt op € 319,- per maand per kind, komt voor rekening van de vrouw.




Zorgkorting

Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil.



Er is geen sprake van een vaste zorgregeling tussen de man en de kinderen, maar er is wel contact tussen hen. Volgens het rapport bedraagt de zorgkorting in die situatie in beginsel ten minste 5%. De rechtbank zal daarom een zorgkortingspercentage van 5% toepassen. De zorgkorting bedraagt dan € 61,- per maand (5% van € 1.221,-).




Aandeel man

De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 522,- per maand (€ 583,- -/- € 61,-).




Ingangsdatum

De rechtbank zal als ingangsdatum de datum van de beschikking hanteren, nu de man in het kader van de voorlopige voorzieningen al een bedrag aan kinderalimentatie aan de vrouw betaalt.




Conclusie

Het voorgaande brengt met zich mee dat de rechtbank zal bepalen dat de man, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van
€ 522,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. Het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie zal de rechtbank afwijzen.




Onderhoudsbijdrage meerderjarige [jong-meerderjarige]

Op de zitting heeft de vrouw haar verzoek ten aanzien van de onderhoudsbijdrage voor [jong-meerderjarige] ingetrokken, zodat de rechtbank daar geen beslissing meer op zal nemen.








Verdeling huwelijksgemeenschap


Inhoudelijke beoordeling





Algehele gemeenschap van goederen

De man en de vrouw zijn gehuwd op [dag] 2001. Zij hebben geen huwelijkse voorwaarden gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.




Peildatum

De peildatum voor de bepaling van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap is 6 mei 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.




Omvang

Door partijen zijn de volgende vermogensbestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:



de echtelijke woning, gelegen aan de [adres] ;


de inboedel;


de bankrekeningen:1. bankrekening op naam van de man ( [rekeningnummer 1] );



2. bankrekening op naam van de vrouw;
3. rekening op naam van partijen ( [rekeningnummer 2] );


de hypothecaire geldlening bij Nationale Nederlanden, verbonden aan de echtelijke woning;
de hypotheekrente;
de schuld bij Quander;
de schuld bij IB Krediet;
de schuld bij Eneco;
de schuld bij Tinka/Wehkamp;
de schuld bij Ziggo;
de schuld bij Dunea;
de gemeentelijke belastingen jaar 2025;
de regionale belastingen jaar 2025;
de schuld bij de belastingdienst.




Sub a en d. de echtelijke woning en daaraan verbonden hypothecaire geldlening

De vrouw verzoekt te bepalen dat de echtelijke woning aan haar wordt toebedeeld tegen de bindende taxatiewaarde van € 350.000,-. Op de zitting heeft zij aangegeven bereid te zijn tot een nieuwe taxatie. De vrouw stelt zich op het standpunt dat haar belang en dat van de kinderen om in de echtelijke woning te blijven wonen zwaarder weegt dan het belang van de man bij verkoop van de woning op de vrije markt tegen een mogelijk hogere verkoopprijs dan de getaxeerde waarde.



De man wil dat de woning op de vrije markt wordt verkocht, omdat daarmee volgens hem de hoogst mogelijke opbrengst kan worden gerealiseerd. Het is voor de vrouw financieel niet haalbaar om de woning tegen die waarde over te nemen. Ten aanzien van de getaxeerde waarde van € 350.000,- voert de man aan dat deze inmiddels meer dan één jaar oud is en daarom niet meer bruikbaar.



De rechtbank is van oordeel dat de vrouw in de gelegenheid moet worden gesteld om de echtelijke woning over te kunnen nemen. Doorslaggevend daarbij is het belang van de drie kinderen die ook in de woning verblijven. Uit de gesprekken met de kinderen is gebleken dat zij zich zorgen maken over hun toekomstige woonsituatie. Hoewel de kinderen niet meer heel jong zijn, zijn zij voorlopig nog wel afhankelijk van de huisvesting die de moeder hen biedt. Wel is de rechtbank van oordeel dat de woning opnieuw moet worden getaxeerd, nu de waarde van € 350.000,- al meer dan een jaar oud en dus niet actueel meer is. De rechtbank zal gelet op het voorgaande de echtelijke woning aan de vrouw toedelen op de wijze en onder de voorwaarden die hierna in het dictum zijn vermeld. Hierbij merkt de rechtbank op dat zij geen aanleiding ziet om de vrouw een langere termijn toe te kennen dan de gebruikelijke termijn van twee maanden, waarin zij de gelegenheid krijgt om verder te onderzoeken hoe zij de financiering kan verkrijgen en kan zorgen voor ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Als de vrouw niet in staat blijkt om binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden te voldoen, moet de woning worden verkocht aan een derde, eveneens op de wijze en onder de voorwaarden die hierna in het dictum zijn vermeld.




Ad. b. de inboedel

Partijen zijn het er over eens dat de inboedel bij helfte tussen hen zal worden verdeeld. De rechtbank zal dit vastleggen.




Ad. c. de bankrekeningen

Partijen zijn het er over eens dat ieder zijn of haar eigen bankrekening behoudt, met verrekening van de saldi bij helfte op de peildatum. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.



Partijen zijn het er ook over eens dat de gezamenlijke bankrekening kan worden opgeheven per de datum van levering van de echtelijke woning, onder verdeling van het saldo op de peildatum. De rechtbank zal bepalen dat het positieve saldo ten tijde van de peildatum tussen hen beiden bij helfte moet worden verdeeld, of anders dat het eventuele negatieve saldo door hen beiden bij helfte moet worden gedragen.




Ad. e. de hypotheekrente

De vrouw stelt dat zij sinds maart 2025 de volledige hypotheekrente van € 385,- per maand heeft betaald. Zij verzoekt primair vast te stellen dat zij een vordering op de man heeft ter hoogte van de helft van de door haar betaalde hypotheekrente over de periode van mei 2025 tot en met mei 2026. Subsidiair verzoekt zij vast te stellen dat zij een vordering op de man heeft ter hoogte van de helft van de door haar betaalde hypotheekrente over de periode van maart 2025 tot en met augustus 2025, toen partijen nog gezamenlijk in de woning woonden.



De man voert verweer. Hij stelt dat de hypotheekrente een gebruikerslast betreft die voor rekening komt van degene die de woning bewoont, in dit geval de vrouw. Daarnaast voert de man aan dat hij in de periode tot en met augustus 2025 hypotheekaflossingen en overige huishoudelijke kosten heeft betaald.
De rechtbank overweegt als volgt. Hypotheekrente is een gebruikerslast van de echtelijke woning en komt in beginsel voor rekening van degene die de woning gebruikt. Vast staat dat de man tot 25 augustus 2025 in de woning heeft gewoond. Nu het primaire verzoek ook ziet op de periode daarna – tot mei 2026 – zal dit verzoek worden afgewezen. Verder heeft de man aangevoerd dat hij in de periode van maart 2025 tot en met augustus 2025 andere kosten van de huishouding heeft betaald en aflossingen op de hypothecaire geldlening heeft voldaan. Uit de door de vrouw overgelegde bankafschriften blijkt niet dat zij deze aflossingen heeft betaald. Daarmee heeft zij het standpunt van de man dat ook hij kosten van de huishouding voor zijn rekening heeft genomen, onvoldoende weersproken. Gelet hierop, acht de rechtbank het niet onredelijk dat de vrouw de hypotheekrente voldoet als kosten van de huishouding. Partijen hebben onvoldoende inzicht gegeven in de totale kosten van de huishouding en ieders aandeel daarin, zodat de rechtbank het subsidiaire verzoek ook zal afwijzen.




Ad. f tot en met n: de schulden

De rechtbank overweegt dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen, omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. In de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:100 BW het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de (ex)echtgenoten wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de andere (ex)echtgenoot.




Ad. f en g. de schulden bij Quander en IB Krediet

Partijen zijn het er over eens dat zij ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de aflossing en de rente op de schulden bij Quander en IB Krediet en dat het saldo van deze schulden zal worden voldaan uit de overwaarde van de woning. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.



De vrouw stelt dat zij een vergoedingsrecht heeft op de man ten aanzien van de schulden bij Quander en IB Krediet, nu zij sinds de peildatum alle aflossingen op deze schulden heeft voldaan. De man betwist dit. Volgens hem is geen sprake van een vergoedingsrecht maar van een regresvordering, die pas ontstaat als een partij meer dan de helft van een gezamenlijke schuld heeft afgelost, waar in dit geval geen sprake van is. Daarnaast betwist hij dat de vrouw alle aflossingen heeft voldaan.



De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn het er over eens dat er aflossingen zijn gedaan, maar het is voor de rechtbank onduidelijk gebleven of en in hoeverre met deze aflossingen een regresvordering van de ene partij op de andere partij is ontstaan. De rechtbank kan dan ook geen regresvordering vaststellen.



De rechtbank geeft partijen mee dat zij bij de afwikkeling van de gemeenschapsschulden beiden een overzicht moeten maken van de aflossingen die zij na de peildatum hebben gedaan, zodat zij dit in onderling overleg kunnen verrekenen bij de overdracht van de woning.




Ad. h - de schuld bij Eneco

Naar de rechtbank begrijpt, heeft de vrouw op de zitting erkend dat de schuld bij Eneco een gezamenlijke schuld is. Partijen zijn het er derhalve over eens dat zij ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de hoofdsom van deze schuld. De vrouw stelt zich echter op het standpunt dat de bijkomende kosten waarmee de schuld is verhoogd als gevolg van de storneringen door de man, voor rekening van de man moeten komen.



Het is de rechtbank onvoldoende duidelijk geworden hoe de schuld bij Eneco is opgebouwd, meer specifiek welk bedrag ziet op de hoofdsom en welk bedrag betrekking heeft op de bijkomende incassokosten. Omdat niet voldoende concreet is onderbouwd welk bedrag van de schuld op de incassokosten ziet, gaat de rechtbank voorbij aan het verweer van de vrouw ten aanzien van de incassokasten. De rechtbank zal vastleggen dat de man en de vrouw in hun onderlinge verhouding beiden de helft van de schuld bij Eneco voor zijn/haar rekening dienen te nemen.




Ad. i. de schuld bij Tinka/Wehkamp

Partijen zijn het erover eens dat de schuld bij Tinka/Wehkamp een gemeenschappelijke schuld is en dat de vrouw uit hoofde daarvan een regresvordering op de man heeft van € 630,66. De rechtbank zal dit vastleggen.




Ad. j. en k. de schulden bij Ziggo en Dunea

Partijen verschillen van mening over de bestaande schulden bij Ziggo en Dunea. De man heeft het bestaan van deze schulden voldoende onderbouwd.



De rechtbank zal vastleggen dat de man en de vrouw in hun onderlinge verhouding beiden de helft van de schulden bij Ziggo en Dunea voor zijn/haar rekening moeten nemen.




Ad. l. en m. de gemeentelijke en regionale belastingen

Ter zitting hebben partijen de afspraak gemaakt dat zij de gemeentelijke en regionale belastingen met gesloten beurzen zullen verrekenen.



De rechtbank beschouwt de verzoeken ten aanzien van de gemeentelijke en regionale belastingen als ingetrokken, zodat de rechtbank daar geen beslissing meer op zal nemen.




Ad. n de schuld bij de belastingdienst

De man verzoekt te bepalen te bepalen dat partijen in hun onderlinge verhouding verantwoordelijk zijn voor het ieder voor de helft aflossen van de schuld aan de belastingdienst.



De vrouw betwist het bestaan van de schuld aan de belastingdienst. Uit door de man overgelegde IB aangifte blijkt niet of deze schuld inmiddels al is voldaan.



Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man met de IB aanslag van jaar 2024 onvoldoende onderbouwd dat de schuld bij de belastingdienst nog bestaat. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom afwijzen.



Het meer of anders verzochte in het kader van de (wijze van) verdeling zal worden afgewezen.





Beslissing
De rechtbank:


*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [dag] in [plaats] ;



*
bepaalt dat de minderjarigen:




[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] ;



[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] ,


hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw;


*
bepaalt dat er een zorgregeling zal gelden tussen de man en de kinderen, inhoudende dat zij het contact in onderling overleg vormgeven;



*
bepaalt dat de man, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 522,- per maand dient te betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;



*
stelt de (wijze van) verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:


1. met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening:

i) de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de man aan de vrouw binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de vrouw de woning zal overnemen;
b) de vrouw dient binnen twee maanden na de taxatie aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw, als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;



ii) indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;


2. bepaalt dat de inboedel van de echtelijke woning in onderling overleg bij helfte wordt verdeeld;

3. bepaalt met betrekking tot de bankrekeningen:


a. dat iedere partij zijn of haar eigen bankrekening behoudt, onder verrekening bij helfte van de saldi per 6 mei 2025;
b. dat de gemeenschappelijke bankrekening van partijen zal worden voortgezet totdat de echtelijke woning wordt opgeleverd, waarbij op dat moment het saldo op deze bankrekening tussen partijen bij helfte wordt verdeeld, dan wel dat partijen beiden voor de helft draagplichtig zijn voor het negatieve saldo, waarna de bankrekening wordt opgeheven;


4. bepaalt dat de schulden bij Quander en IB Krediet worden afgelost vanuit de overwaarde van de echtelijke woning;

5. bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen de helft van de schulden bij Eneco, Ziggo en Dunea voor zijn/haar rekening dienen te nemen;
6. bepaalt met betrekking tot de schuld bij Tinka/Wehkamp dat de vrouw een regresvordering op de man heeft ter hoogte van € 630,66;



*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;



*
wijst af meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong – Kwestro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 26 juni 2026.





















Partij


Man




Zaak


Man / Vrouw (C/09/84792)




Berekening


Draagkracht




Tarieven


2026-1




Datum uitdraai


12-06-2026





























Box 1 Inkomen uit werk en woning











Loon (41-50)





41


Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking








€


64.680




49c


Individueel keuze budget (IKB/PKB)








€


10.668
















Bruto inkomsten





















€







75.348




































Premies (51-59)











Pensioenpremie





51


Ingehouden pensioenpremie





-


€


5.016




53


Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat





-


€


108




54


Loon voor de premies werknemersverzekeringen








€


70.224



































59







Inkomsten





















€







70.224




































Belastbaar loon (61-64)










64







Belastbaar loon





















€







70.224




































Heffing box 1 (94-95)










94







Belastbaar inkomen uit werk en woning





















€







70.224







- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)








€


13.900







- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426








€


11.772









95







Inkomensheffing box 1





















€







25.672




































Besteedbaar inkomen (113-120)





113


Inkomen voor aftrek inkomensheffing








€


70.224









114


Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3





€


25.672







115/116


Heffingskorting en standaard heffingskorting


-


€


4.607







117


Verschuldigde inkomensheffing





-


€


21.065
















Inkomen na aftrek inkomensheffing





















€







49.159

































Specificaties voor post: 115/116













Algemene Heffingskorting





€


525


jaar










Arbeidskorting





€


4.082


jaar






































120







Besteedbaar inkomen





















€







49.159




































120a

















Netto besteedbaar inkomen (per jaar)





















€







49.159




120a


Netto besteedbaar inkomen (per maand)








€


4.097




































Draagkracht tbv kinderalimentatie











Draagkracht tbv kinderalimentatie





120a


Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie








€


4.097







Draagkracht wordt berekend op basis van








Formule







122a


Kosten van levensonderhoud





€


1.365







123a


Woonbudget





€


1.229







134a


Extra lasten opnemen





€


100























135a


Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie








€


2.694




136a


Draagkrachtruimte








€


1.403




137a


Draagkrachtpercentage








%


70







Beschikbaar








€


982




140a


Draagkracht tbv kinderalimentatie








€


982

































Notitie: 134aSchuld Eneco

















































Partij


Vrouw




Zaak


Man / Vrouw (C/09/84792)




Berekening


Draagkracht




Tarieven


2026-1




Datum uitdraai


12-06-2026





























Box 1 Inkomen uit werk en woning











Loon (41-50)





41


Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking








€


42.864




44


Vakantietoeslag








€


3.429




47


13de maand/14de periode








€


3.576




49b


Overige bruto arbeidsinkomsten








€


5.412
















Bruto inkomsten





















€







55.281

































Specificaties voor post: 49b (Optellen)













EBB





€


4.992


jaar










CPP





€


420


jaar







































Premies (51-59)











Pensioenpremie





51


Ingehouden pensioenpremie





-


€


1.044




53


Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat





-


€


468




54


Loon voor de premies werknemersverzekeringen








€


53.769

































Specificaties voor post: 53 (Optellen)













Aanv. pensioenpremie





€


420


jaar










PAWW premie





€


48


jaar






































59







Inkomsten





















€







53.769




































Belastbaar loon (61-64)










64







Belastbaar loon





















€







53.769




































Heffing box 1 (94-95)










94







Belastbaar inkomen uit werk en woning





















€







53.769







- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)








€


13.900







- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426








€


5.591









95







Inkomensheffing box 1





















€







19.491




































Besteedbaar inkomen (113-120)





113


Inkomen voor aftrek inkomensheffing








€


53.769









114


Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3





€


19.491







115/116


Heffingskorting en standaard heffingskorting


-


€


6.731







117


Verschuldigde inkomensheffing





-


€


12.760
















Inkomen na aftrek inkomensheffing





















€







41.009

































Specificaties voor post: 115/116













Algemene Heffingskorting





€


1.578


jaar










Arbeidskorting





€


5.153


jaar




































Bij: Kindgebonden budget





€


8.677






































120







Besteedbaar inkomen





















€







49.686




















































120a

















Netto besteedbaar inkomen (per jaar)





















€







49.686




120a


Netto besteedbaar inkomen (per maand)








€


4.140




































Draagkracht tbv kinderalimentatie











Draagkracht tbv kinderalimentatie





120a


Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie








€


4.140







Draagkracht wordt berekend op basis van








Formule







122a


Kosten van levensonderhoud





€


1.365







123a


Woonbudget





€


1.242







135a


Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie








€


2.607




136a


Draagkrachtruimte








€


1.533




137a


Draagkrachtpercentage








%


70







Beschikbaar








€


1.073




140a


Draagkracht tbv kinderalimentatie








€


1.073