Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20979
2026-06-26
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/683939 / FA RK 25-2967
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Echtscheiding met nevenvoorzieningen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (118.755 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2967 (echtscheiding) en FA RK 25-4764 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/683939 (echtscheiding) en C/09/687453 (verdeling)
Datum beschikking: 26 juni 2026
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 17 april 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Șeker ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G. Koyak in ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het F9-formulier van 15 mei 2025, van de vrouw;
het F9-formulier van 19 mei 2025, met bijlagen, van de vrouw;
het F9-formulier van 26 mei 2025, met bijlagen, van de vrouw;
het F9-formulier van 30 mei 2025, met van de vrouw;
het verweerschrift met een zelfstandig verzoek;
het F9-formulier van 31 oktober 2025, van de vrouw;
het bericht van 27 mei 2026, met bijlagen, van de man;
het F9-formulier van 29 mei 2026, met bijlagen, van de man;
het F9-formulier van 5 juni 2026, met bijlagen, van de vrouw.
De minderjarige [minderjarige 1] is uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter op 5 juni 2026. Hij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Op 8 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk E. Battaloglu;
de man, bijgestaan door zijn advocaat en tolk M. Sivridag.
De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen het door de man na het verstrijken van de verweertermijn ingediende verweerschrift. Dit bezwaar heeft zij op de zitting ingetrokken. De rechtbank zal daarom geen beslissing meer nemen op dit bezwaar.
Feiten
Partijen zijn gehuwd op [dag] 2016 in [plaats] , Turkije.
Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats] .
De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over de kinderen.
De man heeft de Turkse nationaliteit en de vrouw heeft de Azerbeidzjaanse nationaliteit.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
primair: het (nog nader te overleggen) ouderschapsplan te hechten aan de beschikking en te bepalen dat het onderdeel uitmaakt van de beschikking;
subsidiair:
te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben;
te bepalen dat er een zorgregeling tussen de man en de minderjarigen zal gelden waarbij de minderjarigen de ene week op zaterdag en op zondag van 12.00 uur tot 18.00 uur en de andere week op zondag van 13.00 uur tot 18.00 uur bij de man verblijven. Deze regeling zal tijdens de vakanties doorlopen, behalve in de zomervakantie wanneer de vrouw met de kinderen op vakantie is. Islamitische feestdagen zullen bij helfte worden verdeeld;
te bepalen dat de man met ingang van de datum van indiening van onderhavig verzoekschrift een bijdrage levert in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 515,- per kind per maand, althans met ingang van een zodanige datum en een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, zulks telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
te bepalen dat de man een bijdrage levert in de kosten van het levensonderhoud van de
vrouw met een bedrag van 367, - per maand vanaf de datum van de beschikking,
althans een zodanige bijdrage en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank
in goede justitie zou vermenen te behoren, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- te bepalen dat de vrouw met ingang van de datum van de te dezen te wijzen beschikking
enig huurster zal zijn van de echtelijke woning te [adres]
;
- primair: het (nader te overleggen) echtscheidingsconvenant te hechten aan de beschikking en dat te bepalen dat het onderdeel uitmaakt van de beschikking;
subsidiair: een verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen conform het voorstel van de vrouw.
De man stemt in met de verzoeken ten aanzien van de echtscheiding en de hoofdverblijfplaats. Hij voert verweer tegen de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling, de kinder- en partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Daarnaast verzoekt hij zelfstandig – na wijziging –:
te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw wordt bepaald;
te bepalen dat de man contact heeft met de kinderen:
zolang hij niet over een zelfstandige woonruimte beschikt: iedere zaterdag en zondag van ongeveer 12.00 uur tot 18.00 uur;
zodra hij over een zelfstandige woonruimte beschikt: iedere vrijdag van 19.00 uur tot zondag 19.00 uur, eveneens gedurende de helft van de zomervakantie/islamitische feestdagen.
te bepalen dat de man met ingang van de datum van de beschikking een bijdrage levert in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 30,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
te bepalen dat de vrouw met ingang van datum van de beschikking uitsluitend huurder wordt van de echtelijke woning staande en gelegen aan de [adres] ;
de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen conform het voorstel van de man.
Beoordeling
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Ontvankelijkheid
Door partijen is geen ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, heeft de rechtbank de bevoegdheid de verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).
Naar het oordeel van de rechtbank is uit de overgelegde stukken en het besprokene op de zitting voldoende gebleken dat partijen niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Gelet hierop zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist en stemt in met de echtscheiding, zodat het verzoek van de vrouw tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats en zorgregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfsplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het er over eens dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben. Nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank de over en weer gedane verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats toewijzen.
Ook hebben partijen overeenstemming bereikt over de zorgregeling tussen de man en de kinderen, inhoudende dat de kinderen ieder weekend van vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de man zullen verblijven. De vakanties en feestdagen zullen bij helfte worden verdeeld. De rechtbank zal deze afspraken vastleggen.
Huurrecht echtelijke woning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan een van partijen. De rechtbank zal op dit verzoek volgens Nederlands internationaal privaatrecht Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het er over eens dat het huurrecht van de (voormalig) echtelijke woning aan de vrouw kan worden toegekend. De rechtbank zal aldus beslissen.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vrouw, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Voor het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 923,- bruto per maand exclusief vakantiegeld, zoals volgt uit de salarisspecificatie van januari 2026.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI op het moment van het huwelijk op € 976,- per maand.
Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. De rechtbank hanteert bij de berekening van het NBI van een ondernemer als uitgangspunt de gemiddelde winst van de voorafgaande drie kalenderjaren, nu op deze wijze de (incidenteel) hoge en lage winsten worden gecompenseerd en een reëel beeld van de behaalde winst wordt gegeven.
Tussen partijen is in geschil of de gemiddelde winst over de jaren 2022 tot en met 2024, dan wel die over de jaren 2023 tot en met 2025 als uitgangspunt dient te gelden.
De rechtbank zal uitgaan van een gemiddeld resultaat over de jaren 2023, 2024 en 2025. Partijen hebben het gehele jaar 2025 samengewoond en een gezamenlijke huishouding gevoerd. De prognose over het jaar 2025 is door de man zelf overgelegd en er is door hem niet aangevoerd dat de cijfers uit deze prognose onjuist zijn. De rechtbank acht deze prognose daarom representatief.
De rechtbank gaat uit van een winst uit onderneming in 2023 van € 36.831,-, van een winst uit onderneming in 2024 van € 50.255,- en van de geprognosticeerde winst uit onderneming in 2025 van € 42.180,-. De gemiddelde winst uit onderneming van 2023, 2024 en 2025 bedraagt dan € 43.089,-.
Verder houdt de rechtbank rekening met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van het huwelijk op € 2.977,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2026 dus € 3.953,- per maand (€976,- + € 2.977,-.) Op basis van dit NBGI hebben partijen recht op een kindgebonden budget van € 347,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 982,- per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.027,- per maand.
Draagkracht vrouw
De vrouw haar arbeidsovereenkomst eindigt per 1 juli 2026. Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank er daarom vanuit dat de vrouw een bijstandsuitkering ontvangt. Conform de aanbeveling van de expertgroep Alimentatie opgenomen in het rapport, neemt de rechtbank geen draagkracht aan bij een hoofdverzorgende ouder met een bijstandsuitkering. De draagkracht van de vrouw is derhalve € 0,-.
Draagkracht man
Ten aanzien van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van dezelfde inkomensgegevens als bij de behoefteberekening, dus van de gemiddelde winst uit onderneming van 2023, 2024 en 2025, zijnde € 43.089,-.
Verder houdt de rechtbank rekening met de MKB-winstvrijstelling en de zelfstandigenaftrek.
Beide partijen houden bij de berekening van de draagkracht van de man rekening met een maandelijkse aflossing van € 200,- op de door de man aangevoerde schulden. Nu vaststaat dat de man deze schulden alleen gaat aflossen, acht de rechtbank het, gelet op de omvang van de schuldenlast, redelijk om bij de berekening van zijn draagkracht een maandelijkse aflossing van € 200,- in aanmerking te nemen.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 3.005,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,- + € 200,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [3.005 – (902 + 1.365 + 200)] = € 377,- per maand.
Gezamenlijke draagkracht en zorgkorting
De gezamenlijke draagkracht van partijen is € 377,- per maand. Dit is onvoldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Omdat sprake is van een tekort moet de vader met zijn volledige draagkracht bijdragen en komt de rechtbank niet toe aan een zorgkorting.
Ingangsdatum
Partijen zijn het er over eens dat de kinderalimentatie wordt vastgesteld met ingang van 1 juni 2026. De rechtbank zal dit vaststellen.
Conclusie
Conform het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van 1 juni 2026 en bijdrage van € 377,- per maand aan de moeder moet betalen voor beide kinderen samen.
Partneralimentatie
Nu de volledige draagkracht van de man moet worden aangewend voor de kosten van de kinderen, resteert aan de zijde van de man geen draagkracht meer voor het betalen van partneralimentatie. De behoefte en de behoeftigheid van de vrouw kunnen dan ook onbesproken blijven. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een partneralimentatie zal worden afgewezen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II ter-verordening rechtsmacht heeft om te beslissen op het verzoek tot echtscheiding, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 5 eerste lid van de Verordening Huwelijksvermogensstelsels ook rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot afwikkeling van het huwelijksvermogen van partijen.
De rechtbank gaat bij de bepaling van het toepasselijk recht uit van het volgende. Voor de bepaling welk verdrag dan wel welke verordening van toepassing is, moet worden gekeken naar de huwelijksdatum. Omdat het huwelijk van partijen is gesloten na 1 januari 1992 en vóór 29 januari 2019 – namelijk op 6 januari 2016 – is het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130 (HVV 1978) van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.
Partijen hebben geen rechtskeuze uitgebracht vóór of tijdens het huwelijk. Het toepasselijk recht moet daarom worden bepaald aan de hand van artikel 4 HVV 1978. Omdat partijen hun eerste huwelijksdomicilie hebben gevestigd in Nederland, is Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.
Inhoudelijke beoordeling
Algehele gemeenschap van goederen
Niet gesteld en ook niet gebleken is dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW (zoals deze golden tot 1 januari 2018) bestaat tussen partijen dus een algehele gemeenschap van goederen. Het uitgangspunt is dat de ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:100 BW bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld.
Peildatum
Als peildatum voor de omvang en samenstelling van de ontbonden huwelijksgemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 17 april 2025. Voor de waardering geldt – voor zover partijen niet anders overeenkomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid niet anders voortvloeit – de datum van de feitelijke verdeling als peildatum.
Omvang
Partijen stellen dat de volgende bestanddelen onderdeel uitmaken van hun huwelijksvermogen:
de inboedel;
de eenmanszaak van de man ( [bedrijf] );
de banksaldi;
de schulden.
Ad. 1. de inboedel
Partijen zijn het er over eens dat de inboedel kan worden toebedeeld aan de vrouw, zonder nadere verrekening. De rechtbank zal aldus beslissen.
Ad. 2 de eenmanszaak [bedrijf]
Partijen zijn het er over eens dat de eenmanszaak [bedrijf] kan worden toebedeeld aan de man, zonder nadere verrekening. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ad. 3 de banksaldi
Conform de overeenstemming van partijen zal de rechtbank bepalen dat ieder zijn/haar eigen bankrekening voortzet, zonder verrekening van de saldi op de peildatum.
Ad. 4 de schulden
De vrouw verzoekt primair te bepalen dat ieder zijn eigen schulden betaald, zonder nadere verrekening over en weer. Subsidiair verzoekt de vrouw te bepalen dat partijen ieder voor 50% draagplichtig zijn voor de gezamenlijke schulden. De vrouw voert aan dat zij niet op de hoogte was van de schulden en dat de man in staat moet zijn geweest de schulden al eerder af te lossen. Ook stelt de vrouw zich op het standpunt dat als bij de alimentatie rekening wordt gehouden met de aflossing van de schulden, de man in het kader van de verdeling van de gemeenschap volledig draagplichtig moet worden geacht voor de schulden. De man heeft verweer gevoerd en stelt dat partijen conform de hoofdregel beiden voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld.
De rechtbank overweegt als volgt.
Partijen zijn het er over eens dat de schulden tot de huwelijksgemeenschap behoren.
Schulden komen niet voor verdeling in aanmerking, omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW.
In de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van 1:100 BW het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex-)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de
(ex-)echtgenoten wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de andere (ex-)echtgenoot.
Nu het gemeenschappelijke schulden betreft, zijn partijen ieder voor de helft draagplichtig voor deze schulden. De rechtbank zal dit vaststellen. Vast staat dat de man de gehele schulden gaat aflossen. Op de zitting is besproken dat hij daarom in de toekomst een regresvordering op de vrouw zal verkrijgen. Het is aan partijen zelf om dit in de toekomst in onderling overleg te verrekenen.
Het meer of anders verzochte in het kader van de (wijze van) verdeling zal worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt uit de echtscheiding uit tussen de vrouw en de man, gehuwd op [dag] 2016 in [plaats] , Turkije;
*
bepaalt dat de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2017 in [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2018 in [geboorteplaats] ,
hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw;
*
stelt vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als volgt bij de man verblijven:
ieder weekend van vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur;
de helft van de vakanties,
waarbij partijen in onderling overleg kunnen afwijken van deze regeling;
*
bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woonruimte aan de [adres] ;
*
bepaalt de door de man met ingang van 1 juni 2026 te betalen alimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op € 377,- per maand, vanaf nu telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
stelt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
aan de vrouw wordt toebedeeld de inboedel van de echtelijke woning, zonder nadere verrekening;
aan de man worden toebedeeld de activa en de passiva van de eenmanszaak ‘ [bedrijf] ’, zonder nadere verrekening;
bepaalt dat ieder van partijen gerechtigd is tot het saldo op de peildatum op de eigen bankrekening(en), zonder nadere verrekening, en verstaat dat de vrouw de bankrekening op haar naam zal voortzetten en dat de man de bankrekening op zijn naam zal voortzetten;
bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong – Kwestro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 juni 2026.
Partij
Man
Zaak
Man / Vrouw
Berekening
Behoefte
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
18-06-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
€
43.089
70
Winst uit onderneming
€
43.089
Ondernemersaftrek
MKB Winstvrijstelling
-
€
5.472
75
Belastbare winst uit onderneming
€
37.617
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
37.617
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
€
13.474
95
Inkomensheffing box 1
€
13.474
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
43.089
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
13.474
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
8.083
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
€
5.391
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
37.698
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
€
2.485
jaar
Arbeidskorting
€
5.598
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
€
37.617
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
€
37.617
Maximum bijdrage loon
€
75.864
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
€
75.864
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
€
37.617
Percentage Zvw
%
5,26
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
€
1.979
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
€
1.979
120
Besteedbaar inkomen
€
35.719
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
35.719
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
2.977
Partij
Vrouw
Zaak
Man / Vrouw
Berekening
Behoefte
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
18-06-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
€
11.076
44
Vakantietoeslag
€
886
Bruto inkomsten
€
11.962
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
€
11.962
59
Inkomsten
€
11.962
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
€
11.962
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
11.962
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
€
4.284
95
Inkomensheffing box 1
€
4.284
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
11.962
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
4.284
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
4.032
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
€
252
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
11.710
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
€
3.068
jaar
Arbeidskorting
€
964
jaar
120
Besteedbaar inkomen
€
11.710
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
11.710
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
976
NBGI voor scheiding
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
NBI voor scheiding Man
€
2.977
NBI voor scheiding Vrouw
€
976
Bij: Kindgebonden budget voor scheiding
€
347
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
€
4.300
Eigen aandeel kosten kinderen
Eigen aandeel kosten kinderen
Ouders hebben in gezinsverband geleefd
ja
NBGI voor scheiding
€
4.300
Tabel aantal kinderen
2
Eigen aandeel ouders in de kosten kinderen volgens tabel
€
982
#
Indexeren
ja
Startjaar
2025
Eindjaar
2026
Eigen aandeel ouders geïndexeerd
€
1.027
Behoefte obv 60% norm
Netto Behoefte
Netto gezinsinkomen
€
4.300
Af: kosten van de kinderen
-
€
982
Saldo
€
3.318
Netto behoefte obv 60%
€
1.991
Netto behoefte
€
1.991
#
Indexeren
nee
Partij
Man
Zaak
Man / Vrouw (C/09/683939)
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2026-1
Datum uitdraai
18-06-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
€
43.089
70
Winst uit onderneming
€
43.089
Ondernemersaftrek
MKB Winstvrijstelling
-
€
5.472
75
Belastbare winst uit onderneming
€
37.617
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
37.617
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
€
13.448
95
Inkomensheffing box 1
€
13.448
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
43.089
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
13.448
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
8.248
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
€
5.200
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
37.889
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
€
2.611
jaar
Arbeidskorting
€
5.637
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
€
37.617
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
€
37.617
Maximum bijdrage loon
€
79.412
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
€
79.412
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
€
37.617
Percentage Zvw
%
4,85
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
€
1.824
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
€
1.824
120
Besteedbaar inkomen
€
36.065
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
36.065
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
3.005
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
€
36.065
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
€
3.005
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
€
3.005
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
€
1.365
123a
Woonbudget
€
902
134a
Extra lasten opnemen
€
200
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
€
2.467
136a
Draagkrachtruimte
€
538
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
€
377
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
€
377
Notitie: 134aAflossing schulden
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
€
3.005
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122b
Kosten van levensonderhoud
€
1.365
123b
Woonbudget
€
902
134b
Extra lasten opnemen
€
200
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
€
2.467
136b
Draagkrachtruimte
€
538
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
€
538
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Draagkracht tbv partneralimentatie
€
323
140
Beschikbaar
€
323
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
€
0
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
€
0
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
€
0
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
€
0
Berekende ruimte voor partneralimentatie
€
323
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
€
323
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
€
502
Specificaties voor post: 144
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 3.876 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van:
€
37.617
jaar
In de schijf van 35,75% valt € 3.876, € 3.876 x ( 100 / (100 - 35,75)) =
€
6.033
jaar
Het resultaat van de brutering is per jaar
€
6.033
jaar
Of per maand
€
502
maand
Partij
Vrouw
Zaak
Man / Vrouw (C/09/683939)
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2026-1
Datum uitdraai
18-06-2026
Besteedbaar inkomen (113-120)
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
3.115
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
€
3.115
jaar
Bij: Kindgebonden budget
€
8.576
120
Besteedbaar inkomen
€
8.576
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
8.576
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
715
120b
Af: correctie kindgebonden budget
-
€
8.576
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
€
715
Draagkracht wordt berekend op basis van
Tabel
Afwijken van de tabel?
nee
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
€
50
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
Afwijken van de tabel?
nee
122b
Kosten van levensonderhoud
€
1.365
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
€
1.365
136b
Draagkrachtruimte
€
-1.365
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
€
-1.365
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
€
0
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
€
0
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
€
0
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
€
0
Berekende ruimte voor partneralimentatie
€
0
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
€
0
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
€
0
Specificaties voor post: 144
Omdat de verschuldigde belasting lager is dan de heffingskortingen bestaat er geen ficaal voordeel. Resteert voor partneralimentatie per jaar
€
0
jaar
Of per maand
€
0
maand
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2967 (echtscheiding) en FA RK 25-4764 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/683939 (echtscheiding) en C/09/687453 (verdeling)
Datum beschikking: 26 juni 2026
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 17 april 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Șeker ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G. Koyak in ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het F9-formulier van 15 mei 2025, van de vrouw;
het F9-formulier van 19 mei 2025, met bijlagen, van de vrouw;
het F9-formulier van 26 mei 2025, met bijlagen, van de vrouw;
het F9-formulier van 30 mei 2025, met van de vrouw;
het verweerschrift met een zelfstandig verzoek;
het F9-formulier van 31 oktober 2025, van de vrouw;
het bericht van 27 mei 2026, met bijlagen, van de man;
het F9-formulier van 29 mei 2026, met bijlagen, van de man;
het F9-formulier van 5 juni 2026, met bijlagen, van de vrouw.
De minderjarige [minderjarige 1] is uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter op 5 juni 2026. Hij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Op 8 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk E. Battaloglu;
de man, bijgestaan door zijn advocaat en tolk M. Sivridag.
De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen het door de man na het verstrijken van de verweertermijn ingediende verweerschrift. Dit bezwaar heeft zij op de zitting ingetrokken. De rechtbank zal daarom geen beslissing meer nemen op dit bezwaar.
Feiten
Partijen zijn gehuwd op [dag] 2016 in [plaats] , Turkije.
Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats] .
De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over de kinderen.
De man heeft de Turkse nationaliteit en de vrouw heeft de Azerbeidzjaanse nationaliteit.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
primair: het (nog nader te overleggen) ouderschapsplan te hechten aan de beschikking en te bepalen dat het onderdeel uitmaakt van de beschikking;
subsidiair:
te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben;
te bepalen dat er een zorgregeling tussen de man en de minderjarigen zal gelden waarbij de minderjarigen de ene week op zaterdag en op zondag van 12.00 uur tot 18.00 uur en de andere week op zondag van 13.00 uur tot 18.00 uur bij de man verblijven. Deze regeling zal tijdens de vakanties doorlopen, behalve in de zomervakantie wanneer de vrouw met de kinderen op vakantie is. Islamitische feestdagen zullen bij helfte worden verdeeld;
te bepalen dat de man met ingang van de datum van indiening van onderhavig verzoekschrift een bijdrage levert in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 515,- per kind per maand, althans met ingang van een zodanige datum en een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, zulks telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
te bepalen dat de man een bijdrage levert in de kosten van het levensonderhoud van de
vrouw met een bedrag van 367, - per maand vanaf de datum van de beschikking,
althans een zodanige bijdrage en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank
in goede justitie zou vermenen te behoren, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- te bepalen dat de vrouw met ingang van de datum van de te dezen te wijzen beschikking
enig huurster zal zijn van de echtelijke woning te [adres]
;
- primair: het (nader te overleggen) echtscheidingsconvenant te hechten aan de beschikking en dat te bepalen dat het onderdeel uitmaakt van de beschikking;
subsidiair: een verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen conform het voorstel van de vrouw.
De man stemt in met de verzoeken ten aanzien van de echtscheiding en de hoofdverblijfplaats. Hij voert verweer tegen de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling, de kinder- en partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Daarnaast verzoekt hij zelfstandig – na wijziging –:
te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw wordt bepaald;
te bepalen dat de man contact heeft met de kinderen:
zolang hij niet over een zelfstandige woonruimte beschikt: iedere zaterdag en zondag van ongeveer 12.00 uur tot 18.00 uur;
zodra hij over een zelfstandige woonruimte beschikt: iedere vrijdag van 19.00 uur tot zondag 19.00 uur, eveneens gedurende de helft van de zomervakantie/islamitische feestdagen.
te bepalen dat de man met ingang van de datum van de beschikking een bijdrage levert in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 30,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
te bepalen dat de vrouw met ingang van datum van de beschikking uitsluitend huurder wordt van de echtelijke woning staande en gelegen aan de [adres] ;
de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen conform het voorstel van de man.
Beoordeling
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Ontvankelijkheid
Door partijen is geen ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, heeft de rechtbank de bevoegdheid de verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).
Naar het oordeel van de rechtbank is uit de overgelegde stukken en het besprokene op de zitting voldoende gebleken dat partijen niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Gelet hierop zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist en stemt in met de echtscheiding, zodat het verzoek van de vrouw tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats en zorgregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfsplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het er over eens dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben. Nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank de over en weer gedane verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats toewijzen.
Ook hebben partijen overeenstemming bereikt over de zorgregeling tussen de man en de kinderen, inhoudende dat de kinderen ieder weekend van vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de man zullen verblijven. De vakanties en feestdagen zullen bij helfte worden verdeeld. De rechtbank zal deze afspraken vastleggen.
Huurrecht echtelijke woning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan een van partijen. De rechtbank zal op dit verzoek volgens Nederlands internationaal privaatrecht Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het er over eens dat het huurrecht van de (voormalig) echtelijke woning aan de vrouw kan worden toegekend. De rechtbank zal aldus beslissen.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vrouw, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Voor het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 923,- bruto per maand exclusief vakantiegeld, zoals volgt uit de salarisspecificatie van januari 2026.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI op het moment van het huwelijk op € 976,- per maand.
Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. De rechtbank hanteert bij de berekening van het NBI van een ondernemer als uitgangspunt de gemiddelde winst van de voorafgaande drie kalenderjaren, nu op deze wijze de (incidenteel) hoge en lage winsten worden gecompenseerd en een reëel beeld van de behaalde winst wordt gegeven.
Tussen partijen is in geschil of de gemiddelde winst over de jaren 2022 tot en met 2024, dan wel die over de jaren 2023 tot en met 2025 als uitgangspunt dient te gelden.
De rechtbank zal uitgaan van een gemiddeld resultaat over de jaren 2023, 2024 en 2025. Partijen hebben het gehele jaar 2025 samengewoond en een gezamenlijke huishouding gevoerd. De prognose over het jaar 2025 is door de man zelf overgelegd en er is door hem niet aangevoerd dat de cijfers uit deze prognose onjuist zijn. De rechtbank acht deze prognose daarom representatief.
De rechtbank gaat uit van een winst uit onderneming in 2023 van € 36.831,-, van een winst uit onderneming in 2024 van € 50.255,- en van de geprognosticeerde winst uit onderneming in 2025 van € 42.180,-. De gemiddelde winst uit onderneming van 2023, 2024 en 2025 bedraagt dan € 43.089,-.
Verder houdt de rechtbank rekening met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van het huwelijk op € 2.977,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2026 dus € 3.953,- per maand (€976,- + € 2.977,-.) Op basis van dit NBGI hebben partijen recht op een kindgebonden budget van € 347,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 982,- per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.027,- per maand.
Draagkracht vrouw
De vrouw haar arbeidsovereenkomst eindigt per 1 juli 2026. Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank er daarom vanuit dat de vrouw een bijstandsuitkering ontvangt. Conform de aanbeveling van de expertgroep Alimentatie opgenomen in het rapport, neemt de rechtbank geen draagkracht aan bij een hoofdverzorgende ouder met een bijstandsuitkering. De draagkracht van de vrouw is derhalve € 0,-.
Draagkracht man
Ten aanzien van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van dezelfde inkomensgegevens als bij de behoefteberekening, dus van de gemiddelde winst uit onderneming van 2023, 2024 en 2025, zijnde € 43.089,-.
Verder houdt de rechtbank rekening met de MKB-winstvrijstelling en de zelfstandigenaftrek.
Beide partijen houden bij de berekening van de draagkracht van de man rekening met een maandelijkse aflossing van € 200,- op de door de man aangevoerde schulden. Nu vaststaat dat de man deze schulden alleen gaat aflossen, acht de rechtbank het, gelet op de omvang van de schuldenlast, redelijk om bij de berekening van zijn draagkracht een maandelijkse aflossing van € 200,- in aanmerking te nemen.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 3.005,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,- + € 200,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [3.005 – (902 + 1.365 + 200)] = € 377,- per maand.
Gezamenlijke draagkracht en zorgkorting
De gezamenlijke draagkracht van partijen is € 377,- per maand. Dit is onvoldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Omdat sprake is van een tekort moet de vader met zijn volledige draagkracht bijdragen en komt de rechtbank niet toe aan een zorgkorting.
Ingangsdatum
Partijen zijn het er over eens dat de kinderalimentatie wordt vastgesteld met ingang van 1 juni 2026. De rechtbank zal dit vaststellen.
Conclusie
Conform het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van 1 juni 2026 en bijdrage van € 377,- per maand aan de moeder moet betalen voor beide kinderen samen.
Partneralimentatie
Nu de volledige draagkracht van de man moet worden aangewend voor de kosten van de kinderen, resteert aan de zijde van de man geen draagkracht meer voor het betalen van partneralimentatie. De behoefte en de behoeftigheid van de vrouw kunnen dan ook onbesproken blijven. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een partneralimentatie zal worden afgewezen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II ter-verordening rechtsmacht heeft om te beslissen op het verzoek tot echtscheiding, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 5 eerste lid van de Verordening Huwelijksvermogensstelsels ook rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot afwikkeling van het huwelijksvermogen van partijen.
De rechtbank gaat bij de bepaling van het toepasselijk recht uit van het volgende. Voor de bepaling welk verdrag dan wel welke verordening van toepassing is, moet worden gekeken naar de huwelijksdatum. Omdat het huwelijk van partijen is gesloten na 1 januari 1992 en vóór 29 januari 2019 – namelijk op 6 januari 2016 – is het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130 (HVV 1978) van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.
Partijen hebben geen rechtskeuze uitgebracht vóór of tijdens het huwelijk. Het toepasselijk recht moet daarom worden bepaald aan de hand van artikel 4 HVV 1978. Omdat partijen hun eerste huwelijksdomicilie hebben gevestigd in Nederland, is Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.
Inhoudelijke beoordeling
Algehele gemeenschap van goederen
Niet gesteld en ook niet gebleken is dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW (zoals deze golden tot 1 januari 2018) bestaat tussen partijen dus een algehele gemeenschap van goederen. Het uitgangspunt is dat de ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:100 BW bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld.
Peildatum
Als peildatum voor de omvang en samenstelling van de ontbonden huwelijksgemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 17 april 2025. Voor de waardering geldt – voor zover partijen niet anders overeenkomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid niet anders voortvloeit – de datum van de feitelijke verdeling als peildatum.
Omvang
Partijen stellen dat de volgende bestanddelen onderdeel uitmaken van hun huwelijksvermogen:
de inboedel;
de eenmanszaak van de man ( [bedrijf] );
de banksaldi;
de schulden.
Ad. 1. de inboedel
Partijen zijn het er over eens dat de inboedel kan worden toebedeeld aan de vrouw, zonder nadere verrekening. De rechtbank zal aldus beslissen.
Ad. 2 de eenmanszaak [bedrijf]
Partijen zijn het er over eens dat de eenmanszaak [bedrijf] kan worden toebedeeld aan de man, zonder nadere verrekening. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ad. 3 de banksaldi
Conform de overeenstemming van partijen zal de rechtbank bepalen dat ieder zijn/haar eigen bankrekening voortzet, zonder verrekening van de saldi op de peildatum.
Ad. 4 de schulden
De vrouw verzoekt primair te bepalen dat ieder zijn eigen schulden betaald, zonder nadere verrekening over en weer. Subsidiair verzoekt de vrouw te bepalen dat partijen ieder voor 50% draagplichtig zijn voor de gezamenlijke schulden. De vrouw voert aan dat zij niet op de hoogte was van de schulden en dat de man in staat moet zijn geweest de schulden al eerder af te lossen. Ook stelt de vrouw zich op het standpunt dat als bij de alimentatie rekening wordt gehouden met de aflossing van de schulden, de man in het kader van de verdeling van de gemeenschap volledig draagplichtig moet worden geacht voor de schulden. De man heeft verweer gevoerd en stelt dat partijen conform de hoofdregel beiden voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld.
De rechtbank overweegt als volgt.
Partijen zijn het er over eens dat de schulden tot de huwelijksgemeenschap behoren.
Schulden komen niet voor verdeling in aanmerking, omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW.
In de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van 1:100 BW het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex-)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de
(ex-)echtgenoten wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de andere (ex-)echtgenoot.
Nu het gemeenschappelijke schulden betreft, zijn partijen ieder voor de helft draagplichtig voor deze schulden. De rechtbank zal dit vaststellen. Vast staat dat de man de gehele schulden gaat aflossen. Op de zitting is besproken dat hij daarom in de toekomst een regresvordering op de vrouw zal verkrijgen. Het is aan partijen zelf om dit in de toekomst in onderling overleg te verrekenen.
Het meer of anders verzochte in het kader van de (wijze van) verdeling zal worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt uit de echtscheiding uit tussen de vrouw en de man, gehuwd op [dag] 2016 in [plaats] , Turkije;
*
bepaalt dat de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2017 in [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2018 in [geboorteplaats] ,
hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw;
*
stelt vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als volgt bij de man verblijven:
ieder weekend van vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur;
de helft van de vakanties,
waarbij partijen in onderling overleg kunnen afwijken van deze regeling;
*
bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woonruimte aan de [adres] ;
*
bepaalt de door de man met ingang van 1 juni 2026 te betalen alimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op € 377,- per maand, vanaf nu telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
stelt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
aan de vrouw wordt toebedeeld de inboedel van de echtelijke woning, zonder nadere verrekening;
aan de man worden toebedeeld de activa en de passiva van de eenmanszaak ‘ [bedrijf] ’, zonder nadere verrekening;
bepaalt dat ieder van partijen gerechtigd is tot het saldo op de peildatum op de eigen bankrekening(en), zonder nadere verrekening, en verstaat dat de vrouw de bankrekening op haar naam zal voortzetten en dat de man de bankrekening op zijn naam zal voortzetten;
bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong – Kwestro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 juni 2026.
Partij
Man
Zaak
Man / Vrouw
Berekening
Behoefte
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
18-06-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
€
43.089
70
Winst uit onderneming
€
43.089
Ondernemersaftrek
MKB Winstvrijstelling
-
€
5.472
75
Belastbare winst uit onderneming
€
37.617
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
37.617
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
€
13.474
95
Inkomensheffing box 1
€
13.474
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
43.089
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
13.474
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
8.083
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
€
5.391
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
37.698
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
€
2.485
jaar
Arbeidskorting
€
5.598
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
€
37.617
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
€
37.617
Maximum bijdrage loon
€
75.864
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
€
75.864
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
€
37.617
Percentage Zvw
%
5,26
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
€
1.979
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
€
1.979
120
Besteedbaar inkomen
€
35.719
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
35.719
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
2.977
Partij
Vrouw
Zaak
Man / Vrouw
Berekening
Behoefte
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
18-06-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
€
11.076
44
Vakantietoeslag
€
886
Bruto inkomsten
€
11.962
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
€
11.962
59
Inkomsten
€
11.962
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
€
11.962
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
11.962
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
€
4.284
95
Inkomensheffing box 1
€
4.284
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
11.962
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
4.284
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
4.032
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
€
252
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
11.710
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
€
3.068
jaar
Arbeidskorting
€
964
jaar
120
Besteedbaar inkomen
€
11.710
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
11.710
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
976
NBGI voor scheiding
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
NBI voor scheiding Man
€
2.977
NBI voor scheiding Vrouw
€
976
Bij: Kindgebonden budget voor scheiding
€
347
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
€
4.300
Eigen aandeel kosten kinderen
Eigen aandeel kosten kinderen
Ouders hebben in gezinsverband geleefd
ja
NBGI voor scheiding
€
4.300
Tabel aantal kinderen
2
Eigen aandeel ouders in de kosten kinderen volgens tabel
€
982
#
Indexeren
ja
Startjaar
2025
Eindjaar
2026
Eigen aandeel ouders geïndexeerd
€
1.027
Behoefte obv 60% norm
Netto Behoefte
Netto gezinsinkomen
€
4.300
Af: kosten van de kinderen
-
€
982
Saldo
€
3.318
Netto behoefte obv 60%
€
1.991
Netto behoefte
€
1.991
#
Indexeren
nee
Partij
Man
Zaak
Man / Vrouw (C/09/683939)
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2026-1
Datum uitdraai
18-06-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
€
43.089
70
Winst uit onderneming
€
43.089
Ondernemersaftrek
MKB Winstvrijstelling
-
€
5.472
75
Belastbare winst uit onderneming
€
37.617
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
37.617
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
€
13.448
95
Inkomensheffing box 1
€
13.448
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
43.089
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
13.448
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
8.248
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
€
5.200
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
37.889
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
€
2.611
jaar
Arbeidskorting
€
5.637
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
€
37.617
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
€
37.617
Maximum bijdrage loon
€
79.412
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
€
79.412
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
€
37.617
Percentage Zvw
%
4,85
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
€
1.824
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
€
1.824
120
Besteedbaar inkomen
€
36.065
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
36.065
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
3.005
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
€
36.065
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
€
3.005
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
€
3.005
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
€
1.365
123a
Woonbudget
€
902
134a
Extra lasten opnemen
€
200
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
€
2.467
136a
Draagkrachtruimte
€
538
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
€
377
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
€
377
Notitie: 134aAflossing schulden
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
€
3.005
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122b
Kosten van levensonderhoud
€
1.365
123b
Woonbudget
€
902
134b
Extra lasten opnemen
€
200
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
€
2.467
136b
Draagkrachtruimte
€
538
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
€
538
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Draagkracht tbv partneralimentatie
€
323
140
Beschikbaar
€
323
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
€
0
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
€
0
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
€
0
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
€
0
Berekende ruimte voor partneralimentatie
€
323
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
€
323
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
€
502
Specificaties voor post: 144
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 3.876 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van:
€
37.617
jaar
In de schijf van 35,75% valt € 3.876, € 3.876 x ( 100 / (100 - 35,75)) =
€
6.033
jaar
Het resultaat van de brutering is per jaar
€
6.033
jaar
Of per maand
€
502
maand
Partij
Vrouw
Zaak
Man / Vrouw (C/09/683939)
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2026-1
Datum uitdraai
18-06-2026
Besteedbaar inkomen (113-120)
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
3.115
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
€
3.115
jaar
Bij: Kindgebonden budget
€
8.576
120
Besteedbaar inkomen
€
8.576
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
8.576
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
715
120b
Af: correctie kindgebonden budget
-
€
8.576
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
€
715
Draagkracht wordt berekend op basis van
Tabel
Afwijken van de tabel?
nee
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
€
50
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
Afwijken van de tabel?
nee
122b
Kosten van levensonderhoud
€
1.365
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
€
1.365
136b
Draagkrachtruimte
€
-1.365
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
€
-1.365
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
€
0
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
€
0
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
€
0
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
€
0
Berekende ruimte voor partneralimentatie
€
0
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
€
0
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
€
0
Specificaties voor post: 144
Omdat de verschuldigde belasting lager is dan de heffingskortingen bestaat er geen ficaal voordeel. Resteert voor partneralimentatie per jaar
€
0
jaar
Of per maand
€
0
maand