Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20751
2026-06-19
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
25/231
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw, omdat hij om medische redenen niet kan vertrekken. Verweerder heeft advies gevraagd aan het Bureau Medische Advisering over de gezondheidssituatie van eiser. Verweerder mocht van het BMA-advies uitgaan en de aanvraag van eiser afwijzen. Beroep ongegrond. VOVO niet-ontvankelijk. Niet langer sprake van connexiteit.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2023:3422 Raad van State 08-09-2023
- ECLI:NL:RVS:2022:1918 Raad van State 06-07-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.019 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/231 (beroep) & 24/14092 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N.B. Swart),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. L.F. Ludwig).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Ook beoordeelt de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 9 september 2024 (primair besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1970 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw, omdat hij om medische redenen niet kan vertrekken. Verweerder heeft advies gevraagd aan het Bureau Medische Advisering (BMA) over de gezondheidssituatie van eiser.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Uit het BMA-advies blijkt dat eiser dakloos is en lijdt aan schizofrenie en psychoses, waarvoor hij behandeld wordt. Bij het uitblijven van behandeling wordt een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden verwacht, maar de beschikbare zorg in Algerije is volgens het BMA voldoende om deze medische noodsituatie te voorkomen. Verder staat in het advies dat eiser niet kan reizen, tenzij er een fysieke overdracht aan een behandelaar/psychiater geregeld is en eiser wordt begeleid door een psychiatrisch verpleegkundige.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser vindt dat het BMA-advies niet kan gelden als een deskundigenadvies, omdat het niet inzichtelijk en onzorgvuldig is. Ten onrechte wordt er vanuit gegaan dat de behandeling in Algerije voldoende zal zijn om een medische noodsituatie te voorkomen. De BMA-arts weet namelijk niet welke behandeling er voor eiser mogelijk is in Algerije. De bemoeizorg die eiser nodig heeft als zorgmijder is niet aanwezig. Het bestreden besluit had daarom niet gebaseerd mogen worden op het BMA-advies. Eiser heeft in beroep zijn stelling onderbouwd met bevindingen van een dienstreis naar Algerije door Het Amsterdams Solidariteits Komitee Vluchtelingen (ASKV). Hierin wordt beschreven dat de wachttijden om toegang te krijgen tot GGZ-zorg in Algerije lang zijn en zonder familie aldaar het niet mogelijk is om medicatie of andere zorg te ontvangen. Verder heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw mocht afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Medische noodsituatie en het BMA-advies
6. Op grond van artikel 64 van de Vw verleent verweerder uitstel van vertrek als het BMA aangeeft dat het voor een vreemdeling medisch gezien niet verantwoord is om te reizen. Een vreemdeling krijgt ook uitstel van vertrek, als uit het BMA-advies blijkt dat het uitblijven van een behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie en de behandeling in het land van herkomst niet beschikbaar is, of aantoonbaar niet toegankelijk is.
7. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter is een BMA-advies een deskundigenadvies. Wanneer verweerder een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij zich ervan vergewissen dat dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusie daarop aansluit. Wanneer dit het geval is, mag verweerder in beginsel van de juistheid van het advies uitgaan. Het is vervolgens aan eiser om de juistheid van het deskundigenadvies te betwisten, bijvoorbeeld met een contra-expertise.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder van het BMA-advies mocht uitgaan en op basis van dit advies de aanvraag van eiser mocht afwijzen.
8.1.
Het is de rechtbank niet gebleken dat het BMA-advies niet inzichtelijk is of onzorgvuldig tot stand is gekomen. In het advies is op basis van het medisch dossier van eiser geconcludeerd dat de “outreachende zorg” of bemoeizorg die hij nu krijgt moet worden voortgezet om een medische noodsituatie op korte termijn te voorkomen. De BMA-arts adviseert daarom dat eiser tijdens de reis begeleiding krijgt van een psychiatrisch verpleegkundige. Daarnaast wordt, gezien de zorgmijdende houding van eiser, een fysieke overdracht aan een behandelaar of psychiater direct na de reis noodzakelijk geacht. Zo kan de voortzetting van de zorg worden gewaarborgd. Ter zitting heeft gemachtigde van eiser gesteld dat een fysieke overdracht niet betekent dat hij daar ook direct behandeling zal krijgen, maar dat hij te maken zal krijgen met lange wachttijden. Daarbij heeft gemachtigde gewezen op de bevindingen van het ASKV, waarin ook staat dat zonder familie toegang tot GGZ-zorg in Algerije zeer problematisch is. De rechtbank leest echter onder punt 5c van het BMA-advies dat het noodzakelijk is dat eiser direct wordt overgedragen aan een behandelaar of psychiater, om de psychiatrische behandeling te kunnen vervolgen. Hieruit maakt de rechtbank op dat eiser niet te maken zal krijgen met wachttijden of afhankelijk zal zijn van familie, maar door de fysieke overdracht direct toegang krijgt tot zorg. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat de DT&V de overdracht regelt en dat eiser niet wordt uitgezet als de fysieke overdracht niet gegarandeerd is. De bevindingen van het ASKV geven alleen daarom al geen grond voor twijfel aan de juistheid van het BMA-advies.
8.2.
De BMA-arts heeft daarnaast gemotiveerd weergegeven dat de mogelijkheid tot medische behandeling in Algerije aanwezig is. Hierbij heeft de BMA-arts verwezen naar het brondocument AVA 17666 van 22 januari 2024 en AVA 17666 van 27 september 2023. Hieruit blijkt dat klinische en poliklinische behandeling door een psychiater, een gedwongen opname en indien noodzakelijk een langdurige klinische behandeling mogelijk is in onder andere het Psychiatric Hospital Drid Hocine te Kouba, Algiers. Ook is thuiszorg, begeleid wonen en dagbesteding voor psychiatrische patiënten mogelijk. Hoe de zorg er precies voor eiser in Algerije uit komt te zien en welke zorg hij in de toekomst nodig heeft is niet aan de BMA-arts in Nederland om te beslissen, maar aan de behandelaar of psychiater in Algerije.
8.3.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen andere (medische) stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de beschikbare zorg in Algerije niet voldoende zou zijn om een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden te voorkomen.
Hoorplicht
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. De Afdeling heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Verweerder heeft redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. Hierbij is van belang dat eiser in bezwaar geen medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat het BMA-advies niet inzichtelijk of onzorgvuldig is. Ook heeft eiser in bezwaar geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in Algerije geen toegang kan krijgen tot de zorg die hij nodig heeft.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
11. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep is er niet langer sprake van connexiteit.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Pieterse, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Drageljević, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie paragraaf A3/7.1.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Zie paragraaf A3/7.1.3. van de Vc.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3422.
Dienst Terugkeer en Vertrek.
Zie uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/231 (beroep) & 24/14092 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N.B. Swart),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. L.F. Ludwig).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Ook beoordeelt de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 9 september 2024 (primair besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1970 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw, omdat hij om medische redenen niet kan vertrekken. Verweerder heeft advies gevraagd aan het Bureau Medische Advisering (BMA) over de gezondheidssituatie van eiser.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Uit het BMA-advies blijkt dat eiser dakloos is en lijdt aan schizofrenie en psychoses, waarvoor hij behandeld wordt. Bij het uitblijven van behandeling wordt een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden verwacht, maar de beschikbare zorg in Algerije is volgens het BMA voldoende om deze medische noodsituatie te voorkomen. Verder staat in het advies dat eiser niet kan reizen, tenzij er een fysieke overdracht aan een behandelaar/psychiater geregeld is en eiser wordt begeleid door een psychiatrisch verpleegkundige.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser vindt dat het BMA-advies niet kan gelden als een deskundigenadvies, omdat het niet inzichtelijk en onzorgvuldig is. Ten onrechte wordt er vanuit gegaan dat de behandeling in Algerije voldoende zal zijn om een medische noodsituatie te voorkomen. De BMA-arts weet namelijk niet welke behandeling er voor eiser mogelijk is in Algerije. De bemoeizorg die eiser nodig heeft als zorgmijder is niet aanwezig. Het bestreden besluit had daarom niet gebaseerd mogen worden op het BMA-advies. Eiser heeft in beroep zijn stelling onderbouwd met bevindingen van een dienstreis naar Algerije door Het Amsterdams Solidariteits Komitee Vluchtelingen (ASKV). Hierin wordt beschreven dat de wachttijden om toegang te krijgen tot GGZ-zorg in Algerije lang zijn en zonder familie aldaar het niet mogelijk is om medicatie of andere zorg te ontvangen. Verder heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw mocht afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Medische noodsituatie en het BMA-advies
6. Op grond van artikel 64 van de Vw verleent verweerder uitstel van vertrek als het BMA aangeeft dat het voor een vreemdeling medisch gezien niet verantwoord is om te reizen. Een vreemdeling krijgt ook uitstel van vertrek, als uit het BMA-advies blijkt dat het uitblijven van een behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie en de behandeling in het land van herkomst niet beschikbaar is, of aantoonbaar niet toegankelijk is.
7. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter is een BMA-advies een deskundigenadvies. Wanneer verweerder een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij zich ervan vergewissen dat dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusie daarop aansluit. Wanneer dit het geval is, mag verweerder in beginsel van de juistheid van het advies uitgaan. Het is vervolgens aan eiser om de juistheid van het deskundigenadvies te betwisten, bijvoorbeeld met een contra-expertise.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder van het BMA-advies mocht uitgaan en op basis van dit advies de aanvraag van eiser mocht afwijzen.
8.1.
Het is de rechtbank niet gebleken dat het BMA-advies niet inzichtelijk is of onzorgvuldig tot stand is gekomen. In het advies is op basis van het medisch dossier van eiser geconcludeerd dat de “outreachende zorg” of bemoeizorg die hij nu krijgt moet worden voortgezet om een medische noodsituatie op korte termijn te voorkomen. De BMA-arts adviseert daarom dat eiser tijdens de reis begeleiding krijgt van een psychiatrisch verpleegkundige. Daarnaast wordt, gezien de zorgmijdende houding van eiser, een fysieke overdracht aan een behandelaar of psychiater direct na de reis noodzakelijk geacht. Zo kan de voortzetting van de zorg worden gewaarborgd. Ter zitting heeft gemachtigde van eiser gesteld dat een fysieke overdracht niet betekent dat hij daar ook direct behandeling zal krijgen, maar dat hij te maken zal krijgen met lange wachttijden. Daarbij heeft gemachtigde gewezen op de bevindingen van het ASKV, waarin ook staat dat zonder familie toegang tot GGZ-zorg in Algerije zeer problematisch is. De rechtbank leest echter onder punt 5c van het BMA-advies dat het noodzakelijk is dat eiser direct wordt overgedragen aan een behandelaar of psychiater, om de psychiatrische behandeling te kunnen vervolgen. Hieruit maakt de rechtbank op dat eiser niet te maken zal krijgen met wachttijden of afhankelijk zal zijn van familie, maar door de fysieke overdracht direct toegang krijgt tot zorg. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat de DT&V de overdracht regelt en dat eiser niet wordt uitgezet als de fysieke overdracht niet gegarandeerd is. De bevindingen van het ASKV geven alleen daarom al geen grond voor twijfel aan de juistheid van het BMA-advies.
8.2.
De BMA-arts heeft daarnaast gemotiveerd weergegeven dat de mogelijkheid tot medische behandeling in Algerije aanwezig is. Hierbij heeft de BMA-arts verwezen naar het brondocument AVA 17666 van 22 januari 2024 en AVA 17666 van 27 september 2023. Hieruit blijkt dat klinische en poliklinische behandeling door een psychiater, een gedwongen opname en indien noodzakelijk een langdurige klinische behandeling mogelijk is in onder andere het Psychiatric Hospital Drid Hocine te Kouba, Algiers. Ook is thuiszorg, begeleid wonen en dagbesteding voor psychiatrische patiënten mogelijk. Hoe de zorg er precies voor eiser in Algerije uit komt te zien en welke zorg hij in de toekomst nodig heeft is niet aan de BMA-arts in Nederland om te beslissen, maar aan de behandelaar of psychiater in Algerije.
8.3.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen andere (medische) stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de beschikbare zorg in Algerije niet voldoende zou zijn om een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden te voorkomen.
Hoorplicht
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. De Afdeling heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Verweerder heeft redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. Hierbij is van belang dat eiser in bezwaar geen medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat het BMA-advies niet inzichtelijk of onzorgvuldig is. Ook heeft eiser in bezwaar geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in Algerije geen toegang kan krijgen tot de zorg die hij nodig heeft.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
11. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep is er niet langer sprake van connexiteit.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Pieterse, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Drageljević, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie paragraaf A3/7.1.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Zie paragraaf A3/7.1.3. van de Vc.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3422.
Dienst Terugkeer en Vertrek.
Zie uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 8:83, derde lid, van de Awb.