Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20661
2026-06-23
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/679736 / FA RK 25-845
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervangende toestemming erkenning en omgang onder regie Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.455 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-845
Zaaknummer: C/09/679736
Datum beschikking: 23 juni 2026
Vervangende toestemming erkenning, omgang
Beschikking op het op 10 januari 2025 ingekomen verzoek van:
[verzoeker] ,
verzoeker/de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T.Y. Tsang te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbenden ten aanzien van de vervangende toestemming erkenning worden aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te
[geboorteplaats 1] (hierna te noemen: [de minderjarige] ),
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. E.G.S.N. Asselbergs, advocaat te Den Haag,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Als belanghebbenden ten aanzien van de omgang worden aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling/de voogdes,
[pleegouder 1] en [pleegouder 2] ,
de pleegouders.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het verslag van de bijzondere curator van 15 april 2025;
het F9-formulier van 26 november 2025, met bijlage, van de zijde van de man.
Op 26 mei 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, de bijzondere curator, [naam 1] namens de gecertificeerde instelling en [naam 2] namens de pleegouders/pleegzorg.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man strekt ertoe, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
een DNA-onderzoek te gelasten naar de verwantschap tussen de man en de
minderjarige [de minderjarige] ;
en met het eerbiedig voorwaardelijk verzoek – onder de voorwaarde dat uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man de verwekker is van de minderjarige [de minderjarige] – bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van het
Burgerlijk Wetboek (BW) te verlenen, zodat hij de minderjarige [de minderjarige] kan erkennen;
een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen, in die zin dat zij bij de
man verblijft eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag tot zondagavond, waarbij de omgang op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen wijze (al dan niet in eerste instantie onder begeleiding) zal worden opgebouwd;
te bepalen dat [de minderjarige] bij de man verblijft gedurende de helft van de vakanties en
feestdagen, in onderling overleg te bepalen;
althans dusdanige beslissingen te nemen als de rechtbank in goede justitie juist acht.
De bijzondere curator heeft geadviseerd het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige [de minderjarige] toe te wijzen.
Feiten
Partijen hebben geen affectieve relatie gehad.
De minderjarige [de minderjarige] is niet erkend.
[de minderjarige] woont in een perspectief-biedend pleeggezin.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 februari 2025 de
ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 2 maart 2026 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.
- Bij beschikking van 17 juni 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank is het
ouderlijk gezag beëindigd van de moeder over de minderjarige [de minderjarige] en is tot voogdes over [de minderjarige] benoemd: Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden.
De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning door de man.
De man, de moeder en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit.
Bij beschikking van deze rechtbank van 18 februari 2025 is
mr. E.G.S.N. Asselbergs voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 BW te vertegenwoordigen.
- Uit een overgelegd DNA-onderzoek van DNA Diagnostics Center van
11 november 2025 blijkt dat het praktisch is bewezen dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] .
Beoordeling
Vervangende toestemming erkenning
Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van de minderjarige.
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
De bijzondere curator heeft, nu door middel van een DNA-onderzoek is komen vast te staan dat de man de verwekker is van [de minderjarige] , geadviseerd het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] toe te wijzen.
De rechtbank zal het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige toewijzen, nu niet is gebleken dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige worden geschaad en de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrag komt in geval van erkenning van de minderjarige door de man.
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [de minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Omgang
De man verzoekt, nu uit het DNA-onderzoek is gebleken dat hij de biologische vader is van [de minderjarige] , een omgangsregeling (middels een opbouw) tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen. De man stelt dat [de minderjarige] en hij recht hebben op omgang met elkaar en dat er geen contra-indicaties zijn die zich tegen omgang verzetten.
De rechtbank overweegt als volgt. [de minderjarige] staat onder voogdij van de gecertificeerde instelling en woont in een perspectief-biedend pleeggezin. Op zitting is gebleken dat de gecertificeerde instelling en pleegzorg inmiddels gesprekken hebben gehad met de man en dat er twee begeleide ontmoetingen tussen de man en [de minderjarige] zijn georganiseerd. Namens de gecertificeerde instelling is naar voren gebracht dat ze nog niet goed kunnen beoordelen wat de impact van de omgang is voor [de minderjarige] en dat er mogelijk sprake is van hechtingsproblematiek/preverbaal trauma bij [de minderjarige] . De gecertificeerde instelling wil graag in het belang van [de minderjarige] de frequentie en de duur van de contacten op haar afstemmen. De man heeft ter zitting aangegeven dat hij daarmee kan instemmen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man omgang heeft met [de minderjarige] onder regie van de gecertificeerde instelling, waarbij de frequentie en duur van de omgang wordt bepaald door de gecertificeerde instelling.
Beslissing
De rechtbank:
*
verleent de man, [verzoeker] , geboren op [geboortedatum 2] 1996 te [geboorteplaats 2] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1996 te [geboorteplaats 3] , [land] , vervangt, tot erkenning van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te
[geboorteplaats 1] ;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , voornoemd, omgang met de man heeft onder regie van de gecertificeerde instelling, waarbij de frequentie en de duur van de omgang wordt bepaald door de gecertificeerde instelling;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 juni 2026.
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-845
Zaaknummer: C/09/679736
Datum beschikking: 23 juni 2026
Vervangende toestemming erkenning, omgang
Beschikking op het op 10 januari 2025 ingekomen verzoek van:
[verzoeker] ,
verzoeker/de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T.Y. Tsang te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbenden ten aanzien van de vervangende toestemming erkenning worden aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te
[geboorteplaats 1] (hierna te noemen: [de minderjarige] ),
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. E.G.S.N. Asselbergs, advocaat te Den Haag,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
Als belanghebbenden ten aanzien van de omgang worden aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling/de voogdes,
[pleegouder 1] en [pleegouder 2] ,
de pleegouders.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het verslag van de bijzondere curator van 15 april 2025;
het F9-formulier van 26 november 2025, met bijlage, van de zijde van de man.
Op 26 mei 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, de bijzondere curator, [naam 1] namens de gecertificeerde instelling en [naam 2] namens de pleegouders/pleegzorg.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man strekt ertoe, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
een DNA-onderzoek te gelasten naar de verwantschap tussen de man en de
minderjarige [de minderjarige] ;
en met het eerbiedig voorwaardelijk verzoek – onder de voorwaarde dat uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man de verwekker is van de minderjarige [de minderjarige] – bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van het
Burgerlijk Wetboek (BW) te verlenen, zodat hij de minderjarige [de minderjarige] kan erkennen;
een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen, in die zin dat zij bij de
man verblijft eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag tot zondagavond, waarbij de omgang op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen wijze (al dan niet in eerste instantie onder begeleiding) zal worden opgebouwd;
te bepalen dat [de minderjarige] bij de man verblijft gedurende de helft van de vakanties en
feestdagen, in onderling overleg te bepalen;
althans dusdanige beslissingen te nemen als de rechtbank in goede justitie juist acht.
De bijzondere curator heeft geadviseerd het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige [de minderjarige] toe te wijzen.
Feiten
Partijen hebben geen affectieve relatie gehad.
De minderjarige [de minderjarige] is niet erkend.
[de minderjarige] woont in een perspectief-biedend pleeggezin.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 februari 2025 de
ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 2 maart 2026 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.
- Bij beschikking van 17 juni 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank is het
ouderlijk gezag beëindigd van de moeder over de minderjarige [de minderjarige] en is tot voogdes over [de minderjarige] benoemd: Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden.
De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning door de man.
De man, de moeder en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit.
Bij beschikking van deze rechtbank van 18 februari 2025 is
mr. E.G.S.N. Asselbergs voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 BW te vertegenwoordigen.
- Uit een overgelegd DNA-onderzoek van DNA Diagnostics Center van
11 november 2025 blijkt dat het praktisch is bewezen dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] .
Beoordeling
Vervangende toestemming erkenning
Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van de minderjarige.
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
De bijzondere curator heeft, nu door middel van een DNA-onderzoek is komen vast te staan dat de man de verwekker is van [de minderjarige] , geadviseerd het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] toe te wijzen.
De rechtbank zal het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige toewijzen, nu niet is gebleken dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige worden geschaad en de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrag komt in geval van erkenning van de minderjarige door de man.
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [de minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Omgang
De man verzoekt, nu uit het DNA-onderzoek is gebleken dat hij de biologische vader is van [de minderjarige] , een omgangsregeling (middels een opbouw) tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen. De man stelt dat [de minderjarige] en hij recht hebben op omgang met elkaar en dat er geen contra-indicaties zijn die zich tegen omgang verzetten.
De rechtbank overweegt als volgt. [de minderjarige] staat onder voogdij van de gecertificeerde instelling en woont in een perspectief-biedend pleeggezin. Op zitting is gebleken dat de gecertificeerde instelling en pleegzorg inmiddels gesprekken hebben gehad met de man en dat er twee begeleide ontmoetingen tussen de man en [de minderjarige] zijn georganiseerd. Namens de gecertificeerde instelling is naar voren gebracht dat ze nog niet goed kunnen beoordelen wat de impact van de omgang is voor [de minderjarige] en dat er mogelijk sprake is van hechtingsproblematiek/preverbaal trauma bij [de minderjarige] . De gecertificeerde instelling wil graag in het belang van [de minderjarige] de frequentie en de duur van de contacten op haar afstemmen. De man heeft ter zitting aangegeven dat hij daarmee kan instemmen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man omgang heeft met [de minderjarige] onder regie van de gecertificeerde instelling, waarbij de frequentie en duur van de omgang wordt bepaald door de gecertificeerde instelling.
Beslissing
De rechtbank:
*
verleent de man, [verzoeker] , geboren op [geboortedatum 2] 1996 te [geboorteplaats 2] , toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1996 te [geboorteplaats 3] , [land] , vervangt, tot erkenning van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te
[geboorteplaats 1] ;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , voornoemd, omgang met de man heeft onder regie van de gecertificeerde instelling, waarbij de frequentie en de duur van de omgang wordt bepaald door de gecertificeerde instelling;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 juni 2026.