Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20458
2026-06-22
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/679416 / FA RK 25-672
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
scheiding, partneralimentatie, verdeling eenvoudige gemeenschap met IPR aspect
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.109 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-672 (scheiden) en FA RK 25-672 (scheiden)
Zaaknummer: C/09/679416 (scheiden) en C/09/687430 (verdelen)
Datum beschikking: 22 juni 2026
Scheiding
Beschikking op het op 24 januari 2025 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.J.M.H. de Werd te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.C. de Wit-Facchetti te Rotterdam.
Procedure
Bij beschikking van deze rechtbank van 15 mei 2026 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en iedere verdere beslissing over de verzochte nevenvoorzieningen aangehouden.
De rechtbank heeft de vrouw gelegenheid gegeven om te reageren op de brief van de werkgever van 7 april 2026. Bij brief van 29 mei 2026 heeft de vrouw daarop gereageerd en gesteld dat de man ook gehouden zou zijn om zijn laatste drie salarisspecificaties in te dienen. De man heeft aan dat verzoek op 5 juni 2026 gehoor gegeven. Met het F9-formulier van 12 juni 2026 heeft de vrouw de rechtbank bericht geen opmerkingen te hebben over de ingediende salarisspecificaties.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening is de Nederlandse rechter bevoegd om van de alimentatieverzoeken kennis te nemen. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Haags Protocol 2007 het Nederlandse recht toepassen op het verzoek met betrekking tot de partneralimentatie, nu de onderhoudsgerechtigde de gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling en berekening van de partneralimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
De rechtbank zal hierna eerst de behoefte van de vrouw en daarna de draagkracht van de man berekenen.
- behoefte van de vrouw
De rechtbank gaat bij de berekening van de behoefte van de vrouw uit van de zogenoemde Hofnorm. Daarbij wordt de behoefte van de vrouw berekend op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI), minus de kosten van de kinderen.
Het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift is in februari 2025 ingediend door de vrouw. De rechtbank zal daarom bij de berekening van het NBGI uitgaan van de inkomensgegevens van partijen in 2025 en de tarieven 2025-I van het alimentatierekenprogramma.
Voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man zal de rechtbank uitgaan van een bruto jaarinkomen van € 182.503,-, zoals blijkt uit de door de man overgelegde jaaropgave 2025. Rekening houdend met de fiscale bijtelling voor het privé gebruik van de zakelijke auto berekent de rechtbank het NBI van de man tijdens het huwelijk op € 7.875,- per maand.
Voor de berekening van het NBI van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van een bruto jaarinkomen van € 35.056,-, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde jaaropgave 2025. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw tijdens het huwelijk op € 2.547,- per maand.
Gelet op het voorgaande bedraagt het NBGI van partijen (2.547 + 7.875 =) € 10.422,- per maand. Hoewel de kinderen van partijen inmiddels meerderjarig zijn, zijn partijen het erover eens dat de kosten van de kinderen van het NBGI moet worden afgetrokken bij de berekening van de partneralimentatie. Tussen partijen is wel in geschil van welk bedrag daarvoor moet worden uitgegaan. Volgens de vrouw dient er uitgegaan te worden van een bedrag van € 1.038,- per maand, terwijl de man stelt dat uitgegaan moet worden van een bedrag van € 1.634,- per maand. De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank het door haar gestelde bedrag van € 1.038,- per maand in haar pleitnota gemotiveerd onderbouwd. De rechtbank zal daarom van dat bedrag uitgaan. Dit betekent dat er een bedrag van (10.422 – 1.038 =) € 9.384,- per maand beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen.
Gelet op het bovenstaande, bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw volgens de Hofnorm € 5.630,- netto per maand, te weten 60% van € 9.384,- per maand.
- aanvullende behoefte
De rechtbank zal beoordelen in hoeverre de vrouw redelijkerwijs zelf in haar behoefte kan voorzien.
Op de netto behoefte van € 5.630,- van de vrouw moet haar huidige NBI in mindering worden gebracht. Voor de berekening van het huidige NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van een bruto maandinkomen van € 2.560,- per maand exclusief 8% vakantietoeslag, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde salarisstroken van januari 2026 en februari 2026. Verder houdt de rechtbank rekening met een ingehouden pensioenpremie van € 230,- per maand.
Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het huidig NBI van de vrouw op € 2.333,- per maand.
De vrouw heeft dus een aanvullende behoefte van (5.630 – 2.333 =) € 3.297,- netto per maand. Dit is € 6.436,- bruto per maand.
- draagkracht man
Bij de vaststelling van de draagkracht van de man is tussen partijen in geschil van welk inkomen moet worden uitgegaan. Vaststaat dat de man vanwege een reorganisatie per 1 juli 2026 zijn baan zal verliezen. De man komt per 1 juli 2026 in aanmerking voor een bruto WW-uitkering van naar schatting € 4.632,- per maand. Daarnaast zal de man een ontslagvergoeding van bruto € 55.000,- ontvangen. De man stelt dat ondanks zijn inspanningen het hem tot op heden niet gelukt is een nieuwe baan te vinden op hetzelfde inkomensniveau als zijn huidige baan. Bovendien stelt de man met psychische problematiek te kampen. Volgens hem bemoeilijkt dit het vinden van een nieuwe baan. Om deze reden acht de man het redelijk om bij de berekening van zijn draagkracht uit te gaan van een WW-uitkering van € 4.632,- per maand, aangevuld met zijn ontslagvergoeding van bruto € 55.000,- ‘uitgesmeerd’ over twee jaar.
De vrouw is het hier niet mee eens. Volgens haar kan van de man worden verwacht dat hij binnen een jaar een andere baan zal vinden. De ontslagvergoeding van de man dient volgens de vrouw dan ook ‘uitgesmeerd’ te worden over een periode van een jaar.
De rechtbank zal bij de berekening van de draagkracht van de man in ieder geval uitgaan van een bruto WW-uitkering van € 4.632,- per maand, zoals door de man gesteld en door de vrouw niet betwist. Volgens de door de man overgelegde proefberekening van de WW-uitkering is dat bedrag inclusief vakantiegeld. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat hij inspanningen verricht om een nieuwe baan te vinden op hetzelfde niveau als zijn laatste baan. Zijn inspanningen hebben alleen nog geen resultaat opgeleverd. De rechtbank acht het gelet op het voorgaande redelijk om de ontslagvergoeding van bruto € 55.000,- over een periode van twee jaar te verdelen (uit te smeren). Hierbij merkt de rechtbank op dat op de man de verplichting rust de vrouw te informeren op het moment dat hij een andere baan heeft gevonden en zijn financiële situatie wijzigt. Zijn draagkracht dient dan opnieuw te worden berekend.
Gelet op bovenstaande, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.336,- per maand.
De rechtbank zal, in lijn met het rapport de draagkracht vaststellen aan de hand van de formule 60% [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)]. De rechtbank ziet, anders dan door de man is verzocht, geen aanleiding om af te wijken van het (forfaitaire) woonbudget. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man namelijk onvoldoende onderbouwd dat zijn (toekomstige) woonlasten structureel hoger zullen zijn. Daarnaast zal de rechtbank rekening houden met een door de man te betalen bijdragen voor de meerderjarige kinderen van € 750,- per maand in plaats van € 1.038,-. [de dochter] zal namelijk een nieuwe studie volgen per 1 september 2026 die minder kosten met zich mee zal brengen dan haar huidige studie. De rechtbank zal in haar berekening daarop vooruitlopen.
De draagkracht van de man bedraagt daarmee € 252,- per maand. Gebruteerd komt dit bedrag neer op € 403,- per maand. Aangezien de draagkracht van de man lager is dan de aanvullende behoefte van de vrouw, wordt de vast te stellen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw begrensd tot de hoogte van de draagkracht van de man.
- ingangsdatum
Op grond van artikel 1:157 BW kan de partneralimentatie niet eerder ingaan dan op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal de partneralimentatie daarom met ingang van deze datum vaststellen.
- conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 403,- bruto per maand zal betalen. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
- aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Verdeling eenvoudige gemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Partijen hebben bij het huwelijk gekozen voor uitsluiting van elke huwelijkse gemeenschap. Samen hebben zij nadien de woning in Nederland gekocht. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning in Nederland een eenvoudige gemeenschap is.
Op geschillen over de verdeling van een eenvoudige gemeenschap is ingevolge artikel 24 lid 1 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 de Nederlandse rechter bevoegd. Ingevolge artikel 10:127 BW is het Nederlands recht van toepassing op de verdeling van de eenvoudige gemeenschap. Partijen verschillen daar niet van mening over. De vrouw stelt alleen dat haar verzoek om de woning onverdeeld te laten een verzoek is dat ziet op de persoonlijke betrekkingen van partijen en daarop het Italiaans recht van toepassing is omdat op het huwelijks vermogensregime ook Italiaans recht van toepassing is. De rechtbank volgt de vrouw niet in dit standpunt. Artikel 10:127 BW wijst namelijk zowel bij het verzoek tot verdeling van een eenvoudige gemeenschap het toepasselijk recht aan, als bij het verzoek tot het onverdeeld laten van die gemeenschap.
De vrouw stelt verder dat uit artikel 10:8 BW volgt dat in het geval de abstracte verwijzingsregel niet resulteert in de toepassing op de rechtsverhouding van het ‘sterkst betrokken recht’, de rechter in uitzonderlijke gevallen de gelegenheid heeft om een ander recht toe te passen. De rechtbank overweegt dat de zogenaamde algemene exceptieclausule van artikel 10:8 BW uitsluitend van toepassing is in het geval een verwijzingsregel uit Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek ter discussie staat, in dit geval artikel 10:127 BW. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan in dat geval een beroep op artikel 10:8 BW slagen.
De vrouw stelt daartoe dat het Italiaans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en de persoonlijke betrekking van partijen, alsmede dat geen recht op pensioenverevening bestaat. Verder stelt de vrouw dat partijen niet bedacht waren dat het Nederlands recht van toepassing op de woning zou zijn. Hetgeen door de man overigens wordt betwist. De rechtbank volgt de vrouw in dit standpunt ook niet. Zij overweegt daarbij dat de woning in Nederland gelegen is, partijen al geruime tijd in Nederland verblijven en de rechtbank – gelet op de voorliggende verzoeken – de indruk heeft dat partijen de intentie hebben om ook na de echtscheiding in Nederland te blijven. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vrouw onvoldoende feiten heeft gesteld die maken dat de rechtbank op grond van artikel 10:8 lid 1 BW het Italiaans recht als toepasselijk recht zal moeten aanwijzen.
Ook verwijst de vrouw ter onderbouwing van haar standpunt naar artikel 4, eerste en vierde lid van het Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen richting de meerderjarige kinderen. De rechtbank kan de vrouw niet volgen in haar standpunt dat een eventuele onderhoudsverplichting naar Italiaans recht meebrengt dat ook Italiaans recht op toepassing zou zijn op de verdeling. Ten overvloede overweegt de rechtbank daarbij dat de meerderjarige kinderen geen partij in deze procedure zijn en dat ook bij de berekening van de partneralimentatie rekening is gehouden met een onderhoudsbijdrage voor de kinderen.
De vrouw stelt zich verder – naar de rechtbank begrijpt – subsidiair op het standpunt dat toepassing van Nederlands recht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, mede gelet op de belangen van de meerderjarige kinderen. [de dochter] moet immers binnenkort haar studentenwoning verlaten en ondergaat een psychische behandeling. [de zoon] beschikt niet over eigen woonruimte. Omdat hij niet studeert, kan hij ook geen aanspraak maken op studentenhuisvesting. Daarnaast heeft [de zoon] op dit moment geen inkomen, waardoor hij financieel niet in staat is een eigen woonruimte te bekostigen. De rechtbank is van oordeel dat toepassing van Nederlands recht naar maatstaven van redelijkheid niet onaanvaard is. De door de vrouw gestelde belangen worden naar Nederlands recht namelijk ook betrokken in de beoordeling van het verdelingsverzoek, namelijk ingevolge artikel 3:166 lid 3 BW en 3:178 lid 3 BW.
Gelet op voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat Nederlands recht van toepassing is op het verzoek tot verdeling van de woning van de man en het verzoek tot het onverdeeld laten en voortgezet gebruik van de vrouw.
Inhoudelijke beoordeling
De man stelt zich op het standpunt dat de echtelijke woning verkocht dient te worden. Om deze reden verzoekt hij te bepalen dat de verkoop van de echtelijke woning zal geschieden conform het door hem voorgestelde ‘spoorboekje’.
De vrouw voert hiertegen verweer. Volgens haar dient de echtelijke woning op grond van artikel 1:178 lid 3 BW voor de duur van drie jaar onverdeeld te blijven. Hiertoe voert de vrouw aan dat zij niet de verwachting heeft dat zij op korte termijn over een eigen geschikte woonruimte zal kunnen beschikken. Ook dient volgens de vrouw rekening te worden gehouden met de eerder genoemde omstandigheden van de meerderjarige kinderen van partijen.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 3:178 BW volgt dat deelgenoten in beginsel niet in onverdeeldheid hoeven te blijven, maar vrij zijn om verdeling van een gemeenschappelijk goed te vorderen. Op dit beginsel zijn een aantal uitzonderingen mogelijk. Zo bepaalt het derde lid van artikel 3:178 BW dat indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend de rechter op verlangen van een deelgenoot een of meerdere malen, telkens voor ten hoogste drie jaar, een vordering tot verdeling kan uitsluiten.
De rechtbank is van oordeel dat de belangen van de vrouw bij het onverdeeld laten van de echtelijke woning niet aanmerkelijk groter zijn dan de belangen van de man die door verdeling worden gediend. Het feit dat de vrouw nu in de woning verblijft en dat de kinderen bij haar wonen, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht nu een echtscheiding veelal met zich meebrengt dat partijen zullen moeten verhuizen waardoor ook de woonsituatie van de kinderen wijzigt. Bovendien zijn de kinderen van partijen meerderjarig. Daarnaast heeft de man de woning per 1 oktober 2025 moeten verlaten en heeft hij zijn deel van de overwaarde nodig voor eigen woonruimte en zijn levensonderhoud. Verder overweegt de rechtbank dat zelfs als het mogelijk zou zijn de maandelijkse hypotheeklasten substantieel te verlagen door niet of minder af te lossen zoals de vrouw stelt, dan blijven partijen verbonden aan de hypotheekschuld waardoor de man geen andere woning kan financieren. De rechtbank is daarom van oordeel dat het belang van de man om de woning te verdelen het zwaarste weegt. Dit betekent dat de rechtbank de verzoeken van de vrouw ten aanzien van het onverdeeld laten van de echtelijke woning en het voortgezet gebruik van de echtelijke woning zal afwijzen en het verzoek van de man zal toewijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 403,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt vast dat eenvoudige gemeenschap te [adres] zal worden wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
partijen verstrekken binnen veertien dagen na de datum van de beschikking een gezamenlijke opdracht aan een door de man aan te wijzen makelaar-taxateur strekkende tot verkoop van de woning aan een derde; de makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
partijen zullen alle medewerking verlenen aan die werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het gelegenheid bieden voor het maken van foto’s en bezichtigingen door de makelaar met potentiële kopers, waarbij de woning in een zoveel mogelijk presentabele staat dient te verkeren;
de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen; de over- dan wel overwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de verkoop en notariële levering van de woning, waarbij geldt dat de vrouw dient mee te werken aan ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst binnen drie dagen nadat de man daarom verzoekt (en de verkoop plaatsvindt tegen minimaal door de makelaar bepaalde laatprijs, en dan wel een door partijen schriftelijk overeengekomen laatprijs en de koopovereenkomst de daarvoor gebruikelijke condities bevat) en dat de vrouw dient mee te werken aan de levering van de woning op de dag bepaald in de koopovereenkomst of een in afwijking daarvan nader schriftelijk met de koper overeen te komen dag;
indien de vrouw niet, na schriftelijke sommatie of sommatie per e-mail, binnen twee dagen voldoet aan enige verplichting als vermeld onder a) of b), is zij een dwangsom verschuldigd van € 500,- per overtreding en van € 500,- voor elke dag dat de overtreding voortduurt tot een maximum van € 25.000,-;
indien de vrouw niet tijdig haar medewerking aan verkoop en levering verleent, waarbij wordt verwezen naar de termijnen onder d), treedt de beschikking op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats van het deel van de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de vrouw dat zij de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 22 juni 2026.
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-672 (scheiden) en FA RK 25-672 (scheiden)
Zaaknummer: C/09/679416 (scheiden) en C/09/687430 (verdelen)
Datum beschikking: 22 juni 2026
Scheiding
Beschikking op het op 24 januari 2025 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.J.M.H. de Werd te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.C. de Wit-Facchetti te Rotterdam.
Procedure
Bij beschikking van deze rechtbank van 15 mei 2026 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en iedere verdere beslissing over de verzochte nevenvoorzieningen aangehouden.
De rechtbank heeft de vrouw gelegenheid gegeven om te reageren op de brief van de werkgever van 7 april 2026. Bij brief van 29 mei 2026 heeft de vrouw daarop gereageerd en gesteld dat de man ook gehouden zou zijn om zijn laatste drie salarisspecificaties in te dienen. De man heeft aan dat verzoek op 5 juni 2026 gehoor gegeven. Met het F9-formulier van 12 juni 2026 heeft de vrouw de rechtbank bericht geen opmerkingen te hebben over de ingediende salarisspecificaties.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening is de Nederlandse rechter bevoegd om van de alimentatieverzoeken kennis te nemen. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Haags Protocol 2007 het Nederlandse recht toepassen op het verzoek met betrekking tot de partneralimentatie, nu de onderhoudsgerechtigde de gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling en berekening van de partneralimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
De rechtbank zal hierna eerst de behoefte van de vrouw en daarna de draagkracht van de man berekenen.
- behoefte van de vrouw
De rechtbank gaat bij de berekening van de behoefte van de vrouw uit van de zogenoemde Hofnorm. Daarbij wordt de behoefte van de vrouw berekend op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI), minus de kosten van de kinderen.
Het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift is in februari 2025 ingediend door de vrouw. De rechtbank zal daarom bij de berekening van het NBGI uitgaan van de inkomensgegevens van partijen in 2025 en de tarieven 2025-I van het alimentatierekenprogramma.
Voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man zal de rechtbank uitgaan van een bruto jaarinkomen van € 182.503,-, zoals blijkt uit de door de man overgelegde jaaropgave 2025. Rekening houdend met de fiscale bijtelling voor het privé gebruik van de zakelijke auto berekent de rechtbank het NBI van de man tijdens het huwelijk op € 7.875,- per maand.
Voor de berekening van het NBI van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van een bruto jaarinkomen van € 35.056,-, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde jaaropgave 2025. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw tijdens het huwelijk op € 2.547,- per maand.
Gelet op het voorgaande bedraagt het NBGI van partijen (2.547 + 7.875 =) € 10.422,- per maand. Hoewel de kinderen van partijen inmiddels meerderjarig zijn, zijn partijen het erover eens dat de kosten van de kinderen van het NBGI moet worden afgetrokken bij de berekening van de partneralimentatie. Tussen partijen is wel in geschil van welk bedrag daarvoor moet worden uitgegaan. Volgens de vrouw dient er uitgegaan te worden van een bedrag van € 1.038,- per maand, terwijl de man stelt dat uitgegaan moet worden van een bedrag van € 1.634,- per maand. De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank het door haar gestelde bedrag van € 1.038,- per maand in haar pleitnota gemotiveerd onderbouwd. De rechtbank zal daarom van dat bedrag uitgaan. Dit betekent dat er een bedrag van (10.422 – 1.038 =) € 9.384,- per maand beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen.
Gelet op het bovenstaande, bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw volgens de Hofnorm € 5.630,- netto per maand, te weten 60% van € 9.384,- per maand.
- aanvullende behoefte
De rechtbank zal beoordelen in hoeverre de vrouw redelijkerwijs zelf in haar behoefte kan voorzien.
Op de netto behoefte van € 5.630,- van de vrouw moet haar huidige NBI in mindering worden gebracht. Voor de berekening van het huidige NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van een bruto maandinkomen van € 2.560,- per maand exclusief 8% vakantietoeslag, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde salarisstroken van januari 2026 en februari 2026. Verder houdt de rechtbank rekening met een ingehouden pensioenpremie van € 230,- per maand.
Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het huidig NBI van de vrouw op € 2.333,- per maand.
De vrouw heeft dus een aanvullende behoefte van (5.630 – 2.333 =) € 3.297,- netto per maand. Dit is € 6.436,- bruto per maand.
- draagkracht man
Bij de vaststelling van de draagkracht van de man is tussen partijen in geschil van welk inkomen moet worden uitgegaan. Vaststaat dat de man vanwege een reorganisatie per 1 juli 2026 zijn baan zal verliezen. De man komt per 1 juli 2026 in aanmerking voor een bruto WW-uitkering van naar schatting € 4.632,- per maand. Daarnaast zal de man een ontslagvergoeding van bruto € 55.000,- ontvangen. De man stelt dat ondanks zijn inspanningen het hem tot op heden niet gelukt is een nieuwe baan te vinden op hetzelfde inkomensniveau als zijn huidige baan. Bovendien stelt de man met psychische problematiek te kampen. Volgens hem bemoeilijkt dit het vinden van een nieuwe baan. Om deze reden acht de man het redelijk om bij de berekening van zijn draagkracht uit te gaan van een WW-uitkering van € 4.632,- per maand, aangevuld met zijn ontslagvergoeding van bruto € 55.000,- ‘uitgesmeerd’ over twee jaar.
De vrouw is het hier niet mee eens. Volgens haar kan van de man worden verwacht dat hij binnen een jaar een andere baan zal vinden. De ontslagvergoeding van de man dient volgens de vrouw dan ook ‘uitgesmeerd’ te worden over een periode van een jaar.
De rechtbank zal bij de berekening van de draagkracht van de man in ieder geval uitgaan van een bruto WW-uitkering van € 4.632,- per maand, zoals door de man gesteld en door de vrouw niet betwist. Volgens de door de man overgelegde proefberekening van de WW-uitkering is dat bedrag inclusief vakantiegeld. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat hij inspanningen verricht om een nieuwe baan te vinden op hetzelfde niveau als zijn laatste baan. Zijn inspanningen hebben alleen nog geen resultaat opgeleverd. De rechtbank acht het gelet op het voorgaande redelijk om de ontslagvergoeding van bruto € 55.000,- over een periode van twee jaar te verdelen (uit te smeren). Hierbij merkt de rechtbank op dat op de man de verplichting rust de vrouw te informeren op het moment dat hij een andere baan heeft gevonden en zijn financiële situatie wijzigt. Zijn draagkracht dient dan opnieuw te worden berekend.
Gelet op bovenstaande, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.336,- per maand.
De rechtbank zal, in lijn met het rapport de draagkracht vaststellen aan de hand van de formule 60% [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)]. De rechtbank ziet, anders dan door de man is verzocht, geen aanleiding om af te wijken van het (forfaitaire) woonbudget. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man namelijk onvoldoende onderbouwd dat zijn (toekomstige) woonlasten structureel hoger zullen zijn. Daarnaast zal de rechtbank rekening houden met een door de man te betalen bijdragen voor de meerderjarige kinderen van € 750,- per maand in plaats van € 1.038,-. [de dochter] zal namelijk een nieuwe studie volgen per 1 september 2026 die minder kosten met zich mee zal brengen dan haar huidige studie. De rechtbank zal in haar berekening daarop vooruitlopen.
De draagkracht van de man bedraagt daarmee € 252,- per maand. Gebruteerd komt dit bedrag neer op € 403,- per maand. Aangezien de draagkracht van de man lager is dan de aanvullende behoefte van de vrouw, wordt de vast te stellen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw begrensd tot de hoogte van de draagkracht van de man.
- ingangsdatum
Op grond van artikel 1:157 BW kan de partneralimentatie niet eerder ingaan dan op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal de partneralimentatie daarom met ingang van deze datum vaststellen.
- conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 403,- bruto per maand zal betalen. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
- aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
Verdeling eenvoudige gemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Partijen hebben bij het huwelijk gekozen voor uitsluiting van elke huwelijkse gemeenschap. Samen hebben zij nadien de woning in Nederland gekocht. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning in Nederland een eenvoudige gemeenschap is.
Op geschillen over de verdeling van een eenvoudige gemeenschap is ingevolge artikel 24 lid 1 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 de Nederlandse rechter bevoegd. Ingevolge artikel 10:127 BW is het Nederlands recht van toepassing op de verdeling van de eenvoudige gemeenschap. Partijen verschillen daar niet van mening over. De vrouw stelt alleen dat haar verzoek om de woning onverdeeld te laten een verzoek is dat ziet op de persoonlijke betrekkingen van partijen en daarop het Italiaans recht van toepassing is omdat op het huwelijks vermogensregime ook Italiaans recht van toepassing is. De rechtbank volgt de vrouw niet in dit standpunt. Artikel 10:127 BW wijst namelijk zowel bij het verzoek tot verdeling van een eenvoudige gemeenschap het toepasselijk recht aan, als bij het verzoek tot het onverdeeld laten van die gemeenschap.
De vrouw stelt verder dat uit artikel 10:8 BW volgt dat in het geval de abstracte verwijzingsregel niet resulteert in de toepassing op de rechtsverhouding van het ‘sterkst betrokken recht’, de rechter in uitzonderlijke gevallen de gelegenheid heeft om een ander recht toe te passen. De rechtbank overweegt dat de zogenaamde algemene exceptieclausule van artikel 10:8 BW uitsluitend van toepassing is in het geval een verwijzingsregel uit Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek ter discussie staat, in dit geval artikel 10:127 BW. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan in dat geval een beroep op artikel 10:8 BW slagen.
De vrouw stelt daartoe dat het Italiaans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en de persoonlijke betrekking van partijen, alsmede dat geen recht op pensioenverevening bestaat. Verder stelt de vrouw dat partijen niet bedacht waren dat het Nederlands recht van toepassing op de woning zou zijn. Hetgeen door de man overigens wordt betwist. De rechtbank volgt de vrouw in dit standpunt ook niet. Zij overweegt daarbij dat de woning in Nederland gelegen is, partijen al geruime tijd in Nederland verblijven en de rechtbank – gelet op de voorliggende verzoeken – de indruk heeft dat partijen de intentie hebben om ook na de echtscheiding in Nederland te blijven. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vrouw onvoldoende feiten heeft gesteld die maken dat de rechtbank op grond van artikel 10:8 lid 1 BW het Italiaans recht als toepasselijk recht zal moeten aanwijzen.
Ook verwijst de vrouw ter onderbouwing van haar standpunt naar artikel 4, eerste en vierde lid van het Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen richting de meerderjarige kinderen. De rechtbank kan de vrouw niet volgen in haar standpunt dat een eventuele onderhoudsverplichting naar Italiaans recht meebrengt dat ook Italiaans recht op toepassing zou zijn op de verdeling. Ten overvloede overweegt de rechtbank daarbij dat de meerderjarige kinderen geen partij in deze procedure zijn en dat ook bij de berekening van de partneralimentatie rekening is gehouden met een onderhoudsbijdrage voor de kinderen.
De vrouw stelt zich verder – naar de rechtbank begrijpt – subsidiair op het standpunt dat toepassing van Nederlands recht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, mede gelet op de belangen van de meerderjarige kinderen. [de dochter] moet immers binnenkort haar studentenwoning verlaten en ondergaat een psychische behandeling. [de zoon] beschikt niet over eigen woonruimte. Omdat hij niet studeert, kan hij ook geen aanspraak maken op studentenhuisvesting. Daarnaast heeft [de zoon] op dit moment geen inkomen, waardoor hij financieel niet in staat is een eigen woonruimte te bekostigen. De rechtbank is van oordeel dat toepassing van Nederlands recht naar maatstaven van redelijkheid niet onaanvaard is. De door de vrouw gestelde belangen worden naar Nederlands recht namelijk ook betrokken in de beoordeling van het verdelingsverzoek, namelijk ingevolge artikel 3:166 lid 3 BW en 3:178 lid 3 BW.
Gelet op voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat Nederlands recht van toepassing is op het verzoek tot verdeling van de woning van de man en het verzoek tot het onverdeeld laten en voortgezet gebruik van de vrouw.
Inhoudelijke beoordeling
De man stelt zich op het standpunt dat de echtelijke woning verkocht dient te worden. Om deze reden verzoekt hij te bepalen dat de verkoop van de echtelijke woning zal geschieden conform het door hem voorgestelde ‘spoorboekje’.
De vrouw voert hiertegen verweer. Volgens haar dient de echtelijke woning op grond van artikel 1:178 lid 3 BW voor de duur van drie jaar onverdeeld te blijven. Hiertoe voert de vrouw aan dat zij niet de verwachting heeft dat zij op korte termijn over een eigen geschikte woonruimte zal kunnen beschikken. Ook dient volgens de vrouw rekening te worden gehouden met de eerder genoemde omstandigheden van de meerderjarige kinderen van partijen.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 3:178 BW volgt dat deelgenoten in beginsel niet in onverdeeldheid hoeven te blijven, maar vrij zijn om verdeling van een gemeenschappelijk goed te vorderen. Op dit beginsel zijn een aantal uitzonderingen mogelijk. Zo bepaalt het derde lid van artikel 3:178 BW dat indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend de rechter op verlangen van een deelgenoot een of meerdere malen, telkens voor ten hoogste drie jaar, een vordering tot verdeling kan uitsluiten.
De rechtbank is van oordeel dat de belangen van de vrouw bij het onverdeeld laten van de echtelijke woning niet aanmerkelijk groter zijn dan de belangen van de man die door verdeling worden gediend. Het feit dat de vrouw nu in de woning verblijft en dat de kinderen bij haar wonen, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht nu een echtscheiding veelal met zich meebrengt dat partijen zullen moeten verhuizen waardoor ook de woonsituatie van de kinderen wijzigt. Bovendien zijn de kinderen van partijen meerderjarig. Daarnaast heeft de man de woning per 1 oktober 2025 moeten verlaten en heeft hij zijn deel van de overwaarde nodig voor eigen woonruimte en zijn levensonderhoud. Verder overweegt de rechtbank dat zelfs als het mogelijk zou zijn de maandelijkse hypotheeklasten substantieel te verlagen door niet of minder af te lossen zoals de vrouw stelt, dan blijven partijen verbonden aan de hypotheekschuld waardoor de man geen andere woning kan financieren. De rechtbank is daarom van oordeel dat het belang van de man om de woning te verdelen het zwaarste weegt. Dit betekent dat de rechtbank de verzoeken van de vrouw ten aanzien van het onverdeeld laten van de echtelijke woning en het voortgezet gebruik van de echtelijke woning zal afwijzen en het verzoek van de man zal toewijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 403,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt vast dat eenvoudige gemeenschap te [adres] zal worden wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
partijen verstrekken binnen veertien dagen na de datum van de beschikking een gezamenlijke opdracht aan een door de man aan te wijzen makelaar-taxateur strekkende tot verkoop van de woning aan een derde; de makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
partijen zullen alle medewerking verlenen aan die werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het gelegenheid bieden voor het maken van foto’s en bezichtigingen door de makelaar met potentiële kopers, waarbij de woning in een zoveel mogelijk presentabele staat dient te verkeren;
de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen; de over- dan wel overwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de verkoop en notariële levering van de woning, waarbij geldt dat de vrouw dient mee te werken aan ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst binnen drie dagen nadat de man daarom verzoekt (en de verkoop plaatsvindt tegen minimaal door de makelaar bepaalde laatprijs, en dan wel een door partijen schriftelijk overeengekomen laatprijs en de koopovereenkomst de daarvoor gebruikelijke condities bevat) en dat de vrouw dient mee te werken aan de levering van de woning op de dag bepaald in de koopovereenkomst of een in afwijking daarvan nader schriftelijk met de koper overeen te komen dag;
indien de vrouw niet, na schriftelijke sommatie of sommatie per e-mail, binnen twee dagen voldoet aan enige verplichting als vermeld onder a) of b), is zij een dwangsom verschuldigd van € 500,- per overtreding en van € 500,- voor elke dag dat de overtreding voortduurt tot een maximum van € 25.000,-;
indien de vrouw niet tijdig haar medewerking aan verkoop en levering verleent, waarbij wordt verwezen naar de termijnen onder d), treedt de beschikking op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats van het deel van de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de vrouw dat zij de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 22 juni 2026.