Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20794

2026-06-18 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht SGR 24/9479
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-18
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 24/9479
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Herziening. Verzoek om terug te komen van eerder genomen besluit waarij de bijstandsuitkering van eiser wordt ingetrokken en teruggevorderd afgewezen. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Beroep ongegrond.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.939 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 24/9479


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. de Boorder),


en


het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland, het college
(gemachtigde: J. Zuidema).


Samenvatting


1. Het gaat in deze uitspraak om de vraag of een verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit, waarbij is beslist dat de bijstandsuitkering van eiser wordt ingetrokken en teruggevorderd, terecht is afgewezen. Eiser is het niet eens met de afwijzing van het herzieningsverzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het herzieningsverzoek terecht heeft afgewezen. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven om het eerder genomen besluit te herzien. Ook oordeelt de rechtbank dat de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop


2. Eiser heeft het college verzocht om het besluit tot intrekking en terugvordering van zijn bijstandsuitkering te herzien. Het college heeft het herzieningsverzoek met het besluit van 26 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 november 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dit besluit gebleven.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.





Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser ontving een bijstandsuitkering in de vorm van een lening op grond van de Participatiewet (Pw). Bij besluit van 20 november 2017 heeft het college het recht op bijstand ingetrokken met ingang van 20 december 2016. Uit onderzoek van het college is gebleken dat eiser geen drie, maar zeven bedrijven op zijn naam had staan ten tijde van de aanvraag om levensonderhoud. Doordat eiser niet al zijn bedrijven heeft opgegeven, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het college heeft een bedrag van € 6.925,57 aan ten onrechte verstrekte leenbijstand over de periode van 20 december 2016 tot en met 31 oktober 2017 teruggevorderd. Met de beslissing op bezwaar van 28 augustus 2018 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard vanwege de te late indiening daarvan.



3.1.
Eiser heeft op 5 juli 2025 een verzoek om herziening ingediend van het besluit van 20 november 2017 en de beslissing op bezwaar die daarop is gevolgd van 28 augustus 2018. Het college heeft het herzieningsverzoek afgewezen op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd.



3.2.
Met het bestreden besluit heeft het college, in navolging van het advies van de Bezwaarschriftencommissie, de afwijzing van het herzieningsverzoek gehandhaafd. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) waar eiser naar verwijst een besluit van een andere gemeente betreft en om de buitenbehandelingstelling van een aanvraag van eiser ging, terwijl de besluiten waarop het herzieningsverzoek ziet betrekking hebben op een intrekking en terugvordering over een periode daaraan voorafgaand. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt waarom de omstandigheden die in de gemeente Delft tot een ander besluit hebben geleid voor wat betreft zijn aanvraag daar, ook ten aanzien van onderhavige besluiten tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Daarnaast is de faillietverklaring van eiser uitgesproken vóór de besluiten van 20 november 2017 respectievelijk 28 augustus 2018 en daarom ook geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Het standpunt dat eiser in grote financiële problemen is geraakt en dat de onherroepelijke besluiten om die reden moeten worden herzien, brengt het college niet tot een ander oordeel.



Wat vindt eiser?


4. Eiser voert in beroep aan dat tussen partijen achteraf niet in geschil is dat eiser ten tijde van de weigering van de bijstandsuitkering geen bedrijven of vermogen had en dat hij failliet was verklaard. Door het faillissement was hij beschikkingsonbevoegd en was de curator de enige persoon die gerechtigd was om over eventueel vermogen te beschikken. De aan eiser gevraagde inkomensgegevens die ten grondslag liggen aan de weigering zijn ten onrechte opgevraagd. Eiser heeft bijzonder belang bij het krijgen van een bijstandsuitkering, omdat hij nu zit met een schuld bij de zorgverzekeraar. Deze schuld is onnodig. Eiser heeft namelijk helemaal niks fout gedaan.



Heeft het college het verzoek om herziening terecht afgewezen?





Het toetsingskader


5. Als de termijn voor bezwaar, beroep of hoger beroep over een besluit ongebruikt is verstreken of als het gebruik van rechtsmiddelen niet heeft geleid tot herroeping of vernietiging van dat besluit, dan staat dat besluit in rechte vast. De discussie daarover is dan gesloten. Een bestuursorgaan kan er daarom voor kiezen om een verzoek om terug te komen van een dergelijk besluit of om dat te herzien zonder onderzoek af te wijzen, als bij dat verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld. Hij hoeft dan bij de afwijzing van het verzoek in beginsel alleen te verwijzen naar dat eerdere besluit. Het bestuursorgaan doet het verzoek op deze vereenvoudigde manier af met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.



5.1.
Dit betekent dat de bestuursrechter het beroep of hoger beroep tegen het besluit tot afwijzing van een herzieningsverzoek in dat geval als volgt beoordeelt. Aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst deze of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de afwijzing van het herzieningsverzoek die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat die afwijzing evident onredelijk is. Dit is vaste rechtspraak.



5.2.
Het verzoek van eiser is erop gericht dat het college terugkomt van de oorspronkelijke besluiten. Deze besluiten stonden op het moment van het herzieningsverzoek in rechte vast. Dat is niet in geschil. Het college heeft het herzieningsverzoek van eiser op de vereenvoudigde manier afgedaan en beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Daarom wordt het bestreden besluit getoetst zoals hiervoor in 5.1. is beschreven.



Nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden




5.3.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.



5.4.
Voor zover eiser in dit kader heeft gewezen op de uitspraak van de CRvB van 13 december 2022, waarin de CRvB een wijziging in de jurisprudentie heeft aangebracht ten aanzien van het buitenbehandeling stellen van aanvragen in verband met het niet overleggen van gegevens, wijst de rechtbank erop dat volgens vaste rechtspraak de inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Bovendien heeft deze jurisprudentie betrekking op de buitenbehandeling stelling van een aanvraag in verband met het niet aanleveren van stukken. De rechtbank vermag niet in te zien wat de relevantie daarvan is voor het onderhavige herzieningsverzoek, dat ziet op het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering vanwege schending van de inlichtingenverplichting. In het verlengde daarvan geldt hetzelfde voor het besluit van de gemeente Delft om terug te komen op het besluit tot buitenbehandelingstelling van een door eiser gedane aanvraag om bijstand van 6 augustus 2019. Voor zover eiser heeft betoogd dat zijn faillietverklaring op 3 juni 2017 een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is, volgt de rechtbank dit evenmin. Deze omstandigheid was namelijk ten tijde van het besluit tot intrekking en terugvordering reeds bekend bij het college.



Evidente onredelijkheid




5.5.
De omstandigheid dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is, kan betrokken worden bij de beoordeling van de vraag of de afwijzing van het verzoek evident onredelijk is. Een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of een summier onderzoek moet voldoende zijn om te kunnen concluderen dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is. Dat is hier niet het geval. Eiser heeft aangevoerd dat achteraf gezien niet in geschil is dat hij niet kon beschikken over zijn vermogen en dat hij daarom in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Dit is de rechtbank niet gebleken. Eiser wil in feite opnieuw een discussie voeren over de juistheid van de oorspronkelijke besluiten. Daarvoor is in deze procedure geen plaats, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn genoemd. Dat een inhoudelijke beoordeling nodig is om te kunnen beoordelen of de oorspronkelijke besluiten juist zijn, betekent ook dat van onmiskenbaar onjuiste besluiten geen sprake is.



5.6.
Eiser heeft verder aangevoerd dat hij een bijzonder belang heeft bij het verkrijgen van bijstand, bijvoorbeeld omdat er een onnodige schuld bij zijn zorgverzekeraar is ontstaan. De niet nader gespecificeerde verwijzing naar zijn persoonlijke en financiële omstandigheden vormen geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.



Verzoek om een schadevergoeding

6. Eiser heeft op 27 januari 2025 een verzoek om een schadevergoeding ingediend voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige handelingen van het college.



6.1.
Dit verzoek wordt afgewezen. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit. Van een onrechtmatig besluit is gelet op hetgeen hiervoor besproken, geen sprake. Omdat het bestreden besluit in stand blijft, is er geen aanleiding om het college te veroordelen tot vergoeding van door eiser gestelde schade.





Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een vergoeding van de proceskosten is geen aanleiding.








Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:


















Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Dit betreft de uitspraak van de CRvB van 28 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2273.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.


ECLI:NL:CRVB:2022:2793.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 19 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3711 en van 8 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1936.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1106.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 7 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2176.