Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20625

2026-06-23 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/665410 / FA RK 24-3047
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-23
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/665410 / FA RK 24-3047
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

afwijzen verzoek vaststelling (begeleide) zorgregeling en ontzegging recht op zorgregeling

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.171 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige kamer


Rekestnummer: FA RK 24-3047
Zaaknummer: C/09/665410
Datum beschikking: 23 juni 2026


Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken



Beschikking op het op 26 april 2024 ingekomen verzoek van:




[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.L. Hamburger in Amstelveen.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Erkens in Den Haag.




Procedure
Bij beschikking van 23 juni 2025 van deze rechtbank is  voor zover hier relevant  iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en het verzoek tot ondertoezichtstelling aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten en daarover aan de rechtbank te rapporteren en te adviseren.


De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook:



de brief van 3 juli 2025 van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad);


de brief van 10 september 2025 van de Raad;


het rapport en advies van de Raad van 2 december 2025, kenmerk KZ-1-663V2KO;


de brief van 29 december 2025, met bijlagen, van de vader;


het F9 formulier van 30 december 2025 van de moeder.




Op 26 mei 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:



de vader, bijgestaan door zijn advocaat;


de moeder, bijgestaan door haar advocaat;



[naam] namens de Raad.




Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.




Voorliggende verzoeken
De vader heeft op de zitting aanvullend verzocht:


primair: een begeleide omgangsregeling via een erkend omgangshuis of begeleide bezoekregeling, op te bouwen in overleg met een deskundige begeleider, met frequentie en duur te bepalen door de rechtbank;


subsidiair: een informatieregeling op grond van artikel 1:377b BW, zodat de vader in ieder geval op de hoogte blijft van gewichtige aangelegenheden betreffende zijn kind, zoals schoolgang, gezondheid en ontwikkeling;


eventueel aanhouding van de zaak voor nader onderzoek of raadsonderzoek naar de mogelijkheden van begeleide omgang, indien de rechtbank dat geraden acht.




Daarnaast liggen nog voor het verzoek van de vader om [de minderjarige] onder toezicht te stellen en het verzoek van de moeder om de vader zijn recht op een zorgregeling met [de minderjarige] te ontzeggen.




Beoordeling
De rechtbank handhaaft alles wat in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.



Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken





Juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:253a, lid 2, sub a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, en ook met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, lid 3 BW een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind omgang te hebben.
De rechter kan het recht op omgang dan wel een zorgregeling met het kind slechts ontzeggen als:



omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of


de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of


het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of


omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.





Rapport van de Raad van 2 december 2025

De Raad adviseert de rechtbank het verzoek van de vader tot het vaststellen van een zorgregeling met [de minderjarige] af te wijzen. De Raad stelt vast dat er sprake is van een ernstig verstoorde relatie tussen de ouders; een relatie die nooit goed en stabiel is geweest en waarbij sprake was van hoogoplopend huiselijk geweld. Om die reden was voor de pasgeboren [de minderjarige] een machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk. Dit verleden van huiselijk geweld lijkt nog altijd een grote rol te spelen. Het verzoek van de vader om omgang met [de minderjarige] levert de moeder veel spanning en stress op. De moeder heeft sterk negatieve emoties naar de vader die ontstaan zijn door de mishandelingen door de vader in het verleden. Door haar negatieve ervaringen heeft de moeder geen vertrouwen in de vader als opvoeder en in het contact met [de minderjarige] . De Raad stelt verder vast dat [de minderjarige] zich op dit moment goed ontwikkelt en dat hij door de moeder (en grootouders moederszijde) liefdevol wordt verzorgd en opgevoed. De Raad heeft de zorg dat de moeder door eventueel contact met de vader uit haar inmiddels verworven evenwicht kan worden gebracht, wat niet in het belang van [de minderjarige] is.
Ondanks dat de Raad vindt dat het voor identiteitsontwikkeling van kinderen belangrijk is om (persoonlijk) contact te hebben met beide ouders, is het op dit moment volgens de Raad niet in het belang van [de minderjarige] om contact te hebben met de vader. Door de conflictueuze relatie tussen de ouders in het verleden en de geheel andere beleving van de situatie door de ouders, is een zorgregeling volgens de Raad op dit moment niet haalbaar. Het lukt de ouders niet om constructief met elkaar te communiceren en de moeder is onvoldoende in staat om de omgang tussen vader en [de minderjarige] te faciliteren. Dat de vader zonder status in Nederland verblijft en hij het land vermoedelijk moet verlaten is hierin volgens de Raad ook nadelig. De Raad benadrukt dat de beide ouders wel een inspanningsverplichting hebben om [de minderjarige] de mogelijkheid te bieden zijn vader te leren kennen. De vader kan interesse tonen door het sturen van kaartjes/cadeautjes met een positieve boodschap die niet ten nadele is van de moeder of familie van de moeder. Het is belangrijk dat de moeder dit, ondanks haar weerstand, positief ondersteunt en dat de moeder de vader op de hoogte houdt van ontwikkelingen van [de minderjarige] zodat de vader zich in zijn kaartjes kan aansluiten bij de belevingswereld van [de minderjarige] .




Standpunt vader

De vader kan zich niet vinden in het advies van de Raad om geen zorgregeling met [de minderjarige] vast te stellen. De vader brengt naar voren dat zijn verblijfstatus geen van de in artikel 1:377a lid 3 genoemde ontzeggingsgronden is. Ditzelfde geldt volgens de vader voor het niet hebben van een zelfstandig woonruimte, wat de vader overigens betwist. De vader geeft verder aan de zorgen die de Raad heeft met betrekking tot het huiselijk geweld serieus te nemen. De vader stelt zich daarbij op het standpunt dat ontzegging van omgang een uiterste middel is en dat er ook gekeken zou moeten worden naar een minder ingrijpende maatregel, zoals begeleide omgang in een gecontroleerde omgeving. De vader is tot deelname daaraan bereid en staat ook open voor hulpverlening en mediation. Dat hij en de moeder niet constructief overleggen en dat de moeder sterkte negatieve emoties ervaart, erkent en begrijpt de vader, maar ook dat is volgens de vader geen ontzeggingsgrond.



Op de zitting heeft de vader naar voren gebracht dat hij er alles voor over heeft om [de minderjarige] weer te zien, maar dat hij veel blokkades ervaart. De vader benadrukt verder dat hij aan het werk is, een woning heeft en dat hij legaal in Nederland is omdat zijn verblijfsprocedure nog loopt.




Standpunt moeder

De moeder is het eens met het advies van de Raad en concludeert tot afwijzing van het verzoek van de vader om omgang met [de minderjarige] . Op de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij de vader onbetrouwbaar vindt en dat zij van mening is dat de vader eerst moet gaan werken aan zijn problemen, waaronder zijn wietverslaving. Bovendien denkt de moeder dat de vader enkel contact met [de minderjarige] wil om een verblijfsvergunning te verkrijgen.




Raad

De Raad heeft op de zitting toegelicht dat het voor een kind van deze leeftijd  [de minderjarige] is drie jaar  van essentieel belang is dat hij emotionele toestemming krijgt van de moeder om contact met de vader te hebben. Door alles wat er in het verleden is gebeurd, ontbreekt het op dit moment aan draagvlak bij de moeder om omgang tussen [de minderjarige] en de vader te ondersteunen. Er zal nog veel tijd en hulpverlening nodig zijn voordat dit anders wordt. De Raad benadrukt verder dat het advies om geen zorgregeling vast te stellen, niet zozeer is gegeven op basis van vaders leven. Hoewel de Raad zorgen heeft over zijn situatie en dit meetelt, is dit niet doorslaggevend geweest, aldus de Raad. De Raad heeft verder benadrukt dat het belangrijk is dat een eerste stap gezet gaat worden met statusvoorlichting aan [de minderjarige] . [de minderjarige] is weliswaar nog jong, maar op kindeigen niveau is dit volgens de Raad al mogelijk. De moeder kan dit nu al in gang gaan zetten en daarbij hulp inschakelen, bijvoorbeeld via Cardea.




Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het in beginsel van belang is dat [de minderjarige] contact heeft met zijn beide ouders en dus ook met de vader, maar in de gegeven omstandigheden ziet de rechtbank op dit moment geen mogelijkheden om een (begeleide) zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader vast te stellen. Daartoe overweegt de rechtbank dat er bij de moeder veel wantrouwen en weerstand is naar de vader vanwege hun belaste verleden. Hierdoor is er op dit moment geen draagvlak bij de moeder voor (begeleid) contact tussen [de minderjarige] en de vader. De rechtbank begrijpt dat dit moeilijk en verdrietig is voor de vader, maar een begeleide zorgregeling waar de moeder als hoofdverzorgster van [de minderjarige] niet achter staat, vindt de rechtbank niet in het belang van [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft de emotionele toestemming van de moeder nodig in het contact met de vader, maar de moeder is onvoldoende in staat die emotionele toestemming aan hem te geven. Het vastleggen van een begeleide zorgregeling zal naar het oordeel van de rechtbank dusdanig veel spanning opleveren bij de moeder, dat dit een negatieve weerslag op [de minderjarige] zal hebben, wat niet in het belang van [de minderjarige] is. De rechtbank overweegt verder dat de Raad gedegen onderzoek heeft gedaan en de veronderstelling van de vader dat het advies van de Raad voornamelijk verband houdt met zijn onduidelijke verblijfstatus en zijn woonsituatie, miskent de kern van het advies. Het oordeel van de rechtbank zou, ook als de verblijfsstatus van de vader wel duidelijk zou zijn geweest, nu niet anders zijn.




Ondertoezichtstelling

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] , zoals door de vader verzocht, omdat aan de vereisten daarvoor zoals bepaald in artikel 1: 255 BW niet is voldaan. Weliswaar is de omstandigheid dat [de minderjarige] geen contact heeft met de vader zorgelijk, maar uit het raadsonderzoek is niet gebleken dat er aanvullende zorgen zijn over de opvoedsituatie van [de minderjarige] . Het enkel ontbreken van de omgang tussen [de minderjarige] en de vader is naar het oordeel onvoldoende om de maatregel van een ondertoezichtstelling te rechtvaardigen.




Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vader tot het vaststellen van een (begeleide) zorgregeling afwijzen en de vader het recht op een zorgregeling met [de minderjarige] nu ontzeggen, omdat een zorgregeling in de hierboven gegeven omstandigheden ernstig nadeel kan opleveren voor de geestelijke ontwikkeling van [de minderjarige] dan wel anderszins in strijd is met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] (artikel 1:377a lid 3, sub a en d, BW). De rechtbank wijst erop dat een ontzegging van het recht op omgang tussen een ouder en een kind een in tijd beperkt karakter heeft. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat in ieder geval na een periode van een jaar, of als de omstandigheden wijzigen ook eerder, een nieuw verzoek tot vaststelling van een zorg- of omgangsregeling kan worden ingediend (zie HR 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5045).




Statusvoorlichting

Op de zitting is uitdrukkelijk met de ouders besproken dat het van belang is dat de moeder op korte termijn statusvoorlichting gaat geven aan [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft het recht om te weten wie zijn vader is. Dit is ook voor zijn identiteits- en sociaalemotionele ontwikkeling van belang. Besproken is dat de moeder hierbij hulp kan inroepen, bijvoorbeeld van Cardea en dat zij daarmee niet moet wachten tot [de minderjarige] op enig moment naar zijn vader gaat vragen.
De moeder zal ondanks de weerstand die zij voelt moeten inzien dat het in het belang van [de minderjarige] is om zijn vader te leren kennen. De vader kan zich van zijn kant betrokken bij [de minderjarige] tonen door hem met regelmaat een kaartje te sturen om te laten weten dat hij aan hem denkt.




Informatieregeling

Namens de moeder is bezwaar gemaakt tegen het door de vader op zitting ingediende verzoek tot vaststelling van een informatieregeling, omdat het een nieuw verzoek betreft wat niet vooraf met de moeder besproken kon worden. Ondanks het bezwaar van de moeder zal de rechtbank dit verzoek van de vader wel toelaten. De plicht tot informeren volgt al uit de wet en gebleken is dat de moeder het bestaan van deze plicht voorafgaand aan de zitting met haar advocaat in algemene zin heeft besproken. De rechtbank is verder van oordeel dat de moeder op de zitting voldoende gelegenheid heeft gekregen om verweer tegen het verzoek te kunnen voeren, zodat de rechtbank een en ander niet in strijd acht met de goede procesorde. De rechtbank zal, overeenkomstig het advies van de Raad, het verzoek van de vader toewijzen in die zin dat zij zal bepalen dat de moeder de vader een keer per kwartaal zal informeren over de gewichtige aangelegenheden betreffende [de minderjarige] , zoals schoolgang, gezondheid en ontwikkeling.





Beslissing
De rechtbank:


ontzegt de vader het recht op een zorgregeling met de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ;



bepaalt dat de moeder met ingang van heden de vader één keer per kwartaal, te weten in de maand januari, in de maand april, in de maand juli en in de maand oktober, schriftelijk informatie zal verschaffen over de gewichtige aangelegenheden betreffende [de minderjarige] , zoals schoolgang, gezondheid en ontwikkeling;



verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



wijst af het meer of anders verzochte.










Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, kinderrechter, bijgestaan door mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 23 juni 2026.