Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20671
2026-06-23
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/685280 / FA RK 25-3630
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kinderalimentatie. Afwijking van het woonbudget ivm duurzaam lagere woonlasten.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2021:586 Hoge Raad 16-04-2021
- ECLI:NL:HR:2025:1165 Hoge Raad 18-07-2025
- ECLI:NL:HR:2026:664 Hoge Raad 17-04-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.511 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3630
Zaaknummer: C/09/685280
Datum beschikking: 23 juni 2026
Kinderalimentatie, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en proceskosten
Beschikking op het op 15 mei 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.K. Hartman te Leiderdorp.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.H.M. de Vries-Veringa te Lisse.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het F9-formulier van 4 juni 2025, ingediend namens de moeder, met bijlage;
het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken;
- het verweer tegen de zelfstandige verzoeken tevens houdende zelfstandig verzoek;
het F9-formulier van 15 mei 2026, ingediend namens de moeder, met bijlagen;
de e-mail van 18 mei 2026 van de vader.
Op 21 mei 2026 is namens de vader nog een F9-formulier ingediend met een begeleidende brief, met daarin onder meer een niet eerder in de procedure ingenomen standpunt betreffende de verdiencapaciteit van de moeder, en zes producties.
Namens de moeder is ter zitting bezwaar gemaakt tegen de op 21 mei 2026 namens de vader ingediende stukken, nu die buiten de daarvoor in het procesreglement genoemde termijn zijn ingediend.
De rechtbank laat de stukken die op 21 mei 2026 zijn ingediend buiten beschouwing, omdat deze stukken buiten de daarvoor geldende termijn zijn ingediend en niet is gebleken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is of dat de goede procesorde met zich meebrengt dat de stukken desondanks wel betrokken moeten worden bij de beoordeling.
De minderjarige [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven over de verzoeken, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Op 26 mei 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
[naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
- De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .
- [de minderjarige] verblijft bij de moeder.
- [de minderjarige] is door de vader erkend.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de moeder luidt, na wijziging, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift de kinderalimentatie op € 515,- per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand te voldoen, althans op zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens heeft de vader verzocht te bepalen dat:
de verzoeken van de moeder worden afgewezen, althans een alimentatie met ingang van datum beslissing wordt vastgesteld van niet meer dan € 197,00 per maand;
bij wijze van zelfstandig verzoek:
een zorgregeling wordt vastgesteld waarbij dagelijks omgang zal plaatsvinden tussen de vader en minderjarige, zoals voorgesteld onder punt 25 e.v. in het verweerschrift;
althans zodanige beslissingen omtrent de zorgregeling te nemen als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
met veroordeling van de moeder in de proceskosten van de vader;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens heeft de moeder verzocht te bepalen dat:
de verzoeken van de vader inzake kinderalimentatie, zorgregeling en proceskostenveroordeling af te wijzen;
als zelfstandig verzoek:
ieder partij de eigen proceskosten draagt;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Zorgregeling
[de minderjarige] verblijft op dit moment om de week op woensdagmiddag en om de week van zaterdag van 19.00 tot zondag 19.00 uur bij de vader, waarbij de vader zorgdraagt voor het halen en brengen. Partijen achten deze regeling in het belang van [de minderjarige] en hebben de rechtbank gevraagd om de regeling vast te leggen.
Nu partijen overeenstemming hebben bereikt over de zorgregeling en niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich tegen deze afspraken verzet, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.
Kinderalimentatie
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vader vanaf de datum van de indiening van het verzoekschrift van de moeder, te weten 15 mei 2025, rekening kunnen houden met zijn alimentatieverplichting. De vader was zich ook van zijn onderhoudsverplichting jegens [de minderjarige] bewust, zo blijkt uit zijn op 12 juni 2025 ingediende verweerschrift. De rechtbank acht het daarom redelijk om 15 mei 2025 te hanteren als ingangsdatum.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun samenleving worden bepaald. Partijen zijn in 2017 uit elkaar gegaan. De rechtbank zal daarom de behoefte van [de minderjarige] bepalen aan de hand van de inkomens in 2017.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat het NBI van de moeder in 2017 € 1750,- bruto per maand bedroeg, zodat de rechtbank dat zal volgen.
Tussen partijen is ook niet langer in geschil dat het bruto jaarinkomen van de vader in 2017 € 17.647,- bedroeg, zodat de rechtbank dat zal volgen.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder op het moment van de samenleving op € 1.578 per maand en dat van de vader op € 1.471 per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2017 dus € 3.049 per maand (€ 1.578 (NBI moeder) + € 1.471 (NBI vader)). Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2017 en 4 kinderbijslagpunten, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 458 per maand voor [de minderjarige] . Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 597 per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht moeder
Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van het inkomen dat uit de jaaropgave van 2025 blijkt, te weten € 22.082,-.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak worden opgeteld bij het inkomen van de ouder die het ontvangt, in deze zaak is dat de moeder. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2025 op € 2.332,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1..310,-)] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [2.332 – (700 + 1.310)] = € 225,- per maand.
Draagkracht vader
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van de door hem overgelegde salarisstroken van januari tot en met maart 2025. Daaruit volgt een inkomen van gemiddeld € 2.676,- bruto per maand exclusief vakantiegeld.
De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van gemiddeld € 79,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 2.481,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de vader moet worden uitgegaan van zijn werkelijke woonlasten of van het woonbudget.
De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad op 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) heeft geoordeeld dat het hanteren van een forfaitaire woonlast op zichzelf niet in strijd is met de wettelijke maatstaven. Indien met de berekende draagkracht van de ouders niet (geheel) in de behoefte van het kind kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit toepassing van het forfait (0,3 x NBI), zal de rechter (ambtshalve) moeten nagaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, moet de rechter ofwel deze hogere bijdrage opleggen, ofwel motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.
Als rekening gehouden wordt met het woonbudget van de vader, heeft hij een draagkracht van 70% x [2.481 – (745 + 1.310)] = € 298,-. De moeder heeft een draagkracht van € 225,- per maand. Uitgaande van de forfaitaire woonlasten bij beide ouders, is de gezamenlijke draagkracht € 523. Er bestaat dus een tekort aan gezamenlijke draagkracht om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom beoordelen of er aanleiding is om uit te gaan van de werkelijke woonlasten van de vader. De vader heeft ter zitting toegelicht dat hij al ongeveer anderhalf jaar inwoont bij zijn vader en dat hij nog geen uitzicht heeft op een zelfstandige woonruimte. De vader staat ingeschreven bij de woningbouwvereniging, maar verwacht dat hij nog enkele jaren op de wachtlijst zal staan. De vader kijkt ook af en toe naar woningen in de vrije sector, maar verwacht niet dat hij, met zijn inkomen, daar een zelfstandige woonruimte zal kunnen vinden. Deze stellingen van de vader komen de rechtbank aannemelijk voor. De rechtbank concludeert op grond van deze verklaringen dat de woonlasten van de vader duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget.
De vader heeft gesteld dat hij bijdraagt in de woonlasten van zijn vader, maar hij heeft zijn gestelde bijdrage niet nader gespecificeerd of onderbouwd. De moeder acht het redelijk om rekening te houden met een woonbudget van 10 % van het NBI. Ook de rechtbank acht het redelijk om uit te gaan van enige bijdrage van de vader in de woonlasten van zijn vader. De rechtbank zal het woonbudget van de vader daarom in redelijkheid vaststellen op 10 % van zijn NBI.
De rechtbank zal dus voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,1x NBI + €1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [2481 – (248 + 1310)] = € 646,- per maand.
De vader heeft stelt dat zijn draagkracht verdeeld moet worden over [de minderjarige] en [naam 2] , de zoon die hij met zijn nieuwe partner heeft. De moeder stelt dat nu de vader geen inzicht heeft gegeven in de behoefte van [naam 2] en de draagkracht van de nieuwe partner van de vader, niet kan worden vastgesteld in hoeverre er rekening gehouden moet worden met de kosten van [naam 2] . De moeder verbindt daaraan de conclusie dat de kosten voor [naam 2] buiten beschouwing gelaten moeten worden.
De rechtbank overweegt als volgt. Bij het bepalen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige ouder moet rekening worden gehouden met onderhoudsverplichtingen jegens andere kinderen. Wanneer een onderhoudsplichtige ouder onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit verschillende relaties, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen, moet het voor onderhoud beschikbare bedrag in beginsel gelijkelijk tussen die kinderen worden verdeeld, tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte.
Als de rechter niet de beschikking krijgt over de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de behoefte van de kinderen uit de andere relatie en de draagkracht van de andere ouder van die kinderen (hierna: de andere ouder), moet hij die behoefte en draagkracht zoveel als mogelijk schatten aan de hand van de hem wel ter beschikking staande gegevens. Het staat hem daarbij, gelet op de art. 21 en 22 Rv, vrij rekening te houden met het feit dat de benodigde gegevens niet verstrekt zijn en met de eventuele verklaring die daarvoor is gegeven. Als de andere ouder geacht moet worden in eigen levensonderhoud te voorzien, kan de rechter in dat geval, zonder nader onderzoek naar diens draagkracht, ervan uitgaan dat de andere ouder ten minste voor de helft bijdraagt in de behoefte van de kinderen uit die andere relatie.
Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven de draagkracht van de vader niet bij helfte over zijn twee kinderen te verdelen. Ook heeft de rechtbank geen redenen om aan te nemen dat de nieuwe partner van de vader niet in haar eigen levensonderhoud en in de helft van de kosten van [naam 2] kan voorzien. De rechtbank zal daarom de draagkracht van de vader gelijk over [de minderjarige] en [naam 2] verdelen. Dat betekent dat voor beide kinderen een bedrag van € 323,- beschikbaar is.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 548 per maand (€ 225 + € 323). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 49 per maand.
Zorgkorting
Partijen zijn het erover eens dat – gelet op de overeengekomen zorgregeling en de omstandigheid dat de vader voor zowel het halen als het brengen van [de minderjarige] verantwoordelijk is - sprake is van een zorgkortingspercentage van 15. De zorgkorting bedraagt dan € 90 per maand (15% van € 597).
Omdat sprake is van een tekort van € 49 per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de vader. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 65 per maand (€ 90 (bedrag zorgkorting) -/- € 25 (bedrag van de helft van het tekort)),
Het aandeel van de vader in de kosten van [de minderjarige] bedraagt dan € 258 per maand (€ 323 (draagkracht) -/- € 65(bedrag aan zorgkorting minus helft tekort).
Indexering
De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van 15 mei 2025. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 270,-. Met ingang van 1 januari van ieder jaar wordt de te betalen kinderalimentatie van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering.
Conclusie
De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de vader met ingang van 15 mei 2025 € 258,- per maand en met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 270,- per maand aan kinderalimentatie voor [de minderjarige] aan de moeder moet voldoen.
Aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Proceskosten
De vader verzoekt de moeder te veroordelen in de proceskosten, omdat zij zich tot de rechtbank heeft gewend op het moment dat de vader nog openstond voor mediation of overleg tussen de advocaten. De moeder heeft de vader daarmee gedwongen om kosten te maken voor het voeren van verweer.
In verzoekschriftprocedures tussen ex-partners geldt als hoofdregel dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om af te wijken van die hoofdregel. Dat de moeder eerder dan de vader heeft geconcludeerd dat partijen in onderling overleg niet tot overeenstemming zouden kunnen komen, maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat er sprake is van een onredelijke houding of een nodeloos ingestelde procedure. De rechtbank zal daarom de proceskosten tussen de ouders compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , bij de vader zal zijn:
om de week op woensdagmiddag van 12.15 uur tot 19.00 uur, en
om de week op zaterdag van 19.00 tot zondag 19.00 uur;
waarbij de vader zorgdraagt voor het halen en brengen van [de minderjarige] ;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder een kinderalimentatie zal betalen ten behoeve van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , van
€ 258,- per maand met ingang van 15 mei 2025 en
€ 270,- per maand met ingang van 1 januari 2026,
vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, rechter, bijgestaan door mr. J.M. van der Zwan als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 23 juni 2026.
Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:664, r.o. 3.2.
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3630
Zaaknummer: C/09/685280
Datum beschikking: 23 juni 2026
Kinderalimentatie, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en proceskosten
Beschikking op het op 15 mei 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.K. Hartman te Leiderdorp.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.H.M. de Vries-Veringa te Lisse.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het F9-formulier van 4 juni 2025, ingediend namens de moeder, met bijlage;
het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken;
- het verweer tegen de zelfstandige verzoeken tevens houdende zelfstandig verzoek;
het F9-formulier van 15 mei 2026, ingediend namens de moeder, met bijlagen;
de e-mail van 18 mei 2026 van de vader.
Op 21 mei 2026 is namens de vader nog een F9-formulier ingediend met een begeleidende brief, met daarin onder meer een niet eerder in de procedure ingenomen standpunt betreffende de verdiencapaciteit van de moeder, en zes producties.
Namens de moeder is ter zitting bezwaar gemaakt tegen de op 21 mei 2026 namens de vader ingediende stukken, nu die buiten de daarvoor in het procesreglement genoemde termijn zijn ingediend.
De rechtbank laat de stukken die op 21 mei 2026 zijn ingediend buiten beschouwing, omdat deze stukken buiten de daarvoor geldende termijn zijn ingediend en niet is gebleken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is of dat de goede procesorde met zich meebrengt dat de stukken desondanks wel betrokken moeten worden bij de beoordeling.
De minderjarige [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven over de verzoeken, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Op 26 mei 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
[naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
- De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .
- [de minderjarige] verblijft bij de moeder.
- [de minderjarige] is door de vader erkend.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de moeder luidt, na wijziging, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift de kinderalimentatie op € 515,- per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand te voldoen, althans op zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens heeft de vader verzocht te bepalen dat:
de verzoeken van de moeder worden afgewezen, althans een alimentatie met ingang van datum beslissing wordt vastgesteld van niet meer dan € 197,00 per maand;
bij wijze van zelfstandig verzoek:
een zorgregeling wordt vastgesteld waarbij dagelijks omgang zal plaatsvinden tussen de vader en minderjarige, zoals voorgesteld onder punt 25 e.v. in het verweerschrift;
althans zodanige beslissingen omtrent de zorgregeling te nemen als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
met veroordeling van de moeder in de proceskosten van de vader;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens heeft de moeder verzocht te bepalen dat:
de verzoeken van de vader inzake kinderalimentatie, zorgregeling en proceskostenveroordeling af te wijzen;
als zelfstandig verzoek:
ieder partij de eigen proceskosten draagt;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Zorgregeling
[de minderjarige] verblijft op dit moment om de week op woensdagmiddag en om de week van zaterdag van 19.00 tot zondag 19.00 uur bij de vader, waarbij de vader zorgdraagt voor het halen en brengen. Partijen achten deze regeling in het belang van [de minderjarige] en hebben de rechtbank gevraagd om de regeling vast te leggen.
Nu partijen overeenstemming hebben bereikt over de zorgregeling en niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich tegen deze afspraken verzet, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.
Kinderalimentatie
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vader vanaf de datum van de indiening van het verzoekschrift van de moeder, te weten 15 mei 2025, rekening kunnen houden met zijn alimentatieverplichting. De vader was zich ook van zijn onderhoudsverplichting jegens [de minderjarige] bewust, zo blijkt uit zijn op 12 juni 2025 ingediende verweerschrift. De rechtbank acht het daarom redelijk om 15 mei 2025 te hanteren als ingangsdatum.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun samenleving worden bepaald. Partijen zijn in 2017 uit elkaar gegaan. De rechtbank zal daarom de behoefte van [de minderjarige] bepalen aan de hand van de inkomens in 2017.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat het NBI van de moeder in 2017 € 1750,- bruto per maand bedroeg, zodat de rechtbank dat zal volgen.
Tussen partijen is ook niet langer in geschil dat het bruto jaarinkomen van de vader in 2017 € 17.647,- bedroeg, zodat de rechtbank dat zal volgen.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder op het moment van de samenleving op € 1.578 per maand en dat van de vader op € 1.471 per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2017 dus € 3.049 per maand (€ 1.578 (NBI moeder) + € 1.471 (NBI vader)). Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2017 en 4 kinderbijslagpunten, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 458 per maand voor [de minderjarige] . Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 597 per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht moeder
Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van het inkomen dat uit de jaaropgave van 2025 blijkt, te weten € 22.082,-.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak worden opgeteld bij het inkomen van de ouder die het ontvangt, in deze zaak is dat de moeder. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2025 op € 2.332,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1..310,-)] gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [2.332 – (700 + 1.310)] = € 225,- per maand.
Draagkracht vader
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van de door hem overgelegde salarisstroken van januari tot en met maart 2025. Daaruit volgt een inkomen van gemiddeld € 2.676,- bruto per maand exclusief vakantiegeld.
De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van gemiddeld € 79,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 2.481,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de vader moet worden uitgegaan van zijn werkelijke woonlasten of van het woonbudget.
De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad op 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) heeft geoordeeld dat het hanteren van een forfaitaire woonlast op zichzelf niet in strijd is met de wettelijke maatstaven. Indien met de berekende draagkracht van de ouders niet (geheel) in de behoefte van het kind kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit toepassing van het forfait (0,3 x NBI), zal de rechter (ambtshalve) moeten nagaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, moet de rechter ofwel deze hogere bijdrage opleggen, ofwel motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.
Als rekening gehouden wordt met het woonbudget van de vader, heeft hij een draagkracht van 70% x [2.481 – (745 + 1.310)] = € 298,-. De moeder heeft een draagkracht van € 225,- per maand. Uitgaande van de forfaitaire woonlasten bij beide ouders, is de gezamenlijke draagkracht € 523. Er bestaat dus een tekort aan gezamenlijke draagkracht om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom beoordelen of er aanleiding is om uit te gaan van de werkelijke woonlasten van de vader. De vader heeft ter zitting toegelicht dat hij al ongeveer anderhalf jaar inwoont bij zijn vader en dat hij nog geen uitzicht heeft op een zelfstandige woonruimte. De vader staat ingeschreven bij de woningbouwvereniging, maar verwacht dat hij nog enkele jaren op de wachtlijst zal staan. De vader kijkt ook af en toe naar woningen in de vrije sector, maar verwacht niet dat hij, met zijn inkomen, daar een zelfstandige woonruimte zal kunnen vinden. Deze stellingen van de vader komen de rechtbank aannemelijk voor. De rechtbank concludeert op grond van deze verklaringen dat de woonlasten van de vader duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget.
De vader heeft gesteld dat hij bijdraagt in de woonlasten van zijn vader, maar hij heeft zijn gestelde bijdrage niet nader gespecificeerd of onderbouwd. De moeder acht het redelijk om rekening te houden met een woonbudget van 10 % van het NBI. Ook de rechtbank acht het redelijk om uit te gaan van enige bijdrage van de vader in de woonlasten van zijn vader. De rechtbank zal het woonbudget van de vader daarom in redelijkheid vaststellen op 10 % van zijn NBI.
De rechtbank zal dus voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,1x NBI + €1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [2481 – (248 + 1310)] = € 646,- per maand.
De vader heeft stelt dat zijn draagkracht verdeeld moet worden over [de minderjarige] en [naam 2] , de zoon die hij met zijn nieuwe partner heeft. De moeder stelt dat nu de vader geen inzicht heeft gegeven in de behoefte van [naam 2] en de draagkracht van de nieuwe partner van de vader, niet kan worden vastgesteld in hoeverre er rekening gehouden moet worden met de kosten van [naam 2] . De moeder verbindt daaraan de conclusie dat de kosten voor [naam 2] buiten beschouwing gelaten moeten worden.
De rechtbank overweegt als volgt. Bij het bepalen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige ouder moet rekening worden gehouden met onderhoudsverplichtingen jegens andere kinderen. Wanneer een onderhoudsplichtige ouder onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit verschillende relaties, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen, moet het voor onderhoud beschikbare bedrag in beginsel gelijkelijk tussen die kinderen worden verdeeld, tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte.
Als de rechter niet de beschikking krijgt over de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de behoefte van de kinderen uit de andere relatie en de draagkracht van de andere ouder van die kinderen (hierna: de andere ouder), moet hij die behoefte en draagkracht zoveel als mogelijk schatten aan de hand van de hem wel ter beschikking staande gegevens. Het staat hem daarbij, gelet op de art. 21 en 22 Rv, vrij rekening te houden met het feit dat de benodigde gegevens niet verstrekt zijn en met de eventuele verklaring die daarvoor is gegeven. Als de andere ouder geacht moet worden in eigen levensonderhoud te voorzien, kan de rechter in dat geval, zonder nader onderzoek naar diens draagkracht, ervan uitgaan dat de andere ouder ten minste voor de helft bijdraagt in de behoefte van de kinderen uit die andere relatie.
Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven de draagkracht van de vader niet bij helfte over zijn twee kinderen te verdelen. Ook heeft de rechtbank geen redenen om aan te nemen dat de nieuwe partner van de vader niet in haar eigen levensonderhoud en in de helft van de kosten van [naam 2] kan voorzien. De rechtbank zal daarom de draagkracht van de vader gelijk over [de minderjarige] en [naam 2] verdelen. Dat betekent dat voor beide kinderen een bedrag van € 323,- beschikbaar is.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 548 per maand (€ 225 + € 323). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 49 per maand.
Zorgkorting
Partijen zijn het erover eens dat – gelet op de overeengekomen zorgregeling en de omstandigheid dat de vader voor zowel het halen als het brengen van [de minderjarige] verantwoordelijk is - sprake is van een zorgkortingspercentage van 15. De zorgkorting bedraagt dan € 90 per maand (15% van € 597).
Omdat sprake is van een tekort van € 49 per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de vader. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 65 per maand (€ 90 (bedrag zorgkorting) -/- € 25 (bedrag van de helft van het tekort)),
Het aandeel van de vader in de kosten van [de minderjarige] bedraagt dan € 258 per maand (€ 323 (draagkracht) -/- € 65(bedrag aan zorgkorting minus helft tekort).
Indexering
De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van 15 mei 2025. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 270,-. Met ingang van 1 januari van ieder jaar wordt de te betalen kinderalimentatie van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering.
Conclusie
De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de vader met ingang van 15 mei 2025 € 258,- per maand en met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 270,- per maand aan kinderalimentatie voor [de minderjarige] aan de moeder moet voldoen.
Aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Proceskosten
De vader verzoekt de moeder te veroordelen in de proceskosten, omdat zij zich tot de rechtbank heeft gewend op het moment dat de vader nog openstond voor mediation of overleg tussen de advocaten. De moeder heeft de vader daarmee gedwongen om kosten te maken voor het voeren van verweer.
In verzoekschriftprocedures tussen ex-partners geldt als hoofdregel dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om af te wijken van die hoofdregel. Dat de moeder eerder dan de vader heeft geconcludeerd dat partijen in onderling overleg niet tot overeenstemming zouden kunnen komen, maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat er sprake is van een onredelijke houding of een nodeloos ingestelde procedure. De rechtbank zal daarom de proceskosten tussen de ouders compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , bij de vader zal zijn:
om de week op woensdagmiddag van 12.15 uur tot 19.00 uur, en
om de week op zaterdag van 19.00 tot zondag 19.00 uur;
waarbij de vader zorgdraagt voor het halen en brengen van [de minderjarige] ;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder een kinderalimentatie zal betalen ten behoeve van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , van
€ 258,- per maand met ingang van 15 mei 2025 en
€ 270,- per maand met ingang van 1 januari 2026,
vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, rechter, bijgestaan door mr. J.M. van der Zwan als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 23 juni 2026.
Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:664, r.o. 3.2.