Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20550

2026-05-28 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/09/703927 / KG ZA 26-432
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-05-28
Publicatiedatum
2026-07-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/703927 / KG ZA 26-432
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding. Medewerking verkoop woning.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.388 tekens)
Rechtbank den haag


Team handel - voorzieningenrechter



zaak- / rolnummer: C/09/703927 / KG ZA 26-432




Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 28 mei 2026




in de zaak van





[de man] te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. K. van der Bijl te Alphen aan den Rijn,



tegen:





[de vrouw] te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. M.J. den Hollander-Fischer te Leiden.



Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.



Aanwezig is mr. T.F. Hesselink, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. T.A.E. Scheers, griffier.



Tevens zijn aanwezig beide partijen, vergezeld van hun advocaat.



Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.





1De gronden van de beslissing


1.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij hebben in 2018 een samenlevingsovereenkomst gesloten. De relatie is verbroken in januari 2025 en de samenlevingsovereenkomst is ontbonden. De man en de vrouw zijn de ouders van [minderjarige 1] (geboren op [geboortedatum 1] 2022) en [minderjarige 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2023) en zij zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan het [adres] te [plaats] (hierna: de woning). De man heeft de woning in de zomer van 2025 verlaten. De vrouw woont nog met de kinderen in de woning.



1.2.
De man vordert in deze procedure uiteindelijk na wijziging van eis ter zitting, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:


de vrouw wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de opdracht aan een makelaar en de verkoop en levering van de woning aan een derde, tegen een verkoopopbrengst zoals door de makelaar wordt geadviseerd, waarbij de man en de vrouw na aftrek (i) van de verkoopkosten, (ii) de investeringskosten van de man van € 10.578,=, (iii) de door de man voorgeschoten huishoudkosten van € 7.493,82 vermeerderd een bedrag van € 731,37 per maand vanaf april 2026 tot aan de dag van levering en (iv) de resterende hypotheekschuld, ieder de helft van de netto verkoopopbrengst toekomt;


met bepaling dat, als de vrouw niet voldoet aan hetgeen hiervoor is gevorderd, het vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in de plaats treedt van de bij toedeling en levering van de woning noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw, dan wel alle vereisten die nodig zijn voor de verkoop, eigendomsoverdracht en levering van de woning aan een derde;


de vrouw wordt veroordeeld tot betaling van de helft van de overige kosten die samenhangen met de toedeling en levering van de woning, welke betaling mag worden verrekend met het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de woning.





1.3.
De vrouw voert verweer tegen het gevorderde.



1.4.
Tussen partijen is in geschil op welk moment de woning moet worden verkocht. De man wil dat de woning op korte termijn via een makelaar te koop wordt aangeboden en wordt verkocht en geleverd aan een derde. Hij heeft nog geen vervangende woonruimte en stelt dat hij sinds zijn vertrek uit de woning tijdelijk bij zijn ouders verblijft. De man wil de overwaarde van de woning gebruiken voor vervangende woonruimte. De vrouw wil niet meewerken aan verkoop van de woning zolang zij nog niet beschikt over vervangende woonruimte in de [gemeente]. De vrouw stelt dat zij vanwege de gezondheidssituatie van [minderjarige 1] en de hulpverlening die daarvoor geboden wordt, in de [regio] moet blijven wonen. Bovendien is het voor [minderjarige 1] nodig dat er een rustige overgang kan zijn van de huidige woning naar de nieuwe woning van de vrouw en dat zij niet eerst is aangewezen op tijdelijke woonruimte, waardoor [minderjarige 1] vaker zou moeten verhuizen.



1.5.
De vorderingen van de man zijn toewijsbaar op de hierna toe te lichten wijze en om de hierna te vermelden redenen.



1.6.
De woning van partijen moet – gelet op de beëindiging van de relatie – verdeeld worden. Tussen partijen is niet in geschil dat die verdeling moet plaatsvinden door middel van verkoop van de woning aan een derde, maar zij zijn het niets eens over de termijn waarop die verkoop moet plaatsvinden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van de man bij verkoop op korte termijn inmiddels, gelet op het tijdsverloop sinds de beëindiging van de relatie, zwaarder weegt dat het belang van de vrouw in de woning te mogen blijven totdat zij geschikte andere woonruimte heeft gevonden voor zichzelf en de twee kinderen. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat de vrouw met de kinderen van partijen in de woning woont en de gezondheidssituatie van [minderjarige 1]. De vrouw heeft er wel belang bij dat zij nog enige tijd in de woning kan blijven, zodat ze de gelegenheid heeft om andere woonruimte te vinden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw in redelijkheid tot 28 oktober 2026 de gelegenheid moet krijgen vervangende woonruimte te vinden, of zoveel eerder als de vrouw andere woonruimte vindt en instemt met eerdere levering. Onder die voorwaarde worden de vorderingen van de man ten aanzien van de medewerking van de vrouw aan verkoop van de woning toegewezen. Ook de vorderingen ten aanzien van de vergoeding aan de man van zijn investering in de woning, de betaling door de vrouw van de helft van de kosten die samenhangen met de toedeling en levering van de woning en de helft van huishoudkosten worden toegewezen. Tegen toewijzing van die vorderingen heeft de vrouw geen afzonderlijk verweer gevoerd.



1.7.
In de familierechtelijke aard van dit geschil, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.






2De beslissing


De voorzieningenrechter:



2.1.
veroordeelt de vrouw tot het verlenen van haar onvoorwaardelijke en onherroepelijke medewerking aan de opdracht aan een makelaar en de verkoop en levering van de woning staande en gelegen aan het [adres] te [plaats] aan een derde, tegen een verkoopopbrengst zoals door de makelaar wordt geadviseerd, en onder de voorwaarde dat levering van de woning aan een derde niet eerder zal plaatsvinden dan op 28 oktober 2026, tenzij de vrouw alsnog met een eerdere levering instemt, waarbij onder de medewerking in ieder geval, maar niet uitsluitend, moet worden begrepen dat:


de vrouw haar medewerking verleent aan de opdracht aan de makelaar en de verkoopovereenkomst met een derde;


de vrouw haar medewerking verleent aan de levering van de woning aan een derde;


en waarbij aan de man en de vrouw, na aftrek van:


de verkoopkosten;


de investeringskosten van de man van € 10.578,00, die aan de man toekomen;


het door de man voorgeschoten aandeel van de vrouw in de huishoudkosten van € 7.493,82,- tot en met maart 2026, nog te vermeerderen met een bedrag van € 731,37 per maand vanaf 1 april 2026 tot het moment van levering van de woning aan een derde, die aan de man toekomen;


de resterende hypotheekschuld;


ieder de helft van de netto verkoopopbrengst van de woning toekomt;



2.2.
bepaalt dat indien de vrouw na schriftelijke sommatie of sommatie per e-mail niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald onder 2.1, dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de vrouw dat zij opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper;



2.3.
veroordeelt de vrouw tot betaling van de helft van de kosten die samenhangen met de toedeling en levering van de woning aan een derde, welke betaling conform de veroordeling onder 2.1 mag worden verrekend met het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de woning;



2.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



2.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;



2.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.




WAARVAN PROCES-VERBAAL,







…………………………………
T.F. Hesselink







idt