Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20798
2026-02-17
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.54374 en NL25.54375 Tussenuitspraak
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak; Asiel; gestelde arrestatie en detentie ongeloofwaardig; verweerder heeft onvoldoende onderzocht of sprake is van een reëel risico op ernstige schade in de zin van 3 EVRM bij terugkeer naar aanleiding van gestelde illegale uitreis; gelegenheid tot herstel.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2023:3457 Raad van State 13-09-2023
- ECLI:NL:RVS:2016:1164 Raad van State 20-04-2016
- ECLI:NL:RVS:2013:CA2877 Raad van State 12-06-2013
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.584 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54374 en NL25.54375
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer en uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).
Procesverloop
1. In deze tussenuitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter haar verzoek om een voorlopige voorziening. Eiseres heeft op 12 september 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 31 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. Solomon als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1969 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Zij heeft het volgende aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd. De echtgenoot van eiseres zit sinds eind 2019/begin 2020 in de gevangenis, misschien vanwege zijn familiebanden met [naam] , één van de Eritrese G-15. Zij heeft hem in het begin meermaals eten gebracht, kleding en bij de bewaking nagevraagd of hij daar nog zat. Drie jaar na de gevangenneming van haar echtgenoot werd eiseres meerdere keren ondervraagd door mensen van de veiligheidsdienst over haar echtgenoot. Dit gebeurde zowel bij eiseres thuis als in de gevangenis. Eiseres heeft steevast aangegeven enkel te weten dat hij in de gevangenis zit en uiteindelijk is zij zelf opgepakt en heeft zij een maand en twee weken vastgezeten. Tijdens haar gevangenschap is zij ook bevraagd over haar echtgenoot. Na haar vrijlating heeft zij met behulp van (schoon)familie illegaal het land kunnen verlaten. Bij terugkeer vreest eiseres opnieuw gevangen genomen te worden.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft drie asielmotieven herleid uit het asielrelaas van eiseres. Haar identiteit, nationaliteit en herkomst zijn geloofwaardig. Dat eiseres illegaal Eritrea uit is gereisd en zelf is gearresteerd en gevangen is genomen naar aanleiding van de gevangenschap van haar echtgenoot, gelooft verweerder niet. Hiertoe wordt eiseres tegengeworpen dat zij haar asielrelaas niet heeft onderbouwd met objectieve documenten. Ook vormen de verklaringen van eiseres geen aannemelijk en samenhangend geheel. Verweerder komt daarom tot de conclusie dat eiseres geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat niet aannemelijk is dat zij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt in de zin van artikel 3 van het EVRM. De asielaanvraag van eiseres wordt daarnaast afgewezen als kennelijk ongegrond omdat zij belangrijke informatie en documenten die een negatieve invloed hebben op de beslissing niet heeft afgegeven, omdat zij haar paspoort heeft vernietigd of weggemaakt en omdat haar verklaringen worden beoordeeld als kennelijk inconsequent, tegenstrijdig en vals. Tot slot heeft verweerder eiseres een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Zij betwist te hebben verklaard te hebben gereisd met een vals paspoort, enkel dat het vervalst was omdat zij het niet zelf heef aangevraagd, maar het voor haar geregeld is. Verweerder mocht ook niet van haar verwachten dat zij het zou kunnen overleggen, omdat zij het paspoort zelf nooit in handen heeft gehad. Daarbij blijkt uit het EU-Vis onderzoek van verweerder dat het uitreisvisum van eiseres vals is geweest, wat duidt op een illegale uitreis. Dit betekent dat eiseres bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging. Over wie de reis voor haar heeft geregeld heeft zij niet wisselend verklaard. Verder heeft eiseres over de gevangenneming van haar echtgenoot naar behoren verklaard, kan niet van haar verwacht worden dat zij zich alle details herinnert en maakt het in wezen niet uit of de personen van de veiligheidsdienst of de inlichtingendienst waren, nu zij beiden voor de autoriteiten werken. Ook zijn de verklaringen van eiseres over het gevangenissysteem gebaseerd op haar eigen ervaringen, in tegenstelling tot wat verweerder haar verwijt, en heeft zij consistent verklaard over de tijdlijn van haar oproepen voor ondervraging en detentie. Eiseres kan over haar verhoren daarnaast niet meer verklaren dan ze heeft gedaan, nu deze summier waren en eiseres niet wist waar echtgenoot was. Daarbij heeft eiseres niet verklaard dat zij gevangen is genomen vanwege haar band met [naam] , maar vanwege haar echtgenoot. Voor wat betreft de afwijzing van haar aanvraag als kennelijk ongegrond verwijst ze naar haar zienswijze. Eiseres is van mening dat zij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt in de zin van artikel 3 van het EVRM. Het bestreden besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Arrestatie en detentie ongeloofwaardig
5. Verweerder vindt de arrestatie en detentie van eiseres naar aanleiding van de gevangenschap van haar echtgenoot ongeloofwaardig. Hiervoor heeft hij eiseres tegengeworpen dat haar verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
5.1.
De rechtbank volgt verweerder niet in zijn tegenwerping dat eiseres vaag heeft verklaard over de arrestatie van haar echtgenoot. Zo heeft eiseres verklaard dat zij met haar kinderen en echtgenoot thuis was en lag te slapen. Omstreeks 2:00 uur ’s nachts hebben vier mensen in burgerkleding bij eiseres aangeklopt, die zich hebben uitgegeven als leden van de veiligheidsdienst. Zij waren op zoek naar haar echtgenoot, hebben hem wakker gemaakt, zich aan hem geïdentificeerd, hem gesommeerd zich aan te kleden en hem geboeid meegenomen. Dit heeft zich afgespeeld in een tijdsspanne van tien minuten en de desbetreffende mannen hebben verder niets gezegd of laten weten. Eiseres is tot aan de ingang van de compound waar zij woonde achter hen aan gelopen, waar haar is verteld terug naar huis te gaan. Hoewel eiseres niet verder in detail heeft kunnen treden over de specifieke kleding die de mannen droegen, wie ze precies waren of waarom ze haar man mee hebben genomen, stelt de rechtbank vast dat eiseres veel van de vragen van verweerder heeft beantwoord. Mede gelet op de omstandigheden van het moment, namelijk dat het meerdere jaren geleden ’s nachts is gebeurd en dat eiseres geschrokken was, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de verklaringen van eiseres op dit punt onvoldoende gedetailleerd zijn.
5.2.
De rechtbank volgt verweerder ook niet zonder nadere motivering in het standpunt dat eiseres ontwijkend zou hebben verklaard over het doen van navraag bij de gevangenis over haar echtgenoot. Eiseres geeft in eerste instantie geen direct antwoord op de vraag wat er gebeurde toen ze bleef doorvragen over haar echtgenoot, maar wanneer de vraag opnieuw gesteld wordt doet ze dat wel. De tweede keer dat dat gebeurt, namelijk wanneer haar wordt gevraagd wanneer zij voor het laatst navraag heeft gedaan bij de gevangenis, is de vraag niet opnieuw gesteld. De rechtbank volgt verweerder eveneens niet zonder nadere motivering in zijn tegenwerping dat de verklaringen van eiseres over het gevangenissysteem niet op haar eigen ervaringen zijn gebaseerd en daardoor te algemeen zijn. Zoals eiseres heeft aangevoerd volgt uit haar eigen verklaring dat zij persoonlijk ervaring heeft met het brengen van eten en kleding naar de gevangenis, mede om te bevestigen dat haar echtgenoot daar nog zat. Dat eiseres ook put uit voor haar algemeen bekende informatie die zij heeft vernomen van anderen, neemt niet weg dat zij ook heeft verklaard over haar eigen ervaring met het gevangenissysteem. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom hij vindt dat eiseres vaag en summier heeft verklaard over haar verhoren. De rechtbank stelt vast dat eiseres heeft verklaard dat zij, zowel voorafgaand als tijdens haar detentie, meermaals voor een half uur tot een uur per keer is ondervraagd over waar haar man is, waarbij zij heeft volgehouden het niet te weten. De rechtbank stelt vast dat eiseres alle vragen van verweerder hierover heeft beantwoord. Waar eiseres meer details had kunnen geven lag het op de weg van verweerder om eiseres meer verdiepende vragen hierover te stellen en haar uit te nodigen om meer beeld te schetsen.
5.3.
Verweerder heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank wel voldoende gemotiveerd tegengeworpen dat zij vaag en inconsistent heeft verklaard over haar oproepen, arrestatie en detentie. Zo heeft verweerder tegen kunnen werpen dat eiseres inconsistent heeft verklaard over het verloop van haar arrestatie. De huisbezoeken zijn volgens eiseres aan haar oproepen voorafgegaan en zij zou in april 2023 voor het laatst zijn bezocht. Zij heeft echter ook verklaard in maart 2023 voor het eerst voor een oproep te zijn meegenomen en in de correcties en aanvullingen maakt zij hier februari 2023 van. Dit strookt niet met haar verklaring dat de huisbezoeken in april 2023 zouden zijn gestopt. Eiseres heeft daarbij in eerste instantie verklaard dat zij drie of vier keer was opgeroepen voor verhoor in de Karsheli gevangenis voorafgaand aan haar detentie. Daarna geeft eiseres aan dat zij “vaak” is opgeroepen, binnen één week zelfs vier keer, maar dat zij niet precies weet hoeveel keer en uiteindelijk verklaart eiseres vijf of zes keer te zijn meegenomen. Verweerder heeft eiseres ook tegen kunnen werpen dat zij voor het laatst kleding naar haar man in de gevangenis stelt te hebben gebracht in juli 2023, voorafgaand aan haar eigen detentie. Later verklaart eiseres in mei 2023 in detentie te zijn geplaatst, met haar vrijlating in juli 2023, en in de correcties en aanvulling maakt zij hier mei of april 2023 van. Verder is uit de bevraging van verweerder in EU-Vis gebleken dat het paspoort van eiseres is afgegeven op 8 februari 2023. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat dit tegenstrijdig is met haar verklaring dat dit paspoort pas na haar detentie door haar schoonfamilie is aangevraagd.
5.4.
Daar komt bij dat verweerder eiseres tegen heeft kunnen werpen dat zij de relatie tussen haar man en [naam] niet heeft aangetoond. Eiseres heeft in de zienswijze weliswaar bestreden dat haar problemen iets te maken hebben met [naam] , maar uit haar relaas volgt wel dat zij vermoed dat hij een rol speelt in de oorsprong van haar gestelde problemen. Ook heeft zij verklaard mede over [naam] te zijn ondervraagd. Ter zitting heeft eiseres bevestigd dat zij denkt dat haar man gevangen is genomen vanwege zijn familiebanden met [naam] en dat zij weer is ondervraagd en gevangengenomen vanwege haar banden met haar man. Daarbij heeft eiseres in beroep de relatie tussen haar man en [naam] alsnog willen onderbouwen met een kopie van het Duitse paspoort van [naam] en een getuigenverklaring per mail van [naam] , waarin hij aangeeft dat de echtgenoot van eiseres een neef van hem is. Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen hier geen bewijswaarde aan toe te kennen. Het paspoort betreft immers een kopie die niet op echtheid onderzocht kan worden en beide stukken zijn onvoldoende (objectief) om de gestelde familieband aannemelijk te maken. De rechtbank kan verweerder hierin volgen.
5.5.
In de overwegingen onder 5.3 en 5.4 ziet de rechtbank voldoende onderbouwing om de conclusie van verweerder te kunnen dragen. Verweerder heeft de door eiseres gestelde arrestatie en detentie naar aanleiding van de gevangenschap van haar echtgenoot niet geloofwaardig mogen achten. De tegenwerpingen die blijven staan, raken namelijk de kern van het asielrelaas van eiseres, namelijk de aanleiding van de gestelde arrestatie en detentie en de tijdlijn van gebeurtenissen die ertoe hebben geleid dat eiseres is gevlucht uit Eritrea. Eiseres heeft hierover vaag, inconsistent en zelfs tegenstrijdig verklaard wat voor verweerder afbreuk heeft kunnen doen aan de geloofwaardigheid van de door eiseres gestelde problemen. Daarbij is niet gebleken dat niet van eiseres verwacht kon worden dat zij hierover duidelijk en consistent kon verklaren, nu haar referentiekader enkel een beperkte vaardigheid in lezen en schrijven betreft.
Illegale uitreis
6. Eiseres heeft verklaard dat zij op illegale wijze Eritrea uit is gereisd. Haar paspoort heeft haar schoonfamilie geregeld en heeft zij zelf nooit in handen gehad, dus zij denkt dat het op frauduleuze wijze is verkregen. De reisagenten die haar hebben geholpen, hebben haar hiermee door de douane gekregen. Daarbij blijkt volgens eiseres uit de bevragingen van verweerder in EU-Vis dat het uitreisvisum van eiseres ‘false’ was. Dit onderschrijft haar illegale uitreis, wat gelet op algemene landeninformatie een risico bij terugkeer oplevert.
6.1.
Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de melding ‘false’ in EU-Vis duidt op de vraag of een visum is afgegeven in de vertegenwoordiging van een andere lidstaat. Hierbij heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 13 september 2023 waarin deze uitleg wordt bevestigd. Het daarin genoemde visum betreft bovendien het Schengenvisum, waarmee de vreemdeling het Schengengebied in kan reizen, en dus niet het door de Eritrese autoriteiten afgegeven uitreisvisum. In dit geval betekent het dus dat de Italiaanse autoriteiten zelf aan eiseres een visum hebben toegekend, zodat zij het Schengengebied in kon reizen. Uit EU-Vis blijkt dat dit visum is aangevraagd met een echt bevonden paspoort dat is afgegeven door de Eritrese autoriteiten op 8 februari 2023. Anders dan eiseres stelt, blijkt uit EU-Vis ook dat bij de aanvraag van het Schengenvisum haar eigen vingerafdrukken zijn genomen. Het verkrijgen van een paspoort is volgens het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van december 2023 bovendien gekoppeld aan internationaal reizen, waarvoor ook een uitreisvisum nodig is. Uit de verklaring van eiseres blijkt niet dat haar uitreisvisum frauduleus is verkregen en dit blijkt ook overigens niet uit het dossier. Uit de verklaring van eiseres blijkt wel dat zij bij haar uitreis op het vliegveld is gecontroleerd en hierbij geen problemen heeft ondervonden. Verweerder heeft zich naar oordeel van de rechtbank daarom op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiseres Eritrea illegaal uit is gereisd.
6.2.
Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat zelfs als zij met een uitreisvisum is uitgereisd, de termijn van het uitreisvisum inmiddels voorbij is en dus een probleem zal opleveren bij terugkeer.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat in het AAB 2023 staat dat op het uitreisvisum van personen die het land legaal verlieten, de datum van uitreis werd vermeld. De duur van een uitreisvisum verschilde en was ook sterk onderhevig aan inconsistentie en willekeur. Normaliter werd een uitreisvisum uitgegeven voor een enkele uitreis met een geldigheid van één maand. Het zou echter mogelijk zijn om uitreisvisa af te geven voor meerdere uitreizen, met een totale geldigheid van drie maanden. Volgens een bron werd een uitreisvisum in eerste instantie voor een korte periode afgegeven, maar werd deze periode langer naarmate vaker een uitreisvisum werd uitgegeven, omdat het vertrouwen dan toenam. Personen die later terugkwamen dan toegestaan vanuit het buitenland, konden volgens een vertrouwelijke bron te maken krijgen met nadelige gevolgen, waaronder detentie. Volgens een ander rapport betekende terugkeer na afloop van een uitreisvisum niet noodzakelijkerwijs illegaal verblijf in het buitenland, tenzij er sprake was van uitzonderlijke omstandigheden. Van personen die reisden voor een officieel bezoek in het buitenland werd verwacht dat zij terugkeren naar Eritrea na afloop van het bezoek (de periode waarvoor het uitreisvisum werd afgegeven). Indien zij niet terugkeerden na het bezoek liepen zij het risico dat verblijf in het buitenland als illegaal werd beschouwd.
6.4.
In het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van december 2025 staat dat hoewel uit twee bronnen die werden opgenomen in het vorige ambtsbericht kon worden opgemaakt dat aan het uitreisvisum (in bepaalde gevallen van officiële reisdoelen) een termijn verbonden was waarbinnen de houder moest terugkeren naar Eritrea, verschillende andere dienaangaande geraadpleegde bronnen expliciet aangaven dat er aan een uitreisvisum geen terugkeertermijn verbonden was. Uit de bronnen blijkt dat op het uitreisvisum van personen die het land legaal verlieten een geldigheidsdatum (date of expiry) stond vermeld, welke inhield dat de houder van het uitreisvisum voor die datum Eritrea moest hebben verlaten. Na vertrek kon de houder op elk willekeurig moment terugkeren naar Eritrea. Eén bron voegde hier de nuancering aan toe dat in sommige gevallen op het uitreisvisum weliswaar een toegestane verblijfsperiode in het buitenland stond vermeld (period of stay), maar dat een langer verblijf in het buitenland doorgaans niet problematisch was zolang de migrant tijdens het verblijf loyaliteit aan het regime had getoond. Het aantonen van de loyaliteit gebeurde bijvoorbeeld door het zich onthouden van anti-regime uitingen en het bijwonen van pro-regime manifestaties. De belangrijkste wijze om deze loyaliteit aan te tonen was het tekenen van een regret form en het voldoen van de diasporabelasting.
6.5.
Verder staat in dit ambtsbericht dat er tijdens het tijdsbestek van het onderhavige onderzoek geen specifieke informatie is gevonden over de eventuele risico’s bij terugkeer voor Eritreeërs die vrijwillig terugkeerden naar Eritrea, maar niet meer over het paspoort met uitreisvisum beschikten waarmee zij het land hadden verlaten.
6.6.
De rechtbank heeft verweerder ter zitting meermaals gevraagd om een standpunt over het risico voor eiseres wanneer zij na een legale uitreis terugkeert na het verstrijken van de termijn die volgens haar in het uitreisvisum is opgenomen. Verweerder heeft de vragen van de rechtbank hierover niet kunnen beantwoorden. Bij gebrek aan een standpunt hierover en gezien de hiervoor weergegeven passages uit de AAB 2023 en 2025, overweegt de rechtbank dat het besluit op dit punt een motiveringsgebrek bevat. Het is voor de rechtbank namelijk onduidelijk gebleven of verweerder eiseres volgt in de stelling dat aan het uitreisvisum een termijn is verbonden en zo ja, of hij in het verstrijken van deze termijn een risico ziet voor eiseres bij terugkeer. Daarbij komt dat niet in geschil is dat eiseres niet meer over het paspoort met uitreisvisum beschikt. Het beroep is in zoverre dan ook gegrond.
Kennelijk ongegrond
7. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres onder andere kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Dit houdt in dat eiseres wordt tegengeworpen dat zij documenten niet heeft afgegeven die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben. Uit informatie van EU-Vis blijkt namelijk dat zij een paspoort heeft gebruikt om Eritrea uit te reizen, maar eiseres heeft dit niet overgelegd. Eiseres heeft hierover aangevoerd dat het paspoort door haar schoonfamilie is aangevraagd en dat zij het nooit in handen heeft gehad. Zelfs al had zij dat gewild, was zij niet in de gelegenheid om het aan verweerder te overhandigen. Van misleiding of achterhouden is dus geen sprake.
7.1.
Volgens paragraaf C2/7.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) is van misleiding in ieder geval sprake wanneer de vreemdeling relevante informatie of documenten heeft achtergehouden dan wel zich heeft ontdaan van deze documenten, zoals bijvoorbeeld een paspoort. Hoewel eiseres volgens haar verklaring het paspoort nooit in handen heeft gehad, heeft verweerder dit onvoldoende kunnen vinden om haar het ontbreken van het paspoort niet tegen te werpen, nu uit de verklaringen van eiseres niet is gesteld of gebleken dat sprake is geweest van dwang van de zijde van de reisagenten die haar door de douane geholpen hebben. Zij heeft, al dan niet op advies van familie, ingestemd met deze gang van zaken en het komt voor haar rekening en risico dat zij haar paspoort in hun handen heeft gelaten. Daarbij heeft verweerder eiseres terecht tegengeworpen dat zij op de hoogte is van het belang van originele documenten, nu zij wel een originele identiteitskaart heeft overgelegd om haar identiteit te onderbouwen. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres dan ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
7.2.
Nu verweerder gelet op het voorgaande alleen al hierom de asielaanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, behoeven de andere gronden daarvoor geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder de illegale uitreis van eiseres en haar arrestatie en detentie naar aanleiding van de gevangenschap van haar echtgenoot ongeloofwaardig kunnen achten.
8.1.
Zoals hiervoor is overwogen onder 6.6 is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb wat betreft de motivering van het risico bij terugkeer. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
8.2.
Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
8.3.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling.
8.4.
De voorzieningenrechter ziet in wat hiervoor is overwogen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Deze houdt in dat het bestreden besluit is geschorst tot de uitspraak op het beroep.
8.5.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit tot de uitspraak op het beroep.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, d en e, van de Vw.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Verslag combigehoor, pag. 14 t/m 17.
Verslag combigehoor, pag. 19 en 20.
Verslag combigehoor, pag. 17 en 18.
Verslag combigehoor, pag. 21.
Verslag combigehoor, pag. 22.
Verslag combigehoor, pag. 11.
Verslag combigehoor, pag. 22.
Verslag combigehoor, pag. 24.
Verslag combigehoor, pag. 18.
Verslag combigehoor, pag. 28.
Verslag combigehoor, pag. 6.
ECLI:NL:RVS:2023:3457.
AAB 2023, zie pagina 19.
AAB 2025, pagina 26 en 27.
Idem, pagina 54.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1164.
Artikel 30b, lid 1, aanhef en onder d en e, van de Vw.
Algemene wet bestuursrecht.
Zie de uitspraak van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54374 en NL25.54375
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer en uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).
Procesverloop
1. In deze tussenuitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter haar verzoek om een voorlopige voorziening. Eiseres heeft op 12 september 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 31 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. Solomon als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1969 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Zij heeft het volgende aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd. De echtgenoot van eiseres zit sinds eind 2019/begin 2020 in de gevangenis, misschien vanwege zijn familiebanden met [naam] , één van de Eritrese G-15. Zij heeft hem in het begin meermaals eten gebracht, kleding en bij de bewaking nagevraagd of hij daar nog zat. Drie jaar na de gevangenneming van haar echtgenoot werd eiseres meerdere keren ondervraagd door mensen van de veiligheidsdienst over haar echtgenoot. Dit gebeurde zowel bij eiseres thuis als in de gevangenis. Eiseres heeft steevast aangegeven enkel te weten dat hij in de gevangenis zit en uiteindelijk is zij zelf opgepakt en heeft zij een maand en twee weken vastgezeten. Tijdens haar gevangenschap is zij ook bevraagd over haar echtgenoot. Na haar vrijlating heeft zij met behulp van (schoon)familie illegaal het land kunnen verlaten. Bij terugkeer vreest eiseres opnieuw gevangen genomen te worden.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft drie asielmotieven herleid uit het asielrelaas van eiseres. Haar identiteit, nationaliteit en herkomst zijn geloofwaardig. Dat eiseres illegaal Eritrea uit is gereisd en zelf is gearresteerd en gevangen is genomen naar aanleiding van de gevangenschap van haar echtgenoot, gelooft verweerder niet. Hiertoe wordt eiseres tegengeworpen dat zij haar asielrelaas niet heeft onderbouwd met objectieve documenten. Ook vormen de verklaringen van eiseres geen aannemelijk en samenhangend geheel. Verweerder komt daarom tot de conclusie dat eiseres geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat niet aannemelijk is dat zij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt in de zin van artikel 3 van het EVRM. De asielaanvraag van eiseres wordt daarnaast afgewezen als kennelijk ongegrond omdat zij belangrijke informatie en documenten die een negatieve invloed hebben op de beslissing niet heeft afgegeven, omdat zij haar paspoort heeft vernietigd of weggemaakt en omdat haar verklaringen worden beoordeeld als kennelijk inconsequent, tegenstrijdig en vals. Tot slot heeft verweerder eiseres een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Zij betwist te hebben verklaard te hebben gereisd met een vals paspoort, enkel dat het vervalst was omdat zij het niet zelf heef aangevraagd, maar het voor haar geregeld is. Verweerder mocht ook niet van haar verwachten dat zij het zou kunnen overleggen, omdat zij het paspoort zelf nooit in handen heeft gehad. Daarbij blijkt uit het EU-Vis onderzoek van verweerder dat het uitreisvisum van eiseres vals is geweest, wat duidt op een illegale uitreis. Dit betekent dat eiseres bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging. Over wie de reis voor haar heeft geregeld heeft zij niet wisselend verklaard. Verder heeft eiseres over de gevangenneming van haar echtgenoot naar behoren verklaard, kan niet van haar verwacht worden dat zij zich alle details herinnert en maakt het in wezen niet uit of de personen van de veiligheidsdienst of de inlichtingendienst waren, nu zij beiden voor de autoriteiten werken. Ook zijn de verklaringen van eiseres over het gevangenissysteem gebaseerd op haar eigen ervaringen, in tegenstelling tot wat verweerder haar verwijt, en heeft zij consistent verklaard over de tijdlijn van haar oproepen voor ondervraging en detentie. Eiseres kan over haar verhoren daarnaast niet meer verklaren dan ze heeft gedaan, nu deze summier waren en eiseres niet wist waar echtgenoot was. Daarbij heeft eiseres niet verklaard dat zij gevangen is genomen vanwege haar band met [naam] , maar vanwege haar echtgenoot. Voor wat betreft de afwijzing van haar aanvraag als kennelijk ongegrond verwijst ze naar haar zienswijze. Eiseres is van mening dat zij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt in de zin van artikel 3 van het EVRM. Het bestreden besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Arrestatie en detentie ongeloofwaardig
5. Verweerder vindt de arrestatie en detentie van eiseres naar aanleiding van de gevangenschap van haar echtgenoot ongeloofwaardig. Hiervoor heeft hij eiseres tegengeworpen dat haar verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
5.1.
De rechtbank volgt verweerder niet in zijn tegenwerping dat eiseres vaag heeft verklaard over de arrestatie van haar echtgenoot. Zo heeft eiseres verklaard dat zij met haar kinderen en echtgenoot thuis was en lag te slapen. Omstreeks 2:00 uur ’s nachts hebben vier mensen in burgerkleding bij eiseres aangeklopt, die zich hebben uitgegeven als leden van de veiligheidsdienst. Zij waren op zoek naar haar echtgenoot, hebben hem wakker gemaakt, zich aan hem geïdentificeerd, hem gesommeerd zich aan te kleden en hem geboeid meegenomen. Dit heeft zich afgespeeld in een tijdsspanne van tien minuten en de desbetreffende mannen hebben verder niets gezegd of laten weten. Eiseres is tot aan de ingang van de compound waar zij woonde achter hen aan gelopen, waar haar is verteld terug naar huis te gaan. Hoewel eiseres niet verder in detail heeft kunnen treden over de specifieke kleding die de mannen droegen, wie ze precies waren of waarom ze haar man mee hebben genomen, stelt de rechtbank vast dat eiseres veel van de vragen van verweerder heeft beantwoord. Mede gelet op de omstandigheden van het moment, namelijk dat het meerdere jaren geleden ’s nachts is gebeurd en dat eiseres geschrokken was, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de verklaringen van eiseres op dit punt onvoldoende gedetailleerd zijn.
5.2.
De rechtbank volgt verweerder ook niet zonder nadere motivering in het standpunt dat eiseres ontwijkend zou hebben verklaard over het doen van navraag bij de gevangenis over haar echtgenoot. Eiseres geeft in eerste instantie geen direct antwoord op de vraag wat er gebeurde toen ze bleef doorvragen over haar echtgenoot, maar wanneer de vraag opnieuw gesteld wordt doet ze dat wel. De tweede keer dat dat gebeurt, namelijk wanneer haar wordt gevraagd wanneer zij voor het laatst navraag heeft gedaan bij de gevangenis, is de vraag niet opnieuw gesteld. De rechtbank volgt verweerder eveneens niet zonder nadere motivering in zijn tegenwerping dat de verklaringen van eiseres over het gevangenissysteem niet op haar eigen ervaringen zijn gebaseerd en daardoor te algemeen zijn. Zoals eiseres heeft aangevoerd volgt uit haar eigen verklaring dat zij persoonlijk ervaring heeft met het brengen van eten en kleding naar de gevangenis, mede om te bevestigen dat haar echtgenoot daar nog zat. Dat eiseres ook put uit voor haar algemeen bekende informatie die zij heeft vernomen van anderen, neemt niet weg dat zij ook heeft verklaard over haar eigen ervaring met het gevangenissysteem. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom hij vindt dat eiseres vaag en summier heeft verklaard over haar verhoren. De rechtbank stelt vast dat eiseres heeft verklaard dat zij, zowel voorafgaand als tijdens haar detentie, meermaals voor een half uur tot een uur per keer is ondervraagd over waar haar man is, waarbij zij heeft volgehouden het niet te weten. De rechtbank stelt vast dat eiseres alle vragen van verweerder hierover heeft beantwoord. Waar eiseres meer details had kunnen geven lag het op de weg van verweerder om eiseres meer verdiepende vragen hierover te stellen en haar uit te nodigen om meer beeld te schetsen.
5.3.
Verweerder heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank wel voldoende gemotiveerd tegengeworpen dat zij vaag en inconsistent heeft verklaard over haar oproepen, arrestatie en detentie. Zo heeft verweerder tegen kunnen werpen dat eiseres inconsistent heeft verklaard over het verloop van haar arrestatie. De huisbezoeken zijn volgens eiseres aan haar oproepen voorafgegaan en zij zou in april 2023 voor het laatst zijn bezocht. Zij heeft echter ook verklaard in maart 2023 voor het eerst voor een oproep te zijn meegenomen en in de correcties en aanvullingen maakt zij hier februari 2023 van. Dit strookt niet met haar verklaring dat de huisbezoeken in april 2023 zouden zijn gestopt. Eiseres heeft daarbij in eerste instantie verklaard dat zij drie of vier keer was opgeroepen voor verhoor in de Karsheli gevangenis voorafgaand aan haar detentie. Daarna geeft eiseres aan dat zij “vaak” is opgeroepen, binnen één week zelfs vier keer, maar dat zij niet precies weet hoeveel keer en uiteindelijk verklaart eiseres vijf of zes keer te zijn meegenomen. Verweerder heeft eiseres ook tegen kunnen werpen dat zij voor het laatst kleding naar haar man in de gevangenis stelt te hebben gebracht in juli 2023, voorafgaand aan haar eigen detentie. Later verklaart eiseres in mei 2023 in detentie te zijn geplaatst, met haar vrijlating in juli 2023, en in de correcties en aanvulling maakt zij hier mei of april 2023 van. Verder is uit de bevraging van verweerder in EU-Vis gebleken dat het paspoort van eiseres is afgegeven op 8 februari 2023. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat dit tegenstrijdig is met haar verklaring dat dit paspoort pas na haar detentie door haar schoonfamilie is aangevraagd.
5.4.
Daar komt bij dat verweerder eiseres tegen heeft kunnen werpen dat zij de relatie tussen haar man en [naam] niet heeft aangetoond. Eiseres heeft in de zienswijze weliswaar bestreden dat haar problemen iets te maken hebben met [naam] , maar uit haar relaas volgt wel dat zij vermoed dat hij een rol speelt in de oorsprong van haar gestelde problemen. Ook heeft zij verklaard mede over [naam] te zijn ondervraagd. Ter zitting heeft eiseres bevestigd dat zij denkt dat haar man gevangen is genomen vanwege zijn familiebanden met [naam] en dat zij weer is ondervraagd en gevangengenomen vanwege haar banden met haar man. Daarbij heeft eiseres in beroep de relatie tussen haar man en [naam] alsnog willen onderbouwen met een kopie van het Duitse paspoort van [naam] en een getuigenverklaring per mail van [naam] , waarin hij aangeeft dat de echtgenoot van eiseres een neef van hem is. Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen hier geen bewijswaarde aan toe te kennen. Het paspoort betreft immers een kopie die niet op echtheid onderzocht kan worden en beide stukken zijn onvoldoende (objectief) om de gestelde familieband aannemelijk te maken. De rechtbank kan verweerder hierin volgen.
5.5.
In de overwegingen onder 5.3 en 5.4 ziet de rechtbank voldoende onderbouwing om de conclusie van verweerder te kunnen dragen. Verweerder heeft de door eiseres gestelde arrestatie en detentie naar aanleiding van de gevangenschap van haar echtgenoot niet geloofwaardig mogen achten. De tegenwerpingen die blijven staan, raken namelijk de kern van het asielrelaas van eiseres, namelijk de aanleiding van de gestelde arrestatie en detentie en de tijdlijn van gebeurtenissen die ertoe hebben geleid dat eiseres is gevlucht uit Eritrea. Eiseres heeft hierover vaag, inconsistent en zelfs tegenstrijdig verklaard wat voor verweerder afbreuk heeft kunnen doen aan de geloofwaardigheid van de door eiseres gestelde problemen. Daarbij is niet gebleken dat niet van eiseres verwacht kon worden dat zij hierover duidelijk en consistent kon verklaren, nu haar referentiekader enkel een beperkte vaardigheid in lezen en schrijven betreft.
Illegale uitreis
6. Eiseres heeft verklaard dat zij op illegale wijze Eritrea uit is gereisd. Haar paspoort heeft haar schoonfamilie geregeld en heeft zij zelf nooit in handen gehad, dus zij denkt dat het op frauduleuze wijze is verkregen. De reisagenten die haar hebben geholpen, hebben haar hiermee door de douane gekregen. Daarbij blijkt volgens eiseres uit de bevragingen van verweerder in EU-Vis dat het uitreisvisum van eiseres ‘false’ was. Dit onderschrijft haar illegale uitreis, wat gelet op algemene landeninformatie een risico bij terugkeer oplevert.
6.1.
Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de melding ‘false’ in EU-Vis duidt op de vraag of een visum is afgegeven in de vertegenwoordiging van een andere lidstaat. Hierbij heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 13 september 2023 waarin deze uitleg wordt bevestigd. Het daarin genoemde visum betreft bovendien het Schengenvisum, waarmee de vreemdeling het Schengengebied in kan reizen, en dus niet het door de Eritrese autoriteiten afgegeven uitreisvisum. In dit geval betekent het dus dat de Italiaanse autoriteiten zelf aan eiseres een visum hebben toegekend, zodat zij het Schengengebied in kon reizen. Uit EU-Vis blijkt dat dit visum is aangevraagd met een echt bevonden paspoort dat is afgegeven door de Eritrese autoriteiten op 8 februari 2023. Anders dan eiseres stelt, blijkt uit EU-Vis ook dat bij de aanvraag van het Schengenvisum haar eigen vingerafdrukken zijn genomen. Het verkrijgen van een paspoort is volgens het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van december 2023 bovendien gekoppeld aan internationaal reizen, waarvoor ook een uitreisvisum nodig is. Uit de verklaring van eiseres blijkt niet dat haar uitreisvisum frauduleus is verkregen en dit blijkt ook overigens niet uit het dossier. Uit de verklaring van eiseres blijkt wel dat zij bij haar uitreis op het vliegveld is gecontroleerd en hierbij geen problemen heeft ondervonden. Verweerder heeft zich naar oordeel van de rechtbank daarom op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiseres Eritrea illegaal uit is gereisd.
6.2.
Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat zelfs als zij met een uitreisvisum is uitgereisd, de termijn van het uitreisvisum inmiddels voorbij is en dus een probleem zal opleveren bij terugkeer.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat in het AAB 2023 staat dat op het uitreisvisum van personen die het land legaal verlieten, de datum van uitreis werd vermeld. De duur van een uitreisvisum verschilde en was ook sterk onderhevig aan inconsistentie en willekeur. Normaliter werd een uitreisvisum uitgegeven voor een enkele uitreis met een geldigheid van één maand. Het zou echter mogelijk zijn om uitreisvisa af te geven voor meerdere uitreizen, met een totale geldigheid van drie maanden. Volgens een bron werd een uitreisvisum in eerste instantie voor een korte periode afgegeven, maar werd deze periode langer naarmate vaker een uitreisvisum werd uitgegeven, omdat het vertrouwen dan toenam. Personen die later terugkwamen dan toegestaan vanuit het buitenland, konden volgens een vertrouwelijke bron te maken krijgen met nadelige gevolgen, waaronder detentie. Volgens een ander rapport betekende terugkeer na afloop van een uitreisvisum niet noodzakelijkerwijs illegaal verblijf in het buitenland, tenzij er sprake was van uitzonderlijke omstandigheden. Van personen die reisden voor een officieel bezoek in het buitenland werd verwacht dat zij terugkeren naar Eritrea na afloop van het bezoek (de periode waarvoor het uitreisvisum werd afgegeven). Indien zij niet terugkeerden na het bezoek liepen zij het risico dat verblijf in het buitenland als illegaal werd beschouwd.
6.4.
In het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van december 2025 staat dat hoewel uit twee bronnen die werden opgenomen in het vorige ambtsbericht kon worden opgemaakt dat aan het uitreisvisum (in bepaalde gevallen van officiële reisdoelen) een termijn verbonden was waarbinnen de houder moest terugkeren naar Eritrea, verschillende andere dienaangaande geraadpleegde bronnen expliciet aangaven dat er aan een uitreisvisum geen terugkeertermijn verbonden was. Uit de bronnen blijkt dat op het uitreisvisum van personen die het land legaal verlieten een geldigheidsdatum (date of expiry) stond vermeld, welke inhield dat de houder van het uitreisvisum voor die datum Eritrea moest hebben verlaten. Na vertrek kon de houder op elk willekeurig moment terugkeren naar Eritrea. Eén bron voegde hier de nuancering aan toe dat in sommige gevallen op het uitreisvisum weliswaar een toegestane verblijfsperiode in het buitenland stond vermeld (period of stay), maar dat een langer verblijf in het buitenland doorgaans niet problematisch was zolang de migrant tijdens het verblijf loyaliteit aan het regime had getoond. Het aantonen van de loyaliteit gebeurde bijvoorbeeld door het zich onthouden van anti-regime uitingen en het bijwonen van pro-regime manifestaties. De belangrijkste wijze om deze loyaliteit aan te tonen was het tekenen van een regret form en het voldoen van de diasporabelasting.
6.5.
Verder staat in dit ambtsbericht dat er tijdens het tijdsbestek van het onderhavige onderzoek geen specifieke informatie is gevonden over de eventuele risico’s bij terugkeer voor Eritreeërs die vrijwillig terugkeerden naar Eritrea, maar niet meer over het paspoort met uitreisvisum beschikten waarmee zij het land hadden verlaten.
6.6.
De rechtbank heeft verweerder ter zitting meermaals gevraagd om een standpunt over het risico voor eiseres wanneer zij na een legale uitreis terugkeert na het verstrijken van de termijn die volgens haar in het uitreisvisum is opgenomen. Verweerder heeft de vragen van de rechtbank hierover niet kunnen beantwoorden. Bij gebrek aan een standpunt hierover en gezien de hiervoor weergegeven passages uit de AAB 2023 en 2025, overweegt de rechtbank dat het besluit op dit punt een motiveringsgebrek bevat. Het is voor de rechtbank namelijk onduidelijk gebleven of verweerder eiseres volgt in de stelling dat aan het uitreisvisum een termijn is verbonden en zo ja, of hij in het verstrijken van deze termijn een risico ziet voor eiseres bij terugkeer. Daarbij komt dat niet in geschil is dat eiseres niet meer over het paspoort met uitreisvisum beschikt. Het beroep is in zoverre dan ook gegrond.
Kennelijk ongegrond
7. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres onder andere kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Dit houdt in dat eiseres wordt tegengeworpen dat zij documenten niet heeft afgegeven die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben. Uit informatie van EU-Vis blijkt namelijk dat zij een paspoort heeft gebruikt om Eritrea uit te reizen, maar eiseres heeft dit niet overgelegd. Eiseres heeft hierover aangevoerd dat het paspoort door haar schoonfamilie is aangevraagd en dat zij het nooit in handen heeft gehad. Zelfs al had zij dat gewild, was zij niet in de gelegenheid om het aan verweerder te overhandigen. Van misleiding of achterhouden is dus geen sprake.
7.1.
Volgens paragraaf C2/7.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) is van misleiding in ieder geval sprake wanneer de vreemdeling relevante informatie of documenten heeft achtergehouden dan wel zich heeft ontdaan van deze documenten, zoals bijvoorbeeld een paspoort. Hoewel eiseres volgens haar verklaring het paspoort nooit in handen heeft gehad, heeft verweerder dit onvoldoende kunnen vinden om haar het ontbreken van het paspoort niet tegen te werpen, nu uit de verklaringen van eiseres niet is gesteld of gebleken dat sprake is geweest van dwang van de zijde van de reisagenten die haar door de douane geholpen hebben. Zij heeft, al dan niet op advies van familie, ingestemd met deze gang van zaken en het komt voor haar rekening en risico dat zij haar paspoort in hun handen heeft gelaten. Daarbij heeft verweerder eiseres terecht tegengeworpen dat zij op de hoogte is van het belang van originele documenten, nu zij wel een originele identiteitskaart heeft overgelegd om haar identiteit te onderbouwen. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres dan ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
7.2.
Nu verweerder gelet op het voorgaande alleen al hierom de asielaanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, behoeven de andere gronden daarvoor geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder de illegale uitreis van eiseres en haar arrestatie en detentie naar aanleiding van de gevangenschap van haar echtgenoot ongeloofwaardig kunnen achten.
8.1.
Zoals hiervoor is overwogen onder 6.6 is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb wat betreft de motivering van het risico bij terugkeer. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
8.2.
Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
8.3.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling.
8.4.
De voorzieningenrechter ziet in wat hiervoor is overwogen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Deze houdt in dat het bestreden besluit is geschorst tot de uitspraak op het beroep.
8.5.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit tot de uitspraak op het beroep.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, d en e, van de Vw.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Verslag combigehoor, pag. 14 t/m 17.
Verslag combigehoor, pag. 19 en 20.
Verslag combigehoor, pag. 17 en 18.
Verslag combigehoor, pag. 21.
Verslag combigehoor, pag. 22.
Verslag combigehoor, pag. 11.
Verslag combigehoor, pag. 22.
Verslag combigehoor, pag. 24.
Verslag combigehoor, pag. 18.
Verslag combigehoor, pag. 28.
Verslag combigehoor, pag. 6.
ECLI:NL:RVS:2023:3457.
AAB 2023, zie pagina 19.
AAB 2025, pagina 26 en 27.
Idem, pagina 54.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1164.
Artikel 30b, lid 1, aanhef en onder d en e, van de Vw.
Algemene wet bestuursrecht.
Zie de uitspraak van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.