Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20460

2026-06-22 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/702998 / FA RK 26-3511
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-22
Publicatiedatum
2026-07-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/702998 / FA RK 26-3511
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorzieningen. Birdnestregeling afgewezen. uitsluitend gebruik aan de vrouw. Man gerechtigd om met de kinderen in de woning te verblijven gedurende zijn zorgmomenten. Kinderalimentatie vastgesteld.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (117.693 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige Kamer


Rekestnummer: FA RK 26-3511
Zaaknummer: C/09/702998
Datum beschikking: 22 juni 2026


Voorlopige voorzieningen



Beschikking op het op 8 april 2026 ingekomen verzoek van:




[de man] ,

de man,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: voorheen: mr. Asscher, nu mr. L. Rijsdam in Leiden.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: voorheen mr. Kreté-Marres, nu mr. M.Y.M. Renken in Zoeterwoude.




Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:


het verzoekschrift;


het verweerschrift met een zelfstandig verzoek;


het verweer op het zelfstandig verzoek, tevens een gewijzigd verzoek;


het F9-formulier van 5 juni 2026, met bijlagen, van de vrouw.




Op 8 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten.




[minderjarige 2] heeft in een gesprek met de rechter laten weten wat zij van het verzoek vindt.




Feiten


Partijen zijn gehuwd op [datum] 2007 in [plaats] .


Zij zijn de ouders van de minderjarige kinderen:





[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ;



[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats 1] .




De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over de kinderen.


De moeder heeft ook een meerderjarig kind uit een eerdere relatie: [naam] , geboren op [geboortedatum 3] 2002 in [geboorteplaats 2] .


De door de vrouw op 23 februari 2026 aanhangig gemaakte echtscheidingsprocedure is bij de rechtbank bekend onder zaak- en rekestnummer C/09/700158 en FA RK 26-1854.








Verzoek en verweer
De man verzoekt – na wijziging – te bepalen dat:


de kinderen voorlopig aan de man worden toevertrouwd;


er sprake is van een tijdelijke zorgregeling waarbij de ene week de man de zorg heeft over de kinderen en de andere week de vrouw, waarbij de wissel zal plaatsvinden op maandagochtend om 09.00 uur, en waarbij de vakanties als volgt worden verdeeld:





zomervakantie: maandag 29 juni tot en met woensdag 15 juli bij de vrouw, donderdag 16 juli tot en met zondag 26 juli bij de man, maandag 27 juli tot en met zondag 9 augustus bij de vrouw en maandag 10 augustus tot en met 30 augustus bij de man;



overige vakanties: conform de reguliere week op-week af regeling;




de man het uitsluitend gebruik van de woning heeft aan de [adres] te [woonplaats] , met de daarbij behorende inboedel, waarbij de vrouw in de week dat zij de zorg heeft over de kinderen toegang heeft tot de woning en de man de woning zal verlaten;


de vrouw aan de man een voorlopige bijdrage in kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal voldoen van € 332,- per maand per kind.




De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hierbij verzoekt zij zelfstandig te bepalen dat:




primair: de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoeken dan wel de verzoeken van de man af te wijzen;



subsidiair:





de kinderen voorlopig aan de vrouw worden toevertrouwd;


de kinderen voorlopig wekelijks op maandag, donderdag en zondag van 08.00 uur tot 21.30 uur bij de man verblijven en de rest van de week bij de vrouw;


een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen conform randnummer 36 van het verweerschrift;


de man met ingang van de datum van de indiening van dit verweerschrift voorlopig dient te voldoen:





periode I tot 21 juli 2026: een bedrag van € 172,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, bij vooruitbetaling voor de 1e van de maand aan de vrouw te voldoen;



periode II vanaf 21 juli 2026: een bedrag van € 340,- per maand: € 86,- ten behoeve van [minderjarige 2] en € 254,- ten behoeve van [minderjarige 1] , dan wel aan [minderjarige 1] als bijdrage in zijn levensonderhoud en studiekosten, steeds bij vooruitbetaling voor de 1e van de maand te voldoen,


dan wel een zodanige ingangsdatum en bedrag als in goede justitie te bepalen door de rechtbank;


te bepalen dat de vrouw voorlopig het uitsluitend gebruik heeft van de echtelijke woning met de daarbij behorende inboedel, waarbij de man op de dagen dat hij de zorg heeft voor de kinderen – zijnde op maandag, donderdag en zondag van 08.00 uur tot 21.30 uur – gerechtigd is om met de vrouw in de echtelijke woning te verblijven;


met afwijzing van al het andere of meer door de man verzochte.











Beoordeling


Ontvankelijkheid voorlopige voorzieningen

De vrouw stelt primair dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoeken, omdat hij niet heeft aangetoond dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoeken. De man heeft hiertegen verweer gevoerd.



De rechtbank overweegt als volgt. Het verzoek van de man tot vaststelling van voorlopige voorzieningen is gegrond op artikel 822 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dit artikel vereist niet dat een spoedeisend belang wordt aangetoond. De voorlopige voorzieningen op grond van artikel 822 Rv zijn wettelijk bedoeld als tijdelijke ordemaatregelen voor de duur van de echtscheidingsprocedure. De wetgever veronderstelt dat een spoedeisend belang aanwezig is, omdat partijen tijdens de scheidingsprocedure onmiddellijke duidelijkheid nodig hebben. Dit betekent dat de rechtbank voorbij gaat aan het primaire verzoek van de vrouw en de verzoeken van de man inhoudelijk zal beoordelen.




Uitsluitend gebruik echtelijke woning, toevertrouwing en voorlopige zorgregeling

Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. De vrouw woont momenteel met de kinderen in de echtelijke woning en de man verblijft op een camping. In onderling overleg met Veilig Verder Team hebben partijen afgesproken dat de man op maandag, donderdag en zondag van 08.00 uur tot 21.30 uur voor de kinderen zorgt en in de woning verblijft, waarbij het voor de vrouw ook is toegestaan om in de woning te zijn.



Partijen zijn het er over eens dat zij niet meer samen in de echtelijke woning kunnen verblijven, omdat dit niet in het belang van de kinderen is. Beiden stellen het belang van de kinderen voorop en zijn het erover eens dat rust en stabiliteit voor hen noodzakelijk zijn. Aan de rechtbank ligt de vraag voor welke regeling hier het meest aan bijdraagt.



De rechtbank is van oordeel dat de door de man verzochte birdnest-regeling geen passende oplossing is. Hierbij weegt voor de rechtbank zwaar mee dat de man een onveilige en onbetrouwbare situatie in huis heeft gecreëerd door gedurende langere tijd zonder medeweten van de vrouw en de kinderen geluidsopnames te maken in de woning. Deze opnames zijn niet alleen van gesprekken waarbij de man zelf aanwezig was, maar ook van gesprekken tussen de vrouw en de kinderen onderling. Vervolgens heeft de man een privédetectivebureau ingeschakeld om zijn bevindingen (onder meer de door hem gemaakte geluidsbestanden) te laten onderzoeken en hierover te rapporteren. Dit rapport bevat ernstige verwijten naar de vrouw. Hoewel de man aanvoert dat hij zo heeft gehandeld ter bescherming van de kinderen, acht de rechtbank dit zeer kwalijk. Door zijn handelswijze heeft de man het vertrouwen van de vrouw ernstig geschaad, terwijl dit juist een belangrijke voorwaarde is voor birdnesting. Daarbij kan de rechtbank niet uitsluiten dat nogmaals een onveilige thuissituatie ontstaat als er een birdnest-regeling zou gelden. De rechtbank zal het verzoek van de man om een birdnest-regeling vast te stellen dan ook afwijzen.



Dit betekent dat het uitsluitend gebruik van de woning aan één van beide partijen moet worden toegekend. De rechtbank zal daarom een belangenafweging moeten maken wie er het meeste belang heeft bij verblijf in de woning. De rechtbank komt na een belangenafweging tot het oordeel dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning voor de duur van de echtscheidingsprocedure aan de vrouw zal worden toegekend. Voor de rechtbank speelt de handelswijze van de man daarbij een doorslaggevende rol. Daarnaast heeft de man de mogelijkheid om voor een langere periode op zijn huidige plek op de camping te verblijven, terwijl de vrouw heeft aangegeven geen alternatieve woonmogelijkheden voorhanden te hebben. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan haar toe te kennen toewijzen, onder afwijzing van het verzoek van de man.



Ten aanzien van de zorgregeling overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de huidige regeling te wijzigen. De regeling is recent door partijen in onderling overleg afgesproken, is aangepast op het werk van partijen en [minderjarige 2] heeft aangegeven deze regeling goed te vinden verlopen. De vrouw verzoekt te bepalen dat de man op de dagen dat hij de zorg heeft voor de kinderen – zijnde op maandag, donderdag en zondag van 08.00 uur tot 21.30 uur – gerechtigd is om met de vrouw in de echtelijke woning te verblijven. Ondanks dat de rechtbank de zorgen van de vrouw om haar veiligheid deelt als de man ook in de woning verblijft, is zij het met de vrouw eens dat het in het belang van de kinderen is dat zij in hun eigen woning kunnen verblijven gedurende de zorgmomenten van de man. Dit geeft de kinderen meer rust en stabiliteit. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw toewijzen en vaststellen dat de man op maandag, donderdag en zondag van 08.00 uur tot 21.30 uur met de kinderen zal zijn en op die dagen gerechtigd is om met de vrouw in de echtelijke woning te verblijven.



Voor wat betreft de vakanties, zijn partijen het eens over de door de man verzochte regeling voor de zomervakantie. De rechtbank zal deze vaststellen. Voor de overige vakanties zal de rechtbank bepalen dat partijen deze zelf in onderling overleg bij helfte zullen verdelen. Deze procedure heeft het karakter van een ordemaatregel en leent zich er niet voor om een uitgebreide vakantieregeling vast te stellen. Als het de man niet lukt om een verblijf te regelen voor hem en de kinderen gedurende de vakanties, dan zal de reguliere regeling in de vakanties doorlopen.



Het verzoek om te bepalen dat het uitsluitend gebruik van de woning ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij toegewezen.



Omdat de rechtbank het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw zal toekennen, zal zij het verzoek van de vrouw om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan haar toe te vertrouwen toewijzen, onder afwijzing van het verzoek van de man.




Voorlopige onderhoudsbijdrage jong-meerderjarige

De vrouw verzoekt om een maandelijkse voorlopige bijdrage van € 254,- van de man in de kosten van levensonderhoud en studie van [minderjarige 1] , vanaf het moment dat hij meerderjarig is.



De rechtbank overweegt dat de limitatieve opsomming van voorlopige voorzieningen die hangende de echtscheidingsprocedure tussen de echtgenoten getroffen kunnen worden op grond van artikel 822, eerste lid, onderdeel d Rv geen ruimte biedt om een voorlopige kinderalimentatie voor een jong-meerderjarige vast te stellen. Uit de prejudiciële beslissing van 9 mei 2025 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:724) volgt dat het verzoek is aan te merken als een verzoek op de voet van artikel 223 Rv. De rechter kan dit verzoek gelijktijdig behandelen met de verzoeken van partijen om voorlopige voorzieningen, maar dat kan alleen als ook een bodemprocedure door of namens [minderjarige 1] is gestart. De rechtbank constateert dat dit niet het geval is. Daarom zal de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.



Omdat [minderjarige 1] ten tijde van de procedure nog geen achttien jaar is, is de vrouw wel ontvankelijk in haar verzoek ten aanzien van kinderalimentatie voor [minderjarige 1] . De rechtbank zal hierna inhoudelijk beoordelen of de man aan de vrouw een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet betalen.




Voorlopige kinderalimentatie

Bij de beoordeling van de verzoeken tot kinderalimentatie stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Als de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.



De rechtbank neemt de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.




Alimentatiegerechtigde / alimentatieplichtige

Beide partijen hebben verzocht om vaststelling van een door de andere partij te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Nu de rechtbank de kinderen aan de vrouw zal toevertrouwen en zij bij haar staan ingeschreven, wordt de vrouw geacht de verblijfsoverstijgende kosten te voldoen. Zij moet daarom als onderhoudsgerechtigde worden aangemerkt en de man als onderhoudsplichtige. Aan de hand van deze uitgangspunten zal de rechtbank haar berekening maken.




Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.



Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald.



Voor het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van een bruto jaarinkomen van € 80.771,-, zoals dat volgt uit de jaaropgave 2025.



Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op het moment van het huwelijk op € 4.484,- per maand.



Voor het NBI van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen uit loondienst van
€ 33.688,- bruto per jaar en van de fiscale winst uit onderneming van € 7.068,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de IB aangifte van 2025.



Tussen partijen in geschil is of er rekening gehouden moet worden met de zelfstandigenaftrek. De rechtbank zal hiermee geen rekening houden, aangezien uit de IB aangifte niet volgt dat de man hier in 2025 recht op heeft gehad. Wel houdt de rechtbank rekening met de MKB-winstvrijstelling. Gelet hierop bedraagt de belastbare winst uit onderneming van € 6.170,-, wat overeenkomt met de IB aangifte 2025.



Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de man op het moment van het huwelijk op € 2.835,- per maand.



Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2025 dus € 7.319,- per maand (€4.484,- + € 2.835,-). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 64,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.675,- per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.752,- per maand in totaal en € 876,- per maand per kind.



De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.




Draagkracht vrouw

Partijen gaan voor de draagkracht van de vrouw beiden uit van een inkomen van € 84.299,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de meest recente salarisspecificaties van de vrouw. De rechtbank zal partijen hierin volgen.



Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.



De vrouw is van mening dat de kosten die zij heeft voor haar meerderjarige kind [naam]
(€ 520,- per maand) in mindering moeten worden gebracht op haar draagkracht. Hiertoe voert zij aan dat [naam] studeert en dat zij met de vader van [naam] de afspraak heeft gemaakt dat zij allebei een maandelijkse bijdrage zullen leveren aan de kosten van verzorging en opvoeding van [naam] .



De man voert verweer en stelt op zijn beurt dat de bijdrage aan [naam] uit de vrije draagkrachtruimte van de vrouw moet worden voldaan. Ter onderbouwing hiervan voert hij aan dat [naam] inmiddels ouder is dan 21 jaar, zodat de vrouw niet meer onderhoudsplichtig is jegens hem. De bijdrage moet daarom als een vrijwillige keuze worden beschouwd.



De rechtbank overweegt als volgt. Conform het rapport moet voor de berekening van de draagkracht rekening worden gehouden met de bijdrage die een ouder betaalt voor zijn of haar andere kinderen uit een eerder huwelijk. Ondanks dat [naam] ouder is dan 21 jaar – en de vrouw dus niet meer wettelijk onderhoudsplichtig is jegens hem – is het naar het oordeel van de rechtbank niet ongebruikelijk dat een ouder ook na de leeftijd van 21 jaar een onderhoudsbijdrage blijft betalen aan een studerend kind. Door de man is niet betwist dat de vrouw een afspraak met de vader van [naam] heeft dat zij maandelijks € 520,- aan [naam] betaalt. Ook is niet betwist dat [naam] nog studeert. Niet duidelijk is hoe lang [naam] nog studeert en hoe lang de vrouw deze bijdrage nog moet betalen. Omdat het in deze voorlopige voorzieningen om een ordemaatregel gaat, zal de rechtbank voor de draagkracht van de vrouw rekening houden met de onderhoudsbijdrage van € 520,- per maand. De rechtbank merkt hierbij op dat dit oordeel in de bodemprocedure mogelijk anders kan uitvallen.



Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 5.160,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.



Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,- zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-) gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [5.160 – (1.548 + 1.365)] = € 1.573,- per maand. Hierop wordt het bedrag van € 520,-, zijnde de bijdrage voor [naam] , in mindering gebracht. Op basis van het voorgaande bedraagt de draagkracht van de vrouw dan € 1.053,- per maand.




Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank – evenals partijen zelf – uit van een inkomen uit loondienst van € 2.681,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld, te vermeerderen met een eindejaarsuitkering van € 222,- per maand.



De rechtbank houdt verder rekening met:



de pensioenpremie van € 205,- per maand;


de premie Arb. Ongesch. Pens. van € 6,- per maand.




Daarnaast gaat de rechtbank uit van dezelfde winst uit onderneming als bij zijn behoefteberekening, zijnde € 7.068,- bruto per jaar. Hierop wordt de MKB-winstvrijstelling in mindering gebracht.



Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2016 op € 2.912,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.



Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [2.912 – (874 + 1.365,-)] = € 471,- per maand.




Draagkrachttekort

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.542,- per maand
(€ 1.053,- + € 471,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 210,- per maand.



De man heeft ter zitting gesteld dat de werkelijke loonlasten van de vrouw duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget en dat met deze lagere lasten rekening moet worden gehouden. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad op 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) heeft geoordeeld dat het hanteren van een forfaitaire woonlast op zichzelf niet in strijd is met de wettelijke maatstaven. Indien met de berekende draagkracht van de ouders niet (geheel) in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit toepassing van het forfait (0,3 x NBI), zal de rechter (ambtshalve) moeten nagaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, moet de rechter ofwel deze hogere bijdrage opleggen, ofwel motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.



De rechtbank ziet in het kader van deze voorlopige voorzieningen procedure geen aanleiding om rekening te houden met de werkelijke woonlasten van de vrouw. De man heeft hier voorafgaand aan de zitting (in zijn verzoekschrift en berekeningen) geen beroep op gedaan. De vrouw heeft geen mogelijkheid gehad hiertegen verweer te voeren en daarnaast heeft de rechtbank geen inzicht gekregen in de exacte hoogte van de woonlasten.




Zorgkorting

Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. In beginsel geldt voor een zorgregeling waarbij een ouder drie dagen per week en gedurende de helft van de vakanties voor de kinderen zorgt, een zorgkortingspercentage van 35%. Echter, de man verblijft met de kinderen in de woning van de vrouw, waardoor zijn woon- en verblijfskosten voor de kinderen aanzienlijk lager zijn. De rechtbank acht het daarom redelijk om in dit geval een zorgkortingspercentage van 25% te hanteren. De zorgkorting bedraagt dan € 438,- (25% van € 1.752,-).




Aandeel man

Omdat sprake is van een tekort van € 210,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 333,- per maand
(€ 438,- -/- € € 105,-).



Het aandeel van de man in kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt dan € 138,- per maand
(€ 471,- -/- € 333,-).




Ingangsdatum

De rechtbank acht het in deze voorlopige voorzieningenprocedure redelijk om, conform de hoofdregel van artikel 822 lid 2 Rv, de datum van deze beschikking – 22 juni 2026 – als ingangsdatum te hanteren.




Conclusie

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 22 juni 2026, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 138,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het meer of anders verzochte over de voorlopige kinderalimentatie afwijzen.
















Beslissing
De rechtbank:


*
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] [woonplaats] , waarbij de man op de dagen dat hij de zorg heeft voor de kinderen – zijnde op maandag, donderdag en zondag van 08.00 uur tot 21.30 uur – gerechtigd is om met de vrouw in de echtelijke woning te verblijven;



*
bepaalt dat de minderjarigen:




[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ;



[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats 1] ,


aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;


*
stelt vast dat de man de zorg voor de kinderen draagt: iedere maandag, donderdag en zondag van 08.00 uur tot 21.30 uur;



*
bepaalt dat de vakanties en feestdagen als volgt worden verdeeld:




zomervakantie: maandag 29 juni tot en met woensdag 15 juli bij de vrouw, donderdag 16 juli tot en met zondag 26 juli bij de man, maandag 27 juli tot en met zondag 9 augustus bij de vrouw, maandag 10 augustus tot en met 30 augustus bij de man.



overige vakanties en feestdagen: in onderling overleg bij helfte,


waarbij geldt dat als de man geen verblijfplaats voor hem en de kinderen heeft gedurende de vakanties, de reguliere zorgregeling zal doorlopen;


*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 22 juni 2026, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 138,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;



*
wijst af het meer of anders verzochte.




Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong - Kwestro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2026.











Partij


Man




Zaak


Man / Vrouw (C/09/702998)




Berekening


Behoefte




Tarieven


2025-2




Datum uitdraai


18-06-2026





























Box 1 Inkomen uit werk en woning











Loon volgens jaaropgaaf











(60)





60


Loon volgens jaaropgaaf








€


33.688




































Op het bruto loon ingehouden





59


Inkomsten (transport)








€


33.688




































Belastbaar loon (61-64)










64







Belastbaar loon





















€







33.688




































Winst uit onderneming (65-75)





65


Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)








€


7.068




70


Winst uit onderneming








€


7.068




































Ondernemersaftrek








MKB Winstvrijstelling





-


€


898









75







Belastbare winst uit onderneming





















€







6.170




































Heffing box 1 (94-95)










94







Belastbaar inkomen uit werk en woning





















€







39.858







- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)








€


13.769







- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817








€


531









95







Inkomensheffing box 1





















€







14.300




































Besteedbaar inkomen (113-120)





113


Inkomen voor aftrek inkomensheffing








€


40.756









114


Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3





€


14.300







115/116


Heffingskorting en standaard heffingskorting


-


€


7.890







117


Verschuldigde inkomensheffing





-


€


6.410
















Inkomen na aftrek inkomensheffing





















€







34.346

































Specificaties voor post: 115/116













Algemene Heffingskorting





€


2.343


jaar










Arbeidskorting





€


5.547


jaar







































117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW








Winst uit onderneming





€


6.170










Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd





€


6.170










Maximum bijdrage loon





€


75.864










Af: Bruto salaris waarover werkgever ZVW premie heeft afgedragen


-


€


33.688










Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd





€


42.176










Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd





€


6.170










Percentage Zvw





%


5,26










Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW





€


325




































Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW





-


€


325

























































Totale inkomsten





















€







34.021









120







Besteedbaar inkomen





















€







34.021




































120a

















Netto besteedbaar inkomen (per jaar)





















€







34.021




120a


Netto besteedbaar inkomen (per maand)








€


2.835








































































Partij


Vrouw




Zaak


Man / Vrouw (C/09/702998)




Berekening


Behoefte




Tarieven


2025-2




Datum uitdraai


18-06-2026





























Box 1 Inkomen uit werk en woning











Loon volgens jaaropgaaf











(60)





60


Loon volgens jaaropgaaf








€


80.771




































Op het bruto loon ingehouden





59


Inkomsten (transport)








€


80.771




































Belastbaar loon (61-64)










64







Belastbaar loon





















€







80.771




































Heffing box 1 (94-95)










94







Belastbaar inkomen uit werk en woning





















€







80.771







- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)








€


13.769







- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817








€


14.383







- Schijf 3, 49,5% over € 76.818 of meer








€


1.957









95







Inkomensheffing box 1





















€







30.109




































Besteedbaar inkomen (113-120)





113


Inkomen voor aftrek inkomensheffing








€


80.771









114


Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3





€


30.109







115/116


Heffingskorting en standaard heffingskorting


-


€


3.145







117


Verschuldigde inkomensheffing





-


€


26.964
















Inkomen na aftrek inkomensheffing





















€







53.807

































Specificaties voor post: 115/116













Algemene Heffingskorting





€


0


jaar










Arbeidskorting





€


3.145


jaar













































Totale inkomsten





















€







53.807









120







Besteedbaar inkomen





















€







53.807




































120a

















Netto besteedbaar inkomen (per jaar)





















€







53.807




120a


Netto besteedbaar inkomen (per maand)








€


4.484

















































































NBGI voor scheiding











Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding








NBI voor scheiding Man








€


2.835







NBI voor scheiding Vrouw








€


4.484







Bij: Kindgebonden budget voor scheiding








€


64
















Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding





















€







7.383




































Eigen aandeel kosten kinderen











Eigen aandeel kosten kinderen








Ouders hebben in gezinsverband geleefd











ja







NBGI voor scheiding








€


7.383







Tabel aantal kinderen








2



















Eigen aandeel ouders in de kosten kinderen volgens tabel





















€







1.675






























#


Indexeren











ja







Startjaar











2025







Eindjaar











2026
















Eigen aandeel ouders geïndexeerd





















€







1.752




































































Partij


Man




Zaak


Man / Vrouw (702998)




Berekening


Draagkracht 2026




Tarieven


2026-1




Datum uitdraai


18-06-2026





























Box 1 Inkomen uit werk en woning











Loon (41-50)





41


Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking








€


32.172




44


Vakantietoeslag








€


2.574




48


Belaste gratificaties, tantièmes, eindejaarsuitkering








€


2.664
















Bruto inkomsten





















€







37.410




































Premies (51-59)











Pensioenpremie





51


Ingehouden pensioenpremie





-


€


2.460




53


Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat





-


€


72




54


Loon voor de premies werknemersverzekeringen








€


34.878



































59







Inkomsten





















€







34.878




































Belastbaar loon (61-64)










64







Belastbaar loon





















€







34.878




































Winst uit onderneming (65-75)





65


Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)








€


7.068




70


Winst uit onderneming








€


7.068




































Ondernemersaftrek








MKB Winstvrijstelling





-


€


898









75







Belastbare winst uit onderneming





















€







6.170




































Heffing box 1 (94-95)










94







Belastbaar inkomen uit werk en woning





















€







41.048







- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)








€


13.900







- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426








€


813









95







Inkomensheffing box 1





















€







14.713




































Besteedbaar inkomen (113-120)





113


Inkomen voor aftrek inkomensheffing








€


41.946









114


Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3





€


14.713







115/116


Heffingskorting en standaard heffingskorting


-


€


8.006







117


Verschuldigde inkomensheffing





-


€


6.707
















Inkomen na aftrek inkomensheffing





















€







35.239

































Specificaties voor post: 115/116













Algemene Heffingskorting





€


2.392


jaar










Arbeidskorting





€


5.614


jaar







































117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW








Winst uit onderneming





€


6.170










Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd





€


6.170










Maximum bijdrage loon





€


79.412


























Af: Bruto salaris waarover werkgever ZVW premie heeft afgedragen


-


€


37.410










Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd





€


42.002










Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd





€


6.170










Percentage Zvw





%


4,85










Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW





€


299




































Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW





-


€


299



































120







Besteedbaar inkomen





















€







34.940




































120a

















Netto besteedbaar inkomen (per jaar)





















€







34.940




120a


Netto besteedbaar inkomen (per maand)








€


2.912




































Draagkracht tbv kinderalimentatie











Draagkracht tbv kinderalimentatie





120a


Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie








€


2.912







Draagkracht wordt berekend op basis van








Formule







122a


Kosten van levensonderhoud





€


1.365







123a


Woonbudget





€


874







135a


Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie








€


2.239




136a


Draagkrachtruimte








€


673




137a


Draagkrachtpercentage








%


70







Beschikbaar








€


471




140a


Draagkracht tbv kinderalimentatie








€


471



























Partij


Vrouw




Zaak


Man / Vrouw (702998)




Berekening


Draagkracht 2026




Tarieven


2026-1




Datum uitdraai


18-06-2026





























Box 1 Inkomen uit werk en woning











Loon volgens jaaropgaaf











(60)





60


Loon volgens jaaropgaaf








€


84.299




































Op het bruto loon ingehouden





59


Inkomsten (transport)








€


84.299




































Belastbaar loon (61-64)










64







Belastbaar loon





















€







84.299




































Heffing box 1 (94-95)










94







Belastbaar inkomen uit werk en woning





















€







84.299







- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)








€


13.900







- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426








€


14.852







- Schijf 3, 49,5% over € 78.427 of meer








€


2.907









95







Inkomensheffing box 1





















€







31.659




































Besteedbaar inkomen (113-120)





113


Inkomen voor aftrek inkomensheffing








€


84.299









114


Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3





€


31.659







115/116


Heffingskorting en standaard heffingskorting


-


€


3.166







117


Verschuldigde inkomensheffing





-


€


28.493
















Inkomen na aftrek inkomensheffing





















€







55.806

































Specificaties voor post: 115/116













Algemene Heffingskorting





€


0


jaar










Arbeidskorting





€


3.166


jaar




































Bij: Kindgebonden budget





€


6.117






































120







Besteedbaar inkomen





















€







61.923




































120a

















Netto besteedbaar inkomen (per jaar)





















€







61.923




120a


Netto besteedbaar inkomen (per maand)








€


5.160




































Draagkracht tbv kinderalimentatie











Draagkracht tbv kinderalimentatie





120a


Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie








€


5.160







Draagkracht wordt berekend op basis van








Formule







122a


Kosten van levensonderhoud





€


1.365







123a


Woonbudget





€


1.548







135a


Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie








€


2.913




136a


Draagkrachtruimte








€


2.247




137a


Draagkrachtpercentage








%


70







Beschikbaar








€


1.573




















138a


Af: Bijdrage aan andere kinderen





-


€


520




140a


Draagkracht tbv kinderalimentatie








€


1.053