Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20699

2026-06-23 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/682144 / FA RK 25-2070
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-23
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/09/682144 / FA RK 25-2070
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Hfb/inschrijving Brp bij co-ouderschap, vervangende toestemming, kinderalimentatie&partneralimentatie (geen verdiencapaciteit), uitleg huwelijkse voorwaarden finaal verrekenbeding, verdeling eenvoudige gemeenschappen, vergoedingsrecht.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (110.456 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Meervoudige Kamer


Rekestnummers: FA RK 25-2070 en FA RK 25-8124
Zaaknummers: C/09/682144 en C/09/693695
Datum beschikking: 23 juni 2026


Echtscheiding met nevenvoorzieningen



Beschikking op het op 14 maart 2025 ingekomen verzoek van:




[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.E. Ernens te Rotterdam.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.J.M.H. Orgel te Enschede.




Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:


het verzoekschrift met bijlagen 1 t/m 3;


het bericht van 27 maart 2025, met bijlage, van de man;


het aanvullend verzoekschrift van 31 juli 2025, met bijlagen 4 t/m 36, van de man;


het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van 25 september 2025, met bijlagen 1 t/m 20, van de vrouw;


de brief van 25 september 2025, met als bijlage een usb stick, van de vrouw;


het verweer tegen de zelfstandige verzoeken van 23 oktober 2025, met bijlagen 37 t/m 54, van de man;


het bericht van 31 oktober 2025 van de vrouw;


het bericht van 3 november 2025 van de man;


het bericht van 30 april 2026 van de man;


de brief van 1 mei 2026 inhoudende gewijzigde verzoeken, met bijlagen 21 t/m 30, van de vrouw;


de brief van 1 mei 2026 inhoudende gewijzigde verzoeken, met bijlagen 55 t/m 83, van de man;


de brief van 6 mei 2026 inhoudende een gewijzigd verzoek, met bijlage 31, van de vrouw;


het bericht van 7 mei 2026 met geluidsfragment van de vrouw.




Op 12 mei 2026 is de zaak op de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man bijgestaan door zijn advocaat en mr. M.E.R. van Herpen, de vrouw bijgestaan door haar advocaat en een tolk.



Door de advocaat van de man en door de advocaat van de vrouw zijn tijdens de zitting pleitnotities overgelegd en voorgedragen.




Feiten


Partijen zijn gehuwd op [datum] 2018 te [plaats] .


Voorafgaand aan het huwelijk zijn partijen huwelijkse voorwaarden aangegaan, kort samengevat inhoudende uitsluiting van elke gemeenschap van goederen met een finaal verrekenbeding.


Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] ( [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .


De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.


In de Basisregistratie Personen (Brp) staat vermeld dat de man en [de minderjarige] de Nederlandse nationaliteit hebben en dat de vrouw Burger van de Bondsrepubliek Duitsland is.


Deze rechtbank heeft op 3 april 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat:



o de man de ene week en de vrouw de andere week bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres 1] , zijnde de week waarin de man respectievelijk de vrouw de zorg heeft voor [de minderjarige] , waarbij wordt gewisseld op vrijdag na schooltijd en beveelt mitsdien dat de man respectievelijk de vrouw die week de woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
o [de minderjarige] voorlopig de ene week bij de man zal verblijven en de andere week bij de vrouw, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op vrijdagmiddag na schooltijd en waarbij gedurende de week twee keer een (beeld)belmoment plaatsvindt met de ouder waar [de minderjarige] op dat moment niet verblijft;
o een voorlopige verdeling van de vakanties en feestdagen tot en met de voorjaarsvakantie 2026 is bepaald;
o de man aan de vrouw, met ingang van 17 maart 2025, een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 381,- per maand, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.




Verzoek en verweer

De man verzoekt – na wijziging – voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad de echtscheiding uit te spreken en:


[de minderjarige]




te bepalen dat [de minderjarige] zal worden ingeschreven in de BRP op het adres van de woning waar de man verblijft;



een zorgregeling alsook een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen en aldus te bepalen dat:
o de man en de vrouw in de vorm van een week op/week af zorgregeling de zorg voor [de minderjarige] dragen met als wisselmoment vrijdag uit school. Indien vrijdag een vrije schooldag betreft, dan is het wisselmoment donderdagmiddag uit school of de buitenschoolse opvang;
o gedurende de week twee keer een (beeld)belmoment plaatsvindt met de ouder waar [de minderjarige] op dat moment niet verblijft, rekening houdend met de naschoolse activiteiten van [de minderjarige] ;
o de vakantieregeling te bepalen conform het voorstel van de man, alsook dat voor de overige studie- feest- en verjaardagen de reguliere zorgregeling zal gelden, dan wel een zorg- en vakantieregeling vast te stellen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht;



te bepalen dat de vrouw niet is toegestaan [de minderjarige] buiten haar zorgtijd te bezoeken, tenzij partijen dit (schriftelijk) anders overeenkomen op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat de vrouw in verzuim is, met een maximum van€ 5.000,-, althans een dwangsom te bepalen die de rechtbank in goede justitie acht;



aan de man vervangende toestemming te verlenen voor:
o de aanvraag van een Nederlands paspoort voor [de minderjarige] ;
o een medisch onderzoek naar Maligne Hyperthermie;
o de inschrijving bij de [kickboksschool] ;
o de inschrijving bij [voetbalclub] ;



te bepalen dat de bijdrage van de man dan wel de vrouw in de kosten van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] nihil is, met ingang van de datum van afgifte van de in deze te wijzen beschikking, dan wel een bijdrage te bepalen die de rechtbank in goede justitie juist acht;


te bepalen dat de vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag van € 2.060,35 ten aanzien van de door de man betaalde verblijfsoverstijgende kosten;



Echtelijke woning




te bepalen dat de man een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw ter hoogte van € 24.673,51, welk bedrag bij levering van de echtelijke woning via de notaris aan de man moet worden voldaan, voor zover de vrouw voorafgaand aan de levering van de woning nog niet is overgegaan tot (volledige) betaling, dan wel via de notaris verrekend zal worden met hetgeen de man in het kader van de toedeling van de woning aan de vrouw verschuldigd is, waarbij de vrouw met ingang van afgifte van de beschikking wettelijke rente is verschuldigd, althans een vergoedingsrecht vast te stellen zoals uw rechtbank in goede justitie juist acht;


te bepalen dat de man de resterende schuld per 14 maart 2025 bij mevrouw [naam] zal voldoen als eigen schuld ten gevolge waarvan de vrouw aan de man dient te voldoen 50% van de op 14 maart 2025 resterende schuld, welk bedrag bij levering van de echtelijke woning via de notaris aan de man moet worden voldaan, dan wel via de notaris verrekend zal worden met hetgeen de man in het kader van de toedeling van de woning aan de vrouw verschuldigd is, voor zover de vrouw voorafgaand aan de levering van de woning nog niet is overgegaan tot (volledige) betaling;



de verdeling van de echtelijke woning te bepalen alsook de wijze waarop, inhoudende dat de voormalig echtelijke woning gelegen aan de [adres 1] aan de man wordt toegedeeld op de volgende wijze:
o te bepalen dat de waarde van de woning wordt bepaald door een makelaar bindend vastgestelde waarde, waarbij de man drie makelaars zal voorstellen waaruit de vrouw er één dient aan te wijzen en partijen gezamenlijk - uiterlijk binnen 7 dagen na afgifte van de door de rechtbank te wijzen echtscheidingsbeschikking - de makelaar de opdracht moeten hebben gegeven voor de gevalideerde taxatie, na aftrek van de op de woning rustende hypothecaire geldlening;
o te bepalen dat de woning wordt toegedeeld onder de ontbindende voorwaarde dat BLG Wonen bereid is om de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan voor de hypothecaire geldlening waarmee de woning is bezwaard, onder gehoudenheid van de vrouw hieraan haar volledige medewerking te verlenen;
o te bepalen dat de toedeling plaatsvindt onder de verplichting om de aan deze woning verbonden hypothecaire geldlening voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen en direct bij de toedeling de helft van de overwaarde (met inachtneming van openstaande verrekenposten) aan de vrouw te betalen een en ander onder de voorwaarde dat de benodigde aktes uiterlijk zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking zijn gepasseerd;
o te bepalen dat als de man er niet in slaagt om de toedeling van de woning aan hem (tijdig) te financieren, de woning dan door partijen te koop zal worden aangeboden via de makelaar/taxateur die de voormelde taxatie heeft verricht. De aanwijzingen van de makelaar zullen voor partijen leidend zijn voor het bepalen van de vraag- en laatprijs van de woning alsook de oplevertermijn. Alle verkoopkosten, waaronder de kosten van de makelaar/taxateur, zullen eerst van de opbrengst van de woning worden voldaan. Partijen zijn vervolgens ieder voor de helft gerechtigd tot de resterende overwaarde met inachtneming van openstaande verrekenposten.
althans de verdeling en de wijze waarop van de echtelijke woning vast te stellen, zoals de rechtbank in goede justitie juist acht;





Primair te bepalen dat de man uitsluitend het voortgezet gebruik van de echtelijke woning (inclusief het perceel), gelegen te [adres 1] , wordt toegekend tot het moment van overdracht van de woning aan de man dan wel derde(n);

Subsidiair te bepalen dat de man uitsluitend gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning (inclusief het perceel), gelegen te [adres 1] , wanneer hij de zorg voor [de minderjarige] draagt en de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning wanneer zij de zorg voor [de minderjarige] draagt tot het moment van overdracht van de woning aan de man dan wel derde(n), waarbij de vrouw gehouden is om 50% van de gebruikerslasten tot het verlaten te voldoen alsook 50% van de eigenaarslasten vanaf datum inschrijving echtscheidingsbeschikking tot datum overdracht van de woning;

Voorwaardelijk indien en voor zover het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw wordt toegewezen, de termijn is beperkt tot het moment dat de woning aan de man wordt overgedragen alsook dat de man een redelijke termijn krijgt om de woning te verlaten en zijn spullen op te halen c.q. mee te nemen alsook dat de vrouw gehouden is om 100% van de gebruikerslasten te voldoen totdat zij de woning verlaat, alsook 50% van de eigenaarslasten vanaf datum inschrijving echtscheidingsbeschikking tot datum overdracht van de woning;




Afwikkeling huwelijkse voorwaarden





te bepalen dat de vrouw binnen 7 dagen na het wijzen van de beschikking de navolgende zaken dient af te geven aan de man:
o Lederen laptoptas (erfstuk van de vader van de man);
o Oranje gietijzeren koekenpan (erfstuk van de opa van de man);
o Oranje gietijzeren wok (erfstuk van de opa van de man);
o Canon EOS80D spiegelreflexcamera;
o Paspoort van de man;
o Administratie van de man;
o Twee harde schijven uit de PC inclusief kabels;
o Eigendomspapieren Volkswagen Polo;
o Jassen, overhemden, pakken, zomerkleding, sokken van de man etc.
o Overlijdenstestament van de vader van de man, inclusief specificatie vermogen;
o De auto van het merk Volkswagen, type Golf, met kenteken [kenteken] ;
op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat de vrouw in verzuim is, met een maximum van € 5.000-, althans een dwangsom te bepalen die de rechtbank in goede justitie acht;



te bepalen dat de man een vergoedingsrecht heeft ter zake de schenkingen ter hoogte van € 15.750,-, welk bedrag bij levering van de echtelijke woning via de notaris aan de man moet worden voldaan, voor zover de vrouw voorafgaand aan de levering van de woning nog niet is overgegaan tot (volledige) betaling, dan wel via de notaris verrekend zal worden met hetgeen de man in het kader van de toedeling van de woning aan de vrouw verschuldigd is, waarbij de vrouw met ingang van afgifte van de beschikking wettelijke rente is verschuldigd, althans een vergoedingsrecht vast te stellen zoals uw rechtbank in goede justitie juist acht;


voor recht te verklaren dat de PC (inclusief bijbehorende beeldschermen) en de televisie van het merk Philips eigendom van de man zijn;


te bepalen dat de inboedel bij helfte zal worden verdeeld en dat partijen uiterlijk zeven dagen voorafgaand aan de levering van de woning de goederen om-en-om verdelen, indien nodig in aanwezigheid van een onafhankelijke derde, waarbij zij door het kop/muntsysteem bepalen wie als eerste mag kiezen;


te bepalen en vast te stellen dat op grond van het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden de vrouw een verrekeningsvordering heeft op de man ter hoogte van € 6.842,69,


dan wel de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen en een verrekenvordering te bepalen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht;



Overige vorderingen





te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 4.220,99 aan de man dient te voldoen vanwege het niet-voldoen van haar betalingsverplichtingen:
o de gebruikerslasten vanaf datum uitspraak van de rechtbank in voorlopige voorziening tot en met april 2026 van € 2.032,38;
o de zorgverzekeringskosten van de vrouw vanaf 14 maart tot en met december 2025, die de man heeft voorgeschoten van € 2.188,61;



voorwaardelijk, indien en voor zover het te verrekenen vermogen aan de zijde van de vrouw niet wordt verhoogd met de onttrekkingen van de en/of rekening, te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 500,- aan de man dient te voldoen in het kader van de geldopnames vanaf de en/of-rekening van partijen op 28 mei 2025 en 6 juni 2025.


De vrouw voert verweer tegen de verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – wordt besproken. Bovendien verzoekt de vrouw na wijziging zelfstandig om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:



de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;



Hooikoorts


Primair




aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen - die de toestemming van de man vervangt - om [de minderjarige] te onderzoeken op hooikoorts bij de huisarts;




Subsidiair




de man te veroordelen om toestemming te geven aan de huisarts binnen tien dagen na de te wijzen beschikking op straffe van een dwangsom van € 150,- per dag of dagdeel dat de man daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 15.000,- althans een dwangsom te bepalen die de rechtbank in goede justitie acht;



Zorgverzekering


Primair





te bepalen dat de man [de minderjarige] per direct uitschrijft uit zijn zorgverzekeringspolis, zodat [de minderjarige] via de zorgverzekering van de vrouw mee kan zijn verzekerd tegen de zorgkosten;

Subsidiair





te bepalen dat de man aan de vrouw schriftelijk het polisnummer, de polis zelf en de naam van de zorgverzekeringsmaatschappij verstrekt waarop [de minderjarige] bij hem is meeverzekerd, met vermelding van de ingangsdatum en het polisnummer;

Primair en subsidiair




te bepalen dat de man de kosten dient te dragen van de operatie van [de minderjarige] omtrent zijn voorhuid;



Toestemmingsformulieren


Primair





aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen - die de toestemming van de man vervangt - om onbeperkt met [de minderjarige] van en naar Duitsland te mogen reizen;

Subsidiair




de man te veroordelen om toestemming te geven aan de vrouw voor het onbeperkt kunnen reizen naar Duitsland door het ondertekenen van het toestemmingsformulier welke als productie 10 in deze procedure is overgelegd tien dagen na de te wijzen beschikking op straffe van een dwangsom van € 150,- per dag of dagdeel dat de man daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 15.000,- althans een dwangsom te bepalen die de rechtbank in goede justitie acht;



Hoofdverblijfplaats en BRP




te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw is;


te bepalen dat [de minderjarige] zal worden ingeschreven in de Brp op het adres van de woning waar de vrouw verblijft;



Zorg- en contactregeling


Primair





te bepalen dat de zorg- en contactregeling als volgt wordt vastgesteld:
o [de minderjarige] elke woensdag na school tot na het avondeten 19.00 uur bij de man verblijft;
o [de minderjarige] om het weekend bij de man verblijft van vrijdag na school tot en met zondag na het avondeten om 19.00 uur;
althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen zorg- en contactregeling;




te bepalen dat de zorg- en contactregeling als volgt wordt vastgesteld:
o [de minderjarige] de ene week bij de vrouw zal verblijven en de andere week bij de man zal verblijven, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op de vrijdagmiddag na schooltijd en waarbij gedurende de woensdag en de zondag om 19.00 uur een (beeld) belmoment plaatsvindt tussen [de minderjarige] en de ouder waar [de minderjarige] op dat moment niet verblijft;
o dat als [de minderjarige] de behoefte heeft om de andere ouder te bellen, de ouder waar [de minderjarige] verblijft dit toestaat;
althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen zorg- en contactregeling;




Vakanties en feestdagen





te bepalen dat als zorg- en contactregeling tijdens de vakantie en feestdagen het volgende wordt vastgesteld:
o meivakantie: eerste week bij vader en tweede week bij moeder, waarbij het wisselmoment op vrijdag 12.00 uur zal plaatsvinden;
o zomervakantie: eerste twee weken bij vader, in de tweede week twee weken bij moeder en daarna één week bij vader en de laatste week bij moeder, waarbij het wisselmoment op vrijdag 12.00 uur zal plaatsvinden;
o herfstvakantie: in de even jaren bij vader en in de oneven jaren bij moeder, waarbij het wisselmoment op vrijdag 12.00 uur zal plaatsvinden;
o kerstvakantie waarbij voor de feestdagen geen onderscheid wordt gemaakt: in de even jaren de eerste week bij moeder en de tweede week bij vader en in de oneven jaren in de eerste week bij vader en in de tweede week bij moeder, waarbij het wisselmoment op vrijdag 12.00 uur zal plaatsvinden;
o voorjaarsvakantie: in de oneven jaren bij moeder en in de even jaren bij vader, waarbij het wisselmoment op vrijdag 12.00 uur zal plaatsvinden;
o Vader- en Moederdag: verblijf bij desbetreffende ouder van 10.00 uur tot 19.00 uur;
o verjaardag van [de minderjarige] : het jaar 2027 en 2028 dat [de minderjarige] bij de vrouw verblijft en de man [de minderjarige] van 16.00 uur tot en met 19.00 uur mag zien. Het jaar 2029 [de minderjarige] bij de man verblijft en de vrouw [de minderjarige] van 16.00 uur tot en met 19.00 uur mag zien en het vervolgens jaarlijks wordt gewisseld, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen zorg- en contactregeling;




Alimentatie




te bepalen dat de man en de vrouw beiden voor de helft draagplichtig zijn voor de verblijf overstijgende kosten die zijn ontstaan voor [de minderjarige] gedurende de periode van de birdnestregeling;


te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met een bedrag van € 825,- netto per maand, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van iedere maand aan de vrouw te voldoen met ingang van de datum indiening verzoekschrift;


te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van onderhoud van de vrouw met een bedrag van € 279,- per maand, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van iedere maand aan de vrouw te voldoen met ingang van de datum indiening verzoekschrift;



Huwelijkse voorwaarden




voor recht te verklaren dat de huwelijkse voorwaarden van partijen zo dienen te worden uitgelegd dat het finaal verrekenbeding betrekking heeft op de algehele gemeenschap van goederen vóór 2018;




Woning





de wijze van verdeling van de woning aan de [adres 1] als volgt te gelasten:
o partijen geven binnen 14 dagen, nadat de makelaar bekend is, opdracht om de woning te taxeren tegen de actuele waarde waarbij beide partijen aanwezig zullen zijn bij de taxatie door de taxateur. Indien slechts één van de partijen binnen deze termijn een opdracht aan de makelaar heeft verstrekt, dan is deze na het verstrijken van de termijn bevoegd om als vertegenwoordiger van de andere partij de opdracht aan de makelaar te verstrekken;
o ieder van partijen draagt de helft van de kosten van de taxatie;
o de man krijgt gedurende drie maanden na de nieuwe taxatie de gelegenheid om de vrouw schriftelijk en met bewijstukken onderbouwd te berichten of hij in staat is om de woning over te nemen tegen de nieuwe taxatiewaarde, waarbij hij de op de woning rustende hypothecaire geldleningen geheel voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen en de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van deze hypothecaire geldleningen;
o partijen dienen eraan mee te werken dat de levering van de woning aan de man plaatsvindt binnen één maand nadat de man de vrouw schriftelijk heeft bericht dat hij de woning kan overnemen onder de hiervoor genoemde voorwaarden;
o de kosten van het notariële transport van de woning komen in dit geval voor de rekening van de man;
o indien de man de vrouw binnen drie maanden na het taxatierapport bericht dat hij niet in staat is de woning over te nemen, dan wel niet binnen de genoemde termijn van drie maanden schriftelijk per mail aan de advocaat van de vrouw dat hij in staat is de woning onder voormelde voorwaarden over te nemen, dan wel indien ondanks laatstgenoemd bericht het transport van de woning - buiten de schuld van de vrouw - niet uiterlijk een maand na dat bericht heeft plaatsgevonden, zal de woning door partijen te koop worden aangeboden door de makelaar die de taxatie heeft verricht;
o partijen dienen binnen een week nadat de hiervoor bedoelde omstandigheid zich voordoet een opdracht tot verkoop aan de makelaar verbonden aan een kantoor gevestigd te [plaats] te geven;
o indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlenging erin slagen gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, dan zal de makelaar een bindende marktconforme vraagprijs bepalen;
o partijen zijn gehouden de aanwijzingen van de makelaar op te volgen;
o de man en de vrouw dienen een sleutel aan de makelaar ter beschikking te stellen voor het maken van foto's en het kunnen houden van bezichtigingen;
o de man en de vrouw dienen de woning op orde te houden en aanwijzingen van de makelaar terzake op te volgen;
o partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene(n) die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de makelaar de verkoopprijs bindend kunnen bepalen;
o wanneer de verkoopprijs is vastgesteld zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering aan (een) derde(n);
o de hypothecaire geldlening zal bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning, waarna de resterende netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen zal worden verdeeld;
o de verkoopkosten (kosten van de makelaar, notaris en overige kosten ter zake van verkoop en levering) zullen door partijen gezamenlijk gedragen worden, ieder voor de helft;
o de koper van de woning mag geen vriend of familie zijn van de man om te voorkomen dat er discussie ontstaat over de waarde van de woning en de afwikkeling daarvan;




te bepalen dat de vrouw uitsluitend gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning (inclusief het perceel), staande en gelegen te [adres 1] met inbegrip van de inboedel en het bevel dat de man de woning verder niet mag betreden (behoudens met toestemming van de vrouw) tot aan het moment dat de man de woning geleverd krijgt indien hij de woning kan overnemen dan wel tot het moment dat de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde;



Overig


te bepalen dat de man binnen vijf dagen na de te wijzen beschikking dient mee te werken aan het op naam zetten van de auto op naam van de vrouw op straffe van een dwangsom van € 150,- per dag of dagdeel dat de man hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 15.000,-;

te bepalen dat de man binnen zeven dagen na het wijzen van de beschikking de navolgende zaken dient af te geven aan de vrouw:

o computer en stoel (DX racer blauw);
o naaimachine;
o schwibbogen;
o fiets;
o werktuigkoffer;
o Duitse boeken,
op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat de man hiermee in gebreke is met een maximum van € 25.000,-, althans een dwangsom te bepalen die de rechtbank in goede justitie acht;


primair voor recht te verklaren dat de PC en de televisie van het merk Philips op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden eigendom zijn voor de helft van de man en de vrouw en subsidiair voor recht te verklaren dat de PC en de televisie van het merk Philips op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden eigendom zijn voor de helft van de man en de vrouw;

de man te veroordelen om alle informatie te verstrekken aan de vrouw omtrent de beleggingen die door de man zijn gedaan per peildatum binnen vijf dagen na de beschikking op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat de man hiermee in gebreke blijft tot een maximum van € 50.000,- althans een dwangsom te bepalen die de rechtbank in goede justitie juist acht;

te bepalen dat op grond van het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden de man dan wel de vrouw een verrekenvordering heeft op de vrouw dan wel de man ter hoogte van een nader te concretiseren bedrag dan wel de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen en een verrekenvordering te bepalen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht;

voor recht te verklaren dat de schuld die man is aangegaan van € 10.000,- op 20 februari 2025 buiten het te verrekenen vermogen valt en de man 100% draagplichtig is;

te bepalen dat de inboedel bij helfte zal worden verdeeld en dat partijen uiterlijk tien dagen voordat de vrouw in een nieuwe woning zal intrekken de goederen om-en-om verdelen in aanwezigheid met een onafhankelijke derde, waarbij zij door het kop/muntsysteem bepalen wie als eerste mag kiezen waarbij de eerste één goed mag kiezen en de volgende twee goederen en die daarna weer twee goederen;

de man te veroordelen om alle kopieën te verwijderen van de geboortevideo en de geboortefoto’s van [de minderjarige] en de vrouw binnen vijf dagen na de te wijzen beschikking op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat de man hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 100.000,- althans een dwangsom te bepalen die de rechtbank in goede justitie acht;

de man te veroordelen om de geboortevideo, de geboortefoto’s van [de minderjarige] en de vrouw en alle andere foto’s van de relatie en het huwelijk van partijen en [de minderjarige] aan de vrouw te verstrekken binnen vijf dagen na de te wijzen beschikking op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat de man hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 100.000,- althans een dwangsom te bepalen die de rechtbank in goede justitie acht;

de verzoeken van de man af te wijzen.


De man voert verweer tegen de verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – wordt besproken.





Beoordeling



Vooraf: aanvullend verzoek van 11 mei 2026 en nadere stukken van 11 mei 2026

De rechtbank zal – zoals tijdens de zitting aangegeven – de brief van de man met een aanvullend verzoek van 11 mei 2026 en de door de vrouw op 11 mei 2026 ingediende stukken buiten beschouwing laten. De rechtbank is van oordeel dat het in strijd is met de goede procesorde om een dag voor de mondelinge behandeling nog een dergelijk aanvullend verzoek en aanvullende stukken in te dienen. Partijen hadden dit in een eerder stadium van de procedure kunnen en moeten doen.




Echtscheiding





Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt aan de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal op grond van artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.




Ontvankelijkheid

Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen (artikel 815 lid 2 Rv). De ouders hebben dat niet gedaan.



De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om samen afspraken te maken over [de minderjarige] . Daarom gaat de rechtbank voorbij aan het vereiste van artikel 815 lid 2 Rv en beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding.




Inhoudelijke beoordeling

De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit erkend, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond wordt toegewezen.





[de minderjarige]





Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de voorliggende verzoeken.




Inhoudelijke beoordeling





Zorgregeling

De ouders geven sinds de voorlopige voorzieningenprocedure uitvoering aan een birdnest-regeling waarbij [de minderjarige] de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw in de echtelijke woning verblijft, met het wisselmoment op vrijdag uit school.



De ouders zijn het niet eens over hoe zij de zorg voor [de minderjarige] willen verdelen na de echtscheiding. De man wil graag uitvoering blijven geven aan de week-op-week-af regeling, terwijl de vrouw een beperktere zorgregeling verzoekt waarbij [de minderjarige] elke woensdag en om het weekend bij de man is.



De rechtbank ziet in wat de vrouw naar voren heeft gebracht over de communicatie tussen de ouders en het verschil in opvoedstijl geen contra-indicaties voor een co-ouderschapsregeling. De communicatie tussen de ouders is op dit moment inderdaad niet goed, maar dat is geen reden om het contact tussen de man en [de minderjarige] in te perken. Bovendien gaan de ouders een traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap volgen. De rechtbank zal de week-op-week af regeling echter wel aanpassen. [de minderjarige] is pas net acht jaar geworden. De rechtbank vindt het voor [de minderjarige] relatief lang als hij steeds een week bij een van zijn ouders is en de andere ouder dan niet ziet. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat hij (zoveel mogelijk) vaste (doordeweekse) dagen bij de ene ouder en bij de andere ouder verblijft, waardoor de betreffende ouder ook de buitenschoolse activiteiten van [de minderjarige] op de betreffende doordeweekse dagen kan begeleiden. Daarom zal de rechtbank een zorgregeling vastleggen waarbij [de minderjarige] van maandag uit school tot woensdag naar school bij de man is en van woensdag uit school tot vrijdag naar school bij de vrouw. De weekenden zullen om en om worden verdeeld. Deze zorgregeling zal na de zomervakantie ingaan, dus per maandag 31 augustus 2026 (week 36). Die week geldt als week 1 van de zorgregeling. Hierbij verloopt het wisselmoment steeds via school. Indien [de minderjarige] niet naar school gaat op de wisseldag, dan zal het wisselmoment om 12.00 uur plaatsvinden.



De rechtbank ziet geen aanleiding om te bepalen dat het de vrouw op straffe van een dwangsom niet is toegestaan [de minderjarige] buiten haar zorgtijd te bezoeken. De zorgregeling geeft een duidelijke verdeling wanneer [de minderjarige] bij de man is en wanneer [de minderjarige] bij de vrouw is. Het is niet de bedoeling om [de minderjarige] op te zoeken in de tijd van de andere ouder. Dat is verwarrend voor [de minderjarige] . De vrouw heeft ter zitting aangegeven zich hiervan bewust te zijn. De rechtbank gaat ervanuit dat de vrouw daarom [de minderjarige] niet zal opzoeken in de tijd dat [de minderjarige] volgens de vastgestelde zorgregeling bij de man is. Het betreffende verzoek van de man (III) wordt daarom afgewezen.




Belmoment

De rechtbank zal bepalen dat er gedurende het weekend één keer een (beeld)belmoment plaatsvindt met de ouder waar [de minderjarige] op dat moment niet verblijft. Gelet op de zorgregeling zal dit in de ene week een belmoment zijn met de man op zaterdag om 19.00 uur en in de andere week een belmoment met de vrouw op zondag om 19.00 uur. De rechtbank gaat ervan uit dat in geval van verhindering van [de minderjarige] de ouders in zijn belang flexibel zullen zijn en een ander belmoment zullen afspreken.




Hoofdverblijfplaats en inschrijving Brp

De rechtbank ziet geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij een van de ouders te bepalen, omdat de ouders uitvoering geven aan een co-ouderschapsregeling waarbij [de minderjarige] ongeveer evenveel tijd bij zijn vader als bij zijn moeder doorbrengt. Geen van de beide ouders heeft een doorslaggevend argument genoemd waarom de hoofdverblijfplaats bij hem of haar zou moeten worden bepaald. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vrouw (IX) af.



De rechtbank overweegt ten aanzien van de inschrijving in de Brp het volgende. [de minderjarige] staat nu ingeschreven op het adres van de echtelijke woning. De rechtbank vindt het in het belang van [de minderjarige] om dit zo te laten. Uit de hierna te nemen beslissingen over (het uitsluitend gebruik van) de echtelijke woning volgt dat de vrouw van 1 september 2026 tot 1 december 2026 in de echtelijke woning zal verblijven en dat de man daarna zal terugkeren in de echtelijke woning en daar zal blijven wonen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de inschrijving van [de minderjarige] in de Brp daarna te wijzigen, zodat zijn adres bij bijvoorbeeld school, overheidsinstellingen en huisarts ongewijzigd kan blijven. Dat betekent dat [de minderjarige] ingeschreven zal blijven staan op het adres van de echtelijke woning. De rechtbank gaat ervanuit dat de ouder die in de echtelijke woning verblijft/woont de post voor [de minderjarige] ook deelt met de andere ouder. Gelet op voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw om inschrijving bij haar (X) als het verzoek van de man om inschrijving bij hem (I) af. [de minderjarige] blijft ingeschreven op het adres van de echtelijke woning bij de ouder die aldaar woont.




Vakanties en feestdagen

De man en de vrouw hebben allebei standpunten ingenomen over de verdeling van de vakanties en feestdagen. Omdat het de ouders niet lukt om volledige overeenstemming te bereiken, zal de rechtbank een beslissing nemen over de verdeling van de vakanties en feestdagen. De verdeling die de rechtbank het meest in het belang van [de minderjarige] vindt, is opgenomen in het dictum van deze beschikking. Hierbij zal de rechtbank als uitgangspunt bepalen dat de vakanties beginnen op vrijdag uit school en eindigen op maandag naar school. Als een vakantie – wegens schoolvrije dagen – eerder begint dan op vrijdag uit school, gaat [de minderjarige] eerder naar de ouder met wie hij (als eerste) de vakantie doorbrengt (bijvoorbeeld: als de vrijdag ook vrij is, dan verblijft [de minderjarige] al vanaf donderdag uit school bij de ouder bij wie hij de betreffende vakantieweek zal doorbrengen). Dat geldt ook wanneer de laatste dag van de vakantie op een andere dag dan de zondag valt; dan blijft [de minderjarige] die dag bij de ouder bij wie hij tijdens (het laatste deel van) de vakantie verbleef (bijvoorbeeld: als de maandag na de vakantie ook een vrije dag is, dan verblijft [de minderjarige] tot dinsdag naar school bij de ouder bij wie hij de betreffende vakantieweek heeft doorgebracht). Voor de vakanties van meer dan een week geldt dat het wisselmoment op zaterdag om 19.00 uur is. Wat betreft de verjaardag van [de minderjarige] zal de rechtbank bepalen dat, anders dan de vrouw heeft verzocht, [de minderjarige] in de even jaren bij de man zal zijn en in de oneven jaren bij de vrouw. De rechtbank zal wat meer of anders is verzocht afwijzen.




Zorgverzekering [de minderjarige]

is nu verzekerd via de zorgverzekering van de man. De rechtbank ziet geen aanleiding om te bepalen dat de man [de minderjarige] per direct uitschrijft van zijn zorgverzekeringspolis zodat [de minderjarige] via de zorgverzekering van de vrouw kan worden meeverzekerd. Het primaire verzoek van de vrouw wordt daarom afgewezen. De rechtbank vindt wel dat de vrouw inzage moet hebben in de polis waaronder [de minderjarige] is verzekerd. Daarom zal de rechtbank conform het subsidiaire verzoek bepalen dat de man aan de vrouw schriftelijk het polisnummer, de polis zelf en de naam van de zorgverzekeringsmaatschappij verstrekt waaronder [de minderjarige] bij de man is meeverzekerd, met vermelding van de ingangsdatum en het polisnummer.




Kosten operatie

De rechtbank begrijpt uit de stukken dat [de minderjarige] mogelijk een operatie aan zijn voorhuid moet ondergaan. De vrouw verzoekt te bepalen dat de man de kosten dient te dragen van deze operatie als dit niet wordt vergoed door de zorgverzekeraar, omdat zij nu geen informatie heeft over de zorgverzekering. De rechtbank zal in dit geval, als blijkt dat de operatie medisch noodzakelijk is en (deels) niet wordt vergoed, bepalen dat de ouders van de niet vergoede kosten ieder de helft moeten betalen. Dat wijkt dus af van het uitgangspunt dat de vrouw de verblijfsoverstijgende kosten van [de minderjarige] zal betalen, omdat dit naar het oordeel van de rechtbank bijzondere kosten zijn die niet geacht worden te zijn begrepen in de gebruikelijke kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] waarvoor de vrouw kinderalimentatie zal ontvangen.




Vervangende toestemming





Hooikoortstest

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond dat het in het belang van [de minderjarige] is om een hooikoortstest uit te laten voeren. Uit de stukken blijkt niet dat de huisarts van [de minderjarige] dit momenteel nodig vindt. Daarom zal de rechtbank de verzoeken van de vrouw op dit punt (II en III) afwijzen.




Onbeperkt reizen naar Duitsland

De man heeft tijdens de zitting toegezegd dat hij ermee kan instemmen dat de vrouw in haar zorgtijd met [de minderjarige] naar haar familie in Duitsland reist, als dit voor maximaal vier dagen is.
De rechtbank zal het primaire verzoek van de vrouw in zoverre toewijzen dat zij vervangende toestemming krijgt om binnen de tijd dat [de minderjarige] in het kader van de zorgregeling bij de vrouw is onbeperkt voor familiebezoek naar Duitsland te reizen voor maximaal vier aaneengesloten dagen. Op deze manier hoeft de vrouw niet elke keer dat zij samen met [de minderjarige] haar familie in Duitsland wil bezoeken vervangende toestemming te vragen aan de man. Hierbij merkt de rechtbank op dat de vrouw voor vakanties – ook naar Duitsland – wel apart aan de man moet vragen een toestemmingformulier in te vullen.




Aanvraag Nederlands paspoort

De man heeft op de zitting zijn verzoek ingetrokken, omdat de vrouw instemt met de aanvraag van een Nederlands paspoort voor [de minderjarige] . De ouders hebben afgesproken dat zij allebei fysiek aanwezig zullen zijn bij de aanvraag van het paspoort. Gelet op het voorgaande hoeft de rechtbank op dit punt geen beslissing meer te nemen.




Medisch onderzoek maligne hyperthermie

De vrouw heeft eerder in de procedure een verzoek gedaan voor vervangende toestemming om onderzoek te laten verrichten of [de minderjarige] een allergie heeft voor een bepaald narcosemiddel (maligne hyperthermie). De vrouw heeft dat verzoek ingetrokken omdat het volgens haar niet meer nodig is, maar zij weigert om informatie hierover met de man te delen. De man verzoekt nu om hem vervangende toestemming te geven voor een medisch onderzoek naar maligne hyperthermie. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang is van [de minderjarige] dat er objectief – en ook kenbaar voor de man – wordt vastgesteld of hij allergisch is voor een bepaald narcosemiddel. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat er geen belang meer is bij dit onderzoek doch zij wil de informatie waarop zij dit baseert niet delen met de man. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen. Mocht toch op grond van objectieve informatie, die ook voor de man kenbaar is, blijken dat dit medische onderzoek niet meer nodig is, dan gaat de rechtbank ervanuit dat het medische onderzoek niet zal plaatsvinden.




Kickboksen

De rechtbank zal dit verzoek afwijzen, omdat gebleken is dat [de minderjarige] al ingeschreven staat bij de kickboksschool en daar lessen volgt. Er is daarom geen belang bij toewijzing van dit verzoek.




Voetbal

De rechtbank zal de man vervangende toestemming verlenen om [de minderjarige] in te schrijven bij [voetbalclub] . De rechtbank vindt het in het belang van [de minderjarige] dat hij kan gaan voetballen, inclusief wedstrijden op zaterdagen. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw ervoor zorgt dat [de minderjarige] ook naar de voetbal(wedstrijden) gaat op de momenten dat hij bij de vrouw is.




Doorverwijzing hulpverlening

De ouders krijgen op dit moment allebei ondersteuning vanuit Tom in de Buurt. De rechtbank heeft op de zitting met de ouders gesproken over het inschakelen van verdere hulpverlening, ook voor [de minderjarige] . De ouders hebben de bereidheid uitgesproken voor deelname aan een traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap en om [de minderjarige] deel te laten nemen aan een training voor kinderen van gescheiden ouders. De rechtbank zal de ouders en [de minderjarige] daarom in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is op 13 mei 2026 per email verzonden naar Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams Leidse Regio.



De rechtbank verwijst de ouders bij eindbeschikking naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.




Kinderalimentatie en bijdragen voor [de minderjarige]





Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat [de minderjarige] – de onderhoudsgerechtigde – in Nederland woont, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding. Op het verzoek zal de rechtbank, op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.




Inhoudelijke beoordeling

Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.




Vooraf (kinderbijslag en kindgebonden budget)

De rechtbank zal hierna een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vaststellen. Hierbij neemt de rechtbank als uitgangspunt dat de vrouw aanspraak maakt op de gehele kinderbijslag en het kindgebonden budget en dat de vrouw dit geld ten behoeve van [de minderjarige] zal ontvangen. De rechtbank verwacht dat de man zich direct na afgifte van deze echtscheidingsbeschikking voor dit doel tijdelijk zal uitschrijven van het adres van de echtelijke woning, zodat de vrouw per 1 juli 2026 de kinderbijslag kan aanvragen en dan ook aanspraak kan maken op het kindgebonden budget. Het is vervolgens aan de vrouw om, met uitzondering van de opvang- en verblijfskosten als [de minderjarige] bij de man is, alle verblijfsoverstijgende kosten van [de minderjarige] te voldoen. De kosten voor opvang, BSO en TSO als [de minderjarige] bij de man is, moet de man zelf betalen en vallen onder zijn verblijfskosten, zoals dergelijke kosten als [de minderjarige] bij de vrouw is voor haar rekening komen.



Dit betekent dat de rechtbank dus voorbijgaat aan het voorstel van de man dat partijen allebei de helft van de kinderbijslag ontvangen en de man alle verblijfsoverstijgende kosten voor [de minderjarige] voldoet.




Behoefte

De ouders zijn het erover eens dat – gelet op het netto besteedbaar gezinsinkomen – de behoefte van [de minderjarige] overeenkomt met het maximale tabelbedrag in 2024. Dit is € 880,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 980,- per maand.




Draagkracht vrouw

De vrouw krijgt op dit moment een Ziektewetuitkering van € 302,85 per week. Uit de brief van het UWV blijkt dat de vrouw nog geen mogelijkheden heeft om te gaan werken, waardoor zij nog niet hoeft te reintegreren. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate vast komen te staan dat de vrouw op dit moment wegens ziekte niet in staat is om te werken. Van verwijtbaar en vermijdbaar inkomensverlies aan de zijde van de vrouw is geen sprake. Daarom zal de rechtbank niet uitgaan van een verdiencapaciteit.



Bij het berekenen van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 302,85 bruto per week. Dit bedrag is inclusief vakantiegeld.



Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting. Voor toepassing van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting is geen plaats, omdat de vrouw geen inkomen uit arbeid, maar uit de Ziektewet ontvangt.



De rechtbank gaat er vanuit dat de vrouw na deze echtscheidingsbeschikking het kindgebonden budget zal gaan ontvangen. Daarom telt de rechtbank het kindgebonden budget op bij het inkomen van de vrouw. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.



Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 1.603,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.



Bij een NBI tot € 1.950,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel (2026) een minimale draagkracht van € 25,- per maand voor één kind. De rechtbank zal daarom deze draagkracht voor de vrouw in aanmerking nemen.




Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van het inkomen dat blijkt uit de salarisstroken januari tot en met maart 2026. De man ontvangt een salaris van
€ 6.212,43 bruto per maand, vakantiegeld en een eindejaarsuitkering.



De rechtbank ziet geen aanleiding om bij het inkomen van de man rekening te houden met de thuiswerkvergoeding van € 21,69 per maand, omdat daar ook kosten tegenover staan.



De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 181,23 per maand en de premie aanvulling WW/WGA van € 6,21 per maand.



Daarnaast houdt de rechtbank aan de zijde van de man rekening met de inkomensafhankelijke combinatiekorting, omdat sprake is van een co-ouderschapsregeling.



Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.929,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.



De rechtbank zal geen rekening houden met de door de man gestelde aflossing van € 717,- per maand op de door hem aangegane lening. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man – gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw – niet aangetoond waarom het nodig was om een lening aan te gaan bij [bedrijfsnaam] B.V., een holding van zijn moeder. Voor zover de man heeft aangevoerd dat hier (onder meer) advocaatkosten van zijn voldaan, overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat de man daarvoor de lening heeft afgesloten, maar zelfs als dat zo zou zijn, geldt dat advocaatkosten in het algemeen geen schuld is die voorrang heeft op de onderhoudsverplichting van de man.



Voor de berekening van de draagkracht gebruikt de rechtbank de volgende formule:
70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)].



De draagkracht van de man bedraagt dan € 1.460,- per maand.




Draagkrachtvergelijking

De draagkracht bedraagt gezamenlijk € 1.485,- per maand (€ 25 + € 1.460). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank heeft daarom een draagkrachtvergelijking gemaakt. Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van
€ 964,- voor rekening van de man en een gedeelte van € 16,- voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

Gelet op de zorgregeling is sprake van een zorgkortingspercentage van 35%. De zorgkorting bedraagt € 343,- per maand (35% van € 980,-).



De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel van de man. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 621,- per maand (€ 964 -/- € 343).




Ingangsdatum

De rechtbank vindt het redelijk om de datum van deze beschikking als ingangsdatum voor de kinderalimentatie vast te stellen.




Conclusie

De rechtbank zal beslissen dat de man vanaf de datum van de beschikking een kinderalimentatie voor [de minderjarige] aan de vrouw moet betalen van € 621,- per maand. Wat meer of anders is verzocht zal de rechtbank afwijzen.




Vorderingen verblijfsoverstijgende kosten

In de voorlopige voorzieningenprocedure is vastgesteld dat de man een voorlopige kinderalimentatie van € 381,- per maand aan de vrouw zal betalen. In de berekening die daaraan ten grondslag ligt, is de rechtbank ervan uitgegaan dat de vrouw het kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop zou ontvangen. Conform de voorlopige voorzieningen zou de vrouw de verblijfsoverstijgende kosten van [de minderjarige] betalen.
Beide partijen leggen nu in de bodemprocedure een verzoek aan de rechtbank voor omdat een en ander anders is gelopen dan in de voorlopige voorzieningenprocedure als uitgangspunt is genomen.



De man heeft sinds mei 2025 de voorlopige kinderalimentatie niet betaald, omdat hij – in plaats van de vrouw – kosten voor de kinderopvang en het kickboksen heeft betaald. Hij heeft dat deels verrekend met de voorlopige kinderalimentatie. De man vordert echter nog een bedrag van € 2.060,35 van de vrouw in verband met deze door hem betaalde verblijfsoverstijgende kosten (VI).



De vrouw stelt dat zij vanwege de birdnestingsregeling geen kindgebonden budget met eenouderkop kan ontvangen. Daarom vindt zij dat de verblijfsoverstijgende kosten in de afgelopen periode niet enkel voor haar rekening dienen te komen. De vrouw voert verweer tegen de vordering van de man en verzoekt te bepalen dat de man en de vrouw beiden
voor de helft draagplichtig zijn voor de verblijfsoverstijgende kosten die zijn ontstaan voor [de minderjarige] gedurende de periode van de birdnestingsregeling (XIV).



De rechtbank zal zowel verzoek VI van de man als verzoek XIV van de vrouw afwijzen. Omdat de vrouw het afgelopen jaar niet het kindgebonden budget met alleenstaande ouderkop heeft ontvangen, terwijl in de voorlopige voorzieningenprocedure wel op basis van dat uitgangspunt is beslist, vindt de rechtbank het niet redelijk indien de vrouw nog een bedrag aan de man zou moeten terugbetalen voor de opvangkosten en de kickbokslessen of eventueel andere verblijfsoverstijgende kosten die de afgelopen periode door de man zouden zijn betaald. De rechtbank ziet echter ook geen aanleiding om te bepalen dat de man en de vrouw beide voor de helft draagplichtig zijn voor de verblijfsoverstijgende kosten van [de minderjarige] gedurende de birdnestregeling. Niet alleen heeft de rechtbank geen inzage in alle verblijfsoverstijgende kosten van [de minderjarige] en is er op basis van de voorlopige voorzieningen uitspraak reeds kinderalimentatie voldaan, een dergelijke beslissing zal enkel kunnen leiden tot discussie tussen partijen en dat is niet in het belang van [de minderjarige] . De rechtbank gaat ervanuit dat beide ouders op deze wijze niet onevenredig zijn belast als het gaat om de gemaakte kosten voor [de minderjarige] .




Partneralimentatie





Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de vrouw – de onderhoudsgerechtigde – in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek. Op het verzoek tot alimentatie zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.




Inhoudelijke beoordeling

Bij de vaststelling van de partneralimentatie en de berekening neemt de rechtbank ook de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.




Behoefte vrouw

De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen.



Niet in geschil is dat het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2024 € 6.063,- per maand was. Hiervan moeten de kosten van [de minderjarige] van € 880,- per maand worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 5.183,- per maand (€ 6.063 -/- € 880) beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 3.110,- netto per maand (60% van € 5.183,- per maand). Geïndexeerd naar 2026 is de behoefte € 3.465,- netto per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.




Eigen inkomen en behoeftigheid vrouw

Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 3.465,- per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen.



De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen van de vrouw dat zij beschikbaar heeft om te voorzien in haar levensonderhoud op € 1.103,- per maand. De rechtbank zal ook in het kader van de partneralimentatie geen rekening houden met verdiencapaciteit. Voor de motivering verwijst de rechtbank naar wat zij hiervoor heeft overwogen.



De resterende behoefte van de vrouw bedraagt dan € 2.362,- netto per maand. Dit komt overeen met een bruto bedrag van € 4.401,- per maand.



De rechtbank zal hierna bezien in hoeverre de man draagkracht heeft om aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te betalen.






Draagkracht man

De rechtbank gebruikt bij de berekening van de draagkracht voor de partneralimentatie de inkomensgegevens zoals hiervoor bij de kinderalimentatie aangegeven.



De rechtbank zal volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1365)] toepassen. Hierbij wordt rekening gehouden met een woonbudget van 30% van het NBI. De rechtbank houdt – zoals in het voorgaande overwogen – geen rekening met aflossing op de lening bij [bedrijfsnaam] B.V.



Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 1.251,- per maand. Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] van € 964,- per maand in mindering gebracht. De man heeft daarom nog een draagkracht beschikbaar van € 287,- netto per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 459,- per maand.



Gelet op het voorgaande heeft de man voldoende draagkracht om de verzochte bijdrage van € 279,- bruto per maand aan de vrouw te betalen. Uit de inkomensvergelijking volgt dat bij betaling van deze partneralimentatie de man niet in een nadeliger financiële positie komt dan de vrouw.




Ingangsdatum

Op grond van artikel 1:157 BW kan de partneralimentatie niet eerder ingaan dan op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal daarom met ingang van deze datum de partneralimentatie vaststellen.
Voor de eerder verzochte ingangsdatum bestaat geen rechtsgrond. Dit deel van het verzoek zal daarom worden afgewezen.




Conclusie

De rechtbank zal beslissen dat de man vanaf de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een partneralimentatie aan de vrouw moet betalen van € 279,- bruto per maand. Wat meer of anders is verzocht zal de rechtbank afwijzen.




Aanhechten berekeningen

De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.




Afwikkeling huwelijkse voorwaarden en verdeling eenvoudige gemeenschappen





Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft zij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek over de afwikkeling van het huwelijksvermogen.



Partijen hebben in artikel 13 van de huwelijkse voorwaarden een rechtskeuze gemaakt voor Nederlands recht.







Inhoudelijke beoordeling

In de huwelijkse voorwaarde is in de preambule het volgende opgenomen:
‘De verschenen personen verklaarden:




dat zij wetenschap hebben van het feit dat op één januari 2018 het nieuwe huwelijksvermogensrecht, zijnde de beperkte gemeenschap van goederen is ingevoerd;




dat zij willen afwijken van deze wettelijke regeling door de navolgende huwelijksvoorwaarden; (…)’




Partijen zijn in artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat zij elke gemeenschap van goederen uitsluiten. In artikel 11 is een finaal verrekenbeding opgenomen, inhoudende dat wordt ‘afgerekend alsof de echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd’.



In de verrekening worden volgens artikel 11 lid 7 niet betrokken:



goederen die ten huwelijk zijn aangebracht, zoals beschreven op de aan deze akte gehechte lijst van aanbrengsten;


aan partijen behorende aandelen dan wel activa en passiva behorende tot de onderneming(en) van partijen;


goederen die krachtens erfrecht of schenking zijn verkregen alsmede op die verkrijgingen drukkende schulden en de wegens die verkrijgingen geheven belastingen;


al hetgeen krachtens zaaksvervanging voor bovengenoemde goederen in de plaats is getreden;


de opbrengst van goederen die van de verrekening zijn uitgesloten.





Uitleg finaal verrekenbeding

Partijen verschillen van mening over hoe het finaal verrekenbeding ‘alsof de echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd’ moet worden uitgelegd. Die uitleg dient te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Hierbij gaat het met name om de vraag of (de opbrengst van) het appartement van de man onder het te verrekenen vermogen valt of op grond van artikel 11 lid 7 van de huwelijkse voorwaarden is uitgezonderd van de verrekening. De rechtbank zal eerst op dit geschilpunt ingaan, omdat dit onder meer relevant is voor een door de man gesteld vergoedingsrecht.



De vrouw stelt dat partijen bij het maken van de huwelijkse voorwaarden gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om af te wijken van het geldende wettelijke basisstelsel van de beperkte gemeenschap van goederen. Partijen zijn overeengekomen dat zij zullen afrekenen alsof zij in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. Volgens de vrouw is hiermee afgesproken dat het finaal verrekenbeding betrekking heeft op de algehele gemeenschap van goederen van vóór 2018. Dit hebben partijen ook zo bedoeld. Het idee was namelijk dat de man een eigen onderneming zou beginnen en dat eventuele toekomstige schuldeisers zich niet zouden kunnen verhalen op de goederen van de ander of van partijen gezamenlijk. Bij echtscheiding zou echter wel alles bij helfte worden gedeeld door partijen. Om die reden hebben de man en de vrouw er ook voor gekozen om alleen goederen van emotionele waarde op de staat van aanbrengsten te vermelden. Dit heeft, zo stelt de vrouw, tot gevolg dat al het vermogen dat privé was voorafgaande aan het huwelijk van partijen – dus ook de overwaarde afkomstig uit het appartement van de man – onder het finale verrekenbeding valt.



De man stelt dat partijen bij echtscheiding niet in algehele gemeenschap van goederen hebben willen afrekenen, aangezien goederen die ten huwelijk zijn aangebracht worden uitgezonderd. Met “algehele gemeenschap” zou bedoeld zijn de wettelijke (beperkte) gemeenschap zoals die sinds 1 januari 2018 geldt. De lijst van aanbrengsten is enkel opgesteld om de hierop vermelde goederen te beschermen tegen schuldeisers van de andere echtgenoot. Bovendien is de lijst van aanbrengsten bedoeld voor roerende zaken en rechten aan toonder, niet zijnde registergoederen, en bevat deze geen limitatieve opsomming. Dit volgt uit de brief van de notaris van 7 augustus 2018. Het was dus niet nodig om registergoederen op de lijst van aanbrengsten te vermelden, aangezien uit het register al volgt dat het appartement voorafgaande aan het huwelijk eigendom was van de man en tot het privévermogen van de man behoort. Volgens de man was het ook de bedoeling van partijen dat alle aanbrengsten privé zouden blijven en dat bij echtscheiding alleen wordt verrekend of verdeeld wat tijdens het huwelijk is opgebouwd.



De rechtbank overweegt als volgt. In de tekst van de huwelijkse voorwaarden is opgenomen dat partijen bij echtscheiding zullen afrekenen alsof zij in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. Uit de huwelijkse voorwaarden is niet op te maken of partijen de bedoeling hadden (de waarde van) het appartement van de man afgescheiden te houden. In artikel 11 lid 7 van de huwelijkse voorwaarden is opgesomd wat niet in de verrekening wordt betrokken. Het appartement van de man is hierbij niet expliciet opgenomen en wordt ook niet genoemd op de staat van aanbrengsten, terwijl wel expliciet naar bijvoorbeeld aandelen en goederen krachtens erfrecht of schenking wordt verwezen. De toelichting van partijen hierover, zowel in de stukken als tijdens de zitting, is niet eenduidig. De brief van de notaris waar de man naar verwijst geeft ook geen duidelijkheid op dit punt. In die brief staat onder meer: ‘Artikel 12 bevat een verplicht wederkerig finaal verrekenbeding bij echtscheiding en overlijden. Een dergelijke afspraak raakt niet het huwelijksgoederenregime, maar geeft partijen een obligatoir recht of verplichting tot verrekening van meer of minder vermogensbestanddelen dan waartoe zij goederenrechtelijk verplicht zijn. Bij het gedeelte "In de verrekening worden niet betrokken" is aangeven welke vermogensbestanddelen buiten deze geldelijk verrekening blijven.’ En: ‘Het is mogelijk aan de huwelijksvoorwaarden een lijst van aanbrengsten te hechten. Hierop kunt u de roerende zaken en rechten aan toonder (=niet registergoederen) welke ieder van u beiden aanbrengt ten huwelijk vermelden. Deze lijst werkt tegen schuldeisers zodat de hierop vermelde goederen niet verhaalsobject kunnen zijn voor schuldeiser van de andere echtgenoot. Zonder vermelding daarvan op deze lijst worden bijvoorbeeld de inboedelgoederen geacht gemeenschappelijk te zijn. Indien u een dergelijke lijst wenst, ontvang ik graag een opgave van de betreffende goederen.’ In de brief van de notaris wordt niets gezegd over onroerend goed. In dit geval ziet de rechtbank – anders dan in de uitspraak waar de man naar verwijst – dus in de stukken geen aanwijzing dat het de bedoeling van partijen was het appartement van de man (waar partijen ten tijde van het sluiten van de huwelijkse voorwaarden als gezin woonden) buiten de verrekening te houden. Tegenover schuldeisers was het inderdaad niet nodig om het appartement op de staat van aanbrengsten te vermelden. Maar dit enkele gegeven leidt niet tot de conclusie dat partijen beoogden het appartement van de man ook buiten de verrekening te houden. Als partijen de waarde van het appartement van de man hadden willen uitsluiten van het tussen hen te verrekenen vermogen, had het in de lijn der verwachting gelegen dat zij dit expliciet hadden opgenomen bij de andere uitzonderingen in artikel 11 lid 7. Dat hebben partijen niet gedaan. De rechtbank ziet ook geen aanknopingspunten voor de stelling van de man dat het de bedoeling van partijen was om bij echtscheiding te zullen afrekenen alsof er sprake was van een (beperkte) gemeenschap van goederen zoals deze geldt sinds 1 januari 2018. In de considerans van de huwelijkse voorwaarden is te lezen dat partijen er wetenschap van hebben dat op één januari tweeduizend achttien het nieuwe huwelijksvermogensrecht, zijnde de beperkte gemeenschap van goederen, is ingevoerd en dat zij van deze wettelijke regeling willen afwijken. In artikel 11 van de huwelijkse voorwaarden is vervolgens expliciet opgenomen dat partijen zullen afrekenen alsof zij in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. Als het de bedoeling van partijen was om enkel het tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen te verrekenen, dan zou het logisch zijn als zij hadden opgenomen dat de verrekening zou plaatsvinden ‘alsof in beperkte gemeenschap van goederen gehuwd’ of dat expliciet naar het recht van na 1 januari 2018 zou zijn verwezen. De rechtbank volgt hiermee dus het standpunt van de vrouw.



Gelet op het voorgaande zal de rechtbank conform het verzoek van de vrouw (XVII) voor recht verklaren dat de huwelijkse voorwaarden van partijen zo dienen te worden uitgelegd dat het finaal verrekenbeding betrekking heeft op de algehele gemeenschap van goederen zoals dit vóór 2018 uit de wet voortvloeide.




Peildatum te verrekenen vermogen

Tussen partijen is niet in geschil dat zij – in afwijking van artikel 11 lid 4 van de huwelijkse voorwaarden – de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding (14 maart 2025) zullen hanteren voor de beschrijving van de vermogens van de echtgenoten en de waardering van de daartoe behorende bezittingen en schulden.




Omvang te verrekenen vermogen

De man en de vrouw hebben in deze procedure de volgende vermogensbestanddelen en schulden aangevoerd die (eventueel) bij de verrekening moeten worden betrokken.



Aan de zijde van de man:



Volkswagen Golf (kenteken [kenteken] );


PC met beeldschermen;


TV Philips;


Canon EOS80D spiegelreflexcamera;


fiets;


saldi bank- en spaarrekeningen:



a. ABN AMRO betaalrekening ( [betaalrekening 1] );
b. ABN AMRO spaarrekening ( [spaarrekening 1] );
c. De Giro;
d. Rabobank betaalrekening ( [betaalrekening 2] );
e. Rabobank spaarrekening ( [spaarrekening 2] );

7. lening bij [bedrijfsnaam] B.V.


Aan de zijde van de vrouw:

8. saldi bank- en spaarrekening:

a. ING betaalrekening ( [betaalrekening 3] );
b. ING spaarrekening ( [spaarrekening 3] ).




Volkswagen Golf

Tussen partijen is niet in geschil dat de Volkswagen Golf is gekocht voor € 13.245,- en dat in het kader van de verrekening moet worden uitgegaan van een waarde van (volgens de ANWB Koerslijst) € 8.700,-. Zij verschillen wel van mening of de Volkswagen Golf onder het te verrekenen vermogen valt en zo ja, voor welk deel van de waarde.



De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft na de gemotiveerde betwisting door de vrouw niet aangetoond dat hij een schenking van € 5.000,- heeft gebruikt voor de aanschaf van deze auto. De rechtbank gaat daarom voorbij aan dat standpunt en de berekening van de man. De rechtbank gaat er wel vanuit dat de inruilwaarde van de Kia Picanto van de vrouw is aangewend bij de aanschaf van de Volkswagen Golf. Er is echter geen sprake van zaaksvervanging aangezien partijen het erover eens zijn dat er bij de inruil sprake is geweest van een behoorlijke bijbetaling. Daarom gaat de rechtbank voorbij aan het primaire standpunt van de vrouw dat de Volkswagen Golf buiten de verrekening moet blijven. De inruilwaarde van de Kia Picanto van € 1.000,- moet echter wel buiten de verrekening blijven, omdat de Kia Picanto volgens de staat van aanbrengsten zoals aangehecht aan de huwelijkse voorwaarden door de vrouw is aangebracht bij het huwelijk. Dit betekent dat – zoals de vrouw subsidiair stelt en berekent – € 8.043,- van de waarde tot het te verrekenen vermogen behoort.



De rechtbank moet ook een beslissing nemen over wie de Volkswagen Golf na de echtscheiding mag blijven gebruiken. De rechtbank zal het verzoek van de man – dat de vrouw de Volkswagen Golf aan de man moet afgeven – afwijzen, omdat is gebleken dat de vrouw de Volkswagen Golf gebruikt en de man in een andere auto (Volkswagen Polo) rijdt. Gelet op deze situatie vindt de rechtbank het ook redelijk om conform het verzoek van de vrouw (XX) te bepalen dat de man moet meewerken aan het op naam van de vrouw zetten van de Volkswagen Golf. De rechtbank zal als termijn opnemen dat partijen dit binnen 14 dagen na afgifte van deze beschikking moeten regelen. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan een dwangsom te verbinden. Deze beslissing betekent dat de rechtbank de waarde van de Volkswagen Golf in de vermogensopstelling aan de zijde van de vrouw zal opnemen voor een bedrag van € 8.043,-.




PC met beeldschermen

De vrouw heeft voorgesteld dat ieder zijn eigen PC met toebehoren houdt, zonder nadere verrekening van de waarde. De man heeft met dit voorstel ingestemd. Dit betekent dat de rechtbank de waarde van de PC met beeldschermen van de man niet bij het te verrekenen vermogen zal betrekken. De eerder ingediende verzoeken op dit punt – verzoek XIII van de man en verzoek XXII van de vrouw – worden afgewezen.




TV Philips

De rechtbank is uit de stukken gebleken dat de TV in 2022 is geleverd aan de man. De rechtbank gaat ervanuit dat de TV eigendom is van de man. Tussen partijen is niet in geschil dat de TV voor € 750,- in de verrekening wordt betrokken.




Canon EOS80D spiegelreflexcamera

De rechtbank heeft hiervoor een oordeel gegeven over de uitleg van het finaal verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden. De camera is gelet op artikel 11 lid 7 van de huwelijkse voorwaarden niet uitgesloten van verrekening en staat niet genoemd op de aangehechte staat van aanbrengsten. De waarde van de camera valt dus onder het te verrekenen vermogen.



Uit de stukken blijkt dat de camera in 2017 is gekocht voor € 1.622,-. Beide partijen hebben zich niet uitgelaten over de waarde op de peildatum. De rechtbank schat de waarde op de peildatum daarom redelijkerwijs op € 300,-.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat tijdens de zitting is gebleken dat de man zijn camera (weer) zelf in bezit heeft. Het verzoek om afgifte wordt daarom afgewezen.




Fiets

De rechtbank is niet gebleken dat de man een fiets heeft die onder het te verrekenen vermogen valt.




Bank- en spaarrekeningen man

Tussen partijen is niet in geschil dat de volgende saldi bij het te verrekenen vermogen moeten worden betrokken:




[betaalrekening 1] € 383,48



[betaalrekening 2] € 6.979,74


De Giro € 24,97




De rechtbank zal voor de spaarrekening bij ABN AMRO ( [spaarrekening 1] ) het saldo van € 11.150,88 betrekken bij het te verrekenen vermogen. Dit is immers het bedrag wat op de peildatum (14 maart 2025) op die spaarrekening stond.



Ten aanzien van de Rabobank spaarrekening ( [spaarrekening 2] ) overweegt de rechtbank dat het gehele saldo van € 8.830,35 onder het te verrekenen vermogen van partijen valt. Dat de man zelf een bedrag van € 8.829,93 van zijn Rabobank betaalrekening naar deze spaarrekening overboekt met de omschrijving ‘Spaargeld [de minderjarige] ’ maakt niet dat dit deel van het saldo buiten de verrekening moet blijven. Deze spaarrekening staat op naam van de man, waardoor het vermogen van de man betreft en niet spaargeld van [de minderjarige] . Verder is – na gemotiveerde betwisting door de vrouw – ook niet gebleken dat dit spaargeld is opgebouwd uit schenkingen van de ouders van de man aan [de minderjarige] .



De rechtbank overweegt hierbij op dat zij het verzoek van de vrouw dat de man op straffe van een dwangsom informatie moet verstrekken over de beleggingen (XXIII) bij gebrek aan belang zal afwijzen. De man heeft immers onweersproken gesteld dat hij de aandelen die hij had (bij De Giro) op 16 december 2024 – dus vóór de peildatum – heeft verkocht en dat hij dit al inzichtelijk heeft gemaakt voor de vrouw.




Lening bij [bedrijfsnaam] B.V.

De rechtbank is uit de overgelegde stukken gebleken dat de man op 20 februari 2025 een overeenkomst van geldlening is aangegaan met [bedrijfsnaam] B.V voor € 10.000,-. Uit artikel 1.2 van de overeenkomst blijkt dat het geleende bedrag uiterlijk op 31 maart 2025 ter beschikking zou worden gesteld. De rechtbank is niet gebleken dat de man het geleende bedrag van € 10.000,- op de peildatum – 14 maart 2025 – al daadwerkelijk had ontvangen. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met deze schuld en het verzoek van de man daaromtrent (VIII) afwijzen. De rechtbank ziet echter evenmin aanleiding om voor recht te verklaren dat deze schuld buiten te verrekening valt, omdat uit deze overweging van de rechtbank al volgt dat de schuld niet bij het te verrekenen vermogen wordt betrokken. Het verzoek van de vrouw op dit punt (XXV) wordt daarom afgewezen.




De betaalrekening van de vrouw

Tussen partijen is niet in geschil dat het saldo van € 515,08 bij het te verrekenen vermogen moeten worden betrokken.






De spaarrekening van de vrouw

Tussen partijen is niet in geschil dat het saldo op de spaarrekening van de vrouw buiten de verrekening moet blijven, omdat dit een schenking van de ouders van de vrouw betreft.




Conclusie

De rechtbank houdt aan de zijde van de man rekening met de volgende bedragen:









TV Philips


€ 750,-





Canon EOS80D spiegelreflexcamera


€ 300,-






[betaalrekening 1]



€ 383,48






[betaalrekening 2]



€ 6.979,74





De Giro


€ 24,97






[spaarrekening 1]



€ 11.150,88






[spaarrekening 2]



€ 8.830,35










Totaal


€ 28.419,42








De rechtbank houdt aan de zijde van de vrouw rekening met de volgende bedragen:









Volkswagen Golf


€ 8.043,-






[betaalrekening 3]



€ 515,08










Totaal



€ 8.558,08







De rechtbank merkt hierbij op dat zij, zonder duiding van enige wettelijke grondslag, geen aanleiding ziet om het te verrekenen vermogen van de vrouw te verhogen met € 1.000,- of te bepalen dat de vrouw € 500,- aan de man moet voldoen in verband met geldopnames vanaf de gezamenlijke bankrekening. Beide partijen hebben immers nog betalingen gedaan van de gezamenlijke bankrekening ten behoeve van (onder andere) [de minderjarige] en (onderhoud aan) een auto. Dat betekent dat verzoek XVIII van de man wordt afgewezen.



Gelet op het voorgaande heeft de vrouw op grond van het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden een verrekening vordering op de man ter hoogte van € 9.930,67. De rechtbank zal in het dictum opnemen dat de man dit bedrag aan de vrouw moet betalen. Wat meer of anders is verzocht wordt afgewezen.




Afgifte persoonlijke spullen

Tussen partijen is niet in geschil dat de volgende spullen van de man zijn:



ergonomische stoel RH Logic 400 XL;


goudkleurig mechanisch horloge;


lederen laptoptas;


oranje gietijzeren koekenpan;


oranje gietijzeren wok;


paspoort;


administratie;


eigendomspapieren VW Polo;


2 harde schijven uit de PC inclusief kabels;


jassen, overhemden, pakken, zomerkleding, sokken, etc.;


overlijdenstestament van de vader van de man, inclusief specificatie vermogen.




Verder is tussen partijen niet in geschil dat de volgende spullen – genoemd op de staat van aanbrengsten – van de vrouw zijn:



computer en stoel (DX racer blauw)


schwibbogen;


fiets


werktuigkoffer


Duitse boeken.




Partijen verschillen van mening over wie welke spullen in bezit heeft en beide partijen verzoeken afgifte van hun spullen door de ander. Ten aanzien van de hiervoor genoemde spullen merkt de rechtbank op dat partijen over en weer stellen dat de ander die zou hebben meegenomen dan wel in zijn of haar bezit zou hebben, en dat dit over en weer ook weer wordt betwist. De rechtbank kan gelet op de uiteenlopende stellingen van partijen niet vaststellen waar de spullen zijn en of de ene partij nog spullen dan de andere partij in bezit heeft. Daarom wijst de rechtbank het verzoek van de man (XI) en het verzoek van de vrouw (XXI) af.



Partijen hebben ook een geschil over de naaitafel en de ladekast. De rechtbank is op geen enkele wijze gebleken aan wie – de man of de vrouw – de naaitafel en ladekast is geschonken. De rechtbank kan enkel op basis van de tegenstrijdige stellingen van partijen niet vaststellen aan wie de naaitafel en ladekast toebehoort. De rechtbank wijst de verzoeken op dit punt daarom af.




Video en foto’s

De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat er een video is gemaakt van de geboorte van [de minderjarige] en dat de man die video in bezit heeft. Ten aanzien van de geboortefoto’s van [de minderjarige] en de vrouw en alle andere foto’s van de relatie en het huwelijk van partijen overweegt de rechtbank dat dit foto’s van partijen samen zijn. Dit zijn voor de man ook dierbare herinneringen. De rechtbank verwacht – zoals de man tijdens de zitting heeft toegezegd – dat de man dergelijke privéfoto’s niet met derden zal delen of openbaar zal maken. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat de man kopieën van alle foto’s moet verwijderen en de foto’s aan de vrouw moet verstrekken. De rechtbank wijst de verzoeken van de vrouw onder XXVII en XXVIII af.




De echtelijke woning

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres 1] . Deze woning is een eenvoudige gemeenschap. Op de woning rust een hypothecaire geldlening bij BLG Wonen ( [nummer] ). Uit de stukken blijkt ook dat sprake is van een ‘eigen woning lening’ die partijen samen zijn aangegaan bij [naam] (de moeder van de man).



De rechtbank zal hierna een beslissing nemen over: het vergoedingsrecht van de man, de wijze van verdeling van de woning, het voortgezet gebruik en de gebruikerslasten.




Vergoedingsrechten

In artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden is over vergoedingsrechten het volgende opgenomen: ‘Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking en is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten.’




Aflossing overbruggingshypotheek

De man stelt dat hij een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw van € 24.673,51 omdat hij bij de aankoop van de echtelijke woning de overwaarde van zijn appartement van
€ 49.347,01 heeft geïnvesteerd in de echtelijke woning door de overbruggingshypotheek af te lossen. De vrouw heeft dit vergoedingsrecht gemotiveerd betwist. In haar stellingen is het vergoedingsrecht enkel aan de orde indien een bedrag of waarde ten behoeve van de andere echtgenoot is onttrokken aan privé vermogen ex artikel 11 lid 7 van de huwelijksvoorwaarden en geldt dat niet in geval van te verrekenen vermogen.



De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op het oordeel van de rechtbank over de uitleg van het finaal verrekenbeding valt de overwaarde van de [adres 2] van € 49.347,01 onder het te verrekenen vermogen. Dat heeft tot gevolg dat het aflossen van de overbruggingshypotheek met dit bedrag geen vergoedingsrecht voor de man oplevert. Er is immers geen sprake van privévermogen van de man dat in de eenvoudige gemeenschap van partijen is gevloeid, maar van te verrekenen vermogen. Daarom wijst de rechtbank verzoek VII van de man af. De rechtbank volgt hiermee de vrouw in haar primaire standpunt en komt daarom niet toe aan bespreking van de subsidiaire en meer subsidiaire verweren.




Schenkingen

De man stelt dat hij maandelijks een schenking van € 420,- ontvangt van zijn ouders, die hij heeft aangewend voor de aflossing van de eigen woning lening en de aflossing van de hypothecaire geldlening bij BLG Wonen. Het totaal van deze schenkingen is € 31.500,-. Hierdoor heeft de man een vergoedingsrecht op de vrouw van € 15.750,-, wat hij wil verrekenen bij de levering van de echtelijke woning aan hem. De vrouw heeft het vergoedingsrecht gemotiveerd betwist.



De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat, zoals de vrouw stelt en de man betwist, partijen gezamenlijk deze schenkingen hebben gekregen. De schenkingen zijn gedaan aan de man en door hem ontvangen op zijn bankrekening [betaalrekening 1] . Volgens artikel 11 lid 7 van de huwelijkse voorwaarden worden schenkingen niet in de verrekening betrokken. Dit blijft dus privévermogen van de man. De man heeft dat privévermogen aangewend voor aflossing van de hypothecaire geldlening en de lening die partijen gezamenlijk zijn aangegaan bij de moeder van de man. Dit betekent dat de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw van € 15.750,-. Dit is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De rechtbank gaat ook voorbij aan het verweer van de vrouw dat de vordering van de man moet worden weggestreept tegen de schuld van de vrouw, omdat daarvoor geen wettelijke grondslag is.



De rechtbank zal gelet op het voorgaande vaststellen dat partijen bij de verdeling van de echtelijke woning rekening moeten houden met het vergoedingsrecht van de man jegens de vrouw van € 15.750,-. Het verzoek van de man op dit punt (XII) wordt – ook ten aanzien van de wettelijke rente nu de vrouw daartegen geen verweer heeft gevoerd – toegewezen.

Wijze van verdeling

Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning aan de man moet worden toegedeeld.
De rechtbank zal voor de wijze van verdeling een spoorboekje opnemen in het dictum van de beschikking. Hierin zal de rechtbank opnemen dat de vrouw drie onafhankelijke makelaar-taxateurs gevestigd te Alphen aan den Rijn zal voorstellen, waaruit de man er vervolgens één kiest. Deze makelaar zal – zoals tijdens de zitting besproken – een bindend advies geven over de waarde van de woning. Partijen hebben afgesproken dat zij allebei niet aanwezig zullen zijn bij de taxatie, maar dat zij wel vooraf schriftelijk informatie en aandachtspunten ten aanzien van de woning aan de makelaar mogen verstrekken, zodat daarmee bij de taxatie rekening kan worden gehouden. De rechtbank zal in het spoorboekje opnemen dat de man binnen drie maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de vrouw moet aantonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening bij BLG Wonen.



De rechtbank begrijpt dat partijen voor de koop van de echtelijke woning ook een lening zijn aangegaan bij [naam] , de moeder van de man. De rechtbank ziet in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd – wat bovendien door de man is betwist – geen aanleiding om deze lening buiten beschouwing te laten bij de verdeling van de echtelijke woning. De man zal bij overname van de echtelijke woning deze schuld voor zijn rekening nemen en is in de onderlinge verhouding met de vrouw dan geheel draagplichtig voor deze schuld. De hoogte van de schuld op het moment van de overdracht wordt meegenomen bij de berekening van de uiteindelijke overwaarde van de echtelijke woning.



Indien de man niet in staat blijkt om binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden te voldoen, moet de woning worden verkocht aan een derde, eveneens op de wijze en onder de voorwaarden die hierna in het dictum zijn vermeld. Het verzoek van de vrouw om, in geval van verkoop aan een derde, te bepalen dat deze derde geen familie of vriend van de man mag zijn zal, als niet betwist, worden toegewezen.




Voortgezet gebruik, eigenaarslasten en gebruikerslasten

Op dit moment maken partijen vanwege de birdnesting regeling om en om gedurende een week gebruik van de echtelijke woning. De rechtbank vindt het in het belang van [de minderjarige] en partijen dat deze constructie na de komende zomervakantie stopt, omdat het voor veel spanning zorgt. Omdat beide partijen verzoeken om het voortgezet gebruik van de woning met uitsluiting van de ander, heeft de rechtbank een belangenafweging gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw op dit moment meer belang heeft bij het voortgezet gebruik van de woning. De man heeft familie en vrienden in Nederland waar hij tijdelijk kan verblijven en hij heeft meer financiële mogelijkheden om tijdelijk een (vakantie)woning te huren waar ook [de minderjarige] kan verblijven. De rechtbank zal bepalen dat de vrouw vanaf 1 september 2026 tot 1 december 2026 het (uitsluitend) voortgezet gebruik van de echtelijke woning krijgt. Dit betekent dat de vrouw uiterlijk op 30 november 2026 de woning moet verlaten, want per 1 december 2026 zal de man weer zijn intrek nemen in de woning. Naar het oordeel van de rechtbank geeft dit de vrouw voldoende tijd om andere woonruimte te zoeken. Dit betekent dat de verzoeken van de man worden afgewezen en dat het verzoek van de vrouw deels wordt toegewezen.
Omdat de rechtbank het voortgezet gebruik van de echtelijke woning uitsluitend aan de vrouw toekent, komt de rechtbank toe aan beoordeling van het voorwaardelijke verzoek van de man over de gebruikers- en eigenaarslasten.



De rechtbank vindt het redelijk dat de vrouw in de periode dat zij met uitsluiting van de man het gebruik heeft van de echtelijke woning 100% van de gebruikerslasten voldoet.
Voor de eigenaarslasten geldt tot de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven de afspraak die partijen tijdens de voorlopige voorzieningenprocedure hebben gemaakt dat de man dient zorg te dragen voor de volledige hypothecaire lasten zonder nadere verrekening met de vrouw. Als de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven en de vrouw verblijft op dat moment nog in de echtelijke woning, dan is zij gehouden om vanaf dat moment tot het moment dat zij de woning verlaat 50% van de eigenaarslasten te dragen. Dit betekent dat de rechtbank het voorwaardelijke verzoek van de man onder X toewijst.




Gebruikerslasten tot en met april 2026

In de voorlopige voorzieningenprocedure heeft de rechtbank overwogen dat partijen gehouden zijn om beiden bij te dragen aan de gebruikerslasten van de echtelijke woning.
De vrouw erkent dat zij voor de gebruikerslasten in de periode vanaf de uitspraak in de voorlopige voorzieningenprocedure tot en met april 2026 € 2.032,38 aan de man moet betalen. Zij stelt voor om deze vordering te verrekenen met haar vordering ten aanzien van de voorlopige kinderalimentatie. De rechtbank kan niet bepalen dat partijen deze twee vorderingen op die manier met elkaar moeten verrekenen, omdat een vordering uit hoofde van kinderalimentatie zich daarvoor niet leent. Omdat de vrouw ook een vordering heeft op de man voor de voorlopige kinderalimentatie, ziet de rechtbank daarin wel aanleiding om het verzoek van de man (XVII) af te wijzen.




Inboedel

De rechtbank stelt voorop dat op geen enkele wijze is gebleken dat een deel van de inboedel aan de vrouw is geschonken. Daarom neemt de rechtbank als uitgangspunt dat de gehele inboedel (gelet op artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden) van partijen gezamenlijk is en tussen hen bij helfte moet worden verdeeld. De rechtbank zal bepalen dat partijen de inboedel bij helfte moeten verdelen uiterlijk tien dagen voordat de vrouw de echtelijke woning verlaat. Zij zullen de goederen om en om verdelen, indien nodig in aanwezigheid van een onafhankelijke derde, waarbij zij door het kop/muntsysteem bepalen wie als eerste mag kiezen. Wat meer of anders is verzocht wordt afgewezen.




Gezamenlijke betaal- en spaarrekening

Partijen hebben een gezamenlijke betaalrekening bij ING ( [betaalrekening 4] ) en een gezamenlijke spaarrekening die bestaat uit verschillende spaardoelen. Tussen partijen is niet in geschil dat zij het saldo op de gezamenlijke betaalrekening van € 25,05 samen zullen delen, waarna zij deze betaalrekening zullen opheffen. De rechtbank zal dit opnemen in het dictum van deze beschikking. Hierbij zal de rechtbank bepalen dat partijen het saldo op de gezamenlijke spaarrekening ook bij helfte moeten delen en daarna die spaarrekening moeten opheffen. Op die spaarrekening hebben partijen onder meer een bedrag van € 511,60 voor [de minderjarige] gespaard. De rechtbank gaat er vanuit dat partijen allebei de helft van dit bedrag voor [de minderjarige] op een (nieuwe) aparte spaarrekening zullen zetten en dat zij ieder voor zich verder zullen sparen voor [de minderjarige] .




Zorgverzekeringskosten vrouw

De man heeft dit verzoek tijdens de zitting ingetrokken. Dat betekent dat de rechtbank geen beslissing meer hoeft te nemen.

Beslissing

De rechtbank:



*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2018 te [plaats] ;



*
bepaalt dat vanaf 31 augustus 2026 de volgende zorgregeling zal gelden:

- Week 1 – [de minderjarige] is van maandag uit school tot woensdag naar school bij de man en van woensdag uit school tot maandag naar school bij de vrouw,
waarbij een (beeld)belmoment plaatsvindt met de man op zaterdag om 19.00 uur;
- Week 2 – [de minderjarige] is van maandag uit school tot woensdag naar school bij de man, van woensdag uit school tot vrijdag naar school bij de vrouw en van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de man,

waarbij een (beeld)belmoment plaatsvindt met de vrouw op zondag om 19.00 uur;
enzovoort;



*
bepaalt de verdeling van de vakanties en feestdagen – in afwijking van de reguliere zorgregeling – als volgt:



Meivakantie: in de even jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw, in de oneven jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man;


Zomervakantie: in de even jaren week 1, 2 en 5 bij de man en week 3, 4 en 6 bij de vrouw, in de oneven jaren week 1, 2 en 5 bij de vrouw en week 3, 4 en 6 bij de man;


Herfstvakantie: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;


Kerstvakantie: in de even jaren de eerste week inclusief Kerst bij de vrouw en de tweede week inclusief oud & nieuw bij de man, in de oneven jaren de eerste week inclusief Kerst bij de man en de tweede week inclusief oud & nieuw bij de vrouw;


Voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;


Vaderdag: bij de man van 10.00 uur tot 19.00 uur;


Moederdag: bij de vrouw van 10.00 uur tot 19.00 uur;


Verjaardag [de minderjarige] : in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;




hierbij geldt het volgende:

- vakanties beginnen op vrijdag uit school en eindigen op maandag naar school;
- als een vakantie – wegens schoolvrije dagen – eerder begint dan op vrijdag uit school, gaat [de minderjarige] eerder naar de ouder met wie hij (als eerste) de vakantie doorbrengt;
- wanneer de laatste dag van de vakantie op een andere dag dan de zondag valt dan blijft [de minderjarige] die dag bij de ouder bij wie hij tijdens (het laatste deel van) de vakantie verbleef;
- dat voor vakanties van meerdere weken het wisselmoment tussen de vakantieweken plaatsvindt op zaterdagen om 19.00 uur;


*
bepaalt dat de man onmiddellijk aan de vrouw schriftelijk het polisnummer, de polis zelf en de naam van de zorgverzekeringsmaatschappij verstrekt waarop [de minderjarige] bij de man is meeverzekerd, met vermelding van de ingangsdatum en het polisnummer;
*
bepaalt dat – indien een operatie als aangegeven in deze beschikking voor [de minderjarige] medisch noodzakelijk is en (deels) niet wordt vergoed – de ouders ieder de helft van de niet vergoede kosten moeten betalen;



*
verleent de vrouw vervangende toestemming – die de toestemming van de man vervangt – om binnen de tijd dat [de minderjarige] in het kader van de zorgregeling bij de vrouw is onbeperkt voor familiebezoek naar Duitsland te reizen voor maximaal vier aaneengesloten dagen;



*
verleent de man vervangende toestemming – die de toestemming van de vrouw vervangt –:



voor een medisch onderzoek naar eventuele maligne hyperthermie bij [de minderjarige] ;


om [de minderjarige] in te schrijven bij [voetbalclub] ;




*
stelt vast dat de ouders, te weten:

[de man] ,
en

[de vrouw] ,



bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap,
Training voor kinderen van gescheiden ouders, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;



beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Jeugdteams Leidse Regio, Haarlemmerstraatweg 31 – 8519 –, 2343 LA Oegstgeest;



stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;



*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van deze beschikking, een kinderalimentatie voor [de minderjarige] van € 621,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;



*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 279,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;



*
verklaart voor recht dat de huwelijkse voorwaarden van partijen zo dienen te worden uitgelegd dat het finaal verrekenbeding betrekking heeft op de algehele gemeenschap van goederen zoals dit vóór 2018 uit de wet voortvloeide;




*
bepaalt dat de man binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking dient mee te werken aan het op naam van de vrouw zetten van de Volkswagen Golf (kenteken [kenteken] );



*
bepaalt dat de man in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een bedrag van € 9.930,67 aan de vrouw moet betalen;



*
bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan het adres [adres 1] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten in de periode vanaf
1 september 2026 tot 1 december 2026, waarbij geldt dat de vrouw in deze periode 100% van de gebruikerslasten voldoet totdat zij de woning verlaat, alsook 50% van de eigenaarslasten vanaf de datum inschrijving echtscheidingsbeschikking totdat zij de woning verlaat;




*

bepaalt ten aanzien van de wijze van verdeling van de woning aan het adres [adres 1] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij BLG Wonen, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, het volgende:


1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de vrouw aan de man binnen één maand na de datum van deze beschikking drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;
b) partijen zijn allebei niet aanwezig bij de taxatie, maar mogen wel vooraf (met de andere partij in de CC) schriftelijk informatie en aandachtspunten ten aanzien van de woning aan de makelaar verstrekken, zodat daar bij de taxatie rekening mee kan worden gehouden;
c) de man dient binnen drie maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening bij BLG Wonen;
d) de man neemt de schuld bij [naam] voor zijn rekening en is in de onderlinge verhouding met de vrouw draagplichtig voor deze schuld;
e) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening bij BLG Wonen ten tijde van de overdracht en minus de lening bij [naam] ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
f) de kosten van de notariële overdracht worden door de man als kosten koper, voldaan;
g) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning, welke niet eerder dan op 1 december 2026 zal plaatsvinden;


2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) partijen zijn gehouden om de aanwijzingen van de makelaar op te volgen, dienen een sleutel aan de makelaar ter beschikking te stellen en zullen de woning op orde houden voor bezichtigingen;
c) de woning zal niet aan familie of vrienden van de man verkocht worden;
d) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening bij BLG Wonen ten tijde van de overdracht en minus de lening bij [naam] ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;



*
bepaalt dat de man een vergoedingsrecht heeft ter hoogte van € 15.750,-, welk bedrag bij levering van de echtelijke woning via de notaris aan de man moet worden voldaan, voor zover de vrouw voorafgaand aan de levering van de woning nog niet is overgegaan tot (volledige) betaling, dan wel via de notaris verrekend zal worden met hetgeen de man in het kader van de toedeling van de woning aan de vrouw verschuldigd is, waarbij de vrouw met ingang van afgifte van de beschikking wettelijke rente is verschuldigd;




*

bepaalt dat partijen de inboedel bij helfte moeten verdelen in die zin dat zij uiterlijk tien dagen voordat de vrouw de echtelijke woning verlaat de goederen om en om verdelen, indien nodig in aanwezigheid van een onafhankelijke derde, waarbij zij door het kop/muntsysteem bepalen wie als eerste mag kiezen;



*
bepaalt dat partijen de saldi op de gezamenlijke betaalrekening bij ING ( [betaalrekening 4] ) en de hieraan gekoppelde gezamenlijke spaarrekening bij helfte zullen verdelen – en het spaarsaldo van [de minderjarige] ieder apart zullen zetten - waarna de betaal- en spaarrekening door partijen wordt opgeheven;



*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;




*
wijst af het meer of anders verzochte.










Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, A.M. van der Vliet, M.E. Visser, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 23 juni 2026.









































Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 20-3-2025 ECLI:NL:GHSHE:2025:761