Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20760

2026-07-03 Bestuursrecht SGR 24/9015
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-03
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 24/9015
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor aangepast vervoer in de vorm van een (taxi)bus voor zijn dochter. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 12 van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Den Haag 2014. Geen procesbelang. Schooljaar is afgelopen, daarnaast niet vast kunnen stellen dat eiser een belang heeft bij een inhoudelijk oordeel. Beroep is niet-ontvankelijk.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.652 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 24/9015


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen



[eiser] , uit [woonplaats] , eiser


en




het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Keurvink).




Inleiding


1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor aangepast vervoer voor zijn dochter in de vorm van een (taxi)bus voor het schooljaar 2024-2025. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 24 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.2.
Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.



1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek heropend met de beslissing van 10 april 2025. De rechtbank heeft eiser daarbij verzocht om documenten te overleggen waaruit blijkt dat de oudste zoon van eiser permanente zorg nodig heeft, waardoor er altijd één ouder bij hem moet blijven.



1.5.
Op 4 november 2025 heeft eiser de gevraagde documenten overgelegd.



1.6.
Verweerder heeft gereageerd op de aanvullende documenten.



1.7.
De rechtbank heeft op de zitting van 9 juni 2026 het onderzoek ter zitting hervat. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser is zonder kennisgeving niet verschenen. De griffier heeft bij aanvang van de zitting telefonisch contact opgenomen met eiser. Eiser heeft bevestigd niet naar zitting te komen en verzocht een uitspraak te doen op basis van het huidige dossier.








Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor aangepast vervoer in de vorm van een (taxi)bus. Dit heeft hij aangevraagd voor zijn dochter [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015. Zij gaat naar een school voor speciaal basisonderwijs, Het Avontuur in Den Haag (Ypenburg). Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 12 van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Den Haag 2014 (hierna: Verordening).



Wat vindt eiser in beroep?



3. Eiser geeft aan dat zijn dochter lijdt aan de stofwisselingsziekte PKU en dat zij niet alleen kan reizen. Op verzoek van haar school is zij doorverwezen naar het Speciaal Basisonderwijs Het Avontuur in Ypenburg. Eiser en zijn vrouw hebben meerdere kinderen die lijden aan PKU en hebben een gehandicapte zoon met een Wlz-indicatie. Hun zoon wordt in de ochtend thuis opgehaald en pas daarna kan zijn vrouw de andere kinderen naar school brengen. De beide andere kinderen gaan ieder naar een andere school. Eiser werkt in een bakkerij en moet onregelmatige diensten draaien. Eiser draait alleen late diensten, zodat hij zijn dochter naar school kan brengen. Zijn werkgever heeft echter aangegeven dit niet langer goed te keuren. Het is voor eiser en voor zijn vrouw daarom niet langer mogelijk om hun dochter naar school in Ypenburg te begeleiden.



Wat vindt verweerder?



4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat hij niet zou voldoen aan de voorwaarden uit artikel 12 van de Verordening. In het bestreden besluit is verweerder bij deze motivering gebleven.


4.1.
In beroep heeft verweerder naar aanleiding van de medische informatie over de zoon van eiser aangegeven dat deze informatie aanleiding had kunnen vormen voor (gedeeltelijke) toekenning van leerlingenvervoer over het schooljaar 2024-2025. De informatie is alleen ruim na afloop van het schooljaar overgelegd. Verweerder ziet geen aanleiding om met terugwerkende kracht een vergoeding toe te kennen, aangezien eiser kennelijk zelf in het vervoer van zijn dochter heeft kunnen voorzien. Er zijn geen geregistreerde verzuimmeldingen van zijn dochter bekend en voor het schooljaar 2025-2026 is er geen nieuwe aanvraag ingediend.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



5. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Dat betekent dat het beroep niet inhoudelijk kan worden behandeld. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.



Procesbelang



6. Voordat de rechtbank een beroep inhoudelijk kan behandelen, moet er ambtshalve worden onderzocht of sprake is van voldoende procesbelang. Als voldoende procesbelang ontbreekt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk kan worden behandeld.

7. Voldoende procesbelang is volgens vaste rechtspraak alleen dan aanwezig als het doel dat de indiener voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is. Het mag daarbij niet alleen om principiële kwesties gaan. Dit betekent dat eiser er concreet iets aan moet hebben, mocht hij in beroep gelijk krijgen. Ook kan een procesbelang worden aangenomen als sprake is van geleden schade door de besluitvorming van verweerder. Verder kan een belang van een oordeel over de rechtmatigheid van een besluit liggen in het feit dat dit oordeel kan worden betrokken bij toekomstige besluiten. Bijvoorbeeld als eiser voor het nieuwe schooljaar al een aanvraag heeft ingediend of aangeeft dit te willen doen.



7.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor het schooljaar 2024-2025. Het beroep is erop gericht dat aan zijn dochter aangepast leerlingenvervoer voor dit schooljaar wordt toegekend. Het staat vast dat het schooljaar 2024-2025 voorbij is. De rechtbank heeft eiser op 10 april 2025 in de gelegenheid gesteld om medische informatie over zijn zoon te overleggen. De rechtbank heeft deze informatie pas na drie schriftelijke verzoeken en één telefonisch verzoek op 4 november 2025 ontvangen. Het schooljaar 2024-2025 was toen al afgelopen. Als het beroep van eiser gegrond zou zijn, zou verweerder een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiser. Toekenning van aangepast leerlingenvervoer kan echter niet met terugwerkende kracht plaatsvinden, omdat aangepast leerlingenvervoer een voorziening in natura is. Met dit beroep kan eiser dus niet bewerkstelligen dat voor het schooljaar 2024-2025 alsnog een vervoersvoorziening wordt toegekend.



7.2.
De rechtbank heeft daarnaast niet vast kunnen stellen dat eiser een belang heeft bij een inhoudelijk oordeel, om dit oordeel bij een mogelijk toekomstig besluit te betrekken. Verweerder heeft op zitting bevestigd dat zij tot op heden geen aanvraag voor een nieuw schooljaar hebben ontvangen. Er zijn ook geen verzuimmeldingen voor de dochter van eiser bekend. Eiser is niet op zitting verschenen om zijn standpunt toe te lichten. De rechtbank kan op basis van de informatie die voorligt daarom niet anders dan concluderen dat eiser het vervoer voor zijn dochter van en naar school inmiddels zelf heeft geregeld en geen gebruik meer wenst te maken van aangepast leerlingenvervoer.



7.3.
Omdat de rechtbank ook geen andere feiten ziet waaruit zij een procesbelang kan afleiden, komt de rechtbank tot het oordeel dat eiser in dit geval geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.





Conclusie en gevolgen


8. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.






Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Pieterse, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:210.


Zie uitspraak van de Afdeling van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2846.


Zie uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH4009.