Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20555
2026-07-22
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.39326
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring vervolgberoep, artikel 59 lid 1 onder a, zicht op afgifte LP en zicht op uitzetting, ongegrond
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2025:219 Raad van State 27-01-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.671 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.39326
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiser ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 28 april 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 17 juni 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.
2.2.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 juni 2026 (in de zaak NL26.32632) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op de afgifte van een LP. Volgens eiser is het duidelijk dat de Marokkaanse overheid de aanvraag heeft ontvangen en dat het door de diverse rappels voor de Marokkaanse overheid duidelijk is dat er spoed is met de afgifte van een LP. Er is echter nog geen LP afgegeven.
5. Voor zover eiser met deze grond betwist dat er zicht op uitzetting naar Marokko bestaat binnen een redelijke termijn, kan deze grond niet slagen. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De LP-aanvraag is nog steeds in onderzoek en niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten geen LP zullen afgeven. De rechtbank stelt ook vast dat uit het M120-formulier blijkt dat verweerder in de te beoordelen termijn op 26 juni 2026 heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten.
6. Verder leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond.Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Laissez-passer.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.39326
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiser ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 28 april 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 17 juni 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.
2.2.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 juni 2026 (in de zaak NL26.32632) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op de afgifte van een LP. Volgens eiser is het duidelijk dat de Marokkaanse overheid de aanvraag heeft ontvangen en dat het door de diverse rappels voor de Marokkaanse overheid duidelijk is dat er spoed is met de afgifte van een LP. Er is echter nog geen LP afgegeven.
5. Voor zover eiser met deze grond betwist dat er zicht op uitzetting naar Marokko bestaat binnen een redelijke termijn, kan deze grond niet slagen. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De LP-aanvraag is nog steeds in onderzoek en niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten geen LP zullen afgeven. De rechtbank stelt ook vast dat uit het M120-formulier blijkt dat verweerder in de te beoordelen termijn op 26 juni 2026 heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten.
6. Verder leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond.Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Laissez-passer.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.