Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20772
2026-07-13
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
SGR 26/744
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
beroep tegen afwijzing aanvraag om een tegemoetkoming in planschade; Wet ruimtelijke ordening; beroep ongegrond
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2022:550 Raad van State 23-02-2022
- ECLI:NL:RVS:2025:3690 Raad van State 06-08-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.713 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/744
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] VOF, uit [plaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk
(gemachtigden: C.M. Kortekaas en E. Groeneveld).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het besluit van het college om haar aanvraag om een tegemoetkoming in planschade af te wijzen. Eiseres is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit tot afwijzing van het verzoek van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiseres om tegemoetkoming in planschade heeft mogen afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 26 juni 2025 een aanvraag om tegemoetkoming in planschade ingediend.
2.1.
Met het besluit van 18 augustus 2025 heeft het college de aanvraag afgewezen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 16 december 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij zijn besluit gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Eiseres is hier vertegenwoordigd door [naam] . Het college heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres exploiteerde sinds 2014 een onderneming waarbij ijs werd verkocht vanaf een vlot op de Reeuwijkse plassen. In 2022 heeft het college eiseres schriftelijk gewaarschuwd dat deze bedrijfsactiviteiten in strijd zijn met de regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Plassengebied” en dat handhavend zal worden opgetreden wanneer een overtreding wordt geconstateerd. Eiseres heeft haar bedrijfsvoering daarop beëindigd. Op 26 juni 2025 heeft zij een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming in planschade in verband met inkomensderving. Eiseres vindt dat de schade in verband met inkomensderving niet voor haar rekening mag komen, omdat door de gemeente in 2014 en 2018 is bevestigd dat voor de werkzaamheden geen vergunning is vereist.
3.1.
Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag om tegemoetkoming in planschade afgewezen, omdat de aanvraag niet binnen vijf jaar na het (in 2015) onherroepelijk worden van het bestemmingsplan “Plassengebied” is ingediend.
3.2.
Eiseres heeft in haar bezwaarschrift toegelicht dat niet het in 2015 onherroepelijk geworden bestemmingsplan “Plassengebied”, maar de 2e herziening van het bestemmingsplan “Plassengebied” het schadeveroorzakende bestemmingsplan is.
3.3.
Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres is het college, onder aanvulling van de motivering, bij het primaire besluit gebleven. Het college heeft als motivering toegevoegd dat de 2e herziening van het bestemmingsplan “Plassengebied” nog in ontwerp – en daarmee nog niet onherroepelijk – is.
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. De aanvraag heeft betrekking op schade vanwege een ontwerp van een bestemmingsplan dat voor 1 januari 2024 ter inzage is gelegd. Gelet op artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing.
Het beroep van eiseres
5. Eiseres betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat haar aanvraag om een tegemoetkoming in planschade afgewezen moet worden. Volgens eiseres is het college uitgegaan van onjuiste juridische en feitelijke uitgangspunten. Zij vraagt om een rechterlijk oordeel over de rechtmatigheid van het overheidsoptreden dat heeft geleid tot de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten, om op die manier een effectieve en rechtszekere basis te verkrijgen voor financiële compensatie. Met betrekking tot de rechtmatigheid van het overheidsoptreden voert zij onder meer aan dat het vertrouwensbeginsel is geschonden.
Juridisch kader
6. In artikel 6.1, eerste lid, van de Wro is bepaald dat burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toekennen, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.
6.1.
Ingevolge artikel 6.1, tweede lid, onder a, van de Wro is een oorzaak als bedoeld in het eerste lid een bepaling van een bestemmingsplan, beheersverordening of inpassingsplan, niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.3, artikel 3.6, eerste lid, of artikel 3.38, derde of vierde lid.
6.2.
In artikel 6.1, vierde lid, van de Wro is – voor zover hier van belang – bepaald dat een aanvraag voor een tegemoetkoming in schade ten gevolge van een oorzaak als bedoeld in het tweede lid, onder a, moet worden ingediend binnen vijf jaar na het moment waarop die oorzaak onherroepelijk is geworden.
Mocht het college de aanvraag afwijzen?
7. De rechtbank begrijpt dat het voor eiseres ingrijpend is dat zij haar bedrijfsactiviteiten heeft gestaakt nadat zij in 2022 door het college werd gewaarschuwd dat haar bedrijfsactiviteiten in strijd waren met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Plassengebied”. In deze procedure ligt echter alleen de afwijzing van een verzoek om tegemoetkoming in planschade voor. De planschaderegeling heeft betrekking op schade die het gevolg is van een wijziging van het planologische regime. Bij de toetsing van een besluit over tegemoetkoming in planschade kan gesteld onrechtmatig overheidsoptreden geen rol spelen. Uit artikel 6.1, tweede lid, van de Wro volgt immers dat de planschaderegeling per definitie niet van toepassing is op de gevolgen van beweerdelijk onrechtmatig handelen of nalaten.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres de 2e herziening van bestemmingsplan “Plassengebied” heeft aangemerkt als het schadeveroorzakende besluit in de zin van de artikelen 6.1 en 6.2 van de Wro. De 2e herziening van het bestemmingsplan “Plassengebied” bevindt zich echter nog in de ontwerpfase. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat zij ervan uit was gegaan dat 2e herziening van bestemmingsplan “Plassengebied” op 4 december 2023 was vastgesteld. Nu duidelijk is dat deze herziening van het bestemmingsplan “Plassengebied” nog niet is vastgesteld en niet onherroepelijk is, heeft het college zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld standpunt dat eiseres (nog) geen aanspraak kan maken op een tegemoetkoming in planschade door de 2e herziening van het bestemmingsplan “Plassengebied”. Na het onherroepelijk worden van dat bestemmingsplan kan eiseres een nieuwe aanvraag om tegemoetkoming in planschade indienen. Gelet op het voorgaande heeft het college de aanvraag mogen afwijzen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:550, onder 9.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, onder 139.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/744
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] VOF, uit [plaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk
(gemachtigden: C.M. Kortekaas en E. Groeneveld).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het besluit van het college om haar aanvraag om een tegemoetkoming in planschade af te wijzen. Eiseres is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit tot afwijzing van het verzoek van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiseres om tegemoetkoming in planschade heeft mogen afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 26 juni 2025 een aanvraag om tegemoetkoming in planschade ingediend.
2.1.
Met het besluit van 18 augustus 2025 heeft het college de aanvraag afgewezen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 16 december 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij zijn besluit gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Eiseres is hier vertegenwoordigd door [naam] . Het college heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres exploiteerde sinds 2014 een onderneming waarbij ijs werd verkocht vanaf een vlot op de Reeuwijkse plassen. In 2022 heeft het college eiseres schriftelijk gewaarschuwd dat deze bedrijfsactiviteiten in strijd zijn met de regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Plassengebied” en dat handhavend zal worden opgetreden wanneer een overtreding wordt geconstateerd. Eiseres heeft haar bedrijfsvoering daarop beëindigd. Op 26 juni 2025 heeft zij een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming in planschade in verband met inkomensderving. Eiseres vindt dat de schade in verband met inkomensderving niet voor haar rekening mag komen, omdat door de gemeente in 2014 en 2018 is bevestigd dat voor de werkzaamheden geen vergunning is vereist.
3.1.
Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag om tegemoetkoming in planschade afgewezen, omdat de aanvraag niet binnen vijf jaar na het (in 2015) onherroepelijk worden van het bestemmingsplan “Plassengebied” is ingediend.
3.2.
Eiseres heeft in haar bezwaarschrift toegelicht dat niet het in 2015 onherroepelijk geworden bestemmingsplan “Plassengebied”, maar de 2e herziening van het bestemmingsplan “Plassengebied” het schadeveroorzakende bestemmingsplan is.
3.3.
Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres is het college, onder aanvulling van de motivering, bij het primaire besluit gebleven. Het college heeft als motivering toegevoegd dat de 2e herziening van het bestemmingsplan “Plassengebied” nog in ontwerp – en daarmee nog niet onherroepelijk – is.
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. De aanvraag heeft betrekking op schade vanwege een ontwerp van een bestemmingsplan dat voor 1 januari 2024 ter inzage is gelegd. Gelet op artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing.
Het beroep van eiseres
5. Eiseres betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat haar aanvraag om een tegemoetkoming in planschade afgewezen moet worden. Volgens eiseres is het college uitgegaan van onjuiste juridische en feitelijke uitgangspunten. Zij vraagt om een rechterlijk oordeel over de rechtmatigheid van het overheidsoptreden dat heeft geleid tot de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten, om op die manier een effectieve en rechtszekere basis te verkrijgen voor financiële compensatie. Met betrekking tot de rechtmatigheid van het overheidsoptreden voert zij onder meer aan dat het vertrouwensbeginsel is geschonden.
Juridisch kader
6. In artikel 6.1, eerste lid, van de Wro is bepaald dat burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toekennen, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.
6.1.
Ingevolge artikel 6.1, tweede lid, onder a, van de Wro is een oorzaak als bedoeld in het eerste lid een bepaling van een bestemmingsplan, beheersverordening of inpassingsplan, niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.3, artikel 3.6, eerste lid, of artikel 3.38, derde of vierde lid.
6.2.
In artikel 6.1, vierde lid, van de Wro is – voor zover hier van belang – bepaald dat een aanvraag voor een tegemoetkoming in schade ten gevolge van een oorzaak als bedoeld in het tweede lid, onder a, moet worden ingediend binnen vijf jaar na het moment waarop die oorzaak onherroepelijk is geworden.
Mocht het college de aanvraag afwijzen?
7. De rechtbank begrijpt dat het voor eiseres ingrijpend is dat zij haar bedrijfsactiviteiten heeft gestaakt nadat zij in 2022 door het college werd gewaarschuwd dat haar bedrijfsactiviteiten in strijd waren met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Plassengebied”. In deze procedure ligt echter alleen de afwijzing van een verzoek om tegemoetkoming in planschade voor. De planschaderegeling heeft betrekking op schade die het gevolg is van een wijziging van het planologische regime. Bij de toetsing van een besluit over tegemoetkoming in planschade kan gesteld onrechtmatig overheidsoptreden geen rol spelen. Uit artikel 6.1, tweede lid, van de Wro volgt immers dat de planschaderegeling per definitie niet van toepassing is op de gevolgen van beweerdelijk onrechtmatig handelen of nalaten.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres de 2e herziening van bestemmingsplan “Plassengebied” heeft aangemerkt als het schadeveroorzakende besluit in de zin van de artikelen 6.1 en 6.2 van de Wro. De 2e herziening van het bestemmingsplan “Plassengebied” bevindt zich echter nog in de ontwerpfase. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat zij ervan uit was gegaan dat 2e herziening van bestemmingsplan “Plassengebied” op 4 december 2023 was vastgesteld. Nu duidelijk is dat deze herziening van het bestemmingsplan “Plassengebied” nog niet is vastgesteld en niet onherroepelijk is, heeft het college zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld standpunt dat eiseres (nog) geen aanspraak kan maken op een tegemoetkoming in planschade door de 2e herziening van het bestemmingsplan “Plassengebied”. Na het onherroepelijk worden van dat bestemmingsplan kan eiseres een nieuwe aanvraag om tegemoetkoming in planschade indienen. Gelet op het voorgaande heeft het college de aanvraag mogen afwijzen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:550, onder 9.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, onder 139.