Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20735

2026-07-13 Civiel recht C/09/707253 / KG RK 26-947
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-13
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Wraking
Zaaknummer
C/09/707253 / KG RK 26-947
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. De beslissing van de kantonrechter om het aanhoudingsverzoek af te wijzen wordt door de wrakingskamer geduid als een procesbeslissing. Een dergelijke beslissing van de rechter vormt in beginsel geen grond voor wraking. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de kantonrechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken. Daarom wordt het verzoek afgewezen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.677 tekens)
Rechtbank den haag


Wrakingskamer



wrakingnummer 2026/45
zaak- /rekestnummer: C/09/707253 / KG RK 26-947




Beslissing van 13 juli 2026




van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van





[verzoeker] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
gemachtigde mr. D. Pieterse te Den Haag,



strekkende tot de wraking van



mr. M. Nijenhuis,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de kantonrechter.





1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van 16 juni 2026 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de schriftelijke reactie van de kantonrechter van 25 juni 2026.




1.2.

Op 29 juni 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld.
Hierbij is als toehoorder verschenen: [naam 1] , waarnemend voor [naam 2] , namens [naam 3] B.V., de wederpartij in de hoofdzaak.
De kantonrechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.






2Het wrakingsverzoek


2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de kantonrechter in de zaak met nummer 1204903 \ CV EXPL 26-61 tussen verzoeker als de gedaagde partij en de wederpartij [naam 3] B.V. als de eisende partij (hierna: de hoofdzaak). De eisende partij vordert van verzoeker betaling van een huurachterstand.



2.2.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting van 16 juni 2026 het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd:


De gemachtigde was niet in staat behoorlijke rechtsbijstand te verlenen aan zijn cliënten vanwege persoonlijke omstandigheden.



2.3.

De kantonrechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3. De beoordeling





3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.


3.2.
Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 16 juni 2026 heeft verzoeker op 16 juni 2026 vanwege persoonlijke omstandigheden van zijn gemachtigde verzocht om aanhouding van de behandeling ter zitting. De gemachtigde heeft ter zitting aangegeven dat hij niet in staat was iets zinnigs te zeggen op zitting, omdat hij zeer was aangedaan door zijn persoonlijke omstandigheden. Hij heeft die ochtend verzocht om de zaak inhoudelijk op een ander tijdstip te bespreken en dat verzoek ter zitting herhaald. De wederpartij heeft hier ter zitting van 16 juni 2026 bezwaar tegen gemaakt. Vanwege de hoogte van de (huur)-achterstand wilde de wederpartij een inhoudelijke behandeling. De kantonrechter heeft aan verzoeker aangegeven dat dan alsnog inhoudelijk diende te worden gereageerd. Verzoeker heeft hierop voorgesteld de lopende huur te voldoen en de agenda’s naast elkaar te leggen om een nieuwe datum te plannen. De wederpartij is daarmee niet akkoord gegaan. De kantonrechter heeft vervolgens opnieuw een inhoudelijke reactie gevraagd van verzoeker. Hierop volgend heeft verzoeker de kantonrechter gewraakt.



3.3.
Uit de reactie van de kantonrechter van 26 juni 2026 blijkt het volgende. De dag voor de zitting in de hoofdzaak heeft verzoeker aan verweerder gevraagd om in te stemmen met aanhouding van de zitting van 16 juni 2026. Verweerder heeft daarmee niet ingestemd. Vervolgens heeft verzoeker op 16 juni 2026 rond 10.00 uur de rechtbank gevraagd om de zitting van 13.00 uur aan te houden. Dit verzoek is afgewezen. De kantonrechter heeft ter zitting het herhaalde verzoek tot aanhouding van de zaak, na een belangenafweging (tussen het belang van verzoeker bij aanhouding en het belang van de wederpartij bij voortzetting van de zitting) – conform het procesreglement – opnieuw afgewezen.



3.4.
De wrakingsgrond die verzoeker heeft aangevoerd begrijpt de wrakingskamer aldus dat verzoeker meent dat – gezien de persoonlijke omstandigheden van zijn gemachtigde – het aanhoudingsverzoek in de hoofdzaak gehonoreerd had moeten worden.



3.5.
De beslissing van de kantonrechter om het aanhoudingsverzoek af te wijzen wordt door de wrakingskamer geduid als een procesbeslissing. De wrakingskamer stelt voorop dat een dergelijke beslissing van de rechter in beginsel geen grond vormt voor wraking. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (onder andere ECLI:NL:HR:2018:1413) volgt dat een procesbeslissing als zodanig nooit een grond kan vormen voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is.


3.6.
De juistheid van een rechterlijke (proces)beslissing kan alleen worden beoordeeld als daartegen een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) is aangewend. De wrakingsprocedure is daarvoor niet bestemd, omdat het daarin uitsluitend gaat over de (schijn van) vooringenomenheid van de rechter. Alleen als de (proces)beslissing gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard, is er grond voor wraking. Naar het oordeel van de wrakingskamer haalt wat verzoeker aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd ten aanzien van de motivering of de wijze van totstandkoming van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek deze hoge drempel niet.


3.7.
Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de kantonrechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken. Daarom wordt het verzoek afgewezen.





4De beslissing


De wrakingskamer



4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;



4.2.
bepaalt dat de procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;



4.3.

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker p/a zijn gemachtigde;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de kantonrechter.



Deze beslissing is gegeven door mrs. M. Kramer, A.M.A. Keulen en L. Kelkensberg, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.P.A. Stok en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.









de griffier de voorzitter









Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.