Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20746

2026-07-23 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.4940 V
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-23
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.4940 V
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzet – Dublin – interstatelijk vertrouwensbeginsel – Bulgarije – ongegrond

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.016 tekens)
uitspraak verzet


RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.4940 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van






[opposant]
, opposant1 V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde]),



tegen de uitspraak van de rechtbank van 24 februari 2026 in het geding tussen opposant
en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder.




Inleiding


In de uitspraak van 24 februari 2026heeft de rechtbank het beroep van opposant kennelijk ongegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat er geen zitting heeft plaatsgevonden.



Opposant heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak.



De rechtbank heeft het verzet op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen de gemachtigde van opposant.




Beoordeling door de rechtbank

1. Opposant is geboren op [datum] 1980 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft op 23 oktober 2025 asiel aangevraagd in Nederland. Bij besluit van 28 januari 2026 heeft verweerder deze asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening.

2. In de uitspraak van 24 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat ten aanzien van Bulgarije mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat opposant niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Bulgarije sprake is van systematische tekortkomingen





in de opvangvoorzieningen of in de asielprocedure. De rechtbank heeft overwogen dat de Bulgaarse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd het asielverzoek van opposant in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Het ligt op de weg van opposant om zich bij de Bulgaarse autoriteiten te beklagen indien hij tekortkomingen ervaart. Verder heeft opposant niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Bulgarije als Dublinclaimant een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest.

3. Opposant kan zich niet verenigen met de kennelijke afdoening buiten zitting en heeft tegen deze wijze van afdoening verzet ingesteld. Hij verwijst hierbij naar twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen en Haarlem, waar hij ook in beroep naar heeft verwezen.Hij voert aan dat in deze uitspraken is geoordeeld dat ten aanzien van Bulgarije sprake is van structurele systeemfouten die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. De rechtbank miskent volgens opposant het feit dat verweerder niet in hoger beroep is gegaan tegen deze uitspraken een sterke indicatie is dat het beroep van opposant kansrijk is. Indien opposant ter zitting zou zijn gehoord, kon hij zijn standpunt over de jurisprudentie toelichten en zou de rechtbank mogelijk tot een andere uitspraak zijn gekomen.
4. Ter zitting stelt opposant zich op het standpunt dat hij ervan mocht uitgaan dat hij de kans zou krijgen om het beroep op zitting toe te lichten, omdat op voorhand vaststond dat het beroep niet kennelijk kon worden afgedaan. Dit is aanleiding geweest voor opposant om de relevantie van zijn verwijzing naar de rechtbankuitspraken niet in zijn schrijven nader toe te lichten.
De rechtbank oordeelt als volgt.

5. De verzetsprocedure is geen hernieuwde inhoudelijke behandeling van het beroep. In een verzetsprocedure kan uitsluitend worden beoordeeld of de bestuursrechter terecht tot toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb is overgegaan. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze procedure beperkt is tot de vraag of buiten redelijke twijfel staat dat het beroep ongegrond is en dat uitspraak op het beroep van opposant kon worden gedaan zonder hem op een zitting te horen. Als er in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in het geval van een normale behandeling ook hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst van de uitspraak op het beroep.
6. Van dergelijke argumenten is in dit geval geen sprake. De verzetsrechter stelt voorop dat het door opposant ingestelde beroep niet ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgedaan. Hoewel de verzetsrechter begrijpt dat opposant zijn argumenten op zitting nader had willen toelichten, kan opposant er niet zonder meer van uitgaan dat een beroep niet kennelijk wordt afgedaan. Deze veronderstelling van opposant doet niet af aan het oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat het beroep van opposant kennelijk ongegrond is. Ook is uit de gronden van verzet niet gebleken dat opposant niet in staat was de relevantie van de door hem aangehaalde rechtbankuitspraken in de gronden van beroep nader te motiveren.

7. Daar komt bij dat in de uitspraak van 24 februari 2026 alle door opposant aangevoerde beroepsgronden zijn besproken. Opposant heeft in verzet niet alsnog aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Bulgarije sprake is van systematische tekortkomingen in de opvangvoorzieningen of in de asielprocedure. Het in verzet aangevoerde argument dat – met inachtneming van de uitspraken van zittingsplaats Groningen en Haarlem en het feit dat hiertegen geen hoger beroep is ingesteld – niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, is een herhaling van hetgeen opposant in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is daar in haar uitspraak van 24 februari 2026 reeds op ingegaan en heeft geconstateerd dat de hoogste bestuursrechter heeft beslist dat ten aanzien van Bulgarije nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
8. Het verzet is ongegrond. De uitspraak van 24 februari 2026 blijft in stand.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan op 23 juli 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.





Deze uitspraak is bekendgemaakt op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.


ECLI:NL:RBDHA:2026:3699.


Verordening (EU) Nr. 604/2013.


ECLI:NL:RBDHA:2025:15059 en ECLI:NL:RBDHA:2025:21928.


Zie onder anderen de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juni 2024 ECLI:NL:RVS:2024:2647, 26 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2387, 6 oktober 2025,
ECLI:NL:RVS:2025:4765 en 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5536.