Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20805
2026-06-24
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/701982 / FA RK 26-2882
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervangende toestemming verhuizing, hoofdverblijfplaats en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2014:901 Hoge Raad 11-04-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.323 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-2882
Zaaknummer: C/09/701982
Datum beschikking: 24 juni 2026
Vervangende toestemming verhuizing, hoofdverblijfplaats en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 23 maart 2026 ingekomen verzoekschrift van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg in Leidschendam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. van Venetiën in [plaats 7] .
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken, met bijlagen, ingekomen op 20 mei 2026;
het bericht van 21 mei 2026 van de moeder, met bijlage.
De minderjarige [de minderjarige 1] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.
Op 27 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
[naam] namens de Raad voor de kinderbescherming (de Raad).
Feiten
Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2018 tot [datum 2] 2025.
Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats 1] ;
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats 2] .
Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
Bij beschikking van deze rechtbank van 16 oktober 2025 – voor zover hier relevant – :
is de echtscheiding tussen de moeder en de vader uitgesproken;
is bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben;
is bepaald dat de kinderen bij de vader zullen zijn:
een weekend per 14 dagen van vrijdagmiddag uit school, waarbij de vader de kinderen uit school ophaalt, tot zondag 17.00 uur (voor het avondeten), waarbij de vader de kinderen terugbrengt naar de moeder, alsmede elke week op dinsdag vanaf 16.45 uur tot na de zwemles, waarbij de vader de kinderen ophaalt bij de moeder en met ze naar zwemles gaat en ze daarna terugbrengt naar de moeder;
gedurende de helft van de schoolvakanties en de feestdagen, in onderling overleg nader te bepalen;
- zijn de ouders bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing verwezen naar Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
aan de moeder vervangende toestemming te verlenen, welke toestemming die van de vader vervangt, om samen met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , te verhuizen naar Drenthe, driehoek [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , en zich te vestigen in [plaats 4] op het adres [adres 1] dan wel een andere geschikte woning en plaats binnen de driehoek [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] dan wel naar Noord-Drenthe, [plaats 5] aan de [adres 2] , dan wel een andere geschikte woning en plaats en in die omgeving;
de kinderen in hun nieuwe woonplaats in te schrijven bij de Basis Registratie Personen (BRP) van de gemeente;
de kinderen in hun nieuwe woonplaats in te schrijven op een van de scholen zoals genoemd onder randnummer 8 en 9 van het verzoekschrift, met onmiddellijke ingang;
althans zodanige beslissingen te nemen, welke de rechtbank in goede justitie zal
vermenen te behoren;
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt hij zelfstandig, uitvoerbaar bij voorraad:
voor het geval de moeder zal verhuizen naar het oosten/noorden van Nederland, althans buiten de regio [plaats 6] / [plaats 7] , te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij hem zullen hebben, alsmede dat de kinderen op zijn woonplaats zullen worden geregistreerd bij de BRP;
voor het geval de moeder niet zal verhuizen naar het oosten/noorden van Nederland, althans buiten de regio [plaats 6] / [plaats 7] , de moeder te veroordelen tot nakoming/uitvoering van de co-ouderschapsregeling/zorgregeling zoals vermeld onder II. in het petitum van het verweerschrift, alsmede te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben, alsmede/althans dat de kinderen op zijn woonplaats zullen worden geregistreerd bij de BRP:
voor het geval de rechtbank de moeder onverhoopt toestemming mocht geven met de kinderen naar het oosten/noorden van Nederland te verhuizen en voor inschrijving van de kinderen bij een school in het oosten/noorden van Nederland, verzoekt de vader de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren in verband met een eventuele vernietiging van de beschikking in hoger beroep;
met veroordeling – eveneens uitvoerbaar bij voorraad – aan de moeder in de kosten van de procedure van in totaal € 6.000,- inclusief BTW, althans conform het toepasselijke liquidatietarief.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en hoofdverblijfplaats
Standpunt vader
De vader verzoekt een wijziging van de huidige zorgregeling. Hij wil een co-ouderschapsregeling waarbij de kinderen om de week bij hem verblijven en hij verzoekt tevens om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen. Volgens de vader is dat in het belang van de kinderen. Hij stelt onder meer dat zijn huidige woning geschikt is voor de kinderen, dat hij flexibel is in zijn werk en beschikt over een netwerk dat hem kan ondersteunen bij de verzorging en opvoeding van de kinderen. Daarnaast voert hij aan dat de ouders qua communicatie in staat zijn om uitvoering te geven aan een co-ouderschapsregeling. Tot slot stelt hij dat het in het belang van de kinderen is dat beide ouders optimaal kunnen profiteren van de fiscale toeslagen met betrekking tot de kinderen.
Standpunt moeder
De moeder voert verweer. Zij geeft aan dat de vader in de afgelopen maanden bij haar nooit kenbaar heeft gemaakt dat hij een gelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zou willen. De moeder ziet ook niet voor zich hoe de vader invulling zou kunnen geven aan co-ouderschap. Volgens de moeder is de vader daartoe onvoldoende in staat, mede gelet op het feit dat hij fulltime werkt als stukadoor en door het hele land werkzaam is. Daarnaast voert de moeder aan dat de woning van de vader niet geschikt is voor een co-ouderschapsregeling en dat de communicatie tussen de ouders onvoldoende is. De moeder geeft verder aan dat de kinderen niet de wens hebben om op basis van een co-ouderschapsregeling bij de vader te verblijven. De moeder krijgt de indruk dat het de vader met name te doen is om het verkrijgen van toeslagen.
Juridisch kader
Aangezien de ouders gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag over de kinderen is artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing op het verzoek tot wijziging van de zorgregeling. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Uit het vierde lid van artikel 1:253a BW volgt dat artikel 1:377e BW van overeenkomstige toepassing is, zodat de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Op grond van sub b van artikel 1:253a BW kan de rechtbank beslissen bij welke ouder de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben.
Oordeel rechtbank
De rechtbank ziet in dat wat door de vader is aangevoerd geen aanleiding om de in oktober 2025 door de rechtbank vastgestelde zorgregeling nu te wijzigen naar een week-op-week-af regeling en/of de hoofdverblijfplaats van de kinderen nu bij de vader te bepalen. De rechtbank wijst de verzoeken daartoe af en licht dat hieronder toe.
De enkele omstandigheid dat de vader nu, anders dan tijdens de echtscheidingsprocedure, beschikt over tijdelijke woonruimte waar de kinderen ook doordeweeks kunnen verblijven, is onvoldoende om de zorgregeling ingrijpend te wijzigen. Sinds de ouders uit elkaar zijn geven zij uitvoering aan een reguliere zorgregeling waarbij de meisjes in ieder geval een weekend in de veertien dagen bij hun vader zijn en de vader de kinderen op dinsdag naar zwemles brengt en weer thuisbrengt. Nog daargelaten dat de vader opnieuw zal gaan verhuizen en dus nog geen stabiele omgeving woonomgeving voor de kinderen heeft, verloopt de huidige zorgregeling goed en zijn de meisjes daaraan ook gewend. De rechtbank begrijpt dat de vader, voor zover dat mogelijk is, (enige) uitbreiding van de zorgregeling wenst, maar een wijziging naar een week-op-week-af regeling is naar het oordeel van de rechtbank op dit moment niet in belang van de kinderen wenselijk. Zoals in de echtscheidingsbeschikking is overwogen, zullen de ouders in een ouderschapsbemiddelingstraject in gesprek gaan over een mogelijke uitbreiding van de zorgregeling. De ouders hebben op de zitting bevestigd dat dit traject in augustus 2026 zal starten. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarop nu vooruit te lopen en verwacht van beide ouders dat zij tijdens het ouderschapsbemiddelingstraject met elkaar in gesprek zullen gaan over zaken die de kinderen aangaan en daarbij ook zullen bespreken of de huidige zorgregeling het meest in het belang van de meisjes is, of dat deze verdere aanpassing behoeft. De rechtbank gaat ervan uit dat dit traject onverminderd doorgang zal vinden, ongeacht de beslissing op het verzoek van de moeder om met de kinderen naar Drenthe te mogen verhuizen. Op dit zitting is immers gebleken dat een eventuele verhuizing niet op korte termijn zal (kunnen) plaatsvinden, omdat de woning die de moeder op het oog heeft, nog moet worden gebouwd.
Vervangende toestemming verhuizing
Standpunt moeder
In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de moeder de gelegenheid krijgt om de echtelijke woning over te nemen. Dit is niet gelukt en de woning zal moeten worden verkocht. Het is de wens van de moeder om een woning te hebben die geschikt is om haar bedrijf uit te oefenen en ook beschikt over een stal voor haar paarden en de pony's van de kinderen. Volgens de moeder zijn er in het noorden/oosten van Nederland meer mogelijkheden om zo’n woning te kopen. Inmiddels heeft de moeder, onder voorbehoud, een bouwkavel met opstallen gekocht aan de [adres 3] in [plaats 8] en zij verzoekt nu om vervangende toestemming om met de kinderen daarnaartoe te verhuizen. Volgens de moeder is de verhuizing goed voorbereid en zij vindt dat een verhuizing een goed contact tussen de vader en de kinderen niet in de weg hoeft te staan. Zij voert aan dat de huidige zorgregeling waarbij de kinderen één weekend per twee weken en elke dinsdagmiddag uit school tot na de zwemles bij de vader verblijven, nagenoeg ongewijzigd kan blijven. Volgens haar kan de bestaande weekendregeling in stand blijven en voor de dinsdagen heeft zij compensatie voorgesteld in de vorm van extra weekenden bij de vader dan wel extra tijd in de vakantie met de vader. Daarnaast heeft de moeder aangeboden het halen en brengen van de kinderen volledig voor haar rekening te nemen. Op de zitting heeft zij verder nog toegelicht dat zij aanvankelijk de voorkeur had om vóór de zomervakantie te verhuizen, zodat de kinderen na de zomervakantie op hun nieuwe school konden starten. Inmiddels is voor de moeder gebleken dat een verhuizing vóór de zomervakantie niet langer haalbaar is, omdat op het betreffende perceel in [plaats 8] , als de koop definitief is, nog een woning gebouwd moet worden.
Standpunt vader
De vader voert verweer. Volgens hem heeft de moeder geen noodzaak om te verhuizen naar Drenthe. De moeder heeft jarenlang haar ondernemingen vanuit de eengezinswoning in [plaats 6] geëxploiteerd en voor haar paarden een stal gehuurd. Volgens de vader kan de moeder hiermee doorgaan vanuit een andere woning in (de buurt van) [plaats 6] . Daarnaast vindt hij het plan van de moeder onvoldoende doordacht en niet realistisch, omdat zij – naar zijn mening – niet in staat zal zijn de financiering rond te krijgen. Daarnaast voert hij aan dat de kinderen geworteld zijn in de regio [plaats 6] en dat hij graag een co-ouderschapsregeling wil, waarbij de kinderen afwisselend een week bij hem en een week bij de moeder verblijven. Volgens de vader is een dergelijke regeling niet uitvoerbaar wanneer de moeder en de kinderen naar [plaats 8] , dan wel Drenthe verhuizen. Daarnaast vindt de vader de afstand te groot voor de kinderen en vindt hij het niet in hun belang om zo frequent een lange tijd in de auto te moeten zitten. In dat kader merkt hij op dat [de minderjarige 1] last heeft van wagenziekte.
Wettelijk kader
Artikel 1:253a, eerste lid BW bepaalt dat in geval van een gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Aangezien tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat een vergelijk op de voet van het vijfde lid van dit artikel tussen de ouders niet mogelijk is, zal de rechtbank een beslissing nemen.
Uit vaste jurisprudentie volgt – onder meer Hoge Raad, 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008: BC5901 – dat bij de beslissing over vervangende toestemming voor de verhuizing van het kind alle omstandigheden van het geval in acht moeten worden genomen. Dit kan er ook toe leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang overweging van de eerste orde moet zijn bij de te verrichten belangenafweging. Het gaat dan onder andere om:
het recht en belang van de moeder om het leven opnieuw in te richten;
de noodzaak voor de moeder om te verhuizen;
de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
de geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen en de vader te verzachten en/of te compenseren;
de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
de rechten van de vader en de kinderen op onverminderd contact met elkaar in de vertrouwde omgeving;
de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de continuïteit van de zorg;
de frequentie van het contact tussen de vader en de kinderen voor en na de verhuizing;
de leeftijd van de kinderen, hun mening en de mate waarin de kinderen zijn geworteld in de omgeving of juist gewend zijn aan verhuizingen;
de (extra) kosten van het contact na de verhuizing.
Bovenstaande opsomming is niet bedoeld als bepaling van criteria waaraan ieder afzonderlijk moet worden voldaan, maar bij de beoordeling moet een belangenafweging gemaakt worden met inachtneming van genoemde omstandigheden. De door de rechtbank in acht te nemen omstandigheden zijn ook niet beperkt tot objectief verifieerbare omstandigheden. Dit volgt uit de uitspraak van de Hoge Raad op 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:901.
Oordeel rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat de moeder in beginsel het recht heeft om in vrijheid haar leven (opnieuw) in te richten en samen met de kinderen een leven op te bouwen in Drenthe, driehoek [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] . De rechtbank is van oordeel dat de moeder ook een belang heeft om naar Drenthe te verhuizen. Het staat vast dat de moeder en de kinderen op korte termijn zullen moeten verhuizen, omdat de voormalige echtelijke woning verkocht moet worden. Verder staat vast dat de moeder ondernemingen exploiteert in de paardenbranche, waarbij zij momenteel op één locatie paarden en pony’s houdt en op een andere locatie een opslag heeft voor haar webshop paardrijkleding en andere producten voor de paardensport. Voor beide externe locaties is de moeder huur verschuldigd. De wens van de moeder om, nu een verhuizing onafwendbaar blijkt, haar woonruimte en ondernemingsactiviteiten op één locatie te kunnen onderbrengen is begrijpelijk. Voor de moeder (en voor de kinderen) brengt dit rust mee. Niet in geschil is dat deze wens in (de regio) [plaats 6] door de moeder niet kan worden gerealiseerd. Drenthe biedt daarvoor daarentegen wel mogelijkheden. De moeder heeft op de zitting onweersproken gesteld dat zij inmiddels in [plaats 8] een perceel met opstallen heeft aangekocht en daarop een houtskeletbouw woning wil realiseren. Of dit plan van de moeder haalbaar is, kan de rechtbank niet vaststellen. De rechtbank is wel van oordeel dat uit de handelingen van de moeder en de stappen die zij heeft gezet, blijkt dat zij serieus is met haar voornemen om te verhuizen naar [plaats 8] en haar ondernemingen vanuit daar voort te zetten.
De rechtbank dient te beoordelen of de belangen van de kinderen zich tegen een verhuizing verzetten en zal ook een afweging maken tussen de belangen van de kinderen, de moeder en de vader. De rechtbank overweegt vervolgens als volgt. De rechtbank is – met de Raad – van oordeel dat de leeftijd van de kinderen geen belemmering vormt voor een verhuizing naar [plaats 8] . De kinderen zijn 9 en 7 jaar oud en kunnen daarom in staat worden geacht om zich relatief eenvoudig aan te passen aan een nieuwe woonomgeving. Bovendien zijn het meisjes die affiniteit hebben met paarden, waardoor het voor hen juist prettig kan zijn om de paarden/pony’s bij de woning te hebben. De moeder heeft op de zitting ook toegelicht dat de kinderen in [plaats 9] naar school kunnen en dat de weekendregeling met de vader onverminderd kan worden voortgezet, waarbij de moeder de kinderen naar de vader zal brengen en ophalen. Dit betekent wel dat de kinderen meer reistijd zullen hebben, maar naar het oordeel van de rechtbank is deze afstand en frequentie niet zodanig dat een verhuizing naar [plaats 8] om die reden niet zou moeten worden toegestaan. De rechtbank is verder van oordeel dat de moeder voldoende compensatie heeft aangeboden voor de wekelijkse contactmomenten op dinsdag die de vader en de kinderen bij een verhuizing naar [plaats 8] zouden missen.
De rechtbank realiseert zich dat een verhuizing van de kinderen naar Drenthe zal meebrengen dat een co-ouderschapsregeling zoals de vader die wenst, ook in de toekomst niet mogelijk zal zijn (ervan uitgaande dat de vader in de regio blijft wonen waar hij nu woont). Die constatering brengt echter niet mee dat de moeder de toestemming voor een verhuizing naar Drenthe zou moeten worden onthouden. De rechtbank kan niet vooruitlopen op mogelijke wijzigingen in de toekomst. Er is nu geen co-ouderschapsregeling en de rechtbank heeft, zoals hiervoor is gebleken, ook geen aanleiding gezien om deze nu alsnog vast te stellen. De huidige weekendregeling en vakantieregeling kunnen ook na een verhuizing naar Drenthe gewoon worden voortgezet. En wellicht dat de vader, die door zijn werk niet is gebonden aan zijn huidige tijdelijke woonplaats en op niet al te lange termijn ook zelf weer zal gaan verhuizen, te zijner tijd ook zal besluiten om te verhuizen naar een plaats in (de buurt van) Drenthe. De rechtbank begrijpt uit de mededelingen van de vader op de zitting dat hij deze mogelijkheid ook niet uitsluit.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan de moeder vervangende toestemming verlenen om met de kinderen te verhuizen naar [plaats 8] en zich te vestigen op het adres [adres 3] in [plaats 8] , dan wel naar een andere geschikte woning en plaats binnen de driehoek [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] te verhuizen, en de kinderen in hun nieuwe woonplaats in te schrijven bij de BRP van de gemeente.
De rechtbank zal gelet op de aard van de beslissing deze niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat de rechtbank het in het belang van de kinderen acht dat zij pas verhuizen als de beslissing onherroepelijk is geworden.
De rechtbank zal het verzoek van de moeder om de kinderen in hun nieuwe woonplaats in te schrijven op een van de scholen zoals genoemd onder randnummer 8 en 9 van het verzoekschrift, afwijzen. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het voor de hand dat de ouders hierover eerst met elkaar in overleg gaan en de rechtbank heeft geen aanleiding te veronderstellen dat de vader niet zal meewerken aan een inschrijving van de kinderen op een school in hun nieuwe woonplaats.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – om met de nu nog minderjarigen:
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats 1] ;
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats 2] ,
te verhuizen naar [plaats 8] en zich te vestigen op het adres [adres 3] in [plaats 8] , dan wel naar een andere geschikte woning en plaats binnen de driehoek [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] te verhuizen, en de kinderen in hun nieuwe woonplaats in te schrijven bij de BRP van de gemeente;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 24 juni 2026.
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-2882
Zaaknummer: C/09/701982
Datum beschikking: 24 juni 2026
Vervangende toestemming verhuizing, hoofdverblijfplaats en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 23 maart 2026 ingekomen verzoekschrift van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg in Leidschendam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. van Venetiën in [plaats 7] .
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken, met bijlagen, ingekomen op 20 mei 2026;
het bericht van 21 mei 2026 van de moeder, met bijlage.
De minderjarige [de minderjarige 1] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.
Op 27 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
[naam] namens de Raad voor de kinderbescherming (de Raad).
Feiten
Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2018 tot [datum 2] 2025.
Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats 1] ;
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats 2] .
Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
Bij beschikking van deze rechtbank van 16 oktober 2025 – voor zover hier relevant – :
is de echtscheiding tussen de moeder en de vader uitgesproken;
is bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben;
is bepaald dat de kinderen bij de vader zullen zijn:
een weekend per 14 dagen van vrijdagmiddag uit school, waarbij de vader de kinderen uit school ophaalt, tot zondag 17.00 uur (voor het avondeten), waarbij de vader de kinderen terugbrengt naar de moeder, alsmede elke week op dinsdag vanaf 16.45 uur tot na de zwemles, waarbij de vader de kinderen ophaalt bij de moeder en met ze naar zwemles gaat en ze daarna terugbrengt naar de moeder;
gedurende de helft van de schoolvakanties en de feestdagen, in onderling overleg nader te bepalen;
- zijn de ouders bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing verwezen naar Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
aan de moeder vervangende toestemming te verlenen, welke toestemming die van de vader vervangt, om samen met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , te verhuizen naar Drenthe, driehoek [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , en zich te vestigen in [plaats 4] op het adres [adres 1] dan wel een andere geschikte woning en plaats binnen de driehoek [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] dan wel naar Noord-Drenthe, [plaats 5] aan de [adres 2] , dan wel een andere geschikte woning en plaats en in die omgeving;
de kinderen in hun nieuwe woonplaats in te schrijven bij de Basis Registratie Personen (BRP) van de gemeente;
de kinderen in hun nieuwe woonplaats in te schrijven op een van de scholen zoals genoemd onder randnummer 8 en 9 van het verzoekschrift, met onmiddellijke ingang;
althans zodanige beslissingen te nemen, welke de rechtbank in goede justitie zal
vermenen te behoren;
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt hij zelfstandig, uitvoerbaar bij voorraad:
voor het geval de moeder zal verhuizen naar het oosten/noorden van Nederland, althans buiten de regio [plaats 6] / [plaats 7] , te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij hem zullen hebben, alsmede dat de kinderen op zijn woonplaats zullen worden geregistreerd bij de BRP;
voor het geval de moeder niet zal verhuizen naar het oosten/noorden van Nederland, althans buiten de regio [plaats 6] / [plaats 7] , de moeder te veroordelen tot nakoming/uitvoering van de co-ouderschapsregeling/zorgregeling zoals vermeld onder II. in het petitum van het verweerschrift, alsmede te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben, alsmede/althans dat de kinderen op zijn woonplaats zullen worden geregistreerd bij de BRP:
voor het geval de rechtbank de moeder onverhoopt toestemming mocht geven met de kinderen naar het oosten/noorden van Nederland te verhuizen en voor inschrijving van de kinderen bij een school in het oosten/noorden van Nederland, verzoekt de vader de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren in verband met een eventuele vernietiging van de beschikking in hoger beroep;
met veroordeling – eveneens uitvoerbaar bij voorraad – aan de moeder in de kosten van de procedure van in totaal € 6.000,- inclusief BTW, althans conform het toepasselijke liquidatietarief.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en hoofdverblijfplaats
Standpunt vader
De vader verzoekt een wijziging van de huidige zorgregeling. Hij wil een co-ouderschapsregeling waarbij de kinderen om de week bij hem verblijven en hij verzoekt tevens om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen. Volgens de vader is dat in het belang van de kinderen. Hij stelt onder meer dat zijn huidige woning geschikt is voor de kinderen, dat hij flexibel is in zijn werk en beschikt over een netwerk dat hem kan ondersteunen bij de verzorging en opvoeding van de kinderen. Daarnaast voert hij aan dat de ouders qua communicatie in staat zijn om uitvoering te geven aan een co-ouderschapsregeling. Tot slot stelt hij dat het in het belang van de kinderen is dat beide ouders optimaal kunnen profiteren van de fiscale toeslagen met betrekking tot de kinderen.
Standpunt moeder
De moeder voert verweer. Zij geeft aan dat de vader in de afgelopen maanden bij haar nooit kenbaar heeft gemaakt dat hij een gelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zou willen. De moeder ziet ook niet voor zich hoe de vader invulling zou kunnen geven aan co-ouderschap. Volgens de moeder is de vader daartoe onvoldoende in staat, mede gelet op het feit dat hij fulltime werkt als stukadoor en door het hele land werkzaam is. Daarnaast voert de moeder aan dat de woning van de vader niet geschikt is voor een co-ouderschapsregeling en dat de communicatie tussen de ouders onvoldoende is. De moeder geeft verder aan dat de kinderen niet de wens hebben om op basis van een co-ouderschapsregeling bij de vader te verblijven. De moeder krijgt de indruk dat het de vader met name te doen is om het verkrijgen van toeslagen.
Juridisch kader
Aangezien de ouders gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag over de kinderen is artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing op het verzoek tot wijziging van de zorgregeling. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Uit het vierde lid van artikel 1:253a BW volgt dat artikel 1:377e BW van overeenkomstige toepassing is, zodat de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Op grond van sub b van artikel 1:253a BW kan de rechtbank beslissen bij welke ouder de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben.
Oordeel rechtbank
De rechtbank ziet in dat wat door de vader is aangevoerd geen aanleiding om de in oktober 2025 door de rechtbank vastgestelde zorgregeling nu te wijzigen naar een week-op-week-af regeling en/of de hoofdverblijfplaats van de kinderen nu bij de vader te bepalen. De rechtbank wijst de verzoeken daartoe af en licht dat hieronder toe.
De enkele omstandigheid dat de vader nu, anders dan tijdens de echtscheidingsprocedure, beschikt over tijdelijke woonruimte waar de kinderen ook doordeweeks kunnen verblijven, is onvoldoende om de zorgregeling ingrijpend te wijzigen. Sinds de ouders uit elkaar zijn geven zij uitvoering aan een reguliere zorgregeling waarbij de meisjes in ieder geval een weekend in de veertien dagen bij hun vader zijn en de vader de kinderen op dinsdag naar zwemles brengt en weer thuisbrengt. Nog daargelaten dat de vader opnieuw zal gaan verhuizen en dus nog geen stabiele omgeving woonomgeving voor de kinderen heeft, verloopt de huidige zorgregeling goed en zijn de meisjes daaraan ook gewend. De rechtbank begrijpt dat de vader, voor zover dat mogelijk is, (enige) uitbreiding van de zorgregeling wenst, maar een wijziging naar een week-op-week-af regeling is naar het oordeel van de rechtbank op dit moment niet in belang van de kinderen wenselijk. Zoals in de echtscheidingsbeschikking is overwogen, zullen de ouders in een ouderschapsbemiddelingstraject in gesprek gaan over een mogelijke uitbreiding van de zorgregeling. De ouders hebben op de zitting bevestigd dat dit traject in augustus 2026 zal starten. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarop nu vooruit te lopen en verwacht van beide ouders dat zij tijdens het ouderschapsbemiddelingstraject met elkaar in gesprek zullen gaan over zaken die de kinderen aangaan en daarbij ook zullen bespreken of de huidige zorgregeling het meest in het belang van de meisjes is, of dat deze verdere aanpassing behoeft. De rechtbank gaat ervan uit dat dit traject onverminderd doorgang zal vinden, ongeacht de beslissing op het verzoek van de moeder om met de kinderen naar Drenthe te mogen verhuizen. Op dit zitting is immers gebleken dat een eventuele verhuizing niet op korte termijn zal (kunnen) plaatsvinden, omdat de woning die de moeder op het oog heeft, nog moet worden gebouwd.
Vervangende toestemming verhuizing
Standpunt moeder
In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de moeder de gelegenheid krijgt om de echtelijke woning over te nemen. Dit is niet gelukt en de woning zal moeten worden verkocht. Het is de wens van de moeder om een woning te hebben die geschikt is om haar bedrijf uit te oefenen en ook beschikt over een stal voor haar paarden en de pony's van de kinderen. Volgens de moeder zijn er in het noorden/oosten van Nederland meer mogelijkheden om zo’n woning te kopen. Inmiddels heeft de moeder, onder voorbehoud, een bouwkavel met opstallen gekocht aan de [adres 3] in [plaats 8] en zij verzoekt nu om vervangende toestemming om met de kinderen daarnaartoe te verhuizen. Volgens de moeder is de verhuizing goed voorbereid en zij vindt dat een verhuizing een goed contact tussen de vader en de kinderen niet in de weg hoeft te staan. Zij voert aan dat de huidige zorgregeling waarbij de kinderen één weekend per twee weken en elke dinsdagmiddag uit school tot na de zwemles bij de vader verblijven, nagenoeg ongewijzigd kan blijven. Volgens haar kan de bestaande weekendregeling in stand blijven en voor de dinsdagen heeft zij compensatie voorgesteld in de vorm van extra weekenden bij de vader dan wel extra tijd in de vakantie met de vader. Daarnaast heeft de moeder aangeboden het halen en brengen van de kinderen volledig voor haar rekening te nemen. Op de zitting heeft zij verder nog toegelicht dat zij aanvankelijk de voorkeur had om vóór de zomervakantie te verhuizen, zodat de kinderen na de zomervakantie op hun nieuwe school konden starten. Inmiddels is voor de moeder gebleken dat een verhuizing vóór de zomervakantie niet langer haalbaar is, omdat op het betreffende perceel in [plaats 8] , als de koop definitief is, nog een woning gebouwd moet worden.
Standpunt vader
De vader voert verweer. Volgens hem heeft de moeder geen noodzaak om te verhuizen naar Drenthe. De moeder heeft jarenlang haar ondernemingen vanuit de eengezinswoning in [plaats 6] geëxploiteerd en voor haar paarden een stal gehuurd. Volgens de vader kan de moeder hiermee doorgaan vanuit een andere woning in (de buurt van) [plaats 6] . Daarnaast vindt hij het plan van de moeder onvoldoende doordacht en niet realistisch, omdat zij – naar zijn mening – niet in staat zal zijn de financiering rond te krijgen. Daarnaast voert hij aan dat de kinderen geworteld zijn in de regio [plaats 6] en dat hij graag een co-ouderschapsregeling wil, waarbij de kinderen afwisselend een week bij hem en een week bij de moeder verblijven. Volgens de vader is een dergelijke regeling niet uitvoerbaar wanneer de moeder en de kinderen naar [plaats 8] , dan wel Drenthe verhuizen. Daarnaast vindt de vader de afstand te groot voor de kinderen en vindt hij het niet in hun belang om zo frequent een lange tijd in de auto te moeten zitten. In dat kader merkt hij op dat [de minderjarige 1] last heeft van wagenziekte.
Wettelijk kader
Artikel 1:253a, eerste lid BW bepaalt dat in geval van een gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Aangezien tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat een vergelijk op de voet van het vijfde lid van dit artikel tussen de ouders niet mogelijk is, zal de rechtbank een beslissing nemen.
Uit vaste jurisprudentie volgt – onder meer Hoge Raad, 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008: BC5901 – dat bij de beslissing over vervangende toestemming voor de verhuizing van het kind alle omstandigheden van het geval in acht moeten worden genomen. Dit kan er ook toe leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang overweging van de eerste orde moet zijn bij de te verrichten belangenafweging. Het gaat dan onder andere om:
het recht en belang van de moeder om het leven opnieuw in te richten;
de noodzaak voor de moeder om te verhuizen;
de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
de geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen en de vader te verzachten en/of te compenseren;
de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
de rechten van de vader en de kinderen op onverminderd contact met elkaar in de vertrouwde omgeving;
de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de continuïteit van de zorg;
de frequentie van het contact tussen de vader en de kinderen voor en na de verhuizing;
de leeftijd van de kinderen, hun mening en de mate waarin de kinderen zijn geworteld in de omgeving of juist gewend zijn aan verhuizingen;
de (extra) kosten van het contact na de verhuizing.
Bovenstaande opsomming is niet bedoeld als bepaling van criteria waaraan ieder afzonderlijk moet worden voldaan, maar bij de beoordeling moet een belangenafweging gemaakt worden met inachtneming van genoemde omstandigheden. De door de rechtbank in acht te nemen omstandigheden zijn ook niet beperkt tot objectief verifieerbare omstandigheden. Dit volgt uit de uitspraak van de Hoge Raad op 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:901.
Oordeel rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat de moeder in beginsel het recht heeft om in vrijheid haar leven (opnieuw) in te richten en samen met de kinderen een leven op te bouwen in Drenthe, driehoek [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] . De rechtbank is van oordeel dat de moeder ook een belang heeft om naar Drenthe te verhuizen. Het staat vast dat de moeder en de kinderen op korte termijn zullen moeten verhuizen, omdat de voormalige echtelijke woning verkocht moet worden. Verder staat vast dat de moeder ondernemingen exploiteert in de paardenbranche, waarbij zij momenteel op één locatie paarden en pony’s houdt en op een andere locatie een opslag heeft voor haar webshop paardrijkleding en andere producten voor de paardensport. Voor beide externe locaties is de moeder huur verschuldigd. De wens van de moeder om, nu een verhuizing onafwendbaar blijkt, haar woonruimte en ondernemingsactiviteiten op één locatie te kunnen onderbrengen is begrijpelijk. Voor de moeder (en voor de kinderen) brengt dit rust mee. Niet in geschil is dat deze wens in (de regio) [plaats 6] door de moeder niet kan worden gerealiseerd. Drenthe biedt daarvoor daarentegen wel mogelijkheden. De moeder heeft op de zitting onweersproken gesteld dat zij inmiddels in [plaats 8] een perceel met opstallen heeft aangekocht en daarop een houtskeletbouw woning wil realiseren. Of dit plan van de moeder haalbaar is, kan de rechtbank niet vaststellen. De rechtbank is wel van oordeel dat uit de handelingen van de moeder en de stappen die zij heeft gezet, blijkt dat zij serieus is met haar voornemen om te verhuizen naar [plaats 8] en haar ondernemingen vanuit daar voort te zetten.
De rechtbank dient te beoordelen of de belangen van de kinderen zich tegen een verhuizing verzetten en zal ook een afweging maken tussen de belangen van de kinderen, de moeder en de vader. De rechtbank overweegt vervolgens als volgt. De rechtbank is – met de Raad – van oordeel dat de leeftijd van de kinderen geen belemmering vormt voor een verhuizing naar [plaats 8] . De kinderen zijn 9 en 7 jaar oud en kunnen daarom in staat worden geacht om zich relatief eenvoudig aan te passen aan een nieuwe woonomgeving. Bovendien zijn het meisjes die affiniteit hebben met paarden, waardoor het voor hen juist prettig kan zijn om de paarden/pony’s bij de woning te hebben. De moeder heeft op de zitting ook toegelicht dat de kinderen in [plaats 9] naar school kunnen en dat de weekendregeling met de vader onverminderd kan worden voortgezet, waarbij de moeder de kinderen naar de vader zal brengen en ophalen. Dit betekent wel dat de kinderen meer reistijd zullen hebben, maar naar het oordeel van de rechtbank is deze afstand en frequentie niet zodanig dat een verhuizing naar [plaats 8] om die reden niet zou moeten worden toegestaan. De rechtbank is verder van oordeel dat de moeder voldoende compensatie heeft aangeboden voor de wekelijkse contactmomenten op dinsdag die de vader en de kinderen bij een verhuizing naar [plaats 8] zouden missen.
De rechtbank realiseert zich dat een verhuizing van de kinderen naar Drenthe zal meebrengen dat een co-ouderschapsregeling zoals de vader die wenst, ook in de toekomst niet mogelijk zal zijn (ervan uitgaande dat de vader in de regio blijft wonen waar hij nu woont). Die constatering brengt echter niet mee dat de moeder de toestemming voor een verhuizing naar Drenthe zou moeten worden onthouden. De rechtbank kan niet vooruitlopen op mogelijke wijzigingen in de toekomst. Er is nu geen co-ouderschapsregeling en de rechtbank heeft, zoals hiervoor is gebleken, ook geen aanleiding gezien om deze nu alsnog vast te stellen. De huidige weekendregeling en vakantieregeling kunnen ook na een verhuizing naar Drenthe gewoon worden voortgezet. En wellicht dat de vader, die door zijn werk niet is gebonden aan zijn huidige tijdelijke woonplaats en op niet al te lange termijn ook zelf weer zal gaan verhuizen, te zijner tijd ook zal besluiten om te verhuizen naar een plaats in (de buurt van) Drenthe. De rechtbank begrijpt uit de mededelingen van de vader op de zitting dat hij deze mogelijkheid ook niet uitsluit.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan de moeder vervangende toestemming verlenen om met de kinderen te verhuizen naar [plaats 8] en zich te vestigen op het adres [adres 3] in [plaats 8] , dan wel naar een andere geschikte woning en plaats binnen de driehoek [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] te verhuizen, en de kinderen in hun nieuwe woonplaats in te schrijven bij de BRP van de gemeente.
De rechtbank zal gelet op de aard van de beslissing deze niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat de rechtbank het in het belang van de kinderen acht dat zij pas verhuizen als de beslissing onherroepelijk is geworden.
De rechtbank zal het verzoek van de moeder om de kinderen in hun nieuwe woonplaats in te schrijven op een van de scholen zoals genoemd onder randnummer 8 en 9 van het verzoekschrift, afwijzen. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het voor de hand dat de ouders hierover eerst met elkaar in overleg gaan en de rechtbank heeft geen aanleiding te veronderstellen dat de vader niet zal meewerken aan een inschrijving van de kinderen op een school in hun nieuwe woonplaats.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – om met de nu nog minderjarigen:
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats 1] ;
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats 2] ,
te verhuizen naar [plaats 8] en zich te vestigen op het adres [adres 3] in [plaats 8] , dan wel naar een andere geschikte woning en plaats binnen de driehoek [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] te verhuizen, en de kinderen in hun nieuwe woonplaats in te schrijven bij de BRP van de gemeente;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 24 juni 2026.