Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20774

2026-07-15 Bestuursrecht; Omgevingsrecht SGR 25/9200
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-15
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/9200
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

beroep tegen afwijzing aanvraag om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit; beroep ongegrond

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.288 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 25/9200


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] (Portugal), eiser
(gemachtigde: mr. P.C.H. van Schooten),


en


de Minister van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. T.C. Tesselhof).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit (jachtakte). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aanvraag mocht worden afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft op 19 februari 2025 een aanvraag ingediend voor een jachtakte.



2.1.
Met het besluit van 29 april 2025 (het primaire besluit) heeft de korpschef van de Nationale Politie (de korpschef) de aanvraag van eiser afgewezen.



2.2.
Met het besluit van 26 november 2025 (het bestreden besluit) op het administratief beroep van eiser heeft de minister de afwijzing van de aanvraag in stand gelaten.



2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.4.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.



2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.





Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit




3. Eiser beschikte over een jachtakte, als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onder a, van de Wet natuurbescherming, zoals die gold tot 1 januari 2024.



3.1.
Op 26 januari 2024 heeft eiser zijn jachtgeweer van het kaliber .20 overgedragen aan een kennis die het naar een reparateur zou brengen. Die kennis was echter niet bevoegd om het jachtgeweer voorhanden te hebben, omdat hij niet over een jachtakte beschikte. Naar aanleiding hiervan heeft de korpschef op 15 maart 2024 de jachtakte van eiser ingetrokken. Eiser heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend.



3.2.
Op 19 februari 2025 heeft eiser een aanvraag gedaan om een jachtakte als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder f, van de Omgevingswet.



3.3.
Op 7 april 2025 heeft de korpschef een voornemen tot het afwijzen van de gevraagde jachtakte aan eiser gestuurd, omdat de gedragingen van eiser volgens de korpschef niet in lijn zijn met het gedrag dat van de houder van een jachtakte mag worden verwacht en eiser zich niet strikt aan de toepasselijke regels heeft gehouden. Omdat de korpschef in de door eiser ingediende zienswijze van 8 april 2025 geen aanleiding heeft gezien om van het voornemen af te zien, heeft de korpschef de aanvraag met het primaire besluit afgewezen.



3.4.
De minister heeft de afwijzing van de aanvraag met het bestreden besluit op het administratief beroep van eiser in stand gelaten.



Toetsingskader




4. Op grond van artikel 5.9a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beslist de korpschef op de aanvraag om een jachtakte. In artikel 8.74t, tweede lid, onder a van het Bkl is bepaald dat een jachtakte, ondanks voldoening aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, wordt geweigerd als er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid een geweer en munitie voorhanden te hebben, van de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen of van hem toekomende bevoegdheden in het kader van het beheren van het beheren van populaties van in het wild levende dieren of het bestrijden van schadeveroorzakende dieren misbruik zal maken, of zodanig gebruik zal maken dat hij een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen. Bij de invulling van dit ‘vrees voor misbruik’ criterium heeft de korpschef beoordelingsruimte. Hierbij hanteert hij de Circulaire wapens en munitie 2019 (Cwm 2019).




4.1.
Op grond van paragraaf B 1.2, ad b, van de Cwm 2019 kan ‘vrees voor misbruik’ ook worden aangenomen op basis van andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken, omtrent betrokkene bekende feiten.



4.2.
Het is vaste rechtspraak dat degene aan wie een jachtakte is verleend zich in een uitzonderingspositie bevindt ten opzichte van andere burgers, voor wie het algemene verbod op het voorhanden hebben en dragen van wapens en munitie geldt. Deze uitzonderingspositie brengt mee dat in de houder van een jachtakte het vertrouwen moet kunnen worden gesteld, dat hij zich strikt aan de toepasselijke regels zal houden en zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde. Geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de gemaakte uitzondering is al voldoende grond om daaraan een einde te maken. Deze twijfel moet onderbouwd en objectief toetsbaar zijn.



4.3.
Het is ook vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel af mag gaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven.



Standpunt van eiser



5. Eiser betwist niet dat hij zijn jachtgeweer heeft overgedragen aan een persoon die niet bevoegd was om dit jachtgeweer voorhanden te hebben. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij zich destijds niet realiseerde dat het overdragen van een defect en deugdelijk verpakt jachtgeweer aan een persoon die niet bevoegd was om dit jachtgeweer voorhanden te hebben, niet was toegestaan. Eiser stelt dat dit niet nogmaals zal gebeuren, en heeft excuses gemaakt aan de korpschef. Het beroep van eiser ziet erop dat hij vindt dat de minister geen doorslaggevende betekenis mocht toekennen aan één fout in ruim 62 jaar als houder van een jachtakte. Eiser voert daartoe verschillende gronden aan, die hierna worden besproken.



Is de aanvraag terecht afgewezen?



6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen actuele beoordeling heeft uitgevoerd. Als hij dat wel had gedaan was hij niet tot de conclusie gekomen dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer aan eiser kon worden toevertrouwd. Volgens eiser kent de minister ten onrechte een doorslaggevende betekenis toe aan één incident uit januari 2024, terwijl de minister op grond van paragraaf B 1.2, ad c, van de Cwm 2019 bevoegd is om van de terugkijktermijn af te wijken als de aard of de ernst van de verweten gedragingen, de kans op recidive, de recente persoonlijke ontwikkelingen van de betrokkene, de pleegdatum of eventuele disculperende omstandigheden dat toelaten. Volgens eiser is daarvan sprake, omdat hij zich ten tijde van het incident van 26 januari 2024 niet had gerealiseerd dat zijn gedraging niet was toegestaan.



6.1.
De rechtbank overweegt allereerst dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat het onderdeel van de Cwm 2019 waar eiser naar verwijst ziet op de situatie waarin de intrekking van een jachtakte is gebaseerd op een veroordeling. In dit geval ligt echter geen veroordeling, maar ‘vrees voor misbruik’ aan de intrekking ten grondslag, zoals neergelegd in paragraaf B 1.2, ad c, van de Cwm 2019. Hierin zijn geen termijnen genoemd waarvan afgeweken zou kunnen en moeten worden.


6.2.
De rechtbank overweegt verder dat in de Cwm 2019 geen vaste terugkijktermijn is bepaald voor "andere omtrent de aanvrager bekende feiten". De minister heeft de omstandigheden die hebben geleid tot intrekking van de jachtakte meegewogen bij de beoordeling van de nieuwe aanvraag. De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat de minister dit niet in redelijkheid heeft kunnen doen. Daarbij is van belang dat het incident dat tot die intrekking heeft geleid ten tijde van het bestreden besluit nog geen twee jaar geleden heeft plaatsgevonden. Het enkele gegeven dat rekening wordt gehouden met gebeurtenissen uit een  betrekkelijk recent  verleden betekent niet dat geen sprake is van een actuele beoordeling. Zowel de korpschef als de minister hebben in dit geval de relevante feiten en omstandigheden afgewogen in het licht van het tijdsverloop, en daarover een gemotiveerd besluit genomen. In dit geval is het tijdsverloop naar het oordeel van de rechtbank nog te kort om te oordelen dat de minister die omstandigheden niet had mogen meewegen. Het betoog van eiser dat de minister een actuele beoordeling had moeten uitvoeren, en daarom de omstandigheden die hebben geleid tot intrekking van de jachtakte niet had mogen meewegen in de beoordeling van de nieuwe aanvraag, slaagt daarom niet.



6.3.

Ook het betoog van eiser dat de minister ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het incident van 26 januari 2024, omdat hij nooit als verdachte is aangemerkt en omdat de persoon aan wie hij zijn jachtgeweer heeft overgedragen door het gerechtshof is vrijgesproken, slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat uit paragraaf B 1.2, ad b, van de Cwm 2019 volgt dat de vrees voor misbruik eveneens kan worden gebaseerd op een door de politie opgemaakt proces-verbaal dat (nog) niet tot een veroordeling heeft geleid of in het geval dat de persoon in kwestie in hechtenis heeft gezeten, zonder dat daar een onherroepelijke rechterlijke uitspraak aan ten grondslag ligt.
Dat het Openbaar Ministerie heeft besloten eiser niet te vervolgen, omdat de bestuursrechtelijke sanctie van intrekking van de jachtakte volgens het Openbaar Ministerie afdoende was, maakt niet dat de minister geen gewicht heeft mogen toekennen aan het incident van 26 januari 2024.




6.4.
In het licht van het voorgaande heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat (in ieder geval geringe) twijfel bestaat of het verantwoord is om aan eiser een jachtakte te verlenen. De rechtbank acht daarbij juist ook van belang dat eiser – omdat hij zich in een uitzonderingspositie bevond – ervan op de hoogte had moeten zijn dat hij zijn jachtgeweer niet aan iemand anders mocht overdragen zoals hij heeft gedaan. De minister heeft gezien het voorgaande ook meer gewicht mogen toekennen aan het algemeen belang van veilige en verantwoorde omgang met vuurwapens dan aan de persoonlijke belangen van eiser bij het kunnen blijven jagen, en dus de afwijzing van de aanvraag in stand mogen laten.



6.5.
Het betoog slaagt niet.



Bevoegdheid operationeel manager afdeling V&T



7. Voor zover eiser heeft betoogd dat het bestreden besluit is genomen door een functionaris die hiertoe niet is gemandateerd, omdat de operationeel manager afdeling V&T niet namens de minister bevoegd is om het bestreden besluit te ondertekenen, overweegt de rechtbank dat de operationeel manager afdeling V&T op grond van artikel 1, aanhef, onder b, onder 1o, van het mandaatbesluit Dienst Justis 2020 bevoegd is om het bestreden besluit te ondertekenen.



Verbod op vooringenomenheid



8. Tot slot overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat dezelfde ambtenaar zowel bij het besluit tot intrekking van de jachtakte als bij het besluit op een nieuwe aanvraag betrokken is, geen aanleiding is om aan te nemen dat sprake is van vooringenomenheid.




Conclusie en gevolgen


9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit om de aanvraag af te wijzen in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr.J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3986.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2826.


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:935.