Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20673
2026-06-23
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/671551 / FA RK 24-6126
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Hoogtechnologisch draagmoederschap. Genetisch eigen kind. Georgische draagmoeder. Erkenning voor de geboorte door wensvader, beëindiging gezag draagmoeder, adoptie door wensmoeder en verklaring gecombineerde geslachtsnaam.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (31.094 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-6126
Zaaknummer: C/09/671551
Datum beschikking: 23 juni 2026
Vaststellen geboortegegevens, adoptie, gezag
Beschikking op het op 23 augustus 2024 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoekster] en [verzoeker] ,
gezamenlijk te noemen verzoekers, dan wel wensouders, afzonderlijk verzoeker of verzoekster,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. O. Sener te Amsterdam, voorheen mr. R.C. Lamphen te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage,
zetelend te ’s-Gravenhage,
hierna te noemen: de ambtenaar.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen, waaronder het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 29 mei 2024 met kenmerk KZ-1-5WLV997;
- het F9-formulier van 19 november 2024 van verzoekers, met bijlagen;
- de brief van 17 december 2024 van de ambtenaar;
- het F9-formulier van 31 januari 2025 van verzoekers;
- het F9-formulier van 15 juni 2026 van verzoekers.
Feiten
- Verzoekers hebben een affectieve relatie met elkaar en wonen blijkens Basisregistratie Personen (BRP) sinds april 2021 samen in de gemeente [plaats 1] .
- Volgens de BRP heeft verzoekster de Zweedse nationaliteit en verzoeker de Nederlandse nationaliteit.
- Verzoekers kunnen hun kinderwens niet op eigen kracht verwezenlijken. Zij hebben ervoor gekozen om hun kinderwens in het buitenland, via hoogtechnologisch draagmoederschap, te realiseren.
- Verzoekers hebben zich gewend tot de kliniek [kliniek] in [plaats 2] , Georgië.
- Deze kliniek heeft verzoekers in contact gebracht met de draagmoeder. Zij heeft zich bereid verklaard om via deze weg een kind voor hen te dragen. De draagmoeder heeft de Georgische nationaliteit en is ongehuwd.
- Op 10 april 2023 is tussen verzoekers en de draagmoeder een notariële draagmoederschapsovereenkomst tot stand gekomen, waarbij verzoekers de heer [naam 1] bij notariële akte hebben gevolmachtigd om namens verzoekers de draagmoederschapsovereenkomst te tekenen.
- De draagmoeder is door een verloskundige-gynaecoloog werkzaam bij [kliniek] , psychologisch en fysiek onderzocht en zij is orde bevonden om draagmoeder te zijn.
- Op 10 mei 2023 is door [naam 2] , directeur van fertiliteitskliniek [kliniek] te [plaats 2] (Georgië), verklaard dat op 10 mei 2023 embryo’s zijn ontstaan uit zaad van verzoeker en eicellen van verzoekster en dat op 13 oktober 2023 succesvol embryo’s zijn geplaatst in de baarmoeder van de draagmoeder.
- Tijdens de zwangerschap op 22 mei 2024 heeft de draagmoeder schriftelijk verklaard dat zij verzoeker toestemming geeft tot erkenning van de ongeboren vrucht waarvan zij zwanger is.
- Uit het raadsrapport van 29 mei 2024, met kenmerk KZ-1-5WLV997, volgt het besluit van de Raad om, voorafgaande aan de geboorte, toestemming te verlenen aan verzoekers om het kind dat geboren gaat worden uit de draagmoeder na de geboorte op te nemen in hun gezin.
- Op 5 juni 2024 heeft verzoeker ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand in [plaats 1] de ongeboren vrucht waarvan de draagmoeder zwanger is, erkend. Blijkens de akte van erkenning is gekozen voor de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam 1] ’.
- Op [geboortedatum 1] 2024 te [plaats 2] , [geboorteland 1] , is uit de draagmoeder geboren het minderjarige kind [minderjarige] .
- Van de geboorte van [minderjarige] is op 5 juli 2024 een geboorteakte opgemaakt. In deze akte zijn verzoekers als ouders van [minderjarige] opgenomen en de naam van de draagmoeder komt er niet op voor.
- Op 20 juni 2024 heeft de draagmoeder schriftelijk verklaard in een zogenoemde ‘Affidavit’ dat zij geen ouderlijke rechten en verantwoordelijkheden heeft ten opzichte van [minderjarige] , dat zij toestemming geeft om de ouderlijke rechten en verantwoordelijkheden te doen toekomen aan verzoekers en dat zij voorts toestemming geeft voor de adoptie van [minderjarige] door verzoekers.
- Volgens een rapport van Verilabs van 26 juli 2024 is door middel van DNA-onderzoek vast komen te staan dat [minderjarige] een biologisch kind is van beide verzoekers.
- Bij besluit van 26 juli 2024 heeft de minister van buitenlandse zaken de aanvraag van verzoekers om een reisdocument voor [minderjarige] , afgewezen. Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt, maar konden de uitkomst van de bezwaarprocedure niet afwachten.
- Bij uitspraak van 1 augustus 2024 heeft de voorzieningenrechter de minister opgedragen om aan [minderjarige] binnen twee weken na verzending van de uitspraak een laissez-passer te verstrekken op grond waarvan zij Nederland kan inreizen en tijdelijk op Nederlands grondgebied mag verblijven. Op 8 augustus 2024 zijn verzoekers vanuit Georgië naar Nederland teruggekeerd, met [minderjarige] .
- In de BRP is [minderjarige] geregistreerd met de Nederlandse nationaliteit.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt thans tot:
vaststelling van de geboortegegevens van de minderjarige als volgt:
KIND
Geslachtsnaam: [geslachtsnaam 1]
Naam: [minderjarige]
Plaats van geboorte: [geboorteplaats 1] , [geboorteland 1]
Dag van geboorte: [geboortedatum 1] 2024
Geslacht: vrouwelijk
MOEDER
Geslachtsnaam: [geslachtsnaam 2]
Naam: [voornaam]
Plaats van geboorte: [geboorteplaats 2] , [geboorteland 1]
Dag van geboorte: [geboortedatum 2] 1994
VADER
Geslachtsnaam: [geslachtsnaam 1]
Naam: [voornamen]
Plaats van geboorte: [geboorteplaats 3]
Dag van geboorte: [geboortedatum 3] 1985
en de inschrijving daarvan te gelasten;
het gezamenlijk gezag van de draagmoeder en de vader te beëindigen en te bepalen dat het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland 1] , wordt uitgeoefend door verzoeker;
primair:
- de adoptie van de minderjarige [minderjarige] door [verzoekster] , geboren op [geboortedatum 4] 1986 te [geboorteplaats 4] , [geboorteland 2] , uit te spreken, alsmede;
- te verstaan dat de familierechtelijke betrekkingen tussen verzoeker en [minderjarige] na de adoptie in stand blijven, alsmede;
- te verstaan dat [verzoekster] als juridische moeder van [minderjarige] samen met verzoeker het gezag over [minderjarige] zullen uitoefenen;
- te bepalen dat [minderjarige] na adoptie de gecombineerde geslachtsnaam “ [geslachtsnaam 3] ” zal dragen, zodat haar volledige naam luidt: [minderjarige] [geslachtsnaam 3] ;
en vermelding van de adoptie aan de opgemaakte geboorteakte te gelasten;
subsidiair:
- te bepalen dat verzoeker en verzoekster voortaan gezamenlijk met het gezag over de minderjarige [minderjarige] zullen zijn belast op grond van artikel 1:253t lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW);
te bepalen dat de griffier een afschrift van de door de rechtbank af te geven beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister, om daarin een aantekening te maken van de beschikking van de rechtbank,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De ambtenaar heeft schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt.
Beoordeling
Rechtsmacht
Nu verzoekers in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Forumkeuze
Verzoekers wonen in [plaats 1] , zodat de rechtbank Gelderland relatief bevoegd is van de verzoeken kennis te nemen. Verzoekers hebben uitdrukkelijk de keuze gemaakt om de verzoeken bij de rechtbank Den Haag in te dienen en wensen geen verwijzing naar een andere rechtbank. In dat licht is de rechtbank Den Haag op grond van artikel 270 Rv bevoegd van de verzoeken kennis te nemen.
De positie van de draagmoeder
De rechtbank merkt de draagmoeder niet als belanghebbende aan. Dit gelet op de hierboven vastgestelde feiten, waaronder de inhoud van de draagmoederschapsovereenkomst, het feit dat het draagmoederschapstraject met de nodige zorgvuldigheid is doorlopen en de afgelegde verklaring van de draagmoeder dat zij – samengevat – afstand doet van haar ouderlijke rechten.
Vooraf
Ter onderbouwing van hun (gewijzigde) verzoeken hebben verzoekers, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Verzoekers hebben sinds 2019 een affectieve relatie met elkaar. Zij hebben een kinderwens. Verzoekster is echter geboren met het MRKH-syndroom, wat betekent dat zij is geboren zonder baarmoeder. Het lukt verzoekers dus niet om op eigen kracht hun kinderwens te vervullen. Verzoekers zijn zich gaan verdiepen in draagmoederschap. Via een ander stel dat in Georgië woont en daar ook een draagmoederschapstraject heeft voltooid, zijn zij zich gaan oriënteren op de medische, ethische en juridische aspecten van draagmoederschap in Georgië. Verzoekers hebben zich daarna gewend tot de kliniek [kliniek] . Omdat verzoekster wel een eisprong heeft en eicellen produceert, zijn verzoekers een hoogtechnologisch draagmoederschapstraject aangegaan met behulp van een draagmoeder. Dit traject heeft geleid tot de geboorte van [minderjarige] .
Draagmoederschap is tot op heden in Nederland niet wettelijk geregeld. Gelet op de ingrijpende gevolgen van draagmoederschap voor de rechten en verplichtingen van zowel het kind als de draagmoeder in kwestie, is het van belang om te beoordelen of het draagmoederschap zorgvuldig heeft plaatsgevonden, met inachtneming van de belangen van het kind en de draagmoeder. Daarbij is mede van belang, zoals door de Staatscommissie Herijking Ouderschap in haar rapport “Kind en ouders in de 21e eeuw” is verwoord, dat de belangen van de draagmoeder en het kind voorop staan, in die zin dat de draagmoeder goed voorbereid en begeleid wordt, voorafgaand aan, tijdens en na het draagmoederschapstraject en dat het kind in staat is te achterhalen van wie hij of zij afstamt. Eén van de in het rapport geformuleerde nadere eisen voor draagmoederschap is daarom dat geen gebruik mag zijn gemaakt van anonieme donoren. Aan deze voorwaarden dient zo veel mogelijk te zijn voldaan, nu bij toepassing van hoogtechnologisch draagmoederschap in Nederland ook aan deze eisen zou moeten worden voldaan en in het algemeen voorkomen moet worden dat de Nederlandse eisen worden omzeild door te kiezen voor draagmoederschap in het buitenland.
De rechtbank stelt voorop dat haar gebleken is dat sprake is van een met voldoende waarborgen omkleed traject, in lijn met de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking Ouderschap. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
De in [geboorteland 1] geboren [minderjarige] stamt genetisch af van verzoekers, er is dus geen gebruik gemaakt van een anonieme donor. Er is een verklaring van de fertiliteitskliniek beschikbaar waarin wordt bevestigd dat het embryo genetisch afkomstig is van verzoekers. Na de geboorte van [minderjarige] heeft er nog een DNA-onderzoek plaatsgevonden waarin is bevestigd dat verzoekers haar biologische ouders zijn.
Tussen verzoekers en de draagmoeder is een overeenkomst opgesteld waarin tussen hen bindende afspraken zijn vastgelegd. De draagmoeder wilde zich namelijk slechts beschikbaar stellen als draagmoeder onder de voorwaarde dat vastgelegd werd dat zij niet belast zou worden met het ouderschap over [minderjarige] . Zij heeft zelf al een kind en beschouwt haar gezin daarmee als compleet. Uit de draagmoederschapsovereenkomst blijkt onder andere dat de draagmoeder in Georgië medische informatie en zorg heeft gekregen voorafgaand aan het ondertekenen van de draagmoederschapsovereenkomst en tijdens en na het doorlopen van het traject. Ook blijkt hieruit dat de draagmoeder voorafgaand aan het ondertekenen van de overeenkomst juridische ondersteuning heeft gehad. Opgenomen is dat de draagmoeder de overeenkomst vrijwillig is aangegaan en op de hoogte is van de medische en juridische gevolgen van het traject.
Verder hebben verzoekers gedurende de zwangerschap van de draagmoeder in maart 2024 de Raad op de hoogste gesteld van het traject. Op 2 april 2026 hebben verzoekers de Raad met succes verzocht om een toestemmingsverklaring voor opname in hun gezin van het kind dat geboren zal worden uit de draagmoeder. De Raad heeft in het kader van dit onderzoek contact opgenomen met de draagmoeder. In dit onderzoek constateert de Raad dat er goede communicatie is tussen verzoekers en de draagmoeder en dat er geen signalen zijn dat de draagmoeder onder druk of dwang het draagmoederschapstraject is aangegaan. Zowel verzoekers als de draagmoeder staan ervoor open om na de geboorte contact met elkaar te houden. De rechtbank concludeert dat verzoekers het traject hebben doorgelopen met voldoende aandacht voor het fysieke en emotionele welzijn van de draagmoeder.
Over de status- en afstammingsvoorlichting van het kind hebben verzoekers verteld dat verzoekster een dagboek bijhoudt met foto’s, om aan de hand daarvan later het kind over het traject te kunnen vertellen. Verzoekers hebben aangegeven in de toekomst vaker naar Georgië af te gaan reizen. Zij hebben in de kinderkamer gekozen voor behang waar alle landen uit de voorgeschiedenis van verzoekers en het kind op zijn ingetekend, waaronder Georgië. [minderjarige] is dan ook in staat om haar ontstaansgeschiedenis te achterhalen.
De rechtbank zal hierna de verzoeken beoordelen.
Vaststellen geboortegegevens
inleiding
Verzoekers erkennen dat de in Georgië opgemaakte geboorteakte van [minderjarige] niet voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. Om die reden is verzocht de geboortegegevens van [minderjarige] vast te stellen.
Op grond van artikel 1:25c, eerste lid, BW kan deze rechtbank, indien ten aanzien van een buiten Nederland geboren persoon geen akte van geboorte overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of kan worden overgelegd, op verzoek van het openbaar ministerie, van een belanghebbende of van de ambtenaar, de voor het opmaken van een geboorteakte noodzakelijke gegevens vaststellen, indien:
die persoon Nederlander is of te eniger tijd Nederlander dan wel Nederlands onderdaan niet-Nederlander is geweest;
die persoon rechtmatig verblijft op grond van artikel 8, onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000;
op grond van Boek 1 BW een latere vermelding aan de akte van geboorte moet worden toegevoegd.
Zoals de rechtbank hierna zal uitleggen, is verzoeker vanaf de geboorte de juridische vader van [minderjarige] . Daarmee komt de rechtbank – met verzoekers en de ambtenaar – tot de conclusie dat [minderjarige] vanaf de geboorte de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen (artikel 4, tweede lid van de Rijkswet op het Nederlanderschap). Nu de rechtbank ook de adoptie van [minderjarige] door verzoekster zal uitspreken en die adoptie als latere vermelding aan een geboorteakte moet worden toegevoegd, kunnen verzoekers worden ontvangen in hun verzoek tot vaststelling van de geboortegegevens.
Zowel verzoekers als de ambtenaar hebben zich schriftelijk uitgelaten over de wijze waarop de geboortegegevens van [minderjarige] moeten worden vastgesteld. Omdat het gaat om het vaststellen van de noodzakelijke gegevens voor het opmaken van de geboorteakte van [minderjarige] en tot opname daarvan in de Nederlandse registers, zal de rechtbank het Nederlandse recht als haar interne recht toepassen op het verzoek.
De vaststelling van de gegevens van de moeder uit wie [minderjarige] is geboren, geeft geen aanleiding tot nadere overwegingen. Wel dient de rechtbank te beoordelen of de erkenning van [minderjarige] door verzoeker rechtsgeldig is gedaan, alvorens kan worden beoordeeld welke geslachtsnaam [minderjarige] bij haar geboorte had en of vadergegevens kunnen worden vastgesteld.
rechtsgeldige erkenning?
Verzoekers hebben aangevoerd dat verzoeker [minderjarige] voor de geboorte met toestemming van de draagmoeder heeft erkend. Zij hebben daarom verzocht de gegevens van [minderjarige] vast te stellen in die zin dat verzoeker naar Nederlands recht vanaf de geboorte van [minderjarige] haar juridisch vader is. De ambtenaar heeft gesteld dat van nietigheidsgronden voor de erkenning op grond van artikel 1:204 BW niet is gebleken en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de rechtsgeldigheid van de erkenning.
Uit artikel 10:95 BW blijkt dat op de vraag naar de bevoegdheid van verzoeker om [minderjarige] te erkennen en de voorwaarden waaronder kan worden erkend, Nederlands recht van toepassing is en dat op de toestemming van de draagmoeder Georgisch recht van toepassing is.
De rechtbank is van oordeel dat de erkenning van [minderjarige] door verzoeker rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. Naar Nederlands recht bestonden (en bestaan) er geen belemmeringen die aan erkenning van [minderjarige] door verzoeker in de weg staan.
Naar Georgisch recht wordt het vaderschap van niet met elkaar gehuwde ouders bepaald aan de hand van een gezamenlijke verklaring van de ouders van het kind of door een rechterlijke uitspraak. (art. 1190 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek jo. art. 27 lid 4 Wet inzake registratie van akten van de burgerlijke stand). De rechtbank leidt daaruit af dat bij erkenning sprake dient te zijn van toestemming van de moeder.
Nu de draagmoeder op 22 mei 2024 schriftelijk haar toestemming heeft gegeven, is daarmee tezamen met de erkenningshandeling van verzoeker sprake van een rechtsgeldige erkenning.
conclusie
Omdat de erkenning rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en bij deze erkenning is gekozen voor de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam 1] ’, heeft [minderjarige] vanaf de geboorte de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam 1] ’.
De rechtbank zal de geboortegegevens zoals verzocht vaststellen. Het verzoek om de inschrijving hiervan te gelasten zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen, omdat dit al uit de wet volgt. De latere vermelding betreffende de erkenning door verzoeker zal ambtshalve als latere vermelding worden toegevoegd aan de geboorteakte.
Beëindiging gezag draagmoeder
Wie ten tijde van de geboorte van [minderjarige] het ouderlijk gezag over haar hadden, wordt op grond van artikel 16 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV 1996) bepaald door Georgisch recht. Op grond van artikel 1197 en 1202 van het Georgisch Burgerlijk Wetboek zijn de draagmoeder en verzoeker van rechtswege met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast. Deze in Georgië ontstane gezagssituatie is blijven bestaan nadat verzoekers met [minderjarige] naar Nederland zijn gekomen, zo volgt uit artikel 16 van het HKBV 1996.
Op grond van artikel 15 HKBV 1996 is het Nederlandse recht van toepassing op een verzoek tot wijziging in de gezagssituatie van [minderjarige] in Nederland.
Op grond van artikel 1:253n BW kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, als de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van een eerdere beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. In dat geval bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt. Op grond van artikel 1:251a lid 1 BW kan de rechtbank hiertoe over gaan indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders of dat dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Gebleken is dat de draagmoeder afstand heeft gedaan van haar ouderlijke rechten en verantwoordelijkheden en dat zij geen ouderrol in het leven van [minderjarige] wenst. [minderjarige] wordt vanaf haar geboorte verzorgd en opgevoed door verzoekers, geheel volgens de intenties van verzoekers en de draagmoeder. De beslissingen over de verzorging en de opvoeding worden door verzoekers genomen en de draagmoeder oefent feitelijk het gezag niet uit. De rechtbank is daarom van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de draagmoeder wordt beëindigd. De rechtbank zal daarom het verzoek tot eenhoofdig gezag van verzoeker toewijzen en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a van het Besluit gezagsregisters bepalen dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van deze beschikking waar het deze gezagswijziging betreft.
Adoptie
Op grond van het bepaalde in artikel 10:105 lid 1 BW is Nederlands recht van toepassing op de in Nederland uit te spreken adoptie.
Een verzoek tot adoptie moet naar Nederlands recht voldoen aan de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 1:227 en 1:228 BW. Artikel 10:105 tweede lid BW bepaalt dat op de toestemming dan wel raadpleging of de voorlichting van de ouders van het kind toepasselijk is het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit bezit. Zoals reeds is overwogen heeft [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit, zodat ook hierop Nederlands recht van toepassing is.
Verzoekers wonen sinds april 2021 samen in de gemeente [plaats 1] . Daarmee is voldaan aan het samenleefvereiste van artikel 1:227, tweede lid, tweede volzin, BW.
Verder is vereist dat de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, dat op het tijdstip van de adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder(s) in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en dat aan de voorwaarden van artikel 1:228 BW is voldaan.
Uit hetgeen de rechtbank hiervoor in het kader van de overwegingen ten aanzien van het draagmoederschapstraject heeft overwogen, blijkt dat adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige] is. De Raad heeft verder ook geen zorgen geuit over de leef- en woonsituatie van verzoekers en heeft voorafgaand aan de geboorte toestemming verleend aan verzoekers om het kind dat geboren gaat worden uit de draagmoeder, na de geboorte op te nemen in hun gezin.
[minderjarige] is op [geboortedatum 1] 2024 geboren en het verzoek tot adoptie is op 23 augustus 2024 ingediend. [minderjarige] was daarmee nog geen twee maanden oud op het moment van indiening van het inleidend verzoekschrift van verzoekers. Dit betekent dat op het moment van indiening nog niet was voldaan aan de vereiste verzorgingstermijn door verzoekers van een jaar zoals bedoeld in artikel 1:228, eerste lid onder f, BW. Inmiddels is het bijna twee jaar na indiening van het verzoekschrift en dragen verzoekers wel langer dan een jaar de zorg voor [minderjarige] , zodat ook aan deze voorwaarde is voldaan.
Verder heeft [minderjarige] van de draagmoeder in haar hoedanigheid als ouder niets meer te verwachten. [minderjarige] is volledig afhankelijk van de zorg van verzoekers en zij is sinds haar geboorte – met toestemming van de Raad – reeds opgenomen in het gezin van verzoekers.
De draagmoeder heeft in haar verklaring van 20 juni 2024 toestemming gegeven voor adoptie. Daarmee is dus geen sprake van tegenspraak van de ouder zoals bedoeld in artikel 1:228, eerste lid onder d, BW.
Zoals hiervoor overwogen belast de rechtbank met ingang van de datum van deze beschikking verzoeker met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] en heeft de draagmoeder niet langer het gezag over haar, zodat is voldaan aan dit vereiste in artikel 1:228, eerste lid onder g, BW.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek tot adoptie van [minderjarige] toewijzen.
Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat de familierechtelijke betrekkingen van [minderjarige] met verzoeker na de adoptie in stand blijven.
Gezamenlijk gezag na adoptie
Op grond van artikel 15 HKBV 1996 is het Nederlandse recht van toepassing op een wijziging in de gezagssituatie van [minderjarige] in Nederland.
Verzoekers hebben het verzoek gedaan om te verstaan dat verzoekster als juridische moeder samen met verzoeker het gezamenlijk gezag uit zal oefenen over [minderjarige] .
Op grond van artikel 1:230 eerste lid BW heeft de adoptie gevolgen vanaf de dag waarop deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Vanaf dat moment zijn verzoekers beiden juridisch ouder van [minderjarige] en oefenen zij op grond van artikel 1:251, eerste lid, BW gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit. Dit zal de rechtbank in het dictum opnemen.
De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder m van het Besluit gezagsregisters bepalen dat de griffier, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, nogmaals een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van deze beschikking waar het de adoptie en het gezamenlijk gezag betreft.
Geslachtsnaam
Artikel 10:20 BW bepaalt dat de geslachtsnaam en de voornamen van een persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit, worden bepaald door het Nederlandse recht ongeacht de vraag of hij nog een andere nationaliteit heeft.
Indien een kind door adoptie in familierechtelijke betrekking tot de echtgenoot van een ouder komt te staan, houdt het kind ingevolge artikel 1:5, derde lid, derde volzin, BW de geslachtsnaam van de ouder, tenzij gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam zal hebben van de ouder, dan wel de echtgenoot of van hun beiden in een vrij te bepalen volgorde.
Zoals hiervoor overwogen stelt de rechtbank vast dat de geslachtsnaam van [minderjarige] op dit moment “ [geslachtsnaam 1] ” is. Bij bericht van 15 juni 2026 hebben partijen aanvullend verzocht te bepalen dat [minderjarige] na adoptie de gecombineerde geslachtsnaam van verzoekers zal dragen, zodat haar volledige naam zal luiden “ [minderjarige] [geslachtsnaam 3] ”. De rechtbank zal deze verklaring op grond van artikel 1:5 lid 3 BW in de beschikking opnemen.
Last tot toevoeging latere vermeldingen
De rechtbank zal het verzoek om de ambtenaar te gelasten om, zodra deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, de latere vermeldingen van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte toe te voegen bij gebrek aan belang afwijzen, omdat dit al uit de wet volgt.
Subsidiair verzoek
Nu op de primaire verzoeken is beslist behoeft het subsidiair verzochte geen behandeling.
Uitvoerbaar bij voorraad
Nu de aard van de zaak zich verzet tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beschikking, zal de rechtbank het hiertoe strekkend verzoek – met uitzondering van het verzoek met betrekking tot het eenhoofdig gezag van verzoeker – afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
stelt de volgende voor het opmaken van een geboorteakte noodzakelijke gegevens vast:
Geslachtsnaam : [geslachtsnaam 1]
Voornaam : [minderjarige]
Geboortedatum : [geboortedatum 1] 2024
Geboorteplaats : [geboorteplaats 1] , [geboorteland 1]
Geslacht : vrouwelijk (V)
Geslachtsnaam moeder : [geslachtsnaam 2]
Voornaam moeder : [voornaam]
Geboortedatum moeder : [geboortedatum 2] 1994
Geboorteplaats moeder : [geboorteplaats 2] , [geboorteland 1]
Geslachtsnaam vader : [geslachtsnaam 1]
Voornaam vader : [voornamen]
Geboortedatum vader : [geboortedatum 3] 1985
Geboorteplaats vader : [geboorteplaats 3]
*
beëindigt het gezamenlijk gezag van de (draag)moeder en verzoeker en bepaalt dat het eenhoofdig gezag over [minderjarige] [geslachtsnaam 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland 1] , wordt uitgeoefend door verzoeker, en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister, om daarin aantekening te doen van deze beschikking waar het deze gezagsbeslissing betreft;
*
spreekt uit de adoptie van:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland 1] ,
door [verzoekster] , geboren op [geboortedatum 4] 1986 te [geboorteplaats 4] , [geboorteland 2] ,
onder vermelding van de verklaring van verzoekers ten overstaan van de rechtbank dat [minderjarige] de geslachtsnaam “ [geslachtsnaam 3] ” zal hebben;
verstaat dat de familierechtelijke betrekkingen tussen verzoeker en [minderjarige] in stand blijven;
verstaat dat verzoekers vanaf het moment dat de beslissing aangaande de adoptie in kracht van gewijsde is gegaan, van rechtswege gezamenlijk het gezag over [minderjarige] zullen uitoefenen;
bepaalt dat de griffier, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, nogmaals een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister, om daarin aantekening te doen van deze beschikking waar het de adoptie en het gezamenlijk gezag betreft;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 juni 2026.
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-6126
Zaaknummer: C/09/671551
Datum beschikking: 23 juni 2026
Vaststellen geboortegegevens, adoptie, gezag
Beschikking op het op 23 augustus 2024 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoekster] en [verzoeker] ,
gezamenlijk te noemen verzoekers, dan wel wensouders, afzonderlijk verzoeker of verzoekster,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. O. Sener te Amsterdam, voorheen mr. R.C. Lamphen te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage,
zetelend te ’s-Gravenhage,
hierna te noemen: de ambtenaar.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen, waaronder het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 29 mei 2024 met kenmerk KZ-1-5WLV997;
- het F9-formulier van 19 november 2024 van verzoekers, met bijlagen;
- de brief van 17 december 2024 van de ambtenaar;
- het F9-formulier van 31 januari 2025 van verzoekers;
- het F9-formulier van 15 juni 2026 van verzoekers.
Feiten
- Verzoekers hebben een affectieve relatie met elkaar en wonen blijkens Basisregistratie Personen (BRP) sinds april 2021 samen in de gemeente [plaats 1] .
- Volgens de BRP heeft verzoekster de Zweedse nationaliteit en verzoeker de Nederlandse nationaliteit.
- Verzoekers kunnen hun kinderwens niet op eigen kracht verwezenlijken. Zij hebben ervoor gekozen om hun kinderwens in het buitenland, via hoogtechnologisch draagmoederschap, te realiseren.
- Verzoekers hebben zich gewend tot de kliniek [kliniek] in [plaats 2] , Georgië.
- Deze kliniek heeft verzoekers in contact gebracht met de draagmoeder. Zij heeft zich bereid verklaard om via deze weg een kind voor hen te dragen. De draagmoeder heeft de Georgische nationaliteit en is ongehuwd.
- Op 10 april 2023 is tussen verzoekers en de draagmoeder een notariële draagmoederschapsovereenkomst tot stand gekomen, waarbij verzoekers de heer [naam 1] bij notariële akte hebben gevolmachtigd om namens verzoekers de draagmoederschapsovereenkomst te tekenen.
- De draagmoeder is door een verloskundige-gynaecoloog werkzaam bij [kliniek] , psychologisch en fysiek onderzocht en zij is orde bevonden om draagmoeder te zijn.
- Op 10 mei 2023 is door [naam 2] , directeur van fertiliteitskliniek [kliniek] te [plaats 2] (Georgië), verklaard dat op 10 mei 2023 embryo’s zijn ontstaan uit zaad van verzoeker en eicellen van verzoekster en dat op 13 oktober 2023 succesvol embryo’s zijn geplaatst in de baarmoeder van de draagmoeder.
- Tijdens de zwangerschap op 22 mei 2024 heeft de draagmoeder schriftelijk verklaard dat zij verzoeker toestemming geeft tot erkenning van de ongeboren vrucht waarvan zij zwanger is.
- Uit het raadsrapport van 29 mei 2024, met kenmerk KZ-1-5WLV997, volgt het besluit van de Raad om, voorafgaande aan de geboorte, toestemming te verlenen aan verzoekers om het kind dat geboren gaat worden uit de draagmoeder na de geboorte op te nemen in hun gezin.
- Op 5 juni 2024 heeft verzoeker ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand in [plaats 1] de ongeboren vrucht waarvan de draagmoeder zwanger is, erkend. Blijkens de akte van erkenning is gekozen voor de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam 1] ’.
- Op [geboortedatum 1] 2024 te [plaats 2] , [geboorteland 1] , is uit de draagmoeder geboren het minderjarige kind [minderjarige] .
- Van de geboorte van [minderjarige] is op 5 juli 2024 een geboorteakte opgemaakt. In deze akte zijn verzoekers als ouders van [minderjarige] opgenomen en de naam van de draagmoeder komt er niet op voor.
- Op 20 juni 2024 heeft de draagmoeder schriftelijk verklaard in een zogenoemde ‘Affidavit’ dat zij geen ouderlijke rechten en verantwoordelijkheden heeft ten opzichte van [minderjarige] , dat zij toestemming geeft om de ouderlijke rechten en verantwoordelijkheden te doen toekomen aan verzoekers en dat zij voorts toestemming geeft voor de adoptie van [minderjarige] door verzoekers.
- Volgens een rapport van Verilabs van 26 juli 2024 is door middel van DNA-onderzoek vast komen te staan dat [minderjarige] een biologisch kind is van beide verzoekers.
- Bij besluit van 26 juli 2024 heeft de minister van buitenlandse zaken de aanvraag van verzoekers om een reisdocument voor [minderjarige] , afgewezen. Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt, maar konden de uitkomst van de bezwaarprocedure niet afwachten.
- Bij uitspraak van 1 augustus 2024 heeft de voorzieningenrechter de minister opgedragen om aan [minderjarige] binnen twee weken na verzending van de uitspraak een laissez-passer te verstrekken op grond waarvan zij Nederland kan inreizen en tijdelijk op Nederlands grondgebied mag verblijven. Op 8 augustus 2024 zijn verzoekers vanuit Georgië naar Nederland teruggekeerd, met [minderjarige] .
- In de BRP is [minderjarige] geregistreerd met de Nederlandse nationaliteit.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt thans tot:
vaststelling van de geboortegegevens van de minderjarige als volgt:
KIND
Geslachtsnaam: [geslachtsnaam 1]
Naam: [minderjarige]
Plaats van geboorte: [geboorteplaats 1] , [geboorteland 1]
Dag van geboorte: [geboortedatum 1] 2024
Geslacht: vrouwelijk
MOEDER
Geslachtsnaam: [geslachtsnaam 2]
Naam: [voornaam]
Plaats van geboorte: [geboorteplaats 2] , [geboorteland 1]
Dag van geboorte: [geboortedatum 2] 1994
VADER
Geslachtsnaam: [geslachtsnaam 1]
Naam: [voornamen]
Plaats van geboorte: [geboorteplaats 3]
Dag van geboorte: [geboortedatum 3] 1985
en de inschrijving daarvan te gelasten;
het gezamenlijk gezag van de draagmoeder en de vader te beëindigen en te bepalen dat het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland 1] , wordt uitgeoefend door verzoeker;
primair:
- de adoptie van de minderjarige [minderjarige] door [verzoekster] , geboren op [geboortedatum 4] 1986 te [geboorteplaats 4] , [geboorteland 2] , uit te spreken, alsmede;
- te verstaan dat de familierechtelijke betrekkingen tussen verzoeker en [minderjarige] na de adoptie in stand blijven, alsmede;
- te verstaan dat [verzoekster] als juridische moeder van [minderjarige] samen met verzoeker het gezag over [minderjarige] zullen uitoefenen;
- te bepalen dat [minderjarige] na adoptie de gecombineerde geslachtsnaam “ [geslachtsnaam 3] ” zal dragen, zodat haar volledige naam luidt: [minderjarige] [geslachtsnaam 3] ;
en vermelding van de adoptie aan de opgemaakte geboorteakte te gelasten;
subsidiair:
- te bepalen dat verzoeker en verzoekster voortaan gezamenlijk met het gezag over de minderjarige [minderjarige] zullen zijn belast op grond van artikel 1:253t lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW);
te bepalen dat de griffier een afschrift van de door de rechtbank af te geven beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister, om daarin een aantekening te maken van de beschikking van de rechtbank,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De ambtenaar heeft schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt.
Beoordeling
Rechtsmacht
Nu verzoekers in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Forumkeuze
Verzoekers wonen in [plaats 1] , zodat de rechtbank Gelderland relatief bevoegd is van de verzoeken kennis te nemen. Verzoekers hebben uitdrukkelijk de keuze gemaakt om de verzoeken bij de rechtbank Den Haag in te dienen en wensen geen verwijzing naar een andere rechtbank. In dat licht is de rechtbank Den Haag op grond van artikel 270 Rv bevoegd van de verzoeken kennis te nemen.
De positie van de draagmoeder
De rechtbank merkt de draagmoeder niet als belanghebbende aan. Dit gelet op de hierboven vastgestelde feiten, waaronder de inhoud van de draagmoederschapsovereenkomst, het feit dat het draagmoederschapstraject met de nodige zorgvuldigheid is doorlopen en de afgelegde verklaring van de draagmoeder dat zij – samengevat – afstand doet van haar ouderlijke rechten.
Vooraf
Ter onderbouwing van hun (gewijzigde) verzoeken hebben verzoekers, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Verzoekers hebben sinds 2019 een affectieve relatie met elkaar. Zij hebben een kinderwens. Verzoekster is echter geboren met het MRKH-syndroom, wat betekent dat zij is geboren zonder baarmoeder. Het lukt verzoekers dus niet om op eigen kracht hun kinderwens te vervullen. Verzoekers zijn zich gaan verdiepen in draagmoederschap. Via een ander stel dat in Georgië woont en daar ook een draagmoederschapstraject heeft voltooid, zijn zij zich gaan oriënteren op de medische, ethische en juridische aspecten van draagmoederschap in Georgië. Verzoekers hebben zich daarna gewend tot de kliniek [kliniek] . Omdat verzoekster wel een eisprong heeft en eicellen produceert, zijn verzoekers een hoogtechnologisch draagmoederschapstraject aangegaan met behulp van een draagmoeder. Dit traject heeft geleid tot de geboorte van [minderjarige] .
Draagmoederschap is tot op heden in Nederland niet wettelijk geregeld. Gelet op de ingrijpende gevolgen van draagmoederschap voor de rechten en verplichtingen van zowel het kind als de draagmoeder in kwestie, is het van belang om te beoordelen of het draagmoederschap zorgvuldig heeft plaatsgevonden, met inachtneming van de belangen van het kind en de draagmoeder. Daarbij is mede van belang, zoals door de Staatscommissie Herijking Ouderschap in haar rapport “Kind en ouders in de 21e eeuw” is verwoord, dat de belangen van de draagmoeder en het kind voorop staan, in die zin dat de draagmoeder goed voorbereid en begeleid wordt, voorafgaand aan, tijdens en na het draagmoederschapstraject en dat het kind in staat is te achterhalen van wie hij of zij afstamt. Eén van de in het rapport geformuleerde nadere eisen voor draagmoederschap is daarom dat geen gebruik mag zijn gemaakt van anonieme donoren. Aan deze voorwaarden dient zo veel mogelijk te zijn voldaan, nu bij toepassing van hoogtechnologisch draagmoederschap in Nederland ook aan deze eisen zou moeten worden voldaan en in het algemeen voorkomen moet worden dat de Nederlandse eisen worden omzeild door te kiezen voor draagmoederschap in het buitenland.
De rechtbank stelt voorop dat haar gebleken is dat sprake is van een met voldoende waarborgen omkleed traject, in lijn met de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking Ouderschap. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
De in [geboorteland 1] geboren [minderjarige] stamt genetisch af van verzoekers, er is dus geen gebruik gemaakt van een anonieme donor. Er is een verklaring van de fertiliteitskliniek beschikbaar waarin wordt bevestigd dat het embryo genetisch afkomstig is van verzoekers. Na de geboorte van [minderjarige] heeft er nog een DNA-onderzoek plaatsgevonden waarin is bevestigd dat verzoekers haar biologische ouders zijn.
Tussen verzoekers en de draagmoeder is een overeenkomst opgesteld waarin tussen hen bindende afspraken zijn vastgelegd. De draagmoeder wilde zich namelijk slechts beschikbaar stellen als draagmoeder onder de voorwaarde dat vastgelegd werd dat zij niet belast zou worden met het ouderschap over [minderjarige] . Zij heeft zelf al een kind en beschouwt haar gezin daarmee als compleet. Uit de draagmoederschapsovereenkomst blijkt onder andere dat de draagmoeder in Georgië medische informatie en zorg heeft gekregen voorafgaand aan het ondertekenen van de draagmoederschapsovereenkomst en tijdens en na het doorlopen van het traject. Ook blijkt hieruit dat de draagmoeder voorafgaand aan het ondertekenen van de overeenkomst juridische ondersteuning heeft gehad. Opgenomen is dat de draagmoeder de overeenkomst vrijwillig is aangegaan en op de hoogte is van de medische en juridische gevolgen van het traject.
Verder hebben verzoekers gedurende de zwangerschap van de draagmoeder in maart 2024 de Raad op de hoogste gesteld van het traject. Op 2 april 2026 hebben verzoekers de Raad met succes verzocht om een toestemmingsverklaring voor opname in hun gezin van het kind dat geboren zal worden uit de draagmoeder. De Raad heeft in het kader van dit onderzoek contact opgenomen met de draagmoeder. In dit onderzoek constateert de Raad dat er goede communicatie is tussen verzoekers en de draagmoeder en dat er geen signalen zijn dat de draagmoeder onder druk of dwang het draagmoederschapstraject is aangegaan. Zowel verzoekers als de draagmoeder staan ervoor open om na de geboorte contact met elkaar te houden. De rechtbank concludeert dat verzoekers het traject hebben doorgelopen met voldoende aandacht voor het fysieke en emotionele welzijn van de draagmoeder.
Over de status- en afstammingsvoorlichting van het kind hebben verzoekers verteld dat verzoekster een dagboek bijhoudt met foto’s, om aan de hand daarvan later het kind over het traject te kunnen vertellen. Verzoekers hebben aangegeven in de toekomst vaker naar Georgië af te gaan reizen. Zij hebben in de kinderkamer gekozen voor behang waar alle landen uit de voorgeschiedenis van verzoekers en het kind op zijn ingetekend, waaronder Georgië. [minderjarige] is dan ook in staat om haar ontstaansgeschiedenis te achterhalen.
De rechtbank zal hierna de verzoeken beoordelen.
Vaststellen geboortegegevens
inleiding
Verzoekers erkennen dat de in Georgië opgemaakte geboorteakte van [minderjarige] niet voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. Om die reden is verzocht de geboortegegevens van [minderjarige] vast te stellen.
Op grond van artikel 1:25c, eerste lid, BW kan deze rechtbank, indien ten aanzien van een buiten Nederland geboren persoon geen akte van geboorte overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of kan worden overgelegd, op verzoek van het openbaar ministerie, van een belanghebbende of van de ambtenaar, de voor het opmaken van een geboorteakte noodzakelijke gegevens vaststellen, indien:
die persoon Nederlander is of te eniger tijd Nederlander dan wel Nederlands onderdaan niet-Nederlander is geweest;
die persoon rechtmatig verblijft op grond van artikel 8, onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000;
op grond van Boek 1 BW een latere vermelding aan de akte van geboorte moet worden toegevoegd.
Zoals de rechtbank hierna zal uitleggen, is verzoeker vanaf de geboorte de juridische vader van [minderjarige] . Daarmee komt de rechtbank – met verzoekers en de ambtenaar – tot de conclusie dat [minderjarige] vanaf de geboorte de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen (artikel 4, tweede lid van de Rijkswet op het Nederlanderschap). Nu de rechtbank ook de adoptie van [minderjarige] door verzoekster zal uitspreken en die adoptie als latere vermelding aan een geboorteakte moet worden toegevoegd, kunnen verzoekers worden ontvangen in hun verzoek tot vaststelling van de geboortegegevens.
Zowel verzoekers als de ambtenaar hebben zich schriftelijk uitgelaten over de wijze waarop de geboortegegevens van [minderjarige] moeten worden vastgesteld. Omdat het gaat om het vaststellen van de noodzakelijke gegevens voor het opmaken van de geboorteakte van [minderjarige] en tot opname daarvan in de Nederlandse registers, zal de rechtbank het Nederlandse recht als haar interne recht toepassen op het verzoek.
De vaststelling van de gegevens van de moeder uit wie [minderjarige] is geboren, geeft geen aanleiding tot nadere overwegingen. Wel dient de rechtbank te beoordelen of de erkenning van [minderjarige] door verzoeker rechtsgeldig is gedaan, alvorens kan worden beoordeeld welke geslachtsnaam [minderjarige] bij haar geboorte had en of vadergegevens kunnen worden vastgesteld.
rechtsgeldige erkenning?
Verzoekers hebben aangevoerd dat verzoeker [minderjarige] voor de geboorte met toestemming van de draagmoeder heeft erkend. Zij hebben daarom verzocht de gegevens van [minderjarige] vast te stellen in die zin dat verzoeker naar Nederlands recht vanaf de geboorte van [minderjarige] haar juridisch vader is. De ambtenaar heeft gesteld dat van nietigheidsgronden voor de erkenning op grond van artikel 1:204 BW niet is gebleken en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de rechtsgeldigheid van de erkenning.
Uit artikel 10:95 BW blijkt dat op de vraag naar de bevoegdheid van verzoeker om [minderjarige] te erkennen en de voorwaarden waaronder kan worden erkend, Nederlands recht van toepassing is en dat op de toestemming van de draagmoeder Georgisch recht van toepassing is.
De rechtbank is van oordeel dat de erkenning van [minderjarige] door verzoeker rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. Naar Nederlands recht bestonden (en bestaan) er geen belemmeringen die aan erkenning van [minderjarige] door verzoeker in de weg staan.
Naar Georgisch recht wordt het vaderschap van niet met elkaar gehuwde ouders bepaald aan de hand van een gezamenlijke verklaring van de ouders van het kind of door een rechterlijke uitspraak. (art. 1190 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek jo. art. 27 lid 4 Wet inzake registratie van akten van de burgerlijke stand). De rechtbank leidt daaruit af dat bij erkenning sprake dient te zijn van toestemming van de moeder.
Nu de draagmoeder op 22 mei 2024 schriftelijk haar toestemming heeft gegeven, is daarmee tezamen met de erkenningshandeling van verzoeker sprake van een rechtsgeldige erkenning.
conclusie
Omdat de erkenning rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en bij deze erkenning is gekozen voor de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam 1] ’, heeft [minderjarige] vanaf de geboorte de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam 1] ’.
De rechtbank zal de geboortegegevens zoals verzocht vaststellen. Het verzoek om de inschrijving hiervan te gelasten zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen, omdat dit al uit de wet volgt. De latere vermelding betreffende de erkenning door verzoeker zal ambtshalve als latere vermelding worden toegevoegd aan de geboorteakte.
Beëindiging gezag draagmoeder
Wie ten tijde van de geboorte van [minderjarige] het ouderlijk gezag over haar hadden, wordt op grond van artikel 16 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV 1996) bepaald door Georgisch recht. Op grond van artikel 1197 en 1202 van het Georgisch Burgerlijk Wetboek zijn de draagmoeder en verzoeker van rechtswege met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast. Deze in Georgië ontstane gezagssituatie is blijven bestaan nadat verzoekers met [minderjarige] naar Nederland zijn gekomen, zo volgt uit artikel 16 van het HKBV 1996.
Op grond van artikel 15 HKBV 1996 is het Nederlandse recht van toepassing op een verzoek tot wijziging in de gezagssituatie van [minderjarige] in Nederland.
Op grond van artikel 1:253n BW kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, als de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van een eerdere beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. In dat geval bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt. Op grond van artikel 1:251a lid 1 BW kan de rechtbank hiertoe over gaan indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders of dat dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Gebleken is dat de draagmoeder afstand heeft gedaan van haar ouderlijke rechten en verantwoordelijkheden en dat zij geen ouderrol in het leven van [minderjarige] wenst. [minderjarige] wordt vanaf haar geboorte verzorgd en opgevoed door verzoekers, geheel volgens de intenties van verzoekers en de draagmoeder. De beslissingen over de verzorging en de opvoeding worden door verzoekers genomen en de draagmoeder oefent feitelijk het gezag niet uit. De rechtbank is daarom van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de draagmoeder wordt beëindigd. De rechtbank zal daarom het verzoek tot eenhoofdig gezag van verzoeker toewijzen en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a van het Besluit gezagsregisters bepalen dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van deze beschikking waar het deze gezagswijziging betreft.
Adoptie
Op grond van het bepaalde in artikel 10:105 lid 1 BW is Nederlands recht van toepassing op de in Nederland uit te spreken adoptie.
Een verzoek tot adoptie moet naar Nederlands recht voldoen aan de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 1:227 en 1:228 BW. Artikel 10:105 tweede lid BW bepaalt dat op de toestemming dan wel raadpleging of de voorlichting van de ouders van het kind toepasselijk is het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit bezit. Zoals reeds is overwogen heeft [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit, zodat ook hierop Nederlands recht van toepassing is.
Verzoekers wonen sinds april 2021 samen in de gemeente [plaats 1] . Daarmee is voldaan aan het samenleefvereiste van artikel 1:227, tweede lid, tweede volzin, BW.
Verder is vereist dat de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, dat op het tijdstip van de adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder(s) in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en dat aan de voorwaarden van artikel 1:228 BW is voldaan.
Uit hetgeen de rechtbank hiervoor in het kader van de overwegingen ten aanzien van het draagmoederschapstraject heeft overwogen, blijkt dat adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige] is. De Raad heeft verder ook geen zorgen geuit over de leef- en woonsituatie van verzoekers en heeft voorafgaand aan de geboorte toestemming verleend aan verzoekers om het kind dat geboren gaat worden uit de draagmoeder, na de geboorte op te nemen in hun gezin.
[minderjarige] is op [geboortedatum 1] 2024 geboren en het verzoek tot adoptie is op 23 augustus 2024 ingediend. [minderjarige] was daarmee nog geen twee maanden oud op het moment van indiening van het inleidend verzoekschrift van verzoekers. Dit betekent dat op het moment van indiening nog niet was voldaan aan de vereiste verzorgingstermijn door verzoekers van een jaar zoals bedoeld in artikel 1:228, eerste lid onder f, BW. Inmiddels is het bijna twee jaar na indiening van het verzoekschrift en dragen verzoekers wel langer dan een jaar de zorg voor [minderjarige] , zodat ook aan deze voorwaarde is voldaan.
Verder heeft [minderjarige] van de draagmoeder in haar hoedanigheid als ouder niets meer te verwachten. [minderjarige] is volledig afhankelijk van de zorg van verzoekers en zij is sinds haar geboorte – met toestemming van de Raad – reeds opgenomen in het gezin van verzoekers.
De draagmoeder heeft in haar verklaring van 20 juni 2024 toestemming gegeven voor adoptie. Daarmee is dus geen sprake van tegenspraak van de ouder zoals bedoeld in artikel 1:228, eerste lid onder d, BW.
Zoals hiervoor overwogen belast de rechtbank met ingang van de datum van deze beschikking verzoeker met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] en heeft de draagmoeder niet langer het gezag over haar, zodat is voldaan aan dit vereiste in artikel 1:228, eerste lid onder g, BW.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek tot adoptie van [minderjarige] toewijzen.
Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat de familierechtelijke betrekkingen van [minderjarige] met verzoeker na de adoptie in stand blijven.
Gezamenlijk gezag na adoptie
Op grond van artikel 15 HKBV 1996 is het Nederlandse recht van toepassing op een wijziging in de gezagssituatie van [minderjarige] in Nederland.
Verzoekers hebben het verzoek gedaan om te verstaan dat verzoekster als juridische moeder samen met verzoeker het gezamenlijk gezag uit zal oefenen over [minderjarige] .
Op grond van artikel 1:230 eerste lid BW heeft de adoptie gevolgen vanaf de dag waarop deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Vanaf dat moment zijn verzoekers beiden juridisch ouder van [minderjarige] en oefenen zij op grond van artikel 1:251, eerste lid, BW gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit. Dit zal de rechtbank in het dictum opnemen.
De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder m van het Besluit gezagsregisters bepalen dat de griffier, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, nogmaals een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van deze beschikking waar het de adoptie en het gezamenlijk gezag betreft.
Geslachtsnaam
Artikel 10:20 BW bepaalt dat de geslachtsnaam en de voornamen van een persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit, worden bepaald door het Nederlandse recht ongeacht de vraag of hij nog een andere nationaliteit heeft.
Indien een kind door adoptie in familierechtelijke betrekking tot de echtgenoot van een ouder komt te staan, houdt het kind ingevolge artikel 1:5, derde lid, derde volzin, BW de geslachtsnaam van de ouder, tenzij gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam zal hebben van de ouder, dan wel de echtgenoot of van hun beiden in een vrij te bepalen volgorde.
Zoals hiervoor overwogen stelt de rechtbank vast dat de geslachtsnaam van [minderjarige] op dit moment “ [geslachtsnaam 1] ” is. Bij bericht van 15 juni 2026 hebben partijen aanvullend verzocht te bepalen dat [minderjarige] na adoptie de gecombineerde geslachtsnaam van verzoekers zal dragen, zodat haar volledige naam zal luiden “ [minderjarige] [geslachtsnaam 3] ”. De rechtbank zal deze verklaring op grond van artikel 1:5 lid 3 BW in de beschikking opnemen.
Last tot toevoeging latere vermeldingen
De rechtbank zal het verzoek om de ambtenaar te gelasten om, zodra deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, de latere vermeldingen van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte toe te voegen bij gebrek aan belang afwijzen, omdat dit al uit de wet volgt.
Subsidiair verzoek
Nu op de primaire verzoeken is beslist behoeft het subsidiair verzochte geen behandeling.
Uitvoerbaar bij voorraad
Nu de aard van de zaak zich verzet tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beschikking, zal de rechtbank het hiertoe strekkend verzoek – met uitzondering van het verzoek met betrekking tot het eenhoofdig gezag van verzoeker – afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
stelt de volgende voor het opmaken van een geboorteakte noodzakelijke gegevens vast:
Geslachtsnaam : [geslachtsnaam 1]
Voornaam : [minderjarige]
Geboortedatum : [geboortedatum 1] 2024
Geboorteplaats : [geboorteplaats 1] , [geboorteland 1]
Geslacht : vrouwelijk (V)
Geslachtsnaam moeder : [geslachtsnaam 2]
Voornaam moeder : [voornaam]
Geboortedatum moeder : [geboortedatum 2] 1994
Geboorteplaats moeder : [geboorteplaats 2] , [geboorteland 1]
Geslachtsnaam vader : [geslachtsnaam 1]
Voornaam vader : [voornamen]
Geboortedatum vader : [geboortedatum 3] 1985
Geboorteplaats vader : [geboorteplaats 3]
*
beëindigt het gezamenlijk gezag van de (draag)moeder en verzoeker en bepaalt dat het eenhoofdig gezag over [minderjarige] [geslachtsnaam 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland 1] , wordt uitgeoefend door verzoeker, en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister, om daarin aantekening te doen van deze beschikking waar het deze gezagsbeslissing betreft;
*
spreekt uit de adoptie van:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland 1] ,
door [verzoekster] , geboren op [geboortedatum 4] 1986 te [geboorteplaats 4] , [geboorteland 2] ,
onder vermelding van de verklaring van verzoekers ten overstaan van de rechtbank dat [minderjarige] de geslachtsnaam “ [geslachtsnaam 3] ” zal hebben;
verstaat dat de familierechtelijke betrekkingen tussen verzoeker en [minderjarige] in stand blijven;
verstaat dat verzoekers vanaf het moment dat de beslissing aangaande de adoptie in kracht van gewijsde is gegaan, van rechtswege gezamenlijk het gezag over [minderjarige] zullen uitoefenen;
bepaalt dat de griffier, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, nogmaals een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister, om daarin aantekening te doen van deze beschikking waar het de adoptie en het gezamenlijk gezag betreft;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 juni 2026.