Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20792
2026-07-02
Bestuursrecht
24/6995, 24/10158 en 24/8788
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wmo. Beroepen tegen besluiten inzake de toekenning van huishoudelijke ondersteuning ongegrond. Verzoek om herziening is afgewezen.
Citeert (4)
- ECLI:NL:CRVB:2016:4872 Centrale Raad van Beroep 20-12-2016
- ECLI:NL:CRVB:2016:5115 Centrale Raad van Beroep 27-12-2016
- ECLI:NL:CRVB:2022:1106 Centrale Raad van Beroep 23-05-2022
- ECLI:NL:CRVB:2023:2176 Centrale Raad van Beroep 07-11-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.955 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 24/6995, 24/10158 en 24/8788
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaken tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.J. Zennipman),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. E.H. Buizert).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres inzake de toekenning van huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Eiseres is het niet eens met de besluiten van het college en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen van eiseres ongegrond zijn. Dit betekent dat eiseres geen gelijk heeft en dat de bestreden besluiten in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 16 juni 2021 heeft het college een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend over de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2024 voor huishoudelijke hulp, gericht op het voeren van een huishouden met de intensiteit plus.
2.1.
Eiseres heeft op 21 mei 2024 om herziening van het besluit van 16 juni 2021 verzocht. Op verzoek van eiseres heeft het college dit herzieningsverzoek ook aangemerkt als een bezwaarschrift.
2.2.
Met het besluit van 16 juli 2024 (het bestreden besluit 1) heeft het college het bewaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Dit is het beroep met zaaknummer SGR 24/6995.
2.3.
Met het besluit van 23 juli 2024 heeft het college het herzieningsverzoek afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 19 november 2024 (het bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Dit is het beroep met zaaknummer SGR 24/10158.
2.4.
Met het besluit van 3 juli 2024 heeft het college een maatwerkvoorziening toegekend voor ondersteuning bij het voeren van een huishouden in de vorm van een pgb voor de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2024 met de intensiteit plus. Met het besluit van 24 juli 2024 heeft het college een pgb toegekend voor ondersteuning bij het voeren van een huishouden voor de periode van 1 augustus 2024 tot en met 31 januari 2025 met de intensiteit plus. Met het besluit van eveneens 24 juli 2024 heeft het college het verzoek om een pgb voor huishoudelijke ondersteuning voor 9,5 uur per week afgewezen. Tegen de besluiten van 3 juli 2024 en 24 juli 2024 heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 24 september 2024 (het bestreden besluit 3) heeft het college de bezwaarschriften van eiseres gegrond verklaard, de primaire besluiten herroepen en de omvang van de maatwerkvoorziening nader bepaald. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Dit is het beroep met zaaknummer SGR 24/8788.
2.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 27 mei 2026 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Totstandkoming van de bestreden besluiten
3. Eiseres, geboren in 1975, is bekend met een hersenaandoening die tijdelijke verstoringen in de elektrische prikkeloverdracht veroorzaakt. Als gevolg hiervan heeft eiseres dagelijks aanvallen met kleine elektrische schokken die handtrillingen, alsmede geheugen- en concentratieverlies veroorzaken. Door de medicatie is zij vaak moe en heeft ze energiebeperkingen. Daar komt bij dat eiseres last heeft van slijtage aan haar heup en schouder. Hierdoor mag zij haar linkerarm niet belasten.
3.1.
Met het besluit van 16 juni 2021 heeft het college aan eiseres een pgb toegekend voor ondersteuning bij het voeren van een huishouden met de intensiteit plus tegen het informele tarief voor de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2024. De hoogte van het pgb is € 249,36 per maand. Eiseres heeft niet binnen de bezwaartermijn bezwaar ingesteld, waardoor het in rechte vast is komen te staan.
3.2.
Op 21 mei 2024 heeft eiseres verzocht om herziening van het besluit van 16 juni 2021. Eiseres heeft aan het herzieningsverzoek ten grondslag gelegd dat het college te weinig uren aan huishoudelijke hulp heeft toegekend over de betreffende periode. Eiseres meent dat ze recht had op 9,5 uur aan huishoudelijke hulp per week, in plaats van 4,33 uur. Volgens eiseres moet het college daarom een bedrag van € 18.197,27 aan pgb nabetalen. Er is sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vanwege de schikking die tussen het college en eiseres is getroffen in de beroepszaak 22/8091. In deze schikking is afgesproken dat het college over de periode van 28 maart 2019 tot en met 30 juni 2021 het pgb aanvult tot 9,5 uur per week. De nieuw gebleken feiten en omstandigheden volgen ook uit het feit dat ten tijde van het besluit van 16 juni 2021 geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de gezondheidssituatie van eiseres inmiddels ernstig is verslechterd.
3.3.
Het college heeft op verzoek van eiseres het herzieningsverzoek tevens aangemerkt als een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 16 juni 2021.
3.4.
Het college heeft aan het bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd dat het bezwaar te laat is ingediend en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
3.5.
Het college heeft aan het bestreden besluit 2 ten grondslag gelegd dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die herziening van het besluit van 16 juni 2021 rechtvaardigen. Dat er destijds geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. De medische beperkingen van eiseres stonden destijds niet ter discussie en een medisch advies had daarom geen belangrijke rol kunnen spelen in de beoordeling van de zorgbehoefte op dat moment. Bovendien is het opvragen van een medisch advies niet verplicht binnen de Wmo. Ook de schikking die in het kader van de beroepsprocedure is getroffen is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Uit de e-mail van 8 februari 2024 blijkt dat eiseres voor de periode vóór 1 juli 2021 akkoord is gegaan met een nabetaling van pgb tegen finale kwijting over en weer. Dat betekent dat er geen rechten aan ontleend kunnen worden voor andere procedures. Als laatste zijn ook de medische klachten die eiseres als gevolg van haar progressieve aandoening heeft geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden. Dit volgt uit de rechtspraak. Ten aanzien van de klachten ten gevolge van andere, niet progressieve, aandoeningen, kan dit evenmin. Voorts is niet gebleken dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is waardoor niet kan worden gesteld dat afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is.
3.6.
Op 19 april 2024 heeft eiseres een melding gedaan bij het college om uitbreiding van haar huidige indicatie voor ondersteuning bij het voeren van een huishouden. Met het besluit van 3 juli 2024 heeft het college een pgb voor ondersteuning bij het huishouden toegekend over de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2024 met als intensiteit plus.
3.7.
Eiseres heeft op 24 juli 2024 een pgb voor huishoudelijke ondersteuning voor 9,5 uur per week aangevraagd. Met het besluit van 24 juli 2024 is aan eiseres bekend gemaakt dat zij voor de periode van 1 augustus 2024 tot en met 31 januari 2025 in aanmerking komt voor ondersteuning bij het huishouden met als intensiteit plus. Dit besluit is genomen omdat eiseres op 24 juli 2024 een aanvraag heeft gedaan voor 9,5 uur huishoudelijke ondersteuning per week, en deze aanvraag afwijkt van hetgeen het college aan eiseres heeft geadviseerd. Gelet daarop is bij besluit van eveneens 24 juli 2024 het verzoek om hogere intensiteit afgewezen. Omdat er wel een noodzaak voor ondersteuning bestaat, heeft het college de indicatie ambtshalve verlengd in afwachting van het bezwaar.
3.8.
Het college heeft met het bestreden besluit 3 het besluit van 3 juli 2024 en de besluiten van 24 juli 2024 herroepen en aan eiseres over de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 juni 2027 ondersteuning toegekend in de vorm van een pgb met als resultaat het voeren van een huishouden met een omvang van 466 minuten per week (7,75 uur per week). Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat uit het Sociaal Medisch Advies (SMA) van Calder Werkt van 3 juni 2024 en het Wmo-advies van 17 juli 2024 volgt dat eiseres niet in staat is om zware en lichte huishoudelijke taken te verrichten. Wel wordt zij in staat geacht zeer lichte huishoudelijke taken te verrichten die geen kracht, veel bewegen of stress vereisen. Het college heeft bij vaststelling van de ondersteuningsbehoefte voor de huishoudelijke taken en regievoering aansluiting gezocht bij het Normenkader Huishoudelijke ondersteuning van de HHM. Ten behoeve van de wasverzorging is aansluiting gezocht bij het CIZ-protocol.
Beoordeling door de rechtbank
SGR 24/6995
4. In beroep voert eiseres aan dat er geen wettelijke grondslag is om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Er is immers sprake van een wijziging van omstandigheden waardoor het college het besluit had moeten herzien.
4.1.
Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint te lopen op de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag waarop het besluit aan de geadresseerde is toegezonden. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet-tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaanniet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaar (ruimschoots) buiten de bezwaartermijn is ingediend. Eiseres heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift haar niet of slechts in geringe mate kan worden toegerekend. Dit betekent dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
Het college heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.3.
Het beroep is ongegrond.
SGR 24/10158
5. In beroep voert eiseres aan dat zij meer dan tien jaar te weinig uren aan huishoudelijke ondersteuning heeft ontvangen, zo ook over de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2024. De schikking en de brief van de rechtbank in de zaak SGR 22/8091 rechtvaardigen herziening van het besluit van 16 juni 2021. In de procedure SGR 22/8091 ging het namelijk ook om een betwisting van het aantal toegekende uren voor huishoudelijke ondersteuning. Het college heeft erkend dat vóór 2021 onvoldoende uren waren toegekend. Afwijzing van het herzieningsverzoek is daarom onredelijk. Daar komt bij het college ook voor de periode na 30 juni 2024 heeft erkend dat eiseres recht heeft op meer dan 4,33 uur aan huishoudelijke ondersteuning per week. Ook staat vast dat destijds geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden, terwijl dit wel had gemoeten. De medische beperkingen van eiseres stonden immers ter discussie. De gezondheidstoestand van eiseres is inmiddels nog meer verslechterd.
Het toetsingskader
5.1.
Als de termijn voor bezwaar, beroep of hoger beroep over een besluit ongebruikt is verstreken of als het gebruik van rechtsmiddelen niet heeft geleid tot herroeping of vernietiging van dat besluit, dan staat dat besluit in rechte vast. De discussie daarover is dan gesloten. Een bestuursorgaan kan er daarom voor kiezen om een verzoek om terug te komen van een dergelijk besluit of om dat te herzien zonder onderzoek af te wijzen, als bij dat verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld. Hij hoeft dan bij de afwijzing van het verzoek in beginsel alleen te verwijzen naar dat eerdere besluit. Het bestuursorgaan doet het verzoek op deze vereenvoudigde manier af met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.2.
Dit betekent dat de bestuursrechter het beroep of hoger beroep tegen het besluit tot afwijzing van een herzieningsverzoek in dat geval als volgt beoordeelt. Aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst deze of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de afwijzing van het herzieningsverzoek die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat die afwijzing evident onredelijk is. Dit is vaste rechtspraak.
5.3.
Het verzoek van eiseres is erop gericht dat het college terugkomt van het oorspronkelijk besluit van 16 juni 2021. Dit besluit stond op het moment van het herzieningsverzoek in rechte vast. Het college heeft het herzieningsverzoek van eiseres op de vereenvoudigde manier afgedaan en beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Daarom wordt het bestreden besluit getoetst zoals hiervoor in is beschreven.
Nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden
5.4.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
5.5.
De rechtbank is met het college van oordeel dat eiseres geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. De schikking waar eiseres op heeft gewezen zag op een procedure die ging over de periode van 28 maart 2019 tot en met 30 juni 2021. Hieraan kan eiseres geen rechten ontlenen voor een periode daarna. Dat het college in het kader van die procedure heeft aangeboden om met terugwerkende kracht tot 9,5 uur aan huishoudelijk ondersteuning per week te vergoeden is hooguit een aanwijzing dat de omvang van de huishoudelijke ondersteuning in de periode vanaf 1 juli 2021 te laag was. Dit is echter geen reden om het besluit dat in rechte vast staat te herzien. Het college heeft er ook op gewezen dat de voor eiseres gunstige uitkomst van de schikking ook te maken had met het feit dat de indicatie gebaseerd was op het toen geldende CIZ-protocol, dat gunstiger was dan het nu geldende HHM-normenkader.
5.6.
Ook de omstandigheid dat aan het besluit van 16 juni 2021 geen medisch onderzoek ten grondslag heeft gelegen is, wat hier verder ook van zij, geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Hier was eiseres immers destijds mee bekend en zij had dit kunnen aanvoeren in een bezwaarprocedure. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat tussen partijen vaststaat dat er een medisch onderzoek plaats had moeten vinden. Het college heeft zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat er destijds geen discussie bestond over de problematiek zodat een medisch onderzoek niet aangewezen was.
5.7.
Ook de verslechtering van de gezondheid van eiseres kan niet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Het college stelt terecht dat ten tijde van het besluit de progressieve aandoening van eiseres reeds bekend was. Ten aanzien van de niet progressieve gezondheidsklachten van eiseres heeft zij niet onderbouwd dat deze in de betreffende periode dusdanig erger zijn geworden dat dit kan worden gezien als een veranderde omstandigheid.
Evidente onredelijkheid
5.8.
De omstandigheid dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is, kan betrokken worden bij de beoordeling van de vraag of de afwijzing van het verzoek evident onredelijk is. Een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of een summier onderzoek moet voldoende zijn om te kunnen concluderen dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is. Dat is niet het geval. Eiseres wil in feite opnieuw een discussie voeren over juistheid van het oorspronkelijke besluit. Daarvoor is in deze procedure geen plaats. Dat een inhoudelijke beoordeling nodig is om te kunnen beoordelen of het besluit wel juist is, betekent ook dat van een onmiskenbaar onjuist besluit geen sprake is.
5.9.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college het herzieningsverzoek op juiste gronden heeft afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond.
SGR 24/8788
6. Eiseres stelt in beroep dat zij vanaf 1 juli 2024 gedurende drie jaar een pgb voor 9,5 uur huishoudelijke ondersteuning per week zou moeten ontvangen, net zoals zij heeft ontvangen over de periode van 28 maart 2019 tot en met 30 juni 2021. Eiseres kampt met chronische, psychische en lichamelijke klachten en beperkingen, welke na 30 juni 2021 alleen maar zijn toegenomen. Het college heeft onvoldoende oog voor de klachten van eiseres en het onderzoek van Calder Werkt is onvolledig en onzorgvuldig. Volgens de adviserende geneeskundige zouden er specifieke behandelopties zijn waarvan verbetering wordt verwacht, terwijl niet wordt genoemd welke behandelopties dit zijn. Ook is het niet duidelijk welke medische informatie door de arts is verkregen en is de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet consistent ingevuld.
6.1.
Het college heeft zich in het bestreden besluit gebaseerd op het SMA van Calder Werkt van 3 juni 2024. Een bestuursorgaan dat bij de besluitvorming gebruik maakt van een advies van een medisch adviseur mag volgens vaste rechtspraak in het algemeen op dat advies afgaan, mits is gebleken dat dit advies volledig is en op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het ligt vervolgens op de weg van eiseres om medische stukken te overleggen die aan het medisch advies doen twijfelen.
6.2.
De adviserende geneeskundige van Calder Werkt heeft een anamnese afgenomen, lichamelijk onderzoek en een bewegingsonderzoek gedaan en heeft de overgelegde informatie en de inhoud van het aanwezige dossier bestudeerd. Er is geen aanvullende medische informatie opgevraagd, omdat er voldoende informatie beschikbaar was om het advies te kunnen geven. De adviserende geneeskundige heeft de medische informatie die door eiseres zelf is overgelegd beoordeeld. Op basis van de verkregen informatie concludeert de adviserend geneeskundige dat eiseres beperkt is ten aanzien van zware fysieke huishoudelijke taken en lichte huishoudelijke taken. Zeer lichte huishoudelijke taken, zoals het brengen van een glas naar de keuken, wordt eiseres wel geacht zelf te kunnen. Van de beperkingen ten aanzien van de zware huishoudelijke taken is geen verbetering meer te verwachten. Wat de lichte huishoudelijke taken betreft is binnen 2,5 jaar wel verbetering te verwachten, gelet op mogelijke behandelopties.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college het SMA bij zijn besluitvorming mocht betrekken. Het SMA is duidelijk geformuleerd en niet is gebleken dat het onjuiste feiten bevat over hoe de medische situatie van eiseres was ten tijde van het uitbrengen daarvan. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat de adviserende geneeskundige onvoldoende oog heeft gehad voor de klachten en beperkingen van eiseres. Eiseres heeft geen medische stukken overgelegd die aanleiding geven om te twijfelen aan de door de adviserende geneeskundige getrokken conclusie dat eiseres in staat wordt geacht om zeer lichte huishoudelijke taken te kunnen verrichten. De medische stukken die eiseres in beroep heeft overgelegd werpen namelijk geen ander licht op de beperkingen en klachten. Uit de brief van de orthopedisch chirurg van 11 november 2026 volgt dat eiseres veel klachten heeft aan haar linkerschouder en dat zij haar linkerarm zoveel mogelijk moet ontlasten. Blijkens het Wmo-advies van 17 juli 2024 is het college er reeds vanuit gegaan dat eiseres haar linkerarm niet kan gebruiken. De rechtbank ziet daarom geen aanwijzing voor de conclusie dat eiseres meer huishoudelijke ondersteuning nodig heeft dan is toegekend. Uit de brief van de neuroloog van 14 oktober 2025 volgt dat er sprake is van een toename in de duur van de aanvallen die eiseres ’s ochtends ervaart. Ook deze omstandigheid geeft geen aanleiding om aan het medisch advies te twijfelen, aangezien de adviserende geneeskundige er vanuit is gegaan dat eiseres volledige overname van zware en lichte huishoudelijke taken nodig heeft.
6.4.
Dat de adviserende geneeskundige bij het advies heeft betrokken dat er mogelijke behandelopties zijn waardoor verbetering zal optreden ten aanzien van de mogelijkheid tot verrichten van de lichte huishoudelijke taken, zonder dat concreet wordt benoemd welke behandelopties dit zijn, kan evenmin tot de conclusie leiden dat het SMA niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen worden gelegd. Deze voorspelling is namelijk niet van invloed geweest bij de vaststelling van de duur en omvang van de huishoudelijke ondersteuning in het bestreden besluit. De stelling van eiseres dat de FML niet consistent is ingevuld, treft ook geen doel. Eiseres heeft de invulling van de lijst weliswaar op een aantal onderdelen betwist, maar zij heeft niet nader onderbouwd waarom er sprake is van sterkere beperkingen dan waarvan de adviserende geneeskundige is uitgegaan.
6.5.
Weliswaar heeft eiseres in het kader van een schikking over een periode in het verleden tijdelijk 9,5 uur aan huishoudelijke hulp ontvangen, maar eiseres kan daaraan niet in redelijkheid de verwachting ontlenen dat de huishoudelijke hulp in die omvang ook nadien zou worden voortgezet. Het college heeft bij een nieuwe aanvraag de bevoegdheid om de situatie opnieuw te beoordelen. Deze beoordeling kan tot een gewijzigde maatwerkvoorziening leiden. Van belang hierbij is dat de omvang van de toegekende huishoudelijke hulp vanaf 1 juli 2024, anders dan voorheen, gebaseerd is op een actueel medisch advies.
6.6.
Het beroep is ongegrond.
Conclusie en gevolgen
7. De rechtbank zal de beroepen van eiseres ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr.F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
SGR 22/8091.
Het college verwijst hierbij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2O11:BQ9275.
Het college verwijst hierbij naar de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 juni 2016, met het zaaknummer AWB/ROE 15/2047.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1106.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 7 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2176.
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 24/6995, 24/10158 en 24/8788
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaken tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.J. Zennipman),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. E.H. Buizert).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres inzake de toekenning van huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Eiseres is het niet eens met de besluiten van het college en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen van eiseres ongegrond zijn. Dit betekent dat eiseres geen gelijk heeft en dat de bestreden besluiten in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 16 juni 2021 heeft het college een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend over de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2024 voor huishoudelijke hulp, gericht op het voeren van een huishouden met de intensiteit plus.
2.1.
Eiseres heeft op 21 mei 2024 om herziening van het besluit van 16 juni 2021 verzocht. Op verzoek van eiseres heeft het college dit herzieningsverzoek ook aangemerkt als een bezwaarschrift.
2.2.
Met het besluit van 16 juli 2024 (het bestreden besluit 1) heeft het college het bewaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Dit is het beroep met zaaknummer SGR 24/6995.
2.3.
Met het besluit van 23 juli 2024 heeft het college het herzieningsverzoek afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 19 november 2024 (het bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Dit is het beroep met zaaknummer SGR 24/10158.
2.4.
Met het besluit van 3 juli 2024 heeft het college een maatwerkvoorziening toegekend voor ondersteuning bij het voeren van een huishouden in de vorm van een pgb voor de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2024 met de intensiteit plus. Met het besluit van 24 juli 2024 heeft het college een pgb toegekend voor ondersteuning bij het voeren van een huishouden voor de periode van 1 augustus 2024 tot en met 31 januari 2025 met de intensiteit plus. Met het besluit van eveneens 24 juli 2024 heeft het college het verzoek om een pgb voor huishoudelijke ondersteuning voor 9,5 uur per week afgewezen. Tegen de besluiten van 3 juli 2024 en 24 juli 2024 heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 24 september 2024 (het bestreden besluit 3) heeft het college de bezwaarschriften van eiseres gegrond verklaard, de primaire besluiten herroepen en de omvang van de maatwerkvoorziening nader bepaald. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Dit is het beroep met zaaknummer SGR 24/8788.
2.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 27 mei 2026 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Totstandkoming van de bestreden besluiten
3. Eiseres, geboren in 1975, is bekend met een hersenaandoening die tijdelijke verstoringen in de elektrische prikkeloverdracht veroorzaakt. Als gevolg hiervan heeft eiseres dagelijks aanvallen met kleine elektrische schokken die handtrillingen, alsmede geheugen- en concentratieverlies veroorzaken. Door de medicatie is zij vaak moe en heeft ze energiebeperkingen. Daar komt bij dat eiseres last heeft van slijtage aan haar heup en schouder. Hierdoor mag zij haar linkerarm niet belasten.
3.1.
Met het besluit van 16 juni 2021 heeft het college aan eiseres een pgb toegekend voor ondersteuning bij het voeren van een huishouden met de intensiteit plus tegen het informele tarief voor de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2024. De hoogte van het pgb is € 249,36 per maand. Eiseres heeft niet binnen de bezwaartermijn bezwaar ingesteld, waardoor het in rechte vast is komen te staan.
3.2.
Op 21 mei 2024 heeft eiseres verzocht om herziening van het besluit van 16 juni 2021. Eiseres heeft aan het herzieningsverzoek ten grondslag gelegd dat het college te weinig uren aan huishoudelijke hulp heeft toegekend over de betreffende periode. Eiseres meent dat ze recht had op 9,5 uur aan huishoudelijke hulp per week, in plaats van 4,33 uur. Volgens eiseres moet het college daarom een bedrag van € 18.197,27 aan pgb nabetalen. Er is sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vanwege de schikking die tussen het college en eiseres is getroffen in de beroepszaak 22/8091. In deze schikking is afgesproken dat het college over de periode van 28 maart 2019 tot en met 30 juni 2021 het pgb aanvult tot 9,5 uur per week. De nieuw gebleken feiten en omstandigheden volgen ook uit het feit dat ten tijde van het besluit van 16 juni 2021 geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de gezondheidssituatie van eiseres inmiddels ernstig is verslechterd.
3.3.
Het college heeft op verzoek van eiseres het herzieningsverzoek tevens aangemerkt als een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 16 juni 2021.
3.4.
Het college heeft aan het bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd dat het bezwaar te laat is ingediend en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
3.5.
Het college heeft aan het bestreden besluit 2 ten grondslag gelegd dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die herziening van het besluit van 16 juni 2021 rechtvaardigen. Dat er destijds geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. De medische beperkingen van eiseres stonden destijds niet ter discussie en een medisch advies had daarom geen belangrijke rol kunnen spelen in de beoordeling van de zorgbehoefte op dat moment. Bovendien is het opvragen van een medisch advies niet verplicht binnen de Wmo. Ook de schikking die in het kader van de beroepsprocedure is getroffen is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Uit de e-mail van 8 februari 2024 blijkt dat eiseres voor de periode vóór 1 juli 2021 akkoord is gegaan met een nabetaling van pgb tegen finale kwijting over en weer. Dat betekent dat er geen rechten aan ontleend kunnen worden voor andere procedures. Als laatste zijn ook de medische klachten die eiseres als gevolg van haar progressieve aandoening heeft geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden. Dit volgt uit de rechtspraak. Ten aanzien van de klachten ten gevolge van andere, niet progressieve, aandoeningen, kan dit evenmin. Voorts is niet gebleken dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is waardoor niet kan worden gesteld dat afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is.
3.6.
Op 19 april 2024 heeft eiseres een melding gedaan bij het college om uitbreiding van haar huidige indicatie voor ondersteuning bij het voeren van een huishouden. Met het besluit van 3 juli 2024 heeft het college een pgb voor ondersteuning bij het huishouden toegekend over de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2024 met als intensiteit plus.
3.7.
Eiseres heeft op 24 juli 2024 een pgb voor huishoudelijke ondersteuning voor 9,5 uur per week aangevraagd. Met het besluit van 24 juli 2024 is aan eiseres bekend gemaakt dat zij voor de periode van 1 augustus 2024 tot en met 31 januari 2025 in aanmerking komt voor ondersteuning bij het huishouden met als intensiteit plus. Dit besluit is genomen omdat eiseres op 24 juli 2024 een aanvraag heeft gedaan voor 9,5 uur huishoudelijke ondersteuning per week, en deze aanvraag afwijkt van hetgeen het college aan eiseres heeft geadviseerd. Gelet daarop is bij besluit van eveneens 24 juli 2024 het verzoek om hogere intensiteit afgewezen. Omdat er wel een noodzaak voor ondersteuning bestaat, heeft het college de indicatie ambtshalve verlengd in afwachting van het bezwaar.
3.8.
Het college heeft met het bestreden besluit 3 het besluit van 3 juli 2024 en de besluiten van 24 juli 2024 herroepen en aan eiseres over de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 juni 2027 ondersteuning toegekend in de vorm van een pgb met als resultaat het voeren van een huishouden met een omvang van 466 minuten per week (7,75 uur per week). Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat uit het Sociaal Medisch Advies (SMA) van Calder Werkt van 3 juni 2024 en het Wmo-advies van 17 juli 2024 volgt dat eiseres niet in staat is om zware en lichte huishoudelijke taken te verrichten. Wel wordt zij in staat geacht zeer lichte huishoudelijke taken te verrichten die geen kracht, veel bewegen of stress vereisen. Het college heeft bij vaststelling van de ondersteuningsbehoefte voor de huishoudelijke taken en regievoering aansluiting gezocht bij het Normenkader Huishoudelijke ondersteuning van de HHM. Ten behoeve van de wasverzorging is aansluiting gezocht bij het CIZ-protocol.
Beoordeling door de rechtbank
SGR 24/6995
4. In beroep voert eiseres aan dat er geen wettelijke grondslag is om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Er is immers sprake van een wijziging van omstandigheden waardoor het college het besluit had moeten herzien.
4.1.
Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint te lopen op de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag waarop het besluit aan de geadresseerde is toegezonden. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet-tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaanniet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaar (ruimschoots) buiten de bezwaartermijn is ingediend. Eiseres heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift haar niet of slechts in geringe mate kan worden toegerekend. Dit betekent dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
Het college heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.3.
Het beroep is ongegrond.
SGR 24/10158
5. In beroep voert eiseres aan dat zij meer dan tien jaar te weinig uren aan huishoudelijke ondersteuning heeft ontvangen, zo ook over de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2024. De schikking en de brief van de rechtbank in de zaak SGR 22/8091 rechtvaardigen herziening van het besluit van 16 juni 2021. In de procedure SGR 22/8091 ging het namelijk ook om een betwisting van het aantal toegekende uren voor huishoudelijke ondersteuning. Het college heeft erkend dat vóór 2021 onvoldoende uren waren toegekend. Afwijzing van het herzieningsverzoek is daarom onredelijk. Daar komt bij het college ook voor de periode na 30 juni 2024 heeft erkend dat eiseres recht heeft op meer dan 4,33 uur aan huishoudelijke ondersteuning per week. Ook staat vast dat destijds geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden, terwijl dit wel had gemoeten. De medische beperkingen van eiseres stonden immers ter discussie. De gezondheidstoestand van eiseres is inmiddels nog meer verslechterd.
Het toetsingskader
5.1.
Als de termijn voor bezwaar, beroep of hoger beroep over een besluit ongebruikt is verstreken of als het gebruik van rechtsmiddelen niet heeft geleid tot herroeping of vernietiging van dat besluit, dan staat dat besluit in rechte vast. De discussie daarover is dan gesloten. Een bestuursorgaan kan er daarom voor kiezen om een verzoek om terug te komen van een dergelijk besluit of om dat te herzien zonder onderzoek af te wijzen, als bij dat verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld. Hij hoeft dan bij de afwijzing van het verzoek in beginsel alleen te verwijzen naar dat eerdere besluit. Het bestuursorgaan doet het verzoek op deze vereenvoudigde manier af met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.2.
Dit betekent dat de bestuursrechter het beroep of hoger beroep tegen het besluit tot afwijzing van een herzieningsverzoek in dat geval als volgt beoordeelt. Aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst deze of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de afwijzing van het herzieningsverzoek die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat die afwijzing evident onredelijk is. Dit is vaste rechtspraak.
5.3.
Het verzoek van eiseres is erop gericht dat het college terugkomt van het oorspronkelijk besluit van 16 juni 2021. Dit besluit stond op het moment van het herzieningsverzoek in rechte vast. Het college heeft het herzieningsverzoek van eiseres op de vereenvoudigde manier afgedaan en beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Daarom wordt het bestreden besluit getoetst zoals hiervoor in is beschreven.
Nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden
5.4.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
5.5.
De rechtbank is met het college van oordeel dat eiseres geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. De schikking waar eiseres op heeft gewezen zag op een procedure die ging over de periode van 28 maart 2019 tot en met 30 juni 2021. Hieraan kan eiseres geen rechten ontlenen voor een periode daarna. Dat het college in het kader van die procedure heeft aangeboden om met terugwerkende kracht tot 9,5 uur aan huishoudelijk ondersteuning per week te vergoeden is hooguit een aanwijzing dat de omvang van de huishoudelijke ondersteuning in de periode vanaf 1 juli 2021 te laag was. Dit is echter geen reden om het besluit dat in rechte vast staat te herzien. Het college heeft er ook op gewezen dat de voor eiseres gunstige uitkomst van de schikking ook te maken had met het feit dat de indicatie gebaseerd was op het toen geldende CIZ-protocol, dat gunstiger was dan het nu geldende HHM-normenkader.
5.6.
Ook de omstandigheid dat aan het besluit van 16 juni 2021 geen medisch onderzoek ten grondslag heeft gelegen is, wat hier verder ook van zij, geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Hier was eiseres immers destijds mee bekend en zij had dit kunnen aanvoeren in een bezwaarprocedure. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat tussen partijen vaststaat dat er een medisch onderzoek plaats had moeten vinden. Het college heeft zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat er destijds geen discussie bestond over de problematiek zodat een medisch onderzoek niet aangewezen was.
5.7.
Ook de verslechtering van de gezondheid van eiseres kan niet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Het college stelt terecht dat ten tijde van het besluit de progressieve aandoening van eiseres reeds bekend was. Ten aanzien van de niet progressieve gezondheidsklachten van eiseres heeft zij niet onderbouwd dat deze in de betreffende periode dusdanig erger zijn geworden dat dit kan worden gezien als een veranderde omstandigheid.
Evidente onredelijkheid
5.8.
De omstandigheid dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is, kan betrokken worden bij de beoordeling van de vraag of de afwijzing van het verzoek evident onredelijk is. Een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of een summier onderzoek moet voldoende zijn om te kunnen concluderen dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is. Dat is niet het geval. Eiseres wil in feite opnieuw een discussie voeren over juistheid van het oorspronkelijke besluit. Daarvoor is in deze procedure geen plaats. Dat een inhoudelijke beoordeling nodig is om te kunnen beoordelen of het besluit wel juist is, betekent ook dat van een onmiskenbaar onjuist besluit geen sprake is.
5.9.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college het herzieningsverzoek op juiste gronden heeft afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond.
SGR 24/8788
6. Eiseres stelt in beroep dat zij vanaf 1 juli 2024 gedurende drie jaar een pgb voor 9,5 uur huishoudelijke ondersteuning per week zou moeten ontvangen, net zoals zij heeft ontvangen over de periode van 28 maart 2019 tot en met 30 juni 2021. Eiseres kampt met chronische, psychische en lichamelijke klachten en beperkingen, welke na 30 juni 2021 alleen maar zijn toegenomen. Het college heeft onvoldoende oog voor de klachten van eiseres en het onderzoek van Calder Werkt is onvolledig en onzorgvuldig. Volgens de adviserende geneeskundige zouden er specifieke behandelopties zijn waarvan verbetering wordt verwacht, terwijl niet wordt genoemd welke behandelopties dit zijn. Ook is het niet duidelijk welke medische informatie door de arts is verkregen en is de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet consistent ingevuld.
6.1.
Het college heeft zich in het bestreden besluit gebaseerd op het SMA van Calder Werkt van 3 juni 2024. Een bestuursorgaan dat bij de besluitvorming gebruik maakt van een advies van een medisch adviseur mag volgens vaste rechtspraak in het algemeen op dat advies afgaan, mits is gebleken dat dit advies volledig is en op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het ligt vervolgens op de weg van eiseres om medische stukken te overleggen die aan het medisch advies doen twijfelen.
6.2.
De adviserende geneeskundige van Calder Werkt heeft een anamnese afgenomen, lichamelijk onderzoek en een bewegingsonderzoek gedaan en heeft de overgelegde informatie en de inhoud van het aanwezige dossier bestudeerd. Er is geen aanvullende medische informatie opgevraagd, omdat er voldoende informatie beschikbaar was om het advies te kunnen geven. De adviserende geneeskundige heeft de medische informatie die door eiseres zelf is overgelegd beoordeeld. Op basis van de verkregen informatie concludeert de adviserend geneeskundige dat eiseres beperkt is ten aanzien van zware fysieke huishoudelijke taken en lichte huishoudelijke taken. Zeer lichte huishoudelijke taken, zoals het brengen van een glas naar de keuken, wordt eiseres wel geacht zelf te kunnen. Van de beperkingen ten aanzien van de zware huishoudelijke taken is geen verbetering meer te verwachten. Wat de lichte huishoudelijke taken betreft is binnen 2,5 jaar wel verbetering te verwachten, gelet op mogelijke behandelopties.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college het SMA bij zijn besluitvorming mocht betrekken. Het SMA is duidelijk geformuleerd en niet is gebleken dat het onjuiste feiten bevat over hoe de medische situatie van eiseres was ten tijde van het uitbrengen daarvan. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat de adviserende geneeskundige onvoldoende oog heeft gehad voor de klachten en beperkingen van eiseres. Eiseres heeft geen medische stukken overgelegd die aanleiding geven om te twijfelen aan de door de adviserende geneeskundige getrokken conclusie dat eiseres in staat wordt geacht om zeer lichte huishoudelijke taken te kunnen verrichten. De medische stukken die eiseres in beroep heeft overgelegd werpen namelijk geen ander licht op de beperkingen en klachten. Uit de brief van de orthopedisch chirurg van 11 november 2026 volgt dat eiseres veel klachten heeft aan haar linkerschouder en dat zij haar linkerarm zoveel mogelijk moet ontlasten. Blijkens het Wmo-advies van 17 juli 2024 is het college er reeds vanuit gegaan dat eiseres haar linkerarm niet kan gebruiken. De rechtbank ziet daarom geen aanwijzing voor de conclusie dat eiseres meer huishoudelijke ondersteuning nodig heeft dan is toegekend. Uit de brief van de neuroloog van 14 oktober 2025 volgt dat er sprake is van een toename in de duur van de aanvallen die eiseres ’s ochtends ervaart. Ook deze omstandigheid geeft geen aanleiding om aan het medisch advies te twijfelen, aangezien de adviserende geneeskundige er vanuit is gegaan dat eiseres volledige overname van zware en lichte huishoudelijke taken nodig heeft.
6.4.
Dat de adviserende geneeskundige bij het advies heeft betrokken dat er mogelijke behandelopties zijn waardoor verbetering zal optreden ten aanzien van de mogelijkheid tot verrichten van de lichte huishoudelijke taken, zonder dat concreet wordt benoemd welke behandelopties dit zijn, kan evenmin tot de conclusie leiden dat het SMA niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen worden gelegd. Deze voorspelling is namelijk niet van invloed geweest bij de vaststelling van de duur en omvang van de huishoudelijke ondersteuning in het bestreden besluit. De stelling van eiseres dat de FML niet consistent is ingevuld, treft ook geen doel. Eiseres heeft de invulling van de lijst weliswaar op een aantal onderdelen betwist, maar zij heeft niet nader onderbouwd waarom er sprake is van sterkere beperkingen dan waarvan de adviserende geneeskundige is uitgegaan.
6.5.
Weliswaar heeft eiseres in het kader van een schikking over een periode in het verleden tijdelijk 9,5 uur aan huishoudelijke hulp ontvangen, maar eiseres kan daaraan niet in redelijkheid de verwachting ontlenen dat de huishoudelijke hulp in die omvang ook nadien zou worden voortgezet. Het college heeft bij een nieuwe aanvraag de bevoegdheid om de situatie opnieuw te beoordelen. Deze beoordeling kan tot een gewijzigde maatwerkvoorziening leiden. Van belang hierbij is dat de omvang van de toegekende huishoudelijke hulp vanaf 1 juli 2024, anders dan voorheen, gebaseerd is op een actueel medisch advies.
6.6.
Het beroep is ongegrond.
Conclusie en gevolgen
7. De rechtbank zal de beroepen van eiseres ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr.F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
SGR 22/8091.
Het college verwijst hierbij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2O11:BQ9275.
Het college verwijst hierbij naar de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 juni 2016, met het zaaknummer AWB/ROE 15/2047.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1106.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 7 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2176.