Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20764
2026-07-21
Bestuursrecht
SGR 25/5333
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep. Verweerder heeft eiseres verplicht mee te werken aan een onderzoek naar haar geschiktheid, in het bijzonder naar haar alcoholgebruik. De geldigheid van het rijbewijs van eiseres is geschorst in ieder geval tot de uitslag van het onderzoek. Met voldoende mate van zekerheid is vast komen te staan dat eiseres onder invloed bestuurder was van een motorvoertuig. Beroep ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2023:1943 Raad van State 17-05-2023
- ECLI:NL:RVS:2022:855 Raad van State 23-03-2022
- ECLI:NL:RVS:2019:1543 Raad van State 15-05-2019
- ECLI:NL:RVS:2022:855 Raad van State 23-03-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.863 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5333
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. B. Veenstra),
en
De algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: M.M. van Dongen).
Inleiding
1. Met het primaire besluit van 3 juni 2025 heeft verweerder de geldigheid van het rijbewijs van eiseres geschorst en haar verplicht mee te werken aan een onderzoek naar haar rijgeschiktheid.
1.1.
Met het bestreden besluit van 11 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. De Politie Eenheid Haaglanden (de politie) heeft verweerder gemeld dat eiseres in haar auto is aangehouden met te veel alcohol op. De aanhouding heeft plaatsgevonden nadat de politie een melding ontving van een Kia Picanto die in de Copernicuslaan slingerend weg reed. Verweerder vermoedt op basis van deze melding dat eiseres als houder van een geldig rijbewijs niet voldoet aan de eisen van rijgeschiktheid. Verweerder heeft eiseres daarom verplicht mee te werken aan een onderzoek naar haar geschiktheid, in het bijzonder naar haar alcoholgebruik. De geldigheid van het rijbewijs van eiseres is geschorst in ieder geval tot de uitslag van het onderzoek. Eiseres is het niet eens met dit besluit.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres vindt dat verweerder ten onrechte een onderzoek naar haar alcoholgebruik heeft opgelegd. Eiseres stelt dat zij op 5 februari 2025 weliswaar alcohol had gedronken, maar dat zij niet onder invloed van alcohol een voertuig heeft bestuurd. Zij kwam vanaf de Albert Heijn waar zij een aantal flessen wijn had gekocht. Eiseres heeft daarna haar auto voor haar deur geparkeerd en daar een ruime tijd voor haar woning gewacht tot haar ex-partner de sleutels van de woning kwam brengen. Zij heeft pas na het parkeren van de auto voor haar huis aan de [adres] de wijn genuttigd. Wegens de gastric bypass die eiseres heeft ondergaan is het piekniveau van alcohol hoger en sneller bereikt bij een ademanalyse.
3.1.
Eiseres stelt daarnaast dat de verdenking dat zij onder invloed van alcohol een auto heeft bestuurd is gebaseerd op één verklaring van een getuige. Deze verklaring is op punten aantoonbaar onjuist. Zo heeft de politie in de Copernicuslaan geen voertuig met schade aangetroffen en is het niet mogelijk om rijdend naar de [adres] op de andere rijbaan te komen. Daarnaast heeft de getuige niets vermeld over het tijdsverloop tussen het moment dat zij eiseres heeft zien rijden en het moment dat de politie ter plaatse was. Dat heeft volgens eiseres wel anderhalf uur geduurd. Er kan daarom op basis van het proces-verbaal van de politie niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat eiseres heeft gereden onder invloed van alcohol. De officier van justitie heeft daarom ook besloten om de verdenking van rijden onder invloed te seponeren.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft besloten tot een onderzoek naar de geschiktheid van eiseres. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4.1.
Het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid is een bestuursrechtelijke maatregel. De wetgever vindt het ter bevordering van de verkeersveiligheid noodzakelijk om deelname aan een dergelijk onderzoek in bepaalde gevallen te kunnen afdwingen, los van een eventuele strafrechtelijke procedure. In een bestuursrechtelijke procedure als deze gelden andere bewijsregels dan in een strafrechtelijke procedure. Voor het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid is het voldoende dat het op basis van de geconstateerde feiten met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat de betrokkene onder invloed als bestuurder van een motorvoertuig is opgetreden.
4.2.
De politie heeft aan verweerder een mededeling rijvaardigheid en rijgeschiktheid gestuurd naar aanleiding van een incident in de middag van 5 februari 2025. Volgens de politie heeft eiseres onder invloed van alcohol een motorrijtuig bestuurd. Eiseres had een ademalcoholgehalte van 825 µg/l.
4.3.
Eiseres betwist niet de juistheid van het vastgestelde ademalcoholgehalte, maar stelt dat zij op 5 februari 2025 geen motorrijtuig bestuurde terwijl zij onder invloed was van alcohol.
Bestuurder motorrijtuig
5. De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van rijden onder invloed van de verdachte van 5 februari 2025 blijkt dat twee politieagenten op 5 februari 2025 een melding kregen om naar de Copernicuslaan te Den Haag te gaan. Omstanders zouden een voertuig zien slingeren op de weg. Uit het proces-verbaal van het verhoor van de getuige van eveneens 5 februari 2025 blijkt dat de melder heeft verklaard dat zij op de Copernicuslaan een grijze Kia Picanto met een harde knal tegen een geparkeerde auto aan zag rijden, vermoedelijk een Tesla. Zij heeft geprobeerd contact te maken met de bestuurder om te vragen of zij gewond was. Het lukte haar echter niet om contact te maken. De melder verklaarde verder dat de bestuurder slingerend wegreed naar de [adres] en daarbij bijna op de andere rijbaan terecht kwam. Een onbekende omstander riep dat zij had gedronken. Melder verklaart verder dat zij met andere onbekenden achter de auto is aangerend naar de [adres] , waar de bestuurder haar auto parkeerde. Zij had het idee dat er meer ongelukken zouden gebeuren en heeft ondertussen 112 gebeld. Toen zij aankwam bij de geparkeerde auto in de [adres] had melder 112 nog aan de lijn en heeft zij met de bestuurder gesproken, aldus de verklaring. Tot slot verklaarde melder dat zij tot de politie ter plaatse kwam voortdurend zicht heeft gehad op de bestuurder en dat de bestuurder niets aan het drinken was.
6. Op grond van de verklaringen van de melder en van de politieagenten zoals opgenomen in de twee hiervoor genoemde processen-verbaal is met voldoende mate van zekerheid komen vast te staan dat eiseres op 5 februari 2025 onder invloed bestuurder was van een motorvoertuig. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de melder. Volgens vaste jurisprudentie mag in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van tegenover beambten belast met onderzoek afgelegde verklaringen. Eiseres heeft in het verhoor bij het Openbaar Ministerie en ter zitting zelf verklaard dat zij vanaf de Albert Heijn naar huis is gereden en daarbij tegen een paaltje is aangereden. Ook heeft eiseres ter zitting verklaard dat zij de melder inderdaad bij haar auto heeft gezien en dat het klopt dat zij slingerend weg reed, maar dat dit lag aan het feit dat het wiel van haar auto beschadigd was. Dat het volgens eiseres een aanrijding tegen een paaltje was en niet tegen een geparkeerde auto maakt de verklaring van melder niet minder geloofwaardig. Er was immers een aanrijding, gevolgd door een harde knal. Daarnaast ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de melder dat zij vanaf de Copernicuslaan achter de auto van eiseres is aangerend naar de [adres] en daar is gebleven tot de politie ter plaatse was. Deze straten grenzen immers aan elkaar. Melder heeft hierbij steeds zicht gehad op eiseres en zij heeft stellig verklaard dat zij eiseres niet heeft zien drinken terwijl de auto geparkeerd stond. De enkele stelling van eiseres dat de politie pas na anderhalf uur ter plaatse was en dat zij pas na het parkeren van haar auto op de [adres] de alcohol heeft genuttigd acht de rechtbank daarom niet aannemelijk.
7. Met de vaststelling dat er bij eiseres als bestuurder van een motorrijtuig een ademalcoholgehalte is geconstateerd van 825 µg/l, was verweerder verplicht om een onderzoek naar haar geschiktheid op te leggen en om de geldigheid van haar rijbewijs te schorsen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Pieterse, rechter, in aanwezigheid van T.P. Pot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In de zin van artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 (WvW 1994).
Op grond van artikel 23, eerste lid, onder a van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling).
Op grond van artikel 5, aanhef en onder j, en artikel 6 van de Regeling.
Zie uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1943.
Zie uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:855.
Zie uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1543.
Zie uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:855.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5333
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. B. Veenstra),
en
De algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: M.M. van Dongen).
Inleiding
1. Met het primaire besluit van 3 juni 2025 heeft verweerder de geldigheid van het rijbewijs van eiseres geschorst en haar verplicht mee te werken aan een onderzoek naar haar rijgeschiktheid.
1.1.
Met het bestreden besluit van 11 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. De Politie Eenheid Haaglanden (de politie) heeft verweerder gemeld dat eiseres in haar auto is aangehouden met te veel alcohol op. De aanhouding heeft plaatsgevonden nadat de politie een melding ontving van een Kia Picanto die in de Copernicuslaan slingerend weg reed. Verweerder vermoedt op basis van deze melding dat eiseres als houder van een geldig rijbewijs niet voldoet aan de eisen van rijgeschiktheid. Verweerder heeft eiseres daarom verplicht mee te werken aan een onderzoek naar haar geschiktheid, in het bijzonder naar haar alcoholgebruik. De geldigheid van het rijbewijs van eiseres is geschorst in ieder geval tot de uitslag van het onderzoek. Eiseres is het niet eens met dit besluit.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres vindt dat verweerder ten onrechte een onderzoek naar haar alcoholgebruik heeft opgelegd. Eiseres stelt dat zij op 5 februari 2025 weliswaar alcohol had gedronken, maar dat zij niet onder invloed van alcohol een voertuig heeft bestuurd. Zij kwam vanaf de Albert Heijn waar zij een aantal flessen wijn had gekocht. Eiseres heeft daarna haar auto voor haar deur geparkeerd en daar een ruime tijd voor haar woning gewacht tot haar ex-partner de sleutels van de woning kwam brengen. Zij heeft pas na het parkeren van de auto voor haar huis aan de [adres] de wijn genuttigd. Wegens de gastric bypass die eiseres heeft ondergaan is het piekniveau van alcohol hoger en sneller bereikt bij een ademanalyse.
3.1.
Eiseres stelt daarnaast dat de verdenking dat zij onder invloed van alcohol een auto heeft bestuurd is gebaseerd op één verklaring van een getuige. Deze verklaring is op punten aantoonbaar onjuist. Zo heeft de politie in de Copernicuslaan geen voertuig met schade aangetroffen en is het niet mogelijk om rijdend naar de [adres] op de andere rijbaan te komen. Daarnaast heeft de getuige niets vermeld over het tijdsverloop tussen het moment dat zij eiseres heeft zien rijden en het moment dat de politie ter plaatse was. Dat heeft volgens eiseres wel anderhalf uur geduurd. Er kan daarom op basis van het proces-verbaal van de politie niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat eiseres heeft gereden onder invloed van alcohol. De officier van justitie heeft daarom ook besloten om de verdenking van rijden onder invloed te seponeren.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft besloten tot een onderzoek naar de geschiktheid van eiseres. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4.1.
Het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid is een bestuursrechtelijke maatregel. De wetgever vindt het ter bevordering van de verkeersveiligheid noodzakelijk om deelname aan een dergelijk onderzoek in bepaalde gevallen te kunnen afdwingen, los van een eventuele strafrechtelijke procedure. In een bestuursrechtelijke procedure als deze gelden andere bewijsregels dan in een strafrechtelijke procedure. Voor het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid is het voldoende dat het op basis van de geconstateerde feiten met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat de betrokkene onder invloed als bestuurder van een motorvoertuig is opgetreden.
4.2.
De politie heeft aan verweerder een mededeling rijvaardigheid en rijgeschiktheid gestuurd naar aanleiding van een incident in de middag van 5 februari 2025. Volgens de politie heeft eiseres onder invloed van alcohol een motorrijtuig bestuurd. Eiseres had een ademalcoholgehalte van 825 µg/l.
4.3.
Eiseres betwist niet de juistheid van het vastgestelde ademalcoholgehalte, maar stelt dat zij op 5 februari 2025 geen motorrijtuig bestuurde terwijl zij onder invloed was van alcohol.
Bestuurder motorrijtuig
5. De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van rijden onder invloed van de verdachte van 5 februari 2025 blijkt dat twee politieagenten op 5 februari 2025 een melding kregen om naar de Copernicuslaan te Den Haag te gaan. Omstanders zouden een voertuig zien slingeren op de weg. Uit het proces-verbaal van het verhoor van de getuige van eveneens 5 februari 2025 blijkt dat de melder heeft verklaard dat zij op de Copernicuslaan een grijze Kia Picanto met een harde knal tegen een geparkeerde auto aan zag rijden, vermoedelijk een Tesla. Zij heeft geprobeerd contact te maken met de bestuurder om te vragen of zij gewond was. Het lukte haar echter niet om contact te maken. De melder verklaarde verder dat de bestuurder slingerend wegreed naar de [adres] en daarbij bijna op de andere rijbaan terecht kwam. Een onbekende omstander riep dat zij had gedronken. Melder verklaart verder dat zij met andere onbekenden achter de auto is aangerend naar de [adres] , waar de bestuurder haar auto parkeerde. Zij had het idee dat er meer ongelukken zouden gebeuren en heeft ondertussen 112 gebeld. Toen zij aankwam bij de geparkeerde auto in de [adres] had melder 112 nog aan de lijn en heeft zij met de bestuurder gesproken, aldus de verklaring. Tot slot verklaarde melder dat zij tot de politie ter plaatse kwam voortdurend zicht heeft gehad op de bestuurder en dat de bestuurder niets aan het drinken was.
6. Op grond van de verklaringen van de melder en van de politieagenten zoals opgenomen in de twee hiervoor genoemde processen-verbaal is met voldoende mate van zekerheid komen vast te staan dat eiseres op 5 februari 2025 onder invloed bestuurder was van een motorvoertuig. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de melder. Volgens vaste jurisprudentie mag in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van tegenover beambten belast met onderzoek afgelegde verklaringen. Eiseres heeft in het verhoor bij het Openbaar Ministerie en ter zitting zelf verklaard dat zij vanaf de Albert Heijn naar huis is gereden en daarbij tegen een paaltje is aangereden. Ook heeft eiseres ter zitting verklaard dat zij de melder inderdaad bij haar auto heeft gezien en dat het klopt dat zij slingerend weg reed, maar dat dit lag aan het feit dat het wiel van haar auto beschadigd was. Dat het volgens eiseres een aanrijding tegen een paaltje was en niet tegen een geparkeerde auto maakt de verklaring van melder niet minder geloofwaardig. Er was immers een aanrijding, gevolgd door een harde knal. Daarnaast ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de melder dat zij vanaf de Copernicuslaan achter de auto van eiseres is aangerend naar de [adres] en daar is gebleven tot de politie ter plaatse was. Deze straten grenzen immers aan elkaar. Melder heeft hierbij steeds zicht gehad op eiseres en zij heeft stellig verklaard dat zij eiseres niet heeft zien drinken terwijl de auto geparkeerd stond. De enkele stelling van eiseres dat de politie pas na anderhalf uur ter plaatse was en dat zij pas na het parkeren van haar auto op de [adres] de alcohol heeft genuttigd acht de rechtbank daarom niet aannemelijk.
7. Met de vaststelling dat er bij eiseres als bestuurder van een motorrijtuig een ademalcoholgehalte is geconstateerd van 825 µg/l, was verweerder verplicht om een onderzoek naar haar geschiktheid op te leggen en om de geldigheid van haar rijbewijs te schorsen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Pieterse, rechter, in aanwezigheid van T.P. Pot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
In de zin van artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 (WvW 1994).
Op grond van artikel 23, eerste lid, onder a van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling).
Op grond van artikel 5, aanhef en onder j, en artikel 6 van de Regeling.
Zie uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1943.
Zie uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:855.
Zie uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1543.
Zie uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:855.