Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20539
2026-07-21
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.21130 en NL26.21131
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel Marokko, eiser met onbekende bestemming vertrokken, beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2024:2662 Raad van State 01-07-2024
- ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.256 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.21130 (beroep)
NL26.21131 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1999, van Marokkaanse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).
Inleiding
1. Eiser heeft op 5 maart 2026 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 7 april 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en gelijktijdig een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend die ertoe sterkt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep op 6 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank ziet zich in het kader van de ontvankelijkheid van het beroep voor de vraag gesteld of er nog sprake is van procesbelang. Verweerder heeft namelijk op 5 juni 2026 meegedeeld dat eiser op 29 mei 2026 met onbekende bestemming is vertrokken (MOB-melding). Op 1 juli 2026 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld geen contact meer te hebben met eiser.
3. Als een vreemdeling die in Nederland om internationale bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt, dan moet er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling in beginsel vanuit worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
4. Gelet op de omstandigheid dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat zijn gemachtigde geen contact meer met hem heeft, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk wegens een gebrek aan procesbelang.
5. De rechtbank ziet zich, gelet hierop, nog slechts voor de vraag gesteld of het digitale dossier aanleiding geeft om aan te nemen dat sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar. Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor, indien hetgeen is aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat gedwongen overdracht schending zou opleveren van artikel 3 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.
7. Nu met deze uitspraak op het beroep van eiser is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor de door hem gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL26.21130:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.21131:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zei bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
Van het EHRM 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.21130 (beroep)
NL26.21131 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1999, van Marokkaanse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).
Inleiding
1. Eiser heeft op 5 maart 2026 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 7 april 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en gelijktijdig een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend die ertoe sterkt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep op 6 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank ziet zich in het kader van de ontvankelijkheid van het beroep voor de vraag gesteld of er nog sprake is van procesbelang. Verweerder heeft namelijk op 5 juni 2026 meegedeeld dat eiser op 29 mei 2026 met onbekende bestemming is vertrokken (MOB-melding). Op 1 juli 2026 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld geen contact meer te hebben met eiser.
3. Als een vreemdeling die in Nederland om internationale bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt, dan moet er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling in beginsel vanuit worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
4. Gelet op de omstandigheid dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat zijn gemachtigde geen contact meer met hem heeft, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk wegens een gebrek aan procesbelang.
5. De rechtbank ziet zich, gelet hierop, nog slechts voor de vraag gesteld of het digitale dossier aanleiding geeft om aan te nemen dat sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar. Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor, indien hetgeen is aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat gedwongen overdracht schending zou opleveren van artikel 3 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.
7. Nu met deze uitspraak op het beroep van eiser is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor de door hem gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL26.21130:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.21131:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zei bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
Van het EHRM 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.