Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20664
2026-06-23
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/705738 / FA RK 26-5151
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Teruggeleiding Hkov uitgaande zaak. bevoegdheden Centrale Autoriteit locatieonderzoek. achterlating. gewone verblijfplaats. proceskosten
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2019:1085 Hoge Raad 05-07-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2020 Gerechtshof Den Haag 19-10-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.917 tekens)
Rechtbank Den HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-5151
Zaaknummer: C/09/705738
Datum beschikking: 23 juni 2026
Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 25 mei 2026 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. Y.M. Schrevelius te Rotterdam .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het aanvullend verzoekschrift;
- het F9-formulier van 16 juni 2026 van de zijde van de moeder.
Op 16 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder (via teams), bijgestaan door haar advocaat en W. Woldebruk, de tolk. Daarnaast is verschenen [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming. De vader is, hoewel goed opgeroepen, niet verschenen. Ook is aan hem een videolink toegestuurd om de mondelinge behandeling te kunnen bijwonen. Hiervan heeft hij geen gebruik gemaakt.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt, na wijziging,:
de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 3] te bevelen uiterlijk medio juni 2026, althans de terugkeer van [minderjarige 3] vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de minderjarige zal ophalen in Jemen en zal terugbrengen naar Nederland, te bevelen dat de vader hieraan zijn medewerking zal verlenen middels ondertekening van een toestemmingsverklaring reizen, waarbij de rechtbank dient te bepalen dat de vader tevens geldige reisdocumenten of het geldige reisdocument van [minderjarige 3] aan de moeder verstrekt, zodat de moeder het kind terug kan leiden naar Nederland;
te bepalen dat de vader de nader nog te specificeren kosten zal betalen, dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
de moeder te machtigen, althans haar toestemming te verlenen om deze beschikking zo nodig ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie in geval de vader zelf [minderjarige 3] vanuit Jemen naar Nederland heeft gehaald;
met veroordeling van de vader in de kosten van deze procedure;
de voorlopige voogdij uit te spreken over [minderjarige 3] ;
te bepalen dat het mediation bureau op een zo kort mogelijke termijn partijen uitnodigt om in cross border mediation te gaan;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft geen verweer gevoerd.
Feiten
- Partijen zijn blijkens de basisregistratie personen (BRP) gehuwd op [datum] 2017.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- - [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] , Azerbeidzjan,
- - [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats 2] ,
- - [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2024 te [geboorteplaats 2] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De vader, de moeder en [minderjarige 3] hebben de Nederlandse nationaliteit.
- De moeder heeft zich niet gemeld bij de Nederlandse Centrale Autoriteit.
Beoordeling
Rechtsmacht
De moeder heeft haar verzoek gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980.
Omdat de regels van internationaal bevoegdheidsrecht in procesrechtelijke zin van openbare orde zijn, zal de rechtbank de vraag naar haar rechtsmacht ambtshalve aan de orde stellen.
Het gaat hier om een zogeheten ‘uitgaande zaak’, wat betekent dat [minderjarige 3] is overgebracht vanuit Nederland naar en/of wordt achtergehouden in een ander land. Dit land – Jemen – is geen partij bij het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter wordt in dergelijke niet door het Verdrag bestreken gevallen geregeld door artikel 3 van het wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv).
Op grond van artikel 3, aanhef en onder a, Rv, heeft de Nederlandse rechter in dit soort gevallen rechtsmacht als de verzoeker in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.
De woonplaats van de moeder (verzoekster) is in Nederland. Weliswaar verblijft zij op dit moment in Jemen, maar daar is zij door de vader achtergelaten. Dit volgt genoegzaam uit de overgelegde verklaring van familieleden van de moeder en de app-berichten tussen de ouders (productie V respectievelijk VI). Haar woonplaats is zodoende niet gewijzigd. De rechtbank acht zich op grond hiervan bevoegd om op basis van artikel 3, aanhef en onder a, Rv, van het verzoek tot teruggeleiding kennis te nemen en verwijst daartoe nog naar het arrest van de Hoge Raad van 5 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1085).
Waar verblijft [minderjarige 3] ?
De rechtbank staat voor de vraag of [minderjarige 3] nog in Jemen verblijft. Een vader van een klasgenootje van zijn zus [minderjarige 1] heeft namelijk verklaard dat hij (vermoedelijk op) 30 maart 2026 rond 16:30 uur op het trottoir langs de [adres] ter hoogte van huisnummer [nummer] te [plaats 1] de vader heeft gezien. Hij kent de vader van de school waar [minderjarige 1] heen gaat. Hij zag op voormelde dag de vader achter een groen/grijze kinderwagen lopen met daarin een jongetje van circa 1,5 jaar oud waarvan hij het vermoeden heeft dat het [minderjarige 3] is.
De rechtbank heeft hierop de Centrale Autoriteit verzocht om op grond van artikel 79 Brussel II-ter een locatieonderzoek te verrichten naar de verblijfplaats van [minderjarige 3] in Nederland. Artikel 79 in samenhang met artikel 78 lid 2 Brussel II-ter bepaalt dat de aangezochte centrale autoriteit alle passende maatregelen neemt om bijstand te verlenen (onder meer) bij het lokaliseren van de verblijfplaats van een kind als dat kind mogelijk aanwezig is op het grondgebied van de aangezochte lidstaat en die informatie noodzakelijk is om een verzoek krachtens deze verordening uit te voeren.
De Centrale Autoriteit heeft de rechtbank evenwel laten weten dat zij niet bevoegd is een locatieonderzoek te verrichten. Volgens de Centrale Autoriteit kan zij een dergelijk onderzoek op grond van deze bepaling alleen uitvoeren als het gaat om een inkomende (teruggeleidings)zaak, dat wil zeggen een zaak waarin het kind op het grondgebied van Nederland zou verblijven en teruggeleid moet worden naar een ander land.
Nu met hulp van de Centrale Autoriteit geen informatie over een mogelijk verblijf van [minderjarige 3] in Nederland kan worden verkregen en uit een verklaring van directe buren niet volgt dat [minderjarige 3] op dit moment bij de vader in [plaats 1] danwel op een andere locatie in Nederland verblijft, moet de rechtbank het ervoor houden dat [minderjarige 3] nog in Jemen is. In de door de moeder als productie X overlegde reactie van 14 juni 2026 van de vader “op de tegen hem geuite beschuldigingen” betwist de vader ook niet dat [minderjarige 3] in Jemen verblijft.
Toepasselijkheid van het Verdrag?
Hoewel Jemen geen partij is bij het Verdrag, is volgens artikel 2 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) deze wet tevens van toepassing in de gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst.
Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
De rechtbank ziet in het bepaalde in artikel 2 en 13 lid 3 van de Uitvoeringswet aanleiding de regels van het Verdrag naar analogie toe te passen. Dit neemt niet weg dat de teruggeleidingsrechter in niet door het Verdrag bestreken gevallen van internationale kinderontvoering in het algemeen de nodige ruimte heeft om, indien daartoe aanleiding bestaat, af te wijken van de verdragsregeling (zie Hof Den Haag 19 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2020).
Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag
Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of
gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).
De moeder stelt zich op het standpunt dat de vader eind 2025 voor het gezin een vakantie had geboekt naar Egypte en Jeddah (Saoedi-Arabië). Op 19 december 2025 is het gezin vertrokken naar Egypte en daarna zijn zij doorgereisd naar Jeddah waar de moeder en de kinderen bij haar broer verbleven. De vader verbleef met een kennis uit Nederland in een hotel. Op 28 december 2025 appte de moeder naar de vader dat de kinderen tickets nodig hadden voor de terugreis naar Nederland omdat de scholen op 5 januari 2026 weer zouden starten. Op 29 december 2025 appte de moeder dat de vader de paspoorten van haar en de kinderen moest afgeven zodat zij terug naar Nederland konden. De vader heeft de moeder laten weten dat zij en de kinderen mee moesten naar Jemen. Daarbij heeft de vader de moeder bedreigd. Op 15 en 16 maart 2026 is de vader met de moeder en de kinderen per bus naar Jemen afgereisd. Bij aankomst in Jemen hebben de jongste broer en zus van de vader [minderjarige 3] uit de bus gehaald en zijn zij direct in een auto weggereden. Omdat de moeder de oudste kinderen stevig vasthield, lukte het de vader niet hen bij de moeder weg te halen. De moeder is vervolgens doorgereisd naar haar ouders in [plaats 2] , Jemen. Daar verblijft zij sindsdien met de twee oudste kinderen. [minderjarige 3] heeft ze sindsdien niet meer gezien of gesproken. Inmiddels is de moeder bezig om met haar kinderen terug te keren naar Nederland wat niet eenvoudig is.
Gewone verblijfplaats en gezag
De vader bestrijdt in zijn reactie niet dat [minderjarige 3] voor de reis naar Egypte, Saoedi-Arabië en vervolgens Jemen zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.
Ook staat vast dat het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van achterhouding van [minderjarige 3] , danwel zou zijn uitgeoefend als de achterhouding niet had plaatsgevonden.
Achterhouding
Het standpunt van de moeder over de achterhouding van [minderjarige 3] in Jemen wordt ondersteund door verklaringen van haar familieleden (productie V), het appverkeer van de moeder naar de vader (productie VI) en de correspondentie met de school. Uit deze correspondentie volgt dat de school [minderjarige 1] , de dochter van partijen, na de vakantie terugverwachtte op school. De vader heeft de school geantwoord dat hij door slechte weersomstandigheden geen vlucht terug kon krijgen en daarnaast enkele familiegelegenheden de terugkeer hebben vertraagd. De vader berichtte dat hij zijn best zal doen om het eind van de week terug te zijn. Vast staat dat de moeder niet heeft ingestemd met een verblijf van [minderjarige 3] in Jemen en evenmin voor zichzelf en de andere kinderen.
De rechtbank stelt dan ook vast dat de vader [minderjarige 3] in strijd met het gezagsrecht van de moeder achterhoudt in Jemen en dat dit aangemerkt moet worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.
Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag
Nu er nog geen jaar is verstreken tussen de achterhouding van [minderjarige 3] door de vader en de indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank gelast de rechtbank de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 3] naar Nederland.
Uitvoerbaar bij voorraad
Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige 3] dat hij zo snel mogelijk terugkeert naar Nederland. De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren toewijzen.
Sterke arm
Ingevolge artikel 13 lid 6 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering juncto artikel 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van rechtswege voorzien in het met behulp van de sterke arm ten uitvoer leggen van de onderhavige beschikking. Het betreffende verzoek van de moeder zal dan ook bij gebrek aan belang worden afgewezen.
Voorlopige voogdij
Nu [minderjarige 3] op dit moment niet in Nederland verblijft ziet de rechtbank geen aanleiding om de voorlopige voogdij over hem uit te spreken.
Cross Border Mediation
De moeder heeft verzocht te bepalen dat het Mediation Bureau partijen op een zo kort mogelijke termijn uitnodigt om in cross border mediation te gaan. Het Mediation Bureau is geen partij in deze procedure. Het verzoek van de moeder wordt daarom afgewezen. Partijen kunnen zich overigens zelf bij het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering melden.
Proceskosten
De rechtbank ziet aanleiding om de vader als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding te veroordelen. Deze kosten worden begroot op in totaal € 1.321,-- bestaande uit:
griffierecht : € 93,--
salaris van de advocaat : € 1.228,-- (2 punten – tarief II)
Beslissing
De rechtbank:
gelast de terugkeer van de minderjarige:
[minderjarige 3]
geboren op [geboortedatum 3] 2024, te
[geboorteplaats 2] , naar Nederland, waarbij de vader de minderjarige uiterlijk op 1 juli 2026 aan de moeder dient af te geven in Jemen en de benodigde reisdocumenten van de minderjarige [minderjarige 3] aan de moeder dient te verstrekken, alles uiterlijk op 1 juli 2026 zodat de moeder [minderjarige 3] met de benodigde reisdocumenten naar Nederland kan terugbrengen;
*
veroordeelt de vader als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding aan de zijde van de moeder tot op dit moment begroot op € 1.321,-- ;
verklaart deze beslissing ten aanzien van de voorlopige voogdij uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechters, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2026.
Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-5151
Zaaknummer: C/09/705738
Datum beschikking: 23 juni 2026
Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 25 mei 2026 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. Y.M. Schrevelius te Rotterdam .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het aanvullend verzoekschrift;
- het F9-formulier van 16 juni 2026 van de zijde van de moeder.
Op 16 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder (via teams), bijgestaan door haar advocaat en W. Woldebruk, de tolk. Daarnaast is verschenen [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming. De vader is, hoewel goed opgeroepen, niet verschenen. Ook is aan hem een videolink toegestuurd om de mondelinge behandeling te kunnen bijwonen. Hiervan heeft hij geen gebruik gemaakt.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt, na wijziging,:
de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 3] te bevelen uiterlijk medio juni 2026, althans de terugkeer van [minderjarige 3] vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de minderjarige zal ophalen in Jemen en zal terugbrengen naar Nederland, te bevelen dat de vader hieraan zijn medewerking zal verlenen middels ondertekening van een toestemmingsverklaring reizen, waarbij de rechtbank dient te bepalen dat de vader tevens geldige reisdocumenten of het geldige reisdocument van [minderjarige 3] aan de moeder verstrekt, zodat de moeder het kind terug kan leiden naar Nederland;
te bepalen dat de vader de nader nog te specificeren kosten zal betalen, dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
de moeder te machtigen, althans haar toestemming te verlenen om deze beschikking zo nodig ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie in geval de vader zelf [minderjarige 3] vanuit Jemen naar Nederland heeft gehaald;
met veroordeling van de vader in de kosten van deze procedure;
de voorlopige voogdij uit te spreken over [minderjarige 3] ;
te bepalen dat het mediation bureau op een zo kort mogelijke termijn partijen uitnodigt om in cross border mediation te gaan;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft geen verweer gevoerd.
Feiten
- Partijen zijn blijkens de basisregistratie personen (BRP) gehuwd op [datum] 2017.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- - [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] , Azerbeidzjan,
- - [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats 2] ,
- - [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2024 te [geboorteplaats 2] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De vader, de moeder en [minderjarige 3] hebben de Nederlandse nationaliteit.
- De moeder heeft zich niet gemeld bij de Nederlandse Centrale Autoriteit.
Beoordeling
Rechtsmacht
De moeder heeft haar verzoek gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980.
Omdat de regels van internationaal bevoegdheidsrecht in procesrechtelijke zin van openbare orde zijn, zal de rechtbank de vraag naar haar rechtsmacht ambtshalve aan de orde stellen.
Het gaat hier om een zogeheten ‘uitgaande zaak’, wat betekent dat [minderjarige 3] is overgebracht vanuit Nederland naar en/of wordt achtergehouden in een ander land. Dit land – Jemen – is geen partij bij het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter wordt in dergelijke niet door het Verdrag bestreken gevallen geregeld door artikel 3 van het wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv).
Op grond van artikel 3, aanhef en onder a, Rv, heeft de Nederlandse rechter in dit soort gevallen rechtsmacht als de verzoeker in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.
De woonplaats van de moeder (verzoekster) is in Nederland. Weliswaar verblijft zij op dit moment in Jemen, maar daar is zij door de vader achtergelaten. Dit volgt genoegzaam uit de overgelegde verklaring van familieleden van de moeder en de app-berichten tussen de ouders (productie V respectievelijk VI). Haar woonplaats is zodoende niet gewijzigd. De rechtbank acht zich op grond hiervan bevoegd om op basis van artikel 3, aanhef en onder a, Rv, van het verzoek tot teruggeleiding kennis te nemen en verwijst daartoe nog naar het arrest van de Hoge Raad van 5 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1085).
Waar verblijft [minderjarige 3] ?
De rechtbank staat voor de vraag of [minderjarige 3] nog in Jemen verblijft. Een vader van een klasgenootje van zijn zus [minderjarige 1] heeft namelijk verklaard dat hij (vermoedelijk op) 30 maart 2026 rond 16:30 uur op het trottoir langs de [adres] ter hoogte van huisnummer [nummer] te [plaats 1] de vader heeft gezien. Hij kent de vader van de school waar [minderjarige 1] heen gaat. Hij zag op voormelde dag de vader achter een groen/grijze kinderwagen lopen met daarin een jongetje van circa 1,5 jaar oud waarvan hij het vermoeden heeft dat het [minderjarige 3] is.
De rechtbank heeft hierop de Centrale Autoriteit verzocht om op grond van artikel 79 Brussel II-ter een locatieonderzoek te verrichten naar de verblijfplaats van [minderjarige 3] in Nederland. Artikel 79 in samenhang met artikel 78 lid 2 Brussel II-ter bepaalt dat de aangezochte centrale autoriteit alle passende maatregelen neemt om bijstand te verlenen (onder meer) bij het lokaliseren van de verblijfplaats van een kind als dat kind mogelijk aanwezig is op het grondgebied van de aangezochte lidstaat en die informatie noodzakelijk is om een verzoek krachtens deze verordening uit te voeren.
De Centrale Autoriteit heeft de rechtbank evenwel laten weten dat zij niet bevoegd is een locatieonderzoek te verrichten. Volgens de Centrale Autoriteit kan zij een dergelijk onderzoek op grond van deze bepaling alleen uitvoeren als het gaat om een inkomende (teruggeleidings)zaak, dat wil zeggen een zaak waarin het kind op het grondgebied van Nederland zou verblijven en teruggeleid moet worden naar een ander land.
Nu met hulp van de Centrale Autoriteit geen informatie over een mogelijk verblijf van [minderjarige 3] in Nederland kan worden verkregen en uit een verklaring van directe buren niet volgt dat [minderjarige 3] op dit moment bij de vader in [plaats 1] danwel op een andere locatie in Nederland verblijft, moet de rechtbank het ervoor houden dat [minderjarige 3] nog in Jemen is. In de door de moeder als productie X overlegde reactie van 14 juni 2026 van de vader “op de tegen hem geuite beschuldigingen” betwist de vader ook niet dat [minderjarige 3] in Jemen verblijft.
Toepasselijkheid van het Verdrag?
Hoewel Jemen geen partij is bij het Verdrag, is volgens artikel 2 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) deze wet tevens van toepassing in de gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst.
Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
De rechtbank ziet in het bepaalde in artikel 2 en 13 lid 3 van de Uitvoeringswet aanleiding de regels van het Verdrag naar analogie toe te passen. Dit neemt niet weg dat de teruggeleidingsrechter in niet door het Verdrag bestreken gevallen van internationale kinderontvoering in het algemeen de nodige ruimte heeft om, indien daartoe aanleiding bestaat, af te wijken van de verdragsregeling (zie Hof Den Haag 19 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2020).
Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag
Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of
gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).
De moeder stelt zich op het standpunt dat de vader eind 2025 voor het gezin een vakantie had geboekt naar Egypte en Jeddah (Saoedi-Arabië). Op 19 december 2025 is het gezin vertrokken naar Egypte en daarna zijn zij doorgereisd naar Jeddah waar de moeder en de kinderen bij haar broer verbleven. De vader verbleef met een kennis uit Nederland in een hotel. Op 28 december 2025 appte de moeder naar de vader dat de kinderen tickets nodig hadden voor de terugreis naar Nederland omdat de scholen op 5 januari 2026 weer zouden starten. Op 29 december 2025 appte de moeder dat de vader de paspoorten van haar en de kinderen moest afgeven zodat zij terug naar Nederland konden. De vader heeft de moeder laten weten dat zij en de kinderen mee moesten naar Jemen. Daarbij heeft de vader de moeder bedreigd. Op 15 en 16 maart 2026 is de vader met de moeder en de kinderen per bus naar Jemen afgereisd. Bij aankomst in Jemen hebben de jongste broer en zus van de vader [minderjarige 3] uit de bus gehaald en zijn zij direct in een auto weggereden. Omdat de moeder de oudste kinderen stevig vasthield, lukte het de vader niet hen bij de moeder weg te halen. De moeder is vervolgens doorgereisd naar haar ouders in [plaats 2] , Jemen. Daar verblijft zij sindsdien met de twee oudste kinderen. [minderjarige 3] heeft ze sindsdien niet meer gezien of gesproken. Inmiddels is de moeder bezig om met haar kinderen terug te keren naar Nederland wat niet eenvoudig is.
Gewone verblijfplaats en gezag
De vader bestrijdt in zijn reactie niet dat [minderjarige 3] voor de reis naar Egypte, Saoedi-Arabië en vervolgens Jemen zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.
Ook staat vast dat het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van achterhouding van [minderjarige 3] , danwel zou zijn uitgeoefend als de achterhouding niet had plaatsgevonden.
Achterhouding
Het standpunt van de moeder over de achterhouding van [minderjarige 3] in Jemen wordt ondersteund door verklaringen van haar familieleden (productie V), het appverkeer van de moeder naar de vader (productie VI) en de correspondentie met de school. Uit deze correspondentie volgt dat de school [minderjarige 1] , de dochter van partijen, na de vakantie terugverwachtte op school. De vader heeft de school geantwoord dat hij door slechte weersomstandigheden geen vlucht terug kon krijgen en daarnaast enkele familiegelegenheden de terugkeer hebben vertraagd. De vader berichtte dat hij zijn best zal doen om het eind van de week terug te zijn. Vast staat dat de moeder niet heeft ingestemd met een verblijf van [minderjarige 3] in Jemen en evenmin voor zichzelf en de andere kinderen.
De rechtbank stelt dan ook vast dat de vader [minderjarige 3] in strijd met het gezagsrecht van de moeder achterhoudt in Jemen en dat dit aangemerkt moet worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.
Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag
Nu er nog geen jaar is verstreken tussen de achterhouding van [minderjarige 3] door de vader en de indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank gelast de rechtbank de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 3] naar Nederland.
Uitvoerbaar bij voorraad
Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige 3] dat hij zo snel mogelijk terugkeert naar Nederland. De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren toewijzen.
Sterke arm
Ingevolge artikel 13 lid 6 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering juncto artikel 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van rechtswege voorzien in het met behulp van de sterke arm ten uitvoer leggen van de onderhavige beschikking. Het betreffende verzoek van de moeder zal dan ook bij gebrek aan belang worden afgewezen.
Voorlopige voogdij
Nu [minderjarige 3] op dit moment niet in Nederland verblijft ziet de rechtbank geen aanleiding om de voorlopige voogdij over hem uit te spreken.
Cross Border Mediation
De moeder heeft verzocht te bepalen dat het Mediation Bureau partijen op een zo kort mogelijke termijn uitnodigt om in cross border mediation te gaan. Het Mediation Bureau is geen partij in deze procedure. Het verzoek van de moeder wordt daarom afgewezen. Partijen kunnen zich overigens zelf bij het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering melden.
Proceskosten
De rechtbank ziet aanleiding om de vader als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding te veroordelen. Deze kosten worden begroot op in totaal € 1.321,-- bestaande uit:
griffierecht : € 93,--
salaris van de advocaat : € 1.228,-- (2 punten – tarief II)
Beslissing
De rechtbank:
gelast de terugkeer van de minderjarige:
[minderjarige 3]
geboren op [geboortedatum 3] 2024, te
[geboorteplaats 2] , naar Nederland, waarbij de vader de minderjarige uiterlijk op 1 juli 2026 aan de moeder dient af te geven in Jemen en de benodigde reisdocumenten van de minderjarige [minderjarige 3] aan de moeder dient te verstrekken, alles uiterlijk op 1 juli 2026 zodat de moeder [minderjarige 3] met de benodigde reisdocumenten naar Nederland kan terugbrengen;
*
veroordeelt de vader als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding aan de zijde van de moeder tot op dit moment begroot op € 1.321,-- ;
verklaart deze beslissing ten aanzien van de voorlopige voogdij uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechters, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2026.
Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.