Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20797

2026-02-17 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.62131 en NL25.62132
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-02-17
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.62131 en NL25.62132
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel; gestelde problemen uit het asielrelaas heeft verweerder niet geloofwaardig hoeven achten; niet gebleken dat eiser onder een risicoprofiel valt, een sociale groep of sprake is van eerdere daden van vervolging; terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, lid 1, onder c, Vw; eiser is naast Libië gehoord over terugkeer naar Turkije, verweerder heeft dit dan ook op basis van de removal order in het terugkeerbesluit mogen meenemen; beroep is ongegrond; verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.473 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummers: NL25.62131 en NL25.62132


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen




[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.W. IJland),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 26 november 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.



1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser (via een videoverbinding) en de gemachtigde van verweerder. Eiser heeft zich kort voor de zitting ziekgemeld.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?





Het asielrelaas


2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2002 en de Libische nationaliteit te hebben. Hij heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser werkte bij de justitiële politie als poortwachter voor een gevangenis in Libië. In februari 2025 is eiser telefonisch voorgesteld een gevangene te helpen ontsnappen voor geld. De beller was [naam] , een (hooggeplaatst) lid van de algemene veiligheidsmilitie Alam Alamn. Eiser heeft dit geweigerd, waarna hij door [naam] met de dood is bedreigd. [naam] heeft eiser in mei 2025 nog een keer gebeld en bedreigd. Hierna heeft eiser zijn simkaart vernietigd en zijn telefoon verkocht. Op 25 november 2025 is eiser uit Libië vertrokken. Bij terugkeer vreest eiser door [naam] of anderen van Alam Alamn te worden gedood.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft twee asielmotieven uit het asielrelaas van eiser herleid. Verweerder gelooft zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. De problemen van eiser met [naam] en de militie(s) gelooft verweerder niet. Verweerder werpt eiser tegen dat hij zijn asielrelaas met onvoldoende documenten heeft onderbouwd. Daarnaast vormen zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Verweerder is tot de conclusie gekomen dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook is van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer geen sprake. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser verklaringen heeft afgelegd die kennelijk inconsequent en tegenstrijdig zijn. Tot slot wordt eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor twee jaar opgelegd.



Wat vindt eiser in beroep?



4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt zich op het standpunt dat het ondeugdelijk is gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen. Hij verwijst hiervoor in de eerste plaats naar wat hij in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht. Daarbij voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser niet voldoet aan het individualiseringsvereiste dat geldt voor risicoprofielen. Verweerder heeft verder eisers asielaanvraag niet af kunnen wijzen als kennelijk ongegrond. Het criterium wordt door verweerder contra legem uitgelegd, nu het volgens eiser moet gaan om verklaringen – ongeacht of deze kennelijk inconsequent en tegenstrijdig, kennelijk vals of duidelijk onwaarschijnlijk zijn – die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst. Verweerder heeft dit onjuist toegepast.



Wat is het oordeel van de rechtbank?





Herhaald en ingelast


5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van de zienswijze kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van oordeel is dat het besluit onrechtmatig tot stand gekomen is dan wel gebreken bevat. Dit merkt de rechtbank dan ook niet aan als een beroepsgrond. Op verzoek van de rechtbank heeft de gemachtigde van eiser ter zitting toegelicht dat de verwijzing met name ziet op wat hij eerder heeft aangevoerd over het terugkeerbesluit. Turkije is volgens eiser namelijk geen land van terugkeer in de zin van artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Eiser verwijst hierbij naar uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaatsen Amsterdam en Groningen. Verweerder is hier in het bestreden besluit onvoldoende op ingegaan, waardoor het terugkeerbesluit een gebrek bevat. Verder verwijst eiser naar de in zijn zienswijze ingebrachte social media berichten over de aanval op de gevangenis in 2024. Het is hierbij volgens eiser niet vereist dat de milities het specifiek op hem hadden gemunt en verweerder heeft deze berichten niet weerlegd. De rechtbank zal deze argumenten van eiser verderop in de uitspraak beoordelen.




Geloofwaardigheidsbeoordeling


6. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers gestelde problemen met [naam] en de Alam Alamn niet geloofwaardig zijn. Hiervoor heeft verweerder eiser tegen kunnen werpen dat hij zijn relaas met onvoldoende objectieve documenten heeft onderbouwd. De werkgeversverklaring van eiser over zijn gestelde werkzaamheden is een kopie en kan niet op echtheid worden beoordeeld. Daarbij zegt deze niets over de door eiser gestelde problemen. Verweerder heeft eiser verder kunnen tegenwerpen dat hij ook niets heeft overgelegd over [naam] , terwijl hij heeft verklaard dat hij hem op Facebook had opgezocht en er zo achter kwam dat hij voor de militie werkte.


6.1.
Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder heeft eiser hiervoor tegen kunnen werpen dat het ongerijmd is dat eiser als gevangenisbewaker zijn telefoonnummer aan vreemden geeft, gezien zijn eigen kennis en ervaring rondom de risico’s van zijn werk. Verder heeft verweerder onaannemelijk kunnen vinden dat eiser elders ging wonen uit angst voor [naam] , maar nog wel zijn werkzaamheden heeft voortgezet. Eiser heeft na de laatste bedreiging namelijk nog zes maanden doorgewerkt, terwijl [naam] , en daarmee de militie, wist waar hij werkte. Als zij eiser hadden willen bereiken, had dat – ondanks dat eiser minder is gaan werken – gekund. Ook heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij vaag en ongerijmd heeft verklaard over de stappen die hij heeft genomen nadat hij de bedreigingen ontving, namelijk dat hij zijn vrees niet met zijn collega’s of leidinggevenden heeft gedeeld. Eiser werkte er immers al bijna vier jaar volgens zijn verklaring. Dat eiser niemand vertrouwde heeft verweerder niet hoeven volgen, omdat dit niet te rijmen valt met het feit dat hij wel zijn privénummer aan voor hem onbekende bezoekers van de gevangenis gaf.



6.2.

Over het argument dat eiser onder een risicoprofiel valt – te weten dat van leden van het justitieel apparaat – heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hiervan niet is gebleken. Verweerder heeft de verklaring van eiser dat hij voor de gevangenis heeft gewerkt immers niet geloofwaardig geacht. Voor zover eiser stelt dat hij slachtoffer is geweest van eerdere daden van vervolging of ernstige schade, is daar evenmin van gebleken. De verwijzing van eiser naar de social media berichten rondom de gewapende aanval door milities op de gevangenis in 2024 is hiervoor onvoldoende. Voorop staat dat dit een algemene aanval op de gevangenis is geweest, eiser hierbij niet gewond is geraakt en dit voor eiser geen aanleiding is geweest om te vluchten. Eiser heeft zijn gestelde werkzaamheden na de aanval hervat en pas daarna zijn de gestelde problemen met [naam] en Alam Alamn ontstaan. Verweerder heeft terecht gesteld dat deze gebeurtenis, anders dan eiser ter zitting heeft betoogd, ook niet te herleiden valt tot een vervolgingsgrond uit het Vluchtelingenverdrag. De door eiser ter zitting gestelde toegedichte politieke overtuiging volgt de rechtbank niet, nu eiser in zijn relaas geen (toegedichte) politieke asielmotieven naar voren heeft gebracht. Ook volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat hij gezien moet worden als onderdeel van een sociale groep. Dat een groepering die verweerder heeft aangewezen als risicoprofiel, nog daargelaten dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat eiser hier dus niet onder valt, ook moet worden gezien als sociale groep als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, heeft eiser niet onderbouwd en is de rechtbank ook overigens niet uit jurisprudentie gebleken.

Kennelijk ongegrond


7. Paragraaf C2/7.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) onderscheidt drie categorieën voor de afwijzing als kennelijk ongegrond uit hoofde van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw:


Het verstrekken van kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen;


Het verstrekken van kennelijk valse verklaringen; of


Het verstekken van duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst.





7.1.
In de taalkundige uitleg die eiser aanvoert en waarbij hij betoogt dat verweerder dit moet afzetten tegen landeninformatie ziet de rechtbank geen aanleiding om dit anders te lezen. De rechtbank verwijst hiervoor naar vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter. Verweerder heeft eiser in het bestreden besluit alleen de eerste categorie tegengeworpen, namelijk dat hij kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. De verwijzing van eiser naar de nieuwe Procedureverordening slaagt evenmin, nu dit een andere regeling betreft en dit niet betekent dat de tekst van de huidige regel in de Procedurerichtlijn op de wijze die eiser stelt gelezen moet worden. Verweerder heeft dus kunnen verwijzen naar de verklaringen van eiser waarin hij enerzijds stelde niemand van zijn collega’s en leidinggevenden te vertrouwen en dat hij zich bewust was van de gevaren van zijn werk, maar dat eiser het anderzijds normaal vond om zijn privénummer aan voor hem onbekende bezoekers te geven. Ook heeft verweerder kunnen verwijzen naar de verklaring dat eiser noodzaak zag om onder te duiken en daarom ergens anders is gaan wonen, maar wel is blijven werken op de plek waar hij gevonden zou kunnen worden. Verweerder heeft naar oordeel van de rechtbank de asielaanvraag van eiser dan ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.



Terugkeer naar Turkije

8. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte terugstuurt naar Turkije, omdat Turkije geen land van terugkeer is in de zin van artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank verwijst hiervoor naar haar uitspraken van 24 april 2025. In deze uitspraken heeft de rechtbank onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling overwogen dat het voor verweerder mogelijk is om een vreemdeling op basis van een removal order naar een derde land te sturen, via welk land de vreemdeling het EU-gebied is binnengekomen, als verweerder dit in een – zo nodig aanvullend – terugkeerbesluit opneemt. Wel zal verweerder moeten beoordelen, als een bepaald land wordt genoemd in het terugkeerbesluit, of eiser in dat land gevrijwaard is van het risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Om dit naar behoren te kunnen doen, zal de vreemdeling over een eventuele terugkeer naar het genoemde land – zo nodig aanvullend – moeten worden gehoord.




8.1.
Verweerder heeft in het terugkeerbesluit opgenomen dat eiser moet terugkeren naar Libië, maar dat eiser op basis van een aanwezige removal order ook naar de luchthaven van Istanbul gestuurd kan worden. Eiser is tijdens het nader gehoor bevraagd over een mogelijke terugkeer naar Turkije, op basis van de removal order. In reactie op de vraag of er redenen zijn waarom hij niet naar Turkije zou kunnen, geeft eiser aan: “Ik heb omstandigheden, want als ik terugga naar Istanbul dan moet ik terug naar Libië.” In beroep heeft eiser hier geen aanvulling op gegeven. Verweerder heeft gelet hierop terecht geen reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM gezien, als eiser op grond van de removal order via Istanbul terug naar Libië wordt gestuurd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder Turkije niet in het terugkeerbesluit op heeft kunnen nemen. De verwijzing van eiser naar de uitspraken van zittingsplaatsen Amsterdam en Groningen slaagt dan ook niet.





Conclusie en gevolgen

9. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft.

10. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw.


Zaaknummers NL25.35651 en NL25.35652, niet gepubliceerd.


Zie de uitspraak van 18 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:13947.


Zie paragraaf C7/22.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).


Verslag nader gehoor, pag. 6.


Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:729 en de uitspraak van 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1943.


Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU.


RICHTLIJN 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming.


Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.


ECLI:NL:RBDHA:2025:7929 en ECLI:NL:RBDHA:2025:7930.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2843.


Verslag nader gehoor, pag. 22.