Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20813
2026-06-24
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/683481 / FA RK 25-2757
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Erkenning beslissing in Turkse vonnissen en wijziging kinderalimentatie.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.483 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2757
Zaaknummer: C/09/683481
Datum beschikking: 24 juni 2026
Erkenning buitenlandse beslissing en wijziging alimentatie
Beschikking op het op 1 april 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. Y.E. Palit in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Zobuoglu in Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vrouw;
het bericht van 7 juni 2025, met bijlage, namens de vrouw;
het verweerschrift met bijlagen namens de man, ingekomen op 9 juni 2025;
het bericht van 17 mei 2026, met bijlagen, namens de man;
het bericht van 18 mei 2026, met bijlage, namens de vrouw;
het bericht van 25 mei 2026, met bijlage, namens de vrouw.
Op 27 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en als tolk Y. Göktas, en de man met zijn advocaat. Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.
Na de zitting heeft de rechtbank de gecorrigeerde productie 9 namens de man ontvangen.
Feiten
De vrouw en de man zijn gehuwd op [datum] 2013 in [plaats 1] , Turkije.
Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [plaats 1] , Turkije;
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [plaats 2] .
De vrouw heeft de Turkse nationaliteit. Volgens de Basisregistratie Personen hebben de man en de kinderen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
De man heeft nog twee minderjarige kinderen uit een nieuwe relatie:
[de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2024 in [plaats 2] ;
[de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2025 in [plaats 2] .
Bij vonnis van 18 juni 2020 van de familierechtbank Polatlı in Turkije is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vastgesteld van 750 Turkse lira per maand per kind.
Bij vonnis van 6 februari 2024 van de familierechtbank Polatlı in Turkije is – voor zover hier van belang – de vastgestelde kinderalimentatie gewijzigd in die zin dat deze 6.000 Turkse lira per maand per kind bedraagt.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt – na wijziging op de zitting – (naar de rechtbank begrijpt):
erkenning van de Turkse vonnissen van 18 juni 2020 en 6 februari 2024;
wijziging van de door de Turkse familierechtbank vastgestelde kinderalimentatie naar
€ 322,- per maand per kind, althans zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, dan wel de datum van de beschikking, althans zodanige datum als de rechtbank juist acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- de kosten tussen partijen te compenseren,
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 10:31 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het huwelijk van partijen dat in Turkije is gesloten als zodanig wordt erkend. Op grond van artikel 10:57 lid 1 BW wordt de in Turkije verkregen echtscheiding in Nederland erkend.
Erkenning Turkse vonnissen
De vrouw wil dat de Turkse vonnissen, waarin aanvankelijk een bedrag aan kinderalimentatie is vastgesteld en welk bedrag nadien is gewijzigd, worden erkend. De man verweert zich hiertegen. Hij voert aan, zo begrijpt de rechtbank, dat de Turkse rechtbank destijds niet bevoegd was om een beslissing over kinderalimentatie te nemen en dat de beslissingen daardoor niet erkend mogen worden.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het bepaalde in de artikelen 10:57 tot en met 10:59 BW en artikel 20 van het Alimentatieverdrag 2007, de vonnissen ten aanzien van de kinderalimentatie voor erkenning in aanmerking komen. Daarbij is onder meer het volgende van belang. De uitspraak van de Turkse rechter is tot stand gekomen na een behoorlijke rechtspleging, nu beide partijen in de procedure zijn verschenen. Ook is naar het oordeel van de rechtbank de beslissing genomen door een rechter die daartoe rechtsmacht toekwam. Gelet op internationaal aanvaarde maatstaven (onder andere uit internationale verdragen) en aangezien in beide procedures voldoende aanknopingspunten met Turkije waren, acht de rechtbank de rechtsmacht van de Turkse rechter aannemelijk, te meer nu de man in die procedures geen bevoegdheidsverweer heeft gevoerd. Verder is de erkenning van de uitspraak niet in strijd met de Nederlandse openbare orde en is niet gebleken van andere tussen partijen gegeven beslissingen van de Nederlandse rechter, dan wel van een andere voor erkenning vatbare beslissing van een buitenlandse rechter, die onverenigbaar zijn met erkenning van de uitspraken. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de Turkse vonnissen van 18 juni 2020 en 6 februari 2024 erkennen voor zover deze zien op de kinderalimentatie.
Wijziging kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Aangezien de ouders en de kinderen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
Op het verzoek tot wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank, op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Ontvankelijkheid
De rechtbank kan op grond van artikel 1:401 BW de kinderalimentatie opnieuw vaststellen wanneer bij eerdere vaststelling is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens of als de omstandigheden zijn gewijzigd sinds het moment dat de alimentatie is vastgesteld of overeengekomen.
Tussen partijen is in geschil of er sprake is van een wijzigingsgrond.
De vrouw stelt dat de Turkse rechter heeft beslist op basis van onjuiste of onvolledige informatie over de financiële positie van de man. Volgens de vrouw heeft de man destijds aangegeven dat hij een inkomen van € 2.500,- netto per maand had. De man heeft echter inkomsten uit een holding met twee dochterondernemingen ( [bedrijfsnaam 1] BV en [bedrijfsnaam 2] BV). Ook heeft de man een snackbar in Amsterdam en huurinkomsten uit de woning aan de [adres] . De inkomsten uit [bedrijfsnaam 1] BV, de snackbar en de verhuurde woning zijn volgens de vrouw niet meegenomen in de berekening door de Turkse rechtbank. De man betwist dat er bij de eerdere vaststelling is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Hij geeft aan dat hij destijds alle financiële stukken heeft ingediend bij de rechtbank in Turkije.
De rechtbank overweegt als volgt. In het Turkse vonnis van 6 februari 2024 staat expliciet vermeld dat de vrouw in die procedure heeft aangegeven dat de man eigenaar is van [bedrijfsnaam 1] BV. Verder staat in de uitspraak vermeld dat de rechtbank de kinderalimentatie naar draagkracht heeft vastgesteld. De Turkse rechter heeft in zijn beslissing dan ook rekening kunnen houden met eventuele inkomsten van de man via [bedrijfsnaam 1] BV. De rechtbank volgt de vrouw dan ook niet in haar stelling dat de inkomsten uit deze dochteronderneming niet bekend waren bij de wijziging van de kinderalimentatie in die beslissing. Verder is de rechtbank van oordeel dat de vrouw, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de man rondom de datum van het Turkse vonnis inkomsten had uit de snackbar of huurinkomsten, waarmee de Turkse rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden. De rechtbank concludeert daarom dat niet is gebleken dat er bij de eerdere vaststelling is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens.
De rechtbank is echter wel van oordeel dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds het Turkse vonnis van 6 februari 2024, aangezien de man sindsdien nog twee kinderen uit een nieuwe relatie heeft gekregen en zijn inkomen is gewijzigd. De rechtbank zal daarom de vrouw ontvangen in haar verzoek om de kinderalimentatie opnieuw vast te stellen.
Inhoudelijke beoordeling
Bij vonnis van 6 februari 2024 van de familierechtbank Polatlı in Turkije is de eerder vastgestelde kinderalimentatie verhoogd tot 6.000 Turkse lira per maand per kind. Partijen zijn het erover eens dat dit omgerekend € 291,90 per maand voor beide kinderen bedraagt.
Bij de wijziging van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Samenloop van onderhoudsverplichtingen
Er is sprake van een samenloop van onderhoudsverplichtingen. De man is voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onderhoudsplichtig, maar ook voor de twee kinderen uit zijn nieuwe relatie, [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] . Bij een dergelijke samenloop van onderhoudsverplichtingen moet de rechtbank beoordelen of de man in staat is om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen.
De rechtbank zal een methode toepassen van draagkrachtverdeling bij samengestelde gezinnen voor de ouder die meerdere onderhoudsverplichtingen heeft. De rechtbank zal de draagkracht van de man voor zijn aandeel voor de kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is apart berekenen. Zo wordt de zuivere draagkracht van de man per kind berekend, in plaats van zijn afgeleide draagkracht op basis van alle kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is. Dit wordt ook wel de ‘verhoudingenmethode’ genoemd. Voor zover de man een tekort heeft om in het totaal van alle aandelen te voldoen, wordt dit tekort naar rato van dit tekort over alle aandelen omgeslagen.
De rechtbank is van oordeel dat deze wijze van berekening leidt tot een rechtvaardigere uitkomst. Een andere verdeling van de draagkracht van de man, waarbij de draagkracht eerst over de kinderen wordt verdeeld en er daarna pas een draagkrachtvergelijking met de vrouw plaatsvindt, zou betekenen dat de vrouw naar verhouding een groter deel van de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voor haar rekening moet nemen.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de wijziging van de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank zal in redelijkheid de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, omdat de man zijn tweede kind uit zijn nieuwe relatie nog niet was geboren op het moment van indiening van het verzoekschrift.
Behoefte [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]
Voor het bepalen van de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de ouders ten tijde van hun uiteengaan worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de ouders samen, eventueel inclusief kindgebonden budget.
De ouders zijn formeel in 2020 gescheiden. Vanwege het ontbreken van inkomensgegevens over die periode zijn zij op de zitting overeengekomen dat de behoefte van de kinderen wordt berekend op basis van de inkomensgegevens uit 2024. De rechtbank zal daarom rekenen met de tarieven van 2024-II.
Aan de zijde van de man gaat de rechtbank, conform de overeenstemming van partijen, uit van een DGA-salaris van € 4.320,- per maand volgens de salarisstroken van begin 2025. De vrouw stelt dat er ook rekening moet worden gehouden met een (fictief) uit te keren dividend. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw haar stelling, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, onvoldoende heeft onderbouwd en gaat daarom aan deze stelling voorbij. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW berekent de rechtbank het NBI van de man in 2024 op € 3.021,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De vrouw en de man zijn het erover eens dat de vrouw in 2024 een bijstandsuitkering ontving. Zij heeft hier geen specificaties van overgelegd. Het is de rechtbank ambtshalve gebleken dat een bijstandsuitkering in 2024 € 1.220,- netto per maand bedroeg, exclusief vakantiegeld van € 64,- netto per maand, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan. Rekening houdend met de algemene heffingskorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2024 op € 1.284,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Uitgaande van de hiervoor genoemde gegevens bedroeg het NBGI van de ouders in 2024
(€ 3.021,- + € 1.284,- =) € 4.305,- per maand. Conform de aanbevelingen uit het rapport 2024 moet bij het NBGI worden opgeteld het kindgebonden budget waar de ouders ten tijde van de samenleving recht op hadden. De ouders hadden gezien hun inkomen recht op een kindgebonden budget van € 316,- per maand. Hun NBGI komt daarmee uit op € 4.621,- per maand.
Gelet op dit NBGI bedraagt de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024 voor twee kinderen € 1.094,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.219,- per maand, te weten € 610,- per maand per kind.
Behoefte [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4]
De man is ook onderhoudsplichtig voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] . Bij gebrek aan exacte informatie over het inkomen en de draagkracht van de moeder van [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] , met wie de man op dit moment samenleeft, stelt de rechtbank de behoefte van [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] in redelijkheid gelijk aan die van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
Draagkracht
De behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] moet door de man en de vrouw worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht moet conform de aanbevelingen uit het rapport 2026 in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,-) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
Draagkracht man
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een DGA-salaris van € 4.475,- bruto per maand zoals volgt uit de salarisstroken van februari t/m april 2026. Ook houdt de rechtbank rekening met huurinkomsten van € 750,- netto per maand, zoals blijkt uit de door de man overgelegde huurovereenkomst. De vrouw stelt dat er meer mensen in de verhuurde woning wonen en dat de man daarom meer huurinkomsten ontvangt dan uit de huurovereenkomst blijkt. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw haar stelling, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, onvoldoende heeft onderbouwd. Verder stelt de vrouw dat er rekening moet worden gehouden met een aan de man uit te keren dividend van € 10.000,- bruto per jaar, op basis van de dividendreserve uit de jaarstukken van 2023 van [bedrijfsnaam 1] BV. De rechtbank merkt op dat er ten aanzien van de Holding en de dochterondernemingen alleen gegevens over het jaar 2023 zijn overgelegd, welke door de vrouw in de procedure zijn ingediend. Het had op de weg van de man gelegen om helderheid te verschaffen over de dividenduitkeringen sinds 2023. De man heeft dat niet gedaan. Uit de stukken blijkt in ieder geval dat er in 2023 door [bedrijfsnaam 1] BV € 469.023,- per jaar aan winst is gemaakt en dat er € 10.000,- is gereserveerd voor dividend. De rechtbank acht het op basis van deze gegevens redelijk om uit te gaan van een dividenduitkering van € 10.000,- bruto per jaar.
Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW berekent de rechtbank het NBI van de man op
€ 4.523,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De rechtbank overweegt dat, als met de berekende draagkracht van partijen niet (geheel) in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit toepassing van het forfait [(0,3 x NBI), de rechter (ambtshalve) zal moeten nagaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage.
Zoals hierna zal blijken is er sprake van een tekort aan draagkracht van partijen om in de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank heeft geen gegevens over de werkelijke woonlasten van de man. Aangezien de man en zijn nieuwe partner samenwonen en hun woonlasten kunnen delen, ziet de rechtbank aanleiding om rekening te houden met een woonbudget van 15% van het NBI in plaats van de gebruikelijke 30%.
De draagkracht van de man bedraagt dan volgens de formule € 1.736,- per maand, te weten
70% x [4.523 - (0,15 x 4.523 + 1.365)].
Draagkracht vrouw
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een bijstandsuitkering van € 1.402,- per maand, inclusief vakantiegeld, zoals blijkt uit de specificaties van februari t/m april 2026.
Rekening houdend met de algemene heffingskorting en het kindgebonden budget berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.177,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Bij een NBI onder € 2.200,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Aangezien het NBI van de vrouw tussen de € 2.150,- en € 2.200,- per maand ligt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 116,- per maand voor de vrouw in aanmerking nemen.
Draagkracht nieuwe partner man
Het had op de weg van de man gelegen om informatie over te leggen over het inkomen van zijn nieuwe partner. Dit heeft hij nagelaten. De rechtbank stelt daarom het inkomen van de nieuwe partner in redelijkheid vast op hetzelfde inkomen als de vrouw, zodat de rechtbank bij de nieuwe partner ook uitgaat van een bijstandsuitkering. Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met een aan de nieuwe partner toekomend kindgebonden budget, zodat de rechtbank het NBI van de nieuwe partner van de man berekent op € 2.177,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht. De draagkracht van de nieuwe partner bedraagt dan dus ook, net als bij de vrouw, € 116,- per maand.
Verdeling kosten
Zoals hiervoor is overwogen, is aan de kant van de man sprake van een samenloop van onderhoudsverplichtingen. De rechtbank moet in een dergelijk geval beoordelen of de man in staat is aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen. Daarbij moet de rechtbank rekening houden met de bijdragen die de andere onderhoudsplichtigen kunnen leveren. Om het aandeel van de man vast te stellen, vergelijkt de rechtbank de draagkracht van de man met de draagkracht van de vrouw, omdat zij samen onderhoudsplichtig zijn voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Daarnaast vergelijkt de rechtbank de draagkracht van de man met de draagkracht van zijn nieuwe partner, omdat zij samen onderhoudsplichtig zijn voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] .
De rechtbank hanteert de verhoudingenmethode waarbij een draagkrachtvergelijking wordt gemaakt met de volledige (‘zuivere’) draagkracht van de ouders met de formule:
draagkracht ouder / totale draagkracht vrouw + man x behoefte kind(eren).
Aandeel man en aandeel vrouw voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]
Aandeel man: 1.736 / (1.736 + 116) x 1.219 = € 1.143,-
Aandeel vrouw: 116 / (1.736 + 116) x 1.219 = € 76,-
Aandeel man en aandeel nieuwe partner voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4]
Aandeel man: 1.736 / (1.736 + 116) x 1.219 = € 1.143,-
Aandeel nieuwe partner: 116 / (1.736 + 116) x 1.219 = € 76,-
De totale eigen aandelen van de man bedragen € 2.286,- per maand (€ 1.143,- + € 1.143,-). Ten opzichte van de draagkracht van de man heeft de man daarmee een tekort van € 550,- per maand (€ 2.286,- minus € 1.736,-). De draagkracht van de man moet daarom worden berekend naar rato van de berekende aandelen. Dat leidt tot de volgende verdeling.
De man draagt bij:
voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] : € 1.143,- / € 2.286,- x € 1.736 = € 868,-.
voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] : € 1.143,- / € 2.286,- x € 1.736 = € 868,-.
Gelet op het voorgaande moet de man voor zowel [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] samen als voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] samen € 868,- per maand bijdragen, te weten € 434,- per maand per kind.
Zorgkorting
De man maakt op de dagen dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij hem verblijven kosten waarmee hij ten dele aan zijn onderhoudsverplichting voldoet. Daarom verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de man met een percentage van de behoefte van de kinderen (de zorgkorting).
Het is de rechtbank gebleken dat de kinderen om de week van vrijdag tot zondag bij de man zijn. De rechtbank acht het gelet op deze (beperkte) informatie redelijk om een zorgkorting van 15% te hanteren. De zorgkorting voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bedraagt daarom € 183,- per maand (15% van € 1.219,- per maand).
Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage van de man vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval dat de gezamenlijke draagkracht van de ouders onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als er een tekort aan draagkracht bestaat, komt de helft van dit tekort in mindering op de zorgkorting.
De man heeft € 868,- per maand beschikbaar voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De vrouw heeft
€ 116,- per maand beschikbaar voor hen. Hun gezamenlijke draagkracht voor de kinderen is daarom € 984,- per maand. De behoefte van de kinderen is € 1.219,- per maand, waardoor er een tekort is van € 235,- per maand. De helft van dit tekort, te weten € 118,- per maand, komt in mindering op de zorgkorting van de man. De man kan dus nog € 65,- per maand aan zorgkorting verzilveren (€ 183,- minus € 118,-).
Dat betekent dat de bijdrage van de man in de kosten van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] (€ 868,- minus € 65,- = ) € 803,- per maand bedraagt, te weten € 402,- per maand per kind.
Conclusie
Aangezien de vrouw op de zitting haar verzoek heeft gewijzigd naar een te betalen kinderalimentatie van € 322,- per maand per kind, zal de rechtbank de door de man te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , met ingang van de datum van deze beschikking, wijzigen naar € 644,- per maand, te weten € 322,- per maand per kind.
Op de zitting hebben partijen afgesproken dat de man het volledige bedrag aan kinderalimentatie voortaan bevrijdend betaalt op de ING rekening van de vrouw; NL 94 INGB 0795185413 op naam van M.G. Karaca. Dit brengt mee dat de man dus niet langer een bedrag aan kinderalimentatie op de Turkse rekening van de vrouw hoeft te betalen.
Proceskosten
De man stelt dat de vrouw deze procedure voor niets is gestart. In de afgelopen vijf jaar is de vrouw meerdere procedures gestart in Nederland en Turkije en de man vindt dat aan de vrouw een duidelijk signaal moet worden gegeven dat zij niet zomaar in een procedure kan starten. Ook geeft de advocaat van de man aan dat er maanden geen reactie kwam vanuit (de advocaat van) de vrouw en dat er vervolgens direct door haar een procedure werd gestart, zonder te wachten op reactie vanuit de man. De man verzoekt de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.
De rechtbank overweegt als volgt. In verzoekschriftprocedures tussen ex-partners wordt terughoudend omgegaan met een proceskostenveroordeling, om te voorkomen dat de relatie tussen partijen als gevolg daarvan verder wordt belast. Als hoofdregel geldt dan ook dat de proceskosten worden gecompenseerd, dus dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt van deze hoofdregel afgeweken. Op grond van vaste jurisprudentie geldt dat er voor een proceskostenveroordeling evident sprake moet zijn van het nodeloos in rechte betrekken van een wederpartij. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van zo'n uitzonderlijk geval. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen is er sprake van gewijzigde omstandigheden en de uitkomst van de procedure is bovendien dat de kinderalimentatie die de man dient te betalen wijzigt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de man niet nodeloos in een procedure is betrokken en kosten heeft moeten maken doordat deze procedure is gestart. Overigens heeft wel te gelden dat het voor beide partijen uiterst onwenselijk is indien zij geschil- of discussiepunten uitsluitend door middel van een procedure beslechten. Het is aan de ouders om in geval van geschillen of discussies eerst met elkaar daarover het gesprek te voeren en over en weer in ieder geval op elkaar te reageren. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure afwijzen en de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
erkent de vonnissen van 18 juni 2020 en van 6 februari 2024 van de familierechtbank Polatlı in Turkije, voor zover deze zien op kinderalimentatie;
*
bepaalt – met wijziging in zoverre van het vonnis van 6 februari 2024 van de familierechtbank Polatlı in Turkije – de door de man met ingang van heden te betalen
alimentatie voor de minderjarigen:
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [plaats 1] , Turkije;
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [plaats 2] ,
op € 322,- per maand per kind, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 24 juni 2026.
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2757
Zaaknummer: C/09/683481
Datum beschikking: 24 juni 2026
Erkenning buitenlandse beslissing en wijziging alimentatie
Beschikking op het op 1 april 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. Y.E. Palit in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Zobuoglu in Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vrouw;
het bericht van 7 juni 2025, met bijlage, namens de vrouw;
het verweerschrift met bijlagen namens de man, ingekomen op 9 juni 2025;
het bericht van 17 mei 2026, met bijlagen, namens de man;
het bericht van 18 mei 2026, met bijlage, namens de vrouw;
het bericht van 25 mei 2026, met bijlage, namens de vrouw.
Op 27 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en als tolk Y. Göktas, en de man met zijn advocaat. Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.
Na de zitting heeft de rechtbank de gecorrigeerde productie 9 namens de man ontvangen.
Feiten
De vrouw en de man zijn gehuwd op [datum] 2013 in [plaats 1] , Turkije.
Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [plaats 1] , Turkije;
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [plaats 2] .
De vrouw heeft de Turkse nationaliteit. Volgens de Basisregistratie Personen hebben de man en de kinderen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
De man heeft nog twee minderjarige kinderen uit een nieuwe relatie:
[de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2024 in [plaats 2] ;
[de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2025 in [plaats 2] .
Bij vonnis van 18 juni 2020 van de familierechtbank Polatlı in Turkije is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vastgesteld van 750 Turkse lira per maand per kind.
Bij vonnis van 6 februari 2024 van de familierechtbank Polatlı in Turkije is – voor zover hier van belang – de vastgestelde kinderalimentatie gewijzigd in die zin dat deze 6.000 Turkse lira per maand per kind bedraagt.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt – na wijziging op de zitting – (naar de rechtbank begrijpt):
erkenning van de Turkse vonnissen van 18 juni 2020 en 6 februari 2024;
wijziging van de door de Turkse familierechtbank vastgestelde kinderalimentatie naar
€ 322,- per maand per kind, althans zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, dan wel de datum van de beschikking, althans zodanige datum als de rechtbank juist acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- de kosten tussen partijen te compenseren,
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 10:31 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het huwelijk van partijen dat in Turkije is gesloten als zodanig wordt erkend. Op grond van artikel 10:57 lid 1 BW wordt de in Turkije verkregen echtscheiding in Nederland erkend.
Erkenning Turkse vonnissen
De vrouw wil dat de Turkse vonnissen, waarin aanvankelijk een bedrag aan kinderalimentatie is vastgesteld en welk bedrag nadien is gewijzigd, worden erkend. De man verweert zich hiertegen. Hij voert aan, zo begrijpt de rechtbank, dat de Turkse rechtbank destijds niet bevoegd was om een beslissing over kinderalimentatie te nemen en dat de beslissingen daardoor niet erkend mogen worden.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het bepaalde in de artikelen 10:57 tot en met 10:59 BW en artikel 20 van het Alimentatieverdrag 2007, de vonnissen ten aanzien van de kinderalimentatie voor erkenning in aanmerking komen. Daarbij is onder meer het volgende van belang. De uitspraak van de Turkse rechter is tot stand gekomen na een behoorlijke rechtspleging, nu beide partijen in de procedure zijn verschenen. Ook is naar het oordeel van de rechtbank de beslissing genomen door een rechter die daartoe rechtsmacht toekwam. Gelet op internationaal aanvaarde maatstaven (onder andere uit internationale verdragen) en aangezien in beide procedures voldoende aanknopingspunten met Turkije waren, acht de rechtbank de rechtsmacht van de Turkse rechter aannemelijk, te meer nu de man in die procedures geen bevoegdheidsverweer heeft gevoerd. Verder is de erkenning van de uitspraak niet in strijd met de Nederlandse openbare orde en is niet gebleken van andere tussen partijen gegeven beslissingen van de Nederlandse rechter, dan wel van een andere voor erkenning vatbare beslissing van een buitenlandse rechter, die onverenigbaar zijn met erkenning van de uitspraken. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de Turkse vonnissen van 18 juni 2020 en 6 februari 2024 erkennen voor zover deze zien op de kinderalimentatie.
Wijziging kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Aangezien de ouders en de kinderen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
Op het verzoek tot wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank, op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Ontvankelijkheid
De rechtbank kan op grond van artikel 1:401 BW de kinderalimentatie opnieuw vaststellen wanneer bij eerdere vaststelling is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens of als de omstandigheden zijn gewijzigd sinds het moment dat de alimentatie is vastgesteld of overeengekomen.
Tussen partijen is in geschil of er sprake is van een wijzigingsgrond.
De vrouw stelt dat de Turkse rechter heeft beslist op basis van onjuiste of onvolledige informatie over de financiële positie van de man. Volgens de vrouw heeft de man destijds aangegeven dat hij een inkomen van € 2.500,- netto per maand had. De man heeft echter inkomsten uit een holding met twee dochterondernemingen ( [bedrijfsnaam 1] BV en [bedrijfsnaam 2] BV). Ook heeft de man een snackbar in Amsterdam en huurinkomsten uit de woning aan de [adres] . De inkomsten uit [bedrijfsnaam 1] BV, de snackbar en de verhuurde woning zijn volgens de vrouw niet meegenomen in de berekening door de Turkse rechtbank. De man betwist dat er bij de eerdere vaststelling is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Hij geeft aan dat hij destijds alle financiële stukken heeft ingediend bij de rechtbank in Turkije.
De rechtbank overweegt als volgt. In het Turkse vonnis van 6 februari 2024 staat expliciet vermeld dat de vrouw in die procedure heeft aangegeven dat de man eigenaar is van [bedrijfsnaam 1] BV. Verder staat in de uitspraak vermeld dat de rechtbank de kinderalimentatie naar draagkracht heeft vastgesteld. De Turkse rechter heeft in zijn beslissing dan ook rekening kunnen houden met eventuele inkomsten van de man via [bedrijfsnaam 1] BV. De rechtbank volgt de vrouw dan ook niet in haar stelling dat de inkomsten uit deze dochteronderneming niet bekend waren bij de wijziging van de kinderalimentatie in die beslissing. Verder is de rechtbank van oordeel dat de vrouw, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de man rondom de datum van het Turkse vonnis inkomsten had uit de snackbar of huurinkomsten, waarmee de Turkse rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden. De rechtbank concludeert daarom dat niet is gebleken dat er bij de eerdere vaststelling is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens.
De rechtbank is echter wel van oordeel dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds het Turkse vonnis van 6 februari 2024, aangezien de man sindsdien nog twee kinderen uit een nieuwe relatie heeft gekregen en zijn inkomen is gewijzigd. De rechtbank zal daarom de vrouw ontvangen in haar verzoek om de kinderalimentatie opnieuw vast te stellen.
Inhoudelijke beoordeling
Bij vonnis van 6 februari 2024 van de familierechtbank Polatlı in Turkije is de eerder vastgestelde kinderalimentatie verhoogd tot 6.000 Turkse lira per maand per kind. Partijen zijn het erover eens dat dit omgerekend € 291,90 per maand voor beide kinderen bedraagt.
Bij de wijziging van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Samenloop van onderhoudsverplichtingen
Er is sprake van een samenloop van onderhoudsverplichtingen. De man is voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onderhoudsplichtig, maar ook voor de twee kinderen uit zijn nieuwe relatie, [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] . Bij een dergelijke samenloop van onderhoudsverplichtingen moet de rechtbank beoordelen of de man in staat is om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen.
De rechtbank zal een methode toepassen van draagkrachtverdeling bij samengestelde gezinnen voor de ouder die meerdere onderhoudsverplichtingen heeft. De rechtbank zal de draagkracht van de man voor zijn aandeel voor de kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is apart berekenen. Zo wordt de zuivere draagkracht van de man per kind berekend, in plaats van zijn afgeleide draagkracht op basis van alle kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is. Dit wordt ook wel de ‘verhoudingenmethode’ genoemd. Voor zover de man een tekort heeft om in het totaal van alle aandelen te voldoen, wordt dit tekort naar rato van dit tekort over alle aandelen omgeslagen.
De rechtbank is van oordeel dat deze wijze van berekening leidt tot een rechtvaardigere uitkomst. Een andere verdeling van de draagkracht van de man, waarbij de draagkracht eerst over de kinderen wordt verdeeld en er daarna pas een draagkrachtvergelijking met de vrouw plaatsvindt, zou betekenen dat de vrouw naar verhouding een groter deel van de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voor haar rekening moet nemen.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de wijziging van de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank zal in redelijkheid de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, omdat de man zijn tweede kind uit zijn nieuwe relatie nog niet was geboren op het moment van indiening van het verzoekschrift.
Behoefte [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]
Voor het bepalen van de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de ouders ten tijde van hun uiteengaan worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de ouders samen, eventueel inclusief kindgebonden budget.
De ouders zijn formeel in 2020 gescheiden. Vanwege het ontbreken van inkomensgegevens over die periode zijn zij op de zitting overeengekomen dat de behoefte van de kinderen wordt berekend op basis van de inkomensgegevens uit 2024. De rechtbank zal daarom rekenen met de tarieven van 2024-II.
Aan de zijde van de man gaat de rechtbank, conform de overeenstemming van partijen, uit van een DGA-salaris van € 4.320,- per maand volgens de salarisstroken van begin 2025. De vrouw stelt dat er ook rekening moet worden gehouden met een (fictief) uit te keren dividend. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw haar stelling, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, onvoldoende heeft onderbouwd en gaat daarom aan deze stelling voorbij. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW berekent de rechtbank het NBI van de man in 2024 op € 3.021,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De vrouw en de man zijn het erover eens dat de vrouw in 2024 een bijstandsuitkering ontving. Zij heeft hier geen specificaties van overgelegd. Het is de rechtbank ambtshalve gebleken dat een bijstandsuitkering in 2024 € 1.220,- netto per maand bedroeg, exclusief vakantiegeld van € 64,- netto per maand, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan. Rekening houdend met de algemene heffingskorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2024 op € 1.284,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Uitgaande van de hiervoor genoemde gegevens bedroeg het NBGI van de ouders in 2024
(€ 3.021,- + € 1.284,- =) € 4.305,- per maand. Conform de aanbevelingen uit het rapport 2024 moet bij het NBGI worden opgeteld het kindgebonden budget waar de ouders ten tijde van de samenleving recht op hadden. De ouders hadden gezien hun inkomen recht op een kindgebonden budget van € 316,- per maand. Hun NBGI komt daarmee uit op € 4.621,- per maand.
Gelet op dit NBGI bedraagt de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024 voor twee kinderen € 1.094,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.219,- per maand, te weten € 610,- per maand per kind.
Behoefte [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4]
De man is ook onderhoudsplichtig voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] . Bij gebrek aan exacte informatie over het inkomen en de draagkracht van de moeder van [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] , met wie de man op dit moment samenleeft, stelt de rechtbank de behoefte van [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] in redelijkheid gelijk aan die van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
Draagkracht
De behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] moet door de man en de vrouw worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht moet conform de aanbevelingen uit het rapport 2026 in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,-) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
Draagkracht man
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een DGA-salaris van € 4.475,- bruto per maand zoals volgt uit de salarisstroken van februari t/m april 2026. Ook houdt de rechtbank rekening met huurinkomsten van € 750,- netto per maand, zoals blijkt uit de door de man overgelegde huurovereenkomst. De vrouw stelt dat er meer mensen in de verhuurde woning wonen en dat de man daarom meer huurinkomsten ontvangt dan uit de huurovereenkomst blijkt. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw haar stelling, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, onvoldoende heeft onderbouwd. Verder stelt de vrouw dat er rekening moet worden gehouden met een aan de man uit te keren dividend van € 10.000,- bruto per jaar, op basis van de dividendreserve uit de jaarstukken van 2023 van [bedrijfsnaam 1] BV. De rechtbank merkt op dat er ten aanzien van de Holding en de dochterondernemingen alleen gegevens over het jaar 2023 zijn overgelegd, welke door de vrouw in de procedure zijn ingediend. Het had op de weg van de man gelegen om helderheid te verschaffen over de dividenduitkeringen sinds 2023. De man heeft dat niet gedaan. Uit de stukken blijkt in ieder geval dat er in 2023 door [bedrijfsnaam 1] BV € 469.023,- per jaar aan winst is gemaakt en dat er € 10.000,- is gereserveerd voor dividend. De rechtbank acht het op basis van deze gegevens redelijk om uit te gaan van een dividenduitkering van € 10.000,- bruto per jaar.
Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW berekent de rechtbank het NBI van de man op
€ 4.523,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De rechtbank overweegt dat, als met de berekende draagkracht van partijen niet (geheel) in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit toepassing van het forfait [(0,3 x NBI), de rechter (ambtshalve) zal moeten nagaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage.
Zoals hierna zal blijken is er sprake van een tekort aan draagkracht van partijen om in de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank heeft geen gegevens over de werkelijke woonlasten van de man. Aangezien de man en zijn nieuwe partner samenwonen en hun woonlasten kunnen delen, ziet de rechtbank aanleiding om rekening te houden met een woonbudget van 15% van het NBI in plaats van de gebruikelijke 30%.
De draagkracht van de man bedraagt dan volgens de formule € 1.736,- per maand, te weten
70% x [4.523 - (0,15 x 4.523 + 1.365)].
Draagkracht vrouw
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een bijstandsuitkering van € 1.402,- per maand, inclusief vakantiegeld, zoals blijkt uit de specificaties van februari t/m april 2026.
Rekening houdend met de algemene heffingskorting en het kindgebonden budget berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.177,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Bij een NBI onder € 2.200,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Aangezien het NBI van de vrouw tussen de € 2.150,- en € 2.200,- per maand ligt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 116,- per maand voor de vrouw in aanmerking nemen.
Draagkracht nieuwe partner man
Het had op de weg van de man gelegen om informatie over te leggen over het inkomen van zijn nieuwe partner. Dit heeft hij nagelaten. De rechtbank stelt daarom het inkomen van de nieuwe partner in redelijkheid vast op hetzelfde inkomen als de vrouw, zodat de rechtbank bij de nieuwe partner ook uitgaat van een bijstandsuitkering. Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met een aan de nieuwe partner toekomend kindgebonden budget, zodat de rechtbank het NBI van de nieuwe partner van de man berekent op € 2.177,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht. De draagkracht van de nieuwe partner bedraagt dan dus ook, net als bij de vrouw, € 116,- per maand.
Verdeling kosten
Zoals hiervoor is overwogen, is aan de kant van de man sprake van een samenloop van onderhoudsverplichtingen. De rechtbank moet in een dergelijk geval beoordelen of de man in staat is aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen. Daarbij moet de rechtbank rekening houden met de bijdragen die de andere onderhoudsplichtigen kunnen leveren. Om het aandeel van de man vast te stellen, vergelijkt de rechtbank de draagkracht van de man met de draagkracht van de vrouw, omdat zij samen onderhoudsplichtig zijn voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Daarnaast vergelijkt de rechtbank de draagkracht van de man met de draagkracht van zijn nieuwe partner, omdat zij samen onderhoudsplichtig zijn voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] .
De rechtbank hanteert de verhoudingenmethode waarbij een draagkrachtvergelijking wordt gemaakt met de volledige (‘zuivere’) draagkracht van de ouders met de formule:
draagkracht ouder / totale draagkracht vrouw + man x behoefte kind(eren).
Aandeel man en aandeel vrouw voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]
Aandeel man: 1.736 / (1.736 + 116) x 1.219 = € 1.143,-
Aandeel vrouw: 116 / (1.736 + 116) x 1.219 = € 76,-
Aandeel man en aandeel nieuwe partner voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4]
Aandeel man: 1.736 / (1.736 + 116) x 1.219 = € 1.143,-
Aandeel nieuwe partner: 116 / (1.736 + 116) x 1.219 = € 76,-
De totale eigen aandelen van de man bedragen € 2.286,- per maand (€ 1.143,- + € 1.143,-). Ten opzichte van de draagkracht van de man heeft de man daarmee een tekort van € 550,- per maand (€ 2.286,- minus € 1.736,-). De draagkracht van de man moet daarom worden berekend naar rato van de berekende aandelen. Dat leidt tot de volgende verdeling.
De man draagt bij:
voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] : € 1.143,- / € 2.286,- x € 1.736 = € 868,-.
voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] : € 1.143,- / € 2.286,- x € 1.736 = € 868,-.
Gelet op het voorgaande moet de man voor zowel [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] samen als voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] samen € 868,- per maand bijdragen, te weten € 434,- per maand per kind.
Zorgkorting
De man maakt op de dagen dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij hem verblijven kosten waarmee hij ten dele aan zijn onderhoudsverplichting voldoet. Daarom verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de man met een percentage van de behoefte van de kinderen (de zorgkorting).
Het is de rechtbank gebleken dat de kinderen om de week van vrijdag tot zondag bij de man zijn. De rechtbank acht het gelet op deze (beperkte) informatie redelijk om een zorgkorting van 15% te hanteren. De zorgkorting voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bedraagt daarom € 183,- per maand (15% van € 1.219,- per maand).
Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage van de man vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval dat de gezamenlijke draagkracht van de ouders onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als er een tekort aan draagkracht bestaat, komt de helft van dit tekort in mindering op de zorgkorting.
De man heeft € 868,- per maand beschikbaar voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De vrouw heeft
€ 116,- per maand beschikbaar voor hen. Hun gezamenlijke draagkracht voor de kinderen is daarom € 984,- per maand. De behoefte van de kinderen is € 1.219,- per maand, waardoor er een tekort is van € 235,- per maand. De helft van dit tekort, te weten € 118,- per maand, komt in mindering op de zorgkorting van de man. De man kan dus nog € 65,- per maand aan zorgkorting verzilveren (€ 183,- minus € 118,-).
Dat betekent dat de bijdrage van de man in de kosten van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] (€ 868,- minus € 65,- = ) € 803,- per maand bedraagt, te weten € 402,- per maand per kind.
Conclusie
Aangezien de vrouw op de zitting haar verzoek heeft gewijzigd naar een te betalen kinderalimentatie van € 322,- per maand per kind, zal de rechtbank de door de man te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , met ingang van de datum van deze beschikking, wijzigen naar € 644,- per maand, te weten € 322,- per maand per kind.
Op de zitting hebben partijen afgesproken dat de man het volledige bedrag aan kinderalimentatie voortaan bevrijdend betaalt op de ING rekening van de vrouw; NL 94 INGB 0795185413 op naam van M.G. Karaca. Dit brengt mee dat de man dus niet langer een bedrag aan kinderalimentatie op de Turkse rekening van de vrouw hoeft te betalen.
Proceskosten
De man stelt dat de vrouw deze procedure voor niets is gestart. In de afgelopen vijf jaar is de vrouw meerdere procedures gestart in Nederland en Turkije en de man vindt dat aan de vrouw een duidelijk signaal moet worden gegeven dat zij niet zomaar in een procedure kan starten. Ook geeft de advocaat van de man aan dat er maanden geen reactie kwam vanuit (de advocaat van) de vrouw en dat er vervolgens direct door haar een procedure werd gestart, zonder te wachten op reactie vanuit de man. De man verzoekt de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.
De rechtbank overweegt als volgt. In verzoekschriftprocedures tussen ex-partners wordt terughoudend omgegaan met een proceskostenveroordeling, om te voorkomen dat de relatie tussen partijen als gevolg daarvan verder wordt belast. Als hoofdregel geldt dan ook dat de proceskosten worden gecompenseerd, dus dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt van deze hoofdregel afgeweken. Op grond van vaste jurisprudentie geldt dat er voor een proceskostenveroordeling evident sprake moet zijn van het nodeloos in rechte betrekken van een wederpartij. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van zo'n uitzonderlijk geval. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen is er sprake van gewijzigde omstandigheden en de uitkomst van de procedure is bovendien dat de kinderalimentatie die de man dient te betalen wijzigt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de man niet nodeloos in een procedure is betrokken en kosten heeft moeten maken doordat deze procedure is gestart. Overigens heeft wel te gelden dat het voor beide partijen uiterst onwenselijk is indien zij geschil- of discussiepunten uitsluitend door middel van een procedure beslechten. Het is aan de ouders om in geval van geschillen of discussies eerst met elkaar daarover het gesprek te voeren en over en weer in ieder geval op elkaar te reageren. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure afwijzen en de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
erkent de vonnissen van 18 juni 2020 en van 6 februari 2024 van de familierechtbank Polatlı in Turkije, voor zover deze zien op kinderalimentatie;
*
bepaalt – met wijziging in zoverre van het vonnis van 6 februari 2024 van de familierechtbank Polatlı in Turkije – de door de man met ingang van heden te betalen
alimentatie voor de minderjarigen:
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [plaats 1] , Turkije;
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [plaats 2] ,
op € 322,- per maand per kind, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 24 juni 2026.