Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20793

2026-06-30 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht SGR 25/2712
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-30
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/2712
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen op eerder genomen besluit waarbij eisers aanvraag om een bijstandsuitkering buiten behandeling is gesteld. Beroep ongegrond. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Citeert (10)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.992 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 25/2712


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. de Boorder),


en


het college van burgemeester en wethouders van Delft, het college
(gemachtigde: N. Khadr).


Samenvatting


1. Het gaat in deze uitspraak om de vraag of een verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit, waarbij is beslist dat eisers aanvraag om een bijstandsuitkering buitenbehandeling wordt gesteld, terecht is afgewezen. Eiser is het niet eens met de afwijzing van het herzieningsverzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het herzieningsverzoek terecht heeft afgewezen. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven om het eerder genomen besluit te herzien. Ook oordeelt de rechtbank dat de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop


2. Eiser heeft het college verzocht om de buitenbehandelingstelling van zijn aanvraag om een bijstandsuitkering te herzien.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn herzieningsverzoek.



2.2.
Met het besluit van 22 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het herzieningsverzoek afgewezen.



2.3.
Eiser heeft het beroep gehandhaafd en gronden ingediend tegen het bestreden besluit.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.




Beoordeling door de rechtbank



Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit

3. De rechtbank stelt voorop dat eiser geen belang meer heeft bij een beslissing op zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn herzieningsverzoek. Het college heeft immers op 22 april 2025 alsnog een besluit genomen op het verzoek. Ook heeft het college bij besluit van 22 april 2025 een dwangsom toegekend ter hoogte van € 322,- in verband met het niet tijdig beslissen op het verzoek. Voor zover het beroep gericht is tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is het daarom niet-ontvankelijk. Wel zal de rechtbank het college veroordelen in de proceskosten, nu het bestreden besluit niet eerder is genomen dan na het instellen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.



3.1.
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dat geheel aan het beroep tegemoet komt. Hiervan is in deze zaak geen sprake, omdat het bestreden besluit een afwijzing van het herzieningsverzoek betreft.



Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Eiser heeft op 18 april 2018 een aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) ingediend. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 5 juni 2018 buitenbehandeling gesteld vanwege het ontbreken van de benodigde documenten. Het bezwaar tegen dit besluit is op 13 september 2018 ongegrond verklaard en na het verstrijken van de beroepstermijn is het besluit in rechte vast komen te staan. Eiser heeft op 25 juni 2019 opnieuw een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend bij het college. Met het besluit van 6 augustus 2019 is deze aanvraag weer buitenbehandeling gesteld. Dit besluit is in bezwaar gehandhaafd. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) aan het college gevraagd het besluit te heroverwegen in het licht van de nieuwe jurisprudentie op basis waarvan gegevens of bescheiden die na het oorspronkelijke besluit zijn verstrekt, alsnog worden meegenomen bij de beoordeling van de bijstandsaanvraag. Het college heeft hierop het besluit van 9 maart 2023 genomen, dat is gewijzigd met het nadere besluit van 4 april 2023, waarbij het besluit van 6 augustus 2019 is herroepen en het college alsnog bijstand aan eiser heeft toegekend met ingang van 25 juni 2019.




4.1.
Eiser heeft op 5 juli 2024 een verzoek tot herziening ingediend van het besluit van 5 juni 2018 en de beslissing op bezwaar die daarop is gevolgd van 13 september 2018. Als reden voor herziening verwijst eiser naar de eerdere herziening van het besluit van 6 augustus 2019, de gewijzigde jurisprudentie van de CRvB en naar zijn financiële en persoonlijke omstandigheden.



4.2.
Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de door eiser aangevoerde gronden geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden bevatten. De omstandigheden van het besluit van 5 juni 2018 wijken af van het besluit van 6 augustus 2019 en nieuwe jurisprudentie wordt niet aangemerkt als een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Daarnaast is de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk, aangezien het besluit is genomen op basis van de op dat moment geldende regelgeving. De financiële en persoonlijke situatie van eiser zijn onvoldoende onderbouwd om tot de conclusie te komen dat de afwijzing van het verzoek evident onredelijk is. Tot slot weegt het college mee dat het verzoek tot herziening 6 jaar en 1 maand na het oorspronkelijke besluit is ingediend en daarmee onredelijk laat is.



Wat vindt eiser?


5. Eiser voert aan dat achteraf is gebleken dat hij van begin af aan in aanmerking kwam voor een bijstandsuitkering. Hij is vanwege de afwijzing van zijn aanvraag in grote financiële problemen geraakt. Het eerdere besluit is onmiskenbaar onjuist en het standpunt van het college is evident onredelijk. Het college heeft miskend dat iemand die failliet is geen inkomen en geen vermogen heeft. Eiser protesteert al jaren tegen deze onredelijke beslissing en zijn herzieningsverzoek is daarom niet onredelijk laat ingediend.



Heeft het college het herzieningsverzoek terecht afgewezen?





Het toetsingskader


6. Als de termijn voor bezwaar, beroep of hoger beroep over een besluit ongebruikt is verstreken of als het gebruik van rechtsmiddelen niet heeft geleid tot herroeping of vernietiging van dat besluit, dan staat dat besluit in rechte vast. De discussie daarover is dan gesloten. Een bestuursorgaan kan er daarom voor kiezen om een verzoek om terug te komen van een dergelijk besluit of om dat te herzien zonder onderzoek af te wijzen, als bij dat verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld. Hij hoeft dan bij de afwijzing van het verzoek in beginsel alleen te verwijzen naar dat eerdere besluit. Het bestuursorgaan doet het verzoek op deze vereenvoudigde manier af met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.



6.1.
Dit betekent dat de bestuursrechter het beroep of hoger beroep tegen het besluit tot afwijzing van een herzieningsverzoek in dat geval als volgt beoordeelt. Aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst deze of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de afwijzing van het herzieningsverzoek die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat die afwijzing evident onredelijk is. Dit is vaste rechtspraak.



6.2.
Het verzoek van eiser is erop gericht dat het college terugkomt van de oorspronkelijke besluiten. Deze besluiten stonden op het moment van het herzieningsverzoek in rechte vast. Dat is niet in geschil. Het college heeft het herzieningsverzoek van eiser op de vereenvoudigde manier afgedaan en beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Daarom wordt het bestreden besluit getoetst zoals hiervoor in 6.1 is beschreven.



Nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden




6.3.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.



6.4.
De rechtbank overweegt dat het feit dat het eiser naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 28 november 2023 in een door hem aanhangig gemaakte procedure, waarin wordt verwezen naar de uitspraak van 13 december 2022, duidelijk is geworden dat de aanvraag ten onrechte buiten behandeling is gesteld, niet maakt dat er sprake is van een nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid. Met het college is de rechtbank van oordeel dat de inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie geen nieuw gebleken feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb is.



Evidente onredelijkheid




6.5.
De omstandigheid dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is, kan betrokken worden bij de beoordeling van de vraag of de afwijzing van het verzoek evident onredelijk is. Een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of een summier onderzoek moet voldoende zijn om te kunnen concluderen dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is. Dat is hier niet het geval. Eiser heeft aangevoerd dat hij van begin af aan aan de voorwaarden voor een bijstandsuitkering voldeed. Echter, dat eiser vanwege zijn persoonlijke faillissement de gevraagde stukken niet kon aanleveren en dat het overduidelijk was dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, staat in deze procedure niet zonder meer vast. Dat een inhoudelijke beoordeling nodig is om te kunnen beoordelen of de besluiten juist zijn, betekent ook dat van onmiskenbaar onjuiste besluiten geen sprake is. Eiser wil in feite opnieuw een discussie voeren over de juistheid van de oorspronkelijke besluiten. Daarvoor is in deze procedure geen plaats. Ook de niet nader onderbouwde persoonlijke en financiële omstandigheden waar eiser naar verwijst vormen geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.



6.6.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college het besluit van 5 juni 2018 en de beslissing op bezwaar die daarop is gevolgd van 13 september 2018 niet hoefde te herzien. Het herzieningsverzoek is daarom terecht afgewezen. Dat het college in het bestreden besluit ook in aanmerking heeft genomen dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend behoeft daarom, wat hier verder ook van zij, geen nadere bespreking.





Conclusie en gevolgen


7. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit is ongegrond.



7.1.
Eiser krijgt een proceskostenvergoeding in beroep omdat hij het beroep tegen het niet tijdig nemen van de beslissing op zijn aanvraag terecht heeft ingesteld. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Het college moet ook het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.






Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
- veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat het college het griffierecht ter hoogte van € 53,- vergoedt aan eiser.





Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:








Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie de uitspraak van de CRvB van 13 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2793.


Dit blijkt uit de uitspraak van de CRvB van 28 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2273.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.


ECLI:NL:CRVB:2023:2273.


ECLI:NL:CRVB:2022:2793.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 19 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3711 en van 8 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1936.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1106.


Zie bijvoorbeeld uitspraak van de CRvB 7 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2176.