Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20795

2026-06-17 Bestuursrecht; Omgevingsrecht SGR 25/3041
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-17
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/3041
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wabo. Beroep gegrond. Eiser is belanghebbende bij verlening van de omgevingsvergunning. Het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Uit peilmeting blijkt dat het college de bouwhoogte onjuist heeft vastgesteld. Het college heeft de omgevingsvergunning niet kunnen verlenen met de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Het bouwplan overschrijdt de maximaal toegestane bouwhoogte.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (29.077 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 25/3041


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Heuker of Hoek),


en


het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas, het college (gemachtigde: mr. E. van Bennekom).


Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] B.V. uit [plaats 1] (vergunninghoudster)(gemachtigde: mr. A. J. Flipse).



Samenvatting


1. Het college heeft aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 16 appartementen op de [locatie] . Het bezwaar van eiser tegen de verleende omgevingsvergunning is niet-ontvankelijk verklaard. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser belanghebbende is bij het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning. Het college heeft daarom het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is dus gegrond.



1.2.
De bestuursrechter beslecht het hem voorgelegde geschil zo veel mogelijk definitief. De rechtbank bespreekt daarom de gronden die eiser naar voren heeft gebracht met betrekking tot de parkeersituatie en de bouwhoogte. Zij komt daarbij tot het oordeel dat het college de vergunning niet heeft mogen verlenen met toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in artikel 19 van het bestemmingsplan.


1.3.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen daarvan zijn.





Procesverloop


2. Op 21 december 2023 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwplan. Het bouwplan voorziet in de realisatie van een gebouw van twee bouwlagen met in totaal 16 appartementen aan de [locatie] , op de plaats waar eerder een supermarkt was gevestigd.



2.1.
Met het primaire besluit van 20 november 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Daarbij heeft het college op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingswet (Wabo) afgeweken van de bestemmingsplannen ''Oude Dorp'' en ''Parapluherziening Parkeren''.



2.2.
Met het bestreden besluit van 4 april 2025 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser op ongeveer 50 meter afstand van het bouwplan woont en er geen direct zicht op heeft. De gevolgen die eiser stelt te ondervinden van de toename in de parkeerdruk zijn volgens het college dermate gering dat niet kan worden gesproken van gevolgen van enige betekenis.


2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft nadere stukken ingediend.



2.4.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.5.
Vergunninghoudster heeft een zienswijze ingediend en nadere stukken overgelegd.



2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eiser deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en [naam 1] ( [bedrijfsnaam 1] B.V.). Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens vergunninghoudster waren aanwezig: [naam 2] (bestuurder [derde-partij] B.V.), [naam 3] (bestuurder [derde-partij] B.V.), de gemachtigde en [naam 4] (adviesbureau Westzuidwest).





Beoordeling door de rechtbank



Heeft het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard?

3. Partijen zijn verdeeld over de vraag of eiser belanghebbende is bij het primaire besluit. Alleen door een belanghebbende kan bezwaar worden gemaakt. De rechtbank overweegt als volgt.



3.1.
Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, moet een natuurlijk persoon een voldoende objectief bepaalbaar belang bij het besluit hebben. In het omgevingsrecht is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de activiteit, in beginsel belanghebbende is bij de vaststelling van de besluit. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen dient het criterium "gevolgen van enige betekenis" als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- ofbedrijfssituatie van betrokkene zo gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.



3.2.
Eiser woont op [adres] , in de nabijheid van het bouwplan, op een afstand van ongeveer 40 m, en heeft geen eigen parkeergelegenheid. Met het bouwplan worden 16 woningen gerealiseerd. Omdat er geen parkeerplaatsen op het eigen terrein van het bouwplan aanwezig zijn, zullen de toekomstige bewoners van het voorziene appartementengebouw parkeren in de openbare ruimte. Het bouwplan ligt in het centrum van [plaats 2] , waar verschillende functies dicht bij elkaar liggen die elk een parkeerbehoefte met zich meebrengen, terwijl het aantal parkeerplaatsen beperkt is. Ook betreft het een parkeervergunningsvrij gebied. Gelet hierop acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat de toekomstige bewoners van de voorziene appartementen van dezelfde openbare parkeerplekken gebruik zullen maken als eiser. Daarom kan niet op voorhand worden aangenomen dat de eiser geen gevolgen van enige betekenis van het vergunde bouwplan zal ervaren in de vorm van parkeeroverlast. Dat betekent dat eiser alleen daarom al door het bouwplan rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt en belanghebbende is bij de omgevingsvergunning.

4. Gelet op het voorgaande heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.


Finale geschilbeslechting

5. De rechtbank zal de inhoudelijke beroepsgronden vanuit het oogpunt van finale geschilbeslechting alsnog inhoudelijk beoordelen, zodat het college bij het nemen van een nieuw besluit kan uitgaan van de beoordeling van die gronden door de rechtbank. De mogelijkheid daartoe is met partijen op de zitting is besproken. Partijen hebben schriftelijk over en weer gereageerd op elkaars inhoudelijke standpunten en ook ter zitting zijn de beroepsgronden van eiser inhoudelijk behandeld.

Overgangsrecht Omgevingswet

6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. Aangezien de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 21 december 2023, is in dit geval de Wabo nog van toepassing.



Parkeren


7. Eiser voert aan dat het parkeeronderzoek van [bedrijfsnaam 2] waarop het bestreden besluit rust gebreken bevat. Het college heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat de parkeerbehoefte kan worden opgevangen in de openbare ruimte overeenkomstig de criteria in de Nota Parkeernormen 2019. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een parkeeronderzoek van [bedrijfsnaam 1] B.V. van 13 februari 2026 overgelegd. De gebreken die het onderzoek van [bedrijfsnaam 2] volgens eiser bevat worden hierna achtereenvolgens besproken.



7.1.
Volgens eiser is de parkeertelling foutief gebaseerd op de norm die de Nota parkeernormen 2019 geeft voor zone A, terwijl de te realiseren ontwikkeling in zone B ligt. Hierbij is van belang dat de appartementen feitelijk gesitueerd zijn in zone B en dat de toekomstige bewoners hun auto’s in zone B zullen gaan parkeren. Als gevolg hiervan zijn de verkeerde normen toegepast bij berekening van de parkeerdruk.



7.2.

De rechtbank stelt vast dat de gronden waarop de verleende omgevingsvergunning betrekking heeft, blijkens de kaarten Gebiedsindeling parkeernormen in bijlage 1 van de Nota parkeernormen 2019, deels in zone A en deels in zone B liggen. De te realiseren appartementen zelf liggen in zone B, maar de enige in- en uitgang van het te realiseren appartementencomplex is aan de [straatnaam] , die in zone A ligt. In algemene zin is te verwachten dat bezoekers en bewoners zo veel mogelijk op de parkeerplekken in de directe omgeving van de in- en uitgang van een gebouw of perceel zullen proberen te parkeren. Gelet hierop volgt de rechtbank vergunninghoudster in het standpunt dat het punt waar de ontsluiting van de betreffende ontwikkeling is gesitueerd bepalend is, en niet zozeer de ligging van het betrokken gebouw zelf. Dat laatste wordt bevestigd door het feit dat de begrenzing van de parkeerzones op de kaart dwars door woningen en andere gebouwen heen loopt. Het voorgaande betekent dat bij bepaling van de parkeerbehoefte van het bouwplan zone A van toepassing is. Het college is dus terecht uitgegaan van de norm die bij die zone hoort.
8. Eiser voert aan dat de berekening van het aantal voor de beoogde woningen benodigde parkeerplaatsen onjuist is uitgevoerd, omdat de woningen ten onrechte zijn aangemerkt als 1-kamerappartementen. Het uitgangspunt zou moeten zijn dat elk appartement uit twee kamers bestaat en dat de daarbij horende parkeernorm moet worden aangehouden.




8.1.
De Nota Parkeernormen 2019 maakt onderscheid tussen niet gestapelde en gestapelde woningen, die verder zijn onderverdeeld in categorieën op basis van oppervlakte. Daarnaast worden een aantal “woon-doelgroepgerichte” parkeernormen benoemd. Deze parkeernormen zijn specifiek benoemd voor woningen of wooneenheden die bewoond worden door een specifieke woondoelgroep en houden rekening met hun autobezit, aldus de nota. Hieronder valt het 1-kamerappartement.



8.2.
De definitie van een ‘1-kamerappartement’ is volgens de Nota Parkeernormen 2019 “Een woning – ook wel studio genoemd - die bedoeld is voor bewoning door 1 persoon waarbij de kamer fungeert als woon- en slaapkamer en voorzien is van een keukenhoek. Aanvullend is er een aparte, tot de woning behorende ruimte aanwezig met een douche en toilet.”



8.3.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het uitgangspunt zou moeten zijn dat elk appartement uit twee kamers bestaat. Oorspronkelijk waren volgens de bouwtekening in de appartementen twee kamers ingetekend, maar uit de aangepaste bouwtekening van 3 maart 2024 blijkt dat de binnenwanden zijn komen te vervallen zodat één kamer overblijft. Er worden dus 16 éénkamerappartementen gerealiseerd met een oppervlakte van circa 36 m2 zonder aparte woon- of slaapkamer. Daarmee wordt voldaan aan de definitie van een ‘1-kamerappartement’ volgens de Nota Parkeernormen 2019. Er is dan ook terecht uitgegaan van de bijbehorende parkeernorm voor die woningen met een oppervlakte van minder dan 40 m2 in zone A, die 0,55 parkeerplaats per woning bedraagt.


9. Ten aanzien van de parkeermetingen voert eiser aan dat de contouren van de loopafstanden zoals die zijn weergegeven in het rapport van [bedrijfsnaam 2] van 2 juni 2023 niet juist zijn vastgesteld. Daarbij verwijst hij naar het advies van [bedrijfsnaam 1] B.V. van 13 februari 2026. De 200 meter contour is op sommige punten te krap en op sommige punten juist te ruim uitgezet. Hierdoor is mogelijk te veel of te weinig parkeercapaciteit meegenomen en mogelijk zijn er ook meer of minder geparkeerde auto’s meegenomen in de telling, aldus eiser.




9.1.
De rechtbank stelt voorop dat, zoals hiervoor werd overwogen, het college terecht is uitgegaan van de normen die gelden binnen zone A, en dus ook van de daarbij behorende loopafstanden van respectievelijk 200 en 300 m. In het rapport van [bedrijfsnaam 1] van 13 februari 2026 is een kaartje opgenomen waarin enerzijds de contouren van de 200 en de 300 m loopafstanden zijn weergegeven zoals die zijn bepaald door [bedrijfsnaam 2] en die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit, en anderzijds de loopafstanden zoals opgemeten door [bedrijfsnaam 1] . Volgens [bedrijfsnaam 1] is op bepaalde plekken de contour van [bedrijfsnaam 2] , met name wat de 200 m loopafstand betreft, te ruim genomen, en op sommige andere plekken juist te krap. In de notitie van 11 maart 2026 van Westzuidwest is, in reactie daarop, uiteengezet dat bij het bepalen van het onderzoeksgebied op basis van de geldende loopafstanden (200 meter en 300 meter) wordt gekeken naar een logische en plausibele begrenzing ten opzichte van de werkelijke situatie buiten, waarbij rekening wordt gehouden met onder andere de feitelijke bereikbaarheid van de betrokken parkeerplaatsen en eventuele clustering. Dat laatste komt de rechtbank niet onlogisch voor. Verder blijkt uit het kaartje dat de verschillen tussen de contouren die [bedrijfsnaam 2] heeft gehanteerd en de loopafstanden die [bedrijfsnaam 1] heeft opgemeten in ieder geval deels worden verklaard door het feit dat de contouren mede terrein omvatten waar geen (openbare) parkeerplaatsen liggen, terwijl de lijnen die de loopafstanden volgens [bedrijfsnaam 1] weergeven steeds over het midden van de weg zijn getekend. Daarnaast worden de verschillen mede verklaard doordat [bedrijfsnaam 1] deels loopafstanden meetelt over wegen die niet bereikbaar zijn voor autoverkeer, zoals de fietspaden direct aan de overkant van het water, ten noordoosten van het plangebied. Dit alles overziend is naar het oordeel van rechtbank het betoog van eiser op dit punt afdoende gemotiveerd weerlegd.


10. Eiser stelt verder dat in het parkeeronderzoek van Westzuidwest ten onrechte geen uitsplitsing naar bezettingsgraad van zone A en zone B heeft plaatsgevonden. Daar komt bij dat de parkeermetingen door [bedrijfsnaam 2] op gangbare tijden zijn uitgevoerd, maar niet op de werkdagen in de ochtend en middag. Verder zijn geen tellingen verricht op werkdagavonden en is een koopavond aangemerkt als een werkdagavond, terwijl de koopavond een ander type avond is dan andere werkdagavonden.



10.1.
In het onderzoek van [bedrijfsnaam 2] staat dat binnen de contour van 200 m in totaal 184 openbare parkeerplaatsen liggen, waarvan 43 in zone A en 141 in zone B. Volgens de Nota Parkeernormen 2019 is voor zone A een maximale parkeerdruk van 95% acceptabel, en voor zone B een maximale parkeerdruk van 85%. Volgens het onderzoek van [bedrijfsnaam 2] betekent dat dat er van de 184 plaatsen nooit meer dan 161 bezet mogen zijn, namelijk 0,95*43 + 0,85*141. Het voorgaande betekent dat eiser terecht stelt dat in het onderzoek geen uitsplitsing plaatsvindt naar bezettingsgraad per zone. Namens vergunninghoudster heeft Westzuidwest echter ter zitting toegelicht dat het niet goed mogelijk is om in de bezettingsgraad een scherp onderscheid tussen de bezetting in zone A en die in zone B te maken. Beide zones lopen namelijk in elkaar over, wat meebrengt dat automobilisten die in de ene zone op een bepaald moment geen parkeerplaats kunnen vinden zullen doorrijden naar de andere zone. Om die reden is niet met zekerheid te voorspellen waar mensen zullen gaan parkeren. De rechtbank ziet, mede gelet op deze toelichting, geen grond voor het oordeel dat het parkeeronderzoek op dit punt zodanig gebrekkig is dat het college zich daar niet op heeft mogen baseren bij het nemen van het bestreden besluit.



10.2.
Ten aanzien van de parkeertellingen overweegt de rechtbank dat uit de stukken volgt dat parkeerdrukmetingen zijn uitgevoerd op twee vrijdagavonden, twee zaterdag-middagen, twee zaterdagavonden, twee dinsdagnachten, twee donderdagnachten en twee zondagmiddagen. Blijkens de notitie van Westzuidwest van 22 januari 2025 zijn aanvullende tellingen gehouden op een woensdagochtend en een woensdagmiddag. [bedrijfsnaam 2] heeft de uitgevoerde tellingen vastgelegd in een tabel waarin voor elk van de telmomenten de bezetting per sectie is opgenomen. De telresultaten in de notitie van [bedrijfsnaam 2] van 17 september 2024 zijn, zoals ook op de zitting is besproken, vertaald naar de plattegronden waarin de parkeerbezetting op verschillende telmomenten is weergegeven. Hierin zijn zowel de absolute aantallen van de bezette vakken opgenomen als de percentuele parkeerbezetting per sectie. De rechtbank ziet, de stellingen van [bedrijfsnaam 2] en de aanvullende tellingen van Westzuidwest alsmede de toelichting daarop ter zitting in aanmerking genomen, geen aanleiding om eiser te volgen in zijn stelling dat niet op de juiste momenten is geteld. Over het punt van eiser dat er ten onrechte niet geteld zou zijn op een werkdagavond, heeft vergunninghoudster op de zitting – op dit punt onbetwist – toegelicht dat de parkeerdruk op een koopavond hoger is dan die op een werkdagavond. Dit betekent dat er is uitgegaan van het meest ongunstige scenario. De rechtbank ziet ook in zoverre geen reden om aan te nemen dat het bestreden besluit met het onderzoek dat daaraan ten grondslag is gelegd onvoldoende draagkrachtig is onderbouwd.
11. De stelling van eiser dat de bewoners van de te realiseren woningen mogelijk niet in aanmerking komen voor ontheffing van de parkeerschijfzone, zodat ook daarom niet te verwachten is dat ze in zone A gaan parkeren, volgt de rechtbank evenmin. Het deel van de [straatnaam] waar het bouwplan op ontsloten zal worden maakt deel uit van de parkeerschijfzone. De rechtbank vermag daarom niet in te zien waarom de bewoners van de nieuwe woningen niet in aanmerking zouden komen voor een parkeerontheffing. De niet nader onderbouwde stelling dat het college de parkeerontheffing aan nieuwe bewoners zeer waarschijnlijk niet zal verstrekken, is hiervoor onvoldoende.

12. Concluderend ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het parkeeronderzoek onzorgvuldig tot stand is gekomen of zodanige gebreken bevat dat het college zich bij het nemen van het bestreden besluit daar niet op mocht baseren. Gelet daarop heeft het college kunnen afwijken van de bestemmingsplan “Parapluherziening Parkeren” omdat voldoende is gebleken dat de parkeervraag van het te realiseren gebouw in de openbare ruimte opgelost kan worden.



Peilbepaling en bouwhoogte


13. Eiser voert aan dat de bouwhoogte van het bouwplan onjuist is vastgesteld op 5,75 meter. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een peilmeting overgelegd, uitgevoerd door Van Drie Landmeten, van 17 november 2025. Volgens die meting ligt de bestaande vloer waarop het bouwplan wordt geplaatst 32,4 centimeter hoger dan het peil dat moet worden aangehouden op grond van het bestemmingsplan (de wegkruin). Dit heeft als gevolg dat de totale bouwhoogte wordt gemeten vanaf een significant verhoogde basis in plaats vanaf het officiële peil, aldus de meting. Ook volgt uit de detailtekening die bij de vergunning hoort dat het bouwkundig peil van 0 is gelegd boven op de nieuwe, nog te plaatsen, opbouwvloer van 17,8 centimeter hoog. Dit leidt volgens de meting tot een daadwerkelijke bouwhoogte van 6,244 meter.


13.1.
In artikel 2, onder d, van het bestemmingsplan “Oude Dorp” staat dat de bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. Voor hoofdgebouwen wordt met ‘peil’ bedoeld het bouwkundig peil dat maximaal 0,1 m boven of onder de wegkruin van de voorliggende weg ligt. Dit staat in artikel 1 van het bestemmingsplan “Oude Dorp”.



13.2.
De rechtbank overweegt dat uit de peilmeting van Van Drie Landmeten, die niet inhoudelijk is betwist, volgt dat er een verschil bestaat tussen de kruin van de voorliggende weg ( [straatnaam] ) en de bovenkant van de bestaande constructievloer van de voormalige supermarkt waarop de appartementen zullen worden geplaatst. Uit de bouwtekeningen die bij de vergunning horen kan worden afgeleid dat het peil is vastgesteld op de bovenkant van de nieuw aan te brengen vloer. Gelet hierop volgt de rechtbank eiser in zijn stelling dat de totale bouwhoogte niet vanaf het peil is gemeten zoals dat op grond van het bestemmingsplan moet worden aangehouden. De rechtbank ziet geen aanleiding om vergunninghoudster te volgen in haar stelling dat aansluiting moet worden gezocht bij de definitie van ‘peil’ voor aan- en uitbouwen uit artikel 1 van het bestemmingsplan “Oude Dorp”, nu het bouwplan in dit geval een hoofdgebouw is en geen aan- of uitbouw. Ook het feit dat het bouwplan ongeveer 20-30 m van de kruin van de weg af ligt maakt op dit punt geen verschil, omdat de definitie in het bestemmingsplan geen mogelijkheid geeft met die afstand rekening te houden.


14. Gelet hierop is de feitelijke bouwhoogte van het bouwplan hoger dan 5,75 meter. Daarmee overschrijdt het bouwplan de maximale bouwhoogte van 5 meter met meer dan 15%. Het college heeft daarom de omgevingsvergunning niet kunnen verlenen met toepassing van artikel 19, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan “Oude Dorp”, de zogenoemde binnenplanse afwijkingsbevoegdheid.







Conclusie en gevolgen


15. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb. Het college zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak.



15.1.
Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser het betaalde griffierecht van € 194,- terug. Hij krijgt ook een vergoeding van zijn in beroep gemaakte proceskosten.



15.2.
De vergoeding voor de proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroep door zijn gemachtigde en 1 punt voor het verschijnen ter zitting door zijn gemachtigde met een waarde per punt: € 934,- bij een wegingsfactor 1).



15.3.
Eiser heeft ook verzocht om vergoeding van de door hem ingeschakelde deskundigen. De kosten van de door eiser ingeschakelde deskundige voor het uitvoeren van de peilmeting komt op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking, nu het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. De kosten daarvan bedragen € 1.028,50 (inclusief 21% btw). Voor de door eiser gevraagde vergoeding van de kosten van het parkeeronderzoek bestaat geen aanleiding, omdat de reden voor gegrondverklaring van het beroep geen verband houdt met dit onderzoek en de toelichting van de deskundige.





Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.896,50;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.





Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr.F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.








De rechter is verhinderd te ondertekenen










griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.







Bijlage: juridisch kader





Bestemmingsplan “Oude Dorp”

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ''Oude Dorp''. De gronden hebben daarin de bestemming ''Gemengd'' met de functieaanduiding ‘supermarkt’ en de bestemming “Waarde-Archeologie-1”.



Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder a, van deze bestemmingsplanregels zijn de op de verbeelding voor “Gemengd” aangewezen gronden bestemd voor wonen.



Ingevolge artikel 4.2.1 van de bestemmingsplanregels gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende regels:

a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd;
b. de maximale bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte’ op de verbeelding is aangegeven;
c. de maximale goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte’ op de verbeelding is aangegeven.


Op de verbeelding is als maximale bouwhoogte 5 meter aangegeven.



Op grond van artikel 19, aanhef en onder a, van deze bestemmingsplanregels kunnen burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning afwijken van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 15% van die maten, afmetingen en percentages.




Bestemmingsplan “Parapluherziening Parkeren”

Ter plaatse geldt eveneens het bestemmingsplan ''Parapluherziening Parkeren''.



Ingevolge het bepaalde in artikel 3.1 van deze bestemmingsplanregels wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw en/of gronden in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij gelden de parkeernormen, zoals vastgelegd in de Nota Parkeernormen 2019.



Op grond van artikel 3.4, aanhef en onder b., van deze bestemmingsplanregels kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.1 voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien.





Dit volgt uit artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Zie artikel 7:1, eerste lid, in samenhang met artikel 8:1 van de Awb.


Zie artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4112.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2972.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1313.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3592 en die van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:203.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2505 en van 13 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1230.