Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20787
2026-07-22
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
SGR 25/3267
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Omgevingswet. Beroep ongegrond. Verlening omgevingsvergunning voor het vestigen van een massagesalon in kantoorpand voor de duur van het huurcontract. Buitenplanse omgevingsplanactiviteit. ETFAL beoordeling. Voldoende gronden om de massagesalon tijdelijk te legaliseren, ondanks dat het vanuit stedenbouwkundig oogpunt geen logische plek is.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2026:3652 Raad van State 24-06-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.864 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3267
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] C.V., uit [plaats 1] , eiseres
(gemachtigde: mr. I.R. Köhne),
en
het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest, het college
(gemachtigde: R. Frijlink)
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 2] , vergunninghouder
(gemachtigde: mr. F.A.E. Ohlenroth)
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het vestigen van een massagesalon in het kantoorpand op het adres [adres] (het kantoorpand) voor de duur van maximaal 3 jaar en 6 maanden. Eiseres is het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. Volgens haar voldoet het bouwplan niet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft ten onrechte aan de belangen van de vergunninghouder gewicht toegekend. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning mocht verlenen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Vergunninghouder heeft op 12 augustus 2024 een aanvraag ingediend ter tijdelijke legalisering van zijn massagesalon in het kantoorpand. Met het besluit van 21 november 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de resterende duur van het huurcontract of zoveel korter als nodig is.
2.1.
Met het bestreden besluit van 31 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld door [naam 1] , en verder de gemachtigde van het college. Namens vergunninghouder waren aanwezig [naam 2] en de gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de vergunningsaanvraag op ziet, waren vóór 1 januari 2024 de bestemmingsplannen “De Geesten” en “Parapluplan Parkeren Oegstgeest 2021” van kracht. Deze bestemmingsplannen maken dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Oegstgeest (het omgevingsplan).
3.1.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. [derde-partij] Leiden & Oegstgeest is op 1 februari 2023 een huurovereenkomst aangegaan met [bedrijfsnaam] B.V. voor de huur van een bedrijfsruimte in het kantoorpand om te gebruiken als praktijkruimte voor de duur van vijf jaar. Eiseres heeft de eigendom van het kantoorpand en het huurcontract met vergunninghouder van de vorige eigenaar overgenomen.
Ter plaatste geldt de bestemming “Kantoor” en de dubbelbestemming “Waarde -Archeologie”. Het gedeeltelijke gebruik van het kantoorpand als massagesalon is in strijd met het ter plaatse geldende tijdelijk deel van het omgevingsplan en de bestemmingsplanregels, omdat een massagesalon niet valt onder het voorgeschreven gebruik 'Kantoor'.
4.1.
Het college heeft met het bestreden besluit een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Volgens het college zijn er geen ruimtelijke bezwaren tegen het tijdelijk vestigen van een massagesalon in het kantoorpand tot uiterlijk 31 januari 2028.
Mocht het college de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verlenen?
5. Eiseres betoogt dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De omstandigheid dat de massagesalon tot nu toe geen overlast heeft veroorzaakt, is onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Gelet op de feitelijke situatie, is een massagesalon op deze plek onwerkbaar. Een massagesalon op de zolderverdieping is ook technisch niet goed in te richten. Ook is er een relevant verschil tussen de parkeerbelasting en het aantal parkeerbewegingen van een massagesalon ten opzichte van een vaste kantoorgebruiker. Eiseres voert verder aan dat in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties geen ruimte is voor een belangenafweging. Het college heeft daarom ten onrechte het belang van de aanvrager bij het verkrijgen van de omgevingsvergunning meegewogen.
5.1.
De rechtbank overweegt dat het begrip “evenwichtige toedeling” in het Bkl niet nader is omschreven. Beoogd is om aan te sluiten bij het criterium “goede ruimtelijke ordening” dat gold onder de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het bevoegd gezag heeft op dit punt beleidsruimte. Bij beoordeling van de aanvraag weegt het college de betrokken belangen af. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of met het besluit over de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevings-planactiviteit sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of dat besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan, binnen het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat voldaan wordt aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat een kantoorpand geen logische plek is voor een massagesalon en dat het college heeft erkend dat vanuit stedenbouwkundig oogpunt bekeken een massagesalon niet wenselijk is, betekent niet dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat er voldoende gronden zijn om de massagesalon tijdelijk te legaliseren. Daarbij is van belang dat het gebruik als massagesalon voor beperkte duur, namelijk tot 31 januari 2028, is toegestaan.
5.3.
Eiseres heeft geen steekhoudende argumenten naar voren gebracht waaruit blijkt dat er overwegende planologische bezwaren zijn tegen het tijdelijk vestigen van een massagesalon in het kantoorpand. Van verkeers- of parkeerproblemen als gevolg van de verleende omgevingsvergunning is niet gebleken. Het college heeft gemotiveerd uiteengezet dat er voldoende restruimte is om eventuele parkeerdruk van de massagesalon op te kunnen vangen. In 2024 – op het moment dat de massagesalon al actief was – heeft er een parkeerdrukmeting plaatsgevonden. Hieruit blijkt dat de parkeerdruk op dat moment lager was dan 85% en daarmee voldeed aan de parkeereisen. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen en eiseres heeft dit niet gemotiveerd betwist. De enkele stelling van eiseres dat een massagesalon in een kantoorpand niet wenselijk is, omdat dit overlast veroorzaakt voor de andere kantoorgebruikers is niet met concrete gegevens onderbouwd. Bovendien heeft vergunninghouder ter zitting onweersproken toegelicht dat hoewel zijn klanten dezelfde ingang als de kantoorgebruikers gebruiken, de klanten om de massagesalon te bereiken geen ruimtes in het pand hoeven te betreden waar kantoormedewerkers aan het werk zijn. De stelling dat de gedane aanpassingen in de door vergunninghouder gehuurde ruimtes tot disbalans in de klimaatregeling leiden en dat er onevenredig veel stroom gebruikt zou worden door vergunninghouder, is wat er ook van zij niet planologisch relevant.
5.4.
Het college heeft daarom, gelet op het voorgaande, in redelijkheid een omgevingsvergunning aan de vergunninghouder mogen verlenen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3652.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3267
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] C.V., uit [plaats 1] , eiseres
(gemachtigde: mr. I.R. Köhne),
en
het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest, het college
(gemachtigde: R. Frijlink)
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 2] , vergunninghouder
(gemachtigde: mr. F.A.E. Ohlenroth)
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het vestigen van een massagesalon in het kantoorpand op het adres [adres] (het kantoorpand) voor de duur van maximaal 3 jaar en 6 maanden. Eiseres is het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. Volgens haar voldoet het bouwplan niet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft ten onrechte aan de belangen van de vergunninghouder gewicht toegekend. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning mocht verlenen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Vergunninghouder heeft op 12 augustus 2024 een aanvraag ingediend ter tijdelijke legalisering van zijn massagesalon in het kantoorpand. Met het besluit van 21 november 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de resterende duur van het huurcontract of zoveel korter als nodig is.
2.1.
Met het bestreden besluit van 31 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld door [naam 1] , en verder de gemachtigde van het college. Namens vergunninghouder waren aanwezig [naam 2] en de gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de vergunningsaanvraag op ziet, waren vóór 1 januari 2024 de bestemmingsplannen “De Geesten” en “Parapluplan Parkeren Oegstgeest 2021” van kracht. Deze bestemmingsplannen maken dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Oegstgeest (het omgevingsplan).
3.1.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. [derde-partij] Leiden & Oegstgeest is op 1 februari 2023 een huurovereenkomst aangegaan met [bedrijfsnaam] B.V. voor de huur van een bedrijfsruimte in het kantoorpand om te gebruiken als praktijkruimte voor de duur van vijf jaar. Eiseres heeft de eigendom van het kantoorpand en het huurcontract met vergunninghouder van de vorige eigenaar overgenomen.
Ter plaatste geldt de bestemming “Kantoor” en de dubbelbestemming “Waarde -Archeologie”. Het gedeeltelijke gebruik van het kantoorpand als massagesalon is in strijd met het ter plaatse geldende tijdelijk deel van het omgevingsplan en de bestemmingsplanregels, omdat een massagesalon niet valt onder het voorgeschreven gebruik 'Kantoor'.
4.1.
Het college heeft met het bestreden besluit een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Volgens het college zijn er geen ruimtelijke bezwaren tegen het tijdelijk vestigen van een massagesalon in het kantoorpand tot uiterlijk 31 januari 2028.
Mocht het college de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verlenen?
5. Eiseres betoogt dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De omstandigheid dat de massagesalon tot nu toe geen overlast heeft veroorzaakt, is onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Gelet op de feitelijke situatie, is een massagesalon op deze plek onwerkbaar. Een massagesalon op de zolderverdieping is ook technisch niet goed in te richten. Ook is er een relevant verschil tussen de parkeerbelasting en het aantal parkeerbewegingen van een massagesalon ten opzichte van een vaste kantoorgebruiker. Eiseres voert verder aan dat in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties geen ruimte is voor een belangenafweging. Het college heeft daarom ten onrechte het belang van de aanvrager bij het verkrijgen van de omgevingsvergunning meegewogen.
5.1.
De rechtbank overweegt dat het begrip “evenwichtige toedeling” in het Bkl niet nader is omschreven. Beoogd is om aan te sluiten bij het criterium “goede ruimtelijke ordening” dat gold onder de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het bevoegd gezag heeft op dit punt beleidsruimte. Bij beoordeling van de aanvraag weegt het college de betrokken belangen af. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of met het besluit over de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevings-planactiviteit sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of dat besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan, binnen het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat voldaan wordt aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat een kantoorpand geen logische plek is voor een massagesalon en dat het college heeft erkend dat vanuit stedenbouwkundig oogpunt bekeken een massagesalon niet wenselijk is, betekent niet dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat er voldoende gronden zijn om de massagesalon tijdelijk te legaliseren. Daarbij is van belang dat het gebruik als massagesalon voor beperkte duur, namelijk tot 31 januari 2028, is toegestaan.
5.3.
Eiseres heeft geen steekhoudende argumenten naar voren gebracht waaruit blijkt dat er overwegende planologische bezwaren zijn tegen het tijdelijk vestigen van een massagesalon in het kantoorpand. Van verkeers- of parkeerproblemen als gevolg van de verleende omgevingsvergunning is niet gebleken. Het college heeft gemotiveerd uiteengezet dat er voldoende restruimte is om eventuele parkeerdruk van de massagesalon op te kunnen vangen. In 2024 – op het moment dat de massagesalon al actief was – heeft er een parkeerdrukmeting plaatsgevonden. Hieruit blijkt dat de parkeerdruk op dat moment lager was dan 85% en daarmee voldeed aan de parkeereisen. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen en eiseres heeft dit niet gemotiveerd betwist. De enkele stelling van eiseres dat een massagesalon in een kantoorpand niet wenselijk is, omdat dit overlast veroorzaakt voor de andere kantoorgebruikers is niet met concrete gegevens onderbouwd. Bovendien heeft vergunninghouder ter zitting onweersproken toegelicht dat hoewel zijn klanten dezelfde ingang als de kantoorgebruikers gebruiken, de klanten om de massagesalon te bereiken geen ruimtes in het pand hoeven te betreden waar kantoormedewerkers aan het werk zijn. De stelling dat de gedane aanpassingen in de door vergunninghouder gehuurde ruimtes tot disbalans in de klimaatregeling leiden en dat er onevenredig veel stroom gebruikt zou worden door vergunninghouder, is wat er ook van zij niet planologisch relevant.
5.4.
Het college heeft daarom, gelet op het voorgaande, in redelijkheid een omgevingsvergunning aan de vergunninghouder mogen verlenen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3652.