Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20442

2026-07-22 Civiel recht; Arbeidsrecht 12174672 \ RP VERZ 26-50442
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-07-22
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12174672 \ RP VERZ 26-50442
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2026/269

Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet omdat werknemer in strijd met het advies van de bedrijfsarts zijn re-integratieverplichtingen niet is nagekomen en werk heeft geweigerd blijft in stand. Werknemer heeft geen recht op vergoedingen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (30.645 tekens)
RECHTBANK


Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats 's-Gravenhage



PV/c
Zaaknummer / rekestnummer: 12174672 \ RP VERZ 26-50442




Beschikking van 22 juli 2026




in de zaak van





[verzoekende partij]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekende partij] ,
gemachtigde: mr. W.F. van Dijk,



tegen




BIESIEKLETTE HOLDING B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
verwerende partij,
hierna te noemen: Biesieklette,
gemachtigde: mr. W.J. Vroegindeweij.





1De procedure


1.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:


het verzoekschrift, ingekomen op 8 april 2026, met producties 1 tot en met 22;


het verweerschrift met producties 1 tot en met 10;


de brief van [verzoekende partij] van 19 juni 2026 met aanvullende productie 23;


de aantekeningen van de mondelinge behandeling op 24 juni 2026 en de tijdens die zitting namens partijen overgelegde schriftelijke spreekaantekeningen.







2De feiten


2.1.
[verzoekende partij] is op 23 juli 2023 in dienst getreden bij Biesieklette. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van Medewerker Serviceteam voor 36 uur per week tegen een bruto maandsalaris van € 2.635,03, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.



2.2.

[verzoekende partij] is op 14 augustus 2024 uitgevallen wegens ziekte.



2.3.
Biesieklette heeft vanaf maart 2025 diverse brieven aan [verzoekende partij] gestuurd in verband met het niet naleven van afspraken en verplichtingen in het kader van zijn re-integratie. Voor zover relevant betreft het de volgende correspondentie:

- een eerste waarschuwingsbrief van 5 maart 2025, gestuurd omdat [verzoekende partij] die dag zonder geldige reden niet op het werk is verschenen, terwijl de bedrijfsarts had vastgesteld dat hij geschikt was voor aangepast werk;

- een tweede waarschuwingsbrief van 6 maart 2025, gestuurd omdat [verzoekende partij] die dag opnieuw niet op het werk is verschenen;

- een brief van 12 maart 2025 met de aankondiging dat per 23 maart 2025 het loon wordt opgeschort, gestuurd omdat [verzoekende partij] op 7 maart 2025 en ook daarna niet op het werk is verschenen;

- een brief van 25 november 2025 met het verzoek om volledig mee te werken aan het re-integratieproces, gestuurd naar aanleiding van het bericht van de werkgever in tweede spoor dat [verzoekende partij] telefonisch niet bereikbaar was, gemaakte afspraken niet nakwam, geen bewijs aanleverde van de verplichte wekelijkse sollicitatieactiviteiten en uitsluitend per e-mail wilde communiceren waarbij alle communicatie vooraf door FNV diende te worden gelezen;

- een (laatste) formele waarschuwingsbrief van 23 december 2025, gestuurd omdat [verzoekende partij] die dag, de dag ervoor en de week daarvoor niet op het werk is verschenen, terwijl de bedrijfsarts had vastgesteld dat de re-integratie diende te worden voortgezet;

- een brief van 24 december 2025 met de aankondiging dat per die datum het loon wordt stopgezet, gestuurd omdat [verzoekende partij] zijn re-integratiewerkzaamheden niet had hervat en onvoldoende meewerkte aan spoor 2;

- een brief van 15 januari 2026, waarin is vermeld dat [verzoekende partij] op 29 en 30 december 2025 zijn werkzaamheden heeft hervat en over die dagen loon ontvangt, op 31 december 2025 niet is verschenen en over die dag geen loon ontvangt en dat zijn ziekmelding van 2 januari 2026, op welke dag [verzoekende partij] is geopereerd, is geaccepteerd waarna vanaf die datum het loon wordt doorbetaald conform de regels bij ziekte.



2.4.

[verzoekende partij] heeft op 28 januari 2026 een consult gehad bij de bedrijfsarts van de arbodienst (Remplooi Verzuiminterventie). Naar aanleiding van dit consult heeft de bedrijfsarts een Bijstelling probleemanalyse en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. In de Bijstelling probleemanalyse staat dat [verzoekende partij] op 2 januari 2026 een gerichte behandeling heeft ondergaan, maar dat hij geen vorderend herstel ervaart en zich moet richten op herstel. De bedrijfsarts heeft daarbij gemeld dat indien het herstel per 10 februari 2026 nog niet vordert [verzoekende partij] contact moet opnemen met zijn behandelaar en dat indien het herstel wel weer vordert hij vanaf week 7 van 2026 (maandag 9 tot en met vrijdag 15 februari 2026) zijn re-integratie in passende werkzaamheden kan hervatten met inachtneming van de beperkingen opgenomen in de FML. In de FML heeft de bedrijfsarts aangegeven dat [verzoekende partij] gemiddeld niet meer dan ongeveer acht uur per dag kan werken. De Bijstelling probleemanalyse en de FML zijn op 4 februari 2026 door de arbodienst per e-mail aan [verzoekende partij] toegezonden.



2.5.
De arbodienst heeft op 4 februari 2026 tevens een brief aan Biesieklette gestuurd waarin de arbodienst aangeeft dat telefonisch contact heeft plaatsgevonden met [verzoekende partij] en dat hij, conform het advies van bedrijfsarts, zijn werkzaamheden vanaf week 7 van 2026 kan hervatten in aangepast werk voor 36 uur per week.



Vrijdag 6 februari 2026




2.6.
Biesieklette heeft [verzoekende partij] op 6 februari 2026 om 09:55 uur per e-mail bericht dat zij van de arbodienst heeft vernomen dat [verzoekende partij] zijn re-integratie vanaf de daaropvolgende week (dus per maandag 9 februari 2026) kan hervatten. Daarbij heeft Biesieklette aangegeven dat dit ook door de arbodienst met [verzoekende partij] is besproken. Biesieklette heeft [verzoekende partij] medegedeeld dat hij op 9 februari 2026 om 10:30 uur op de locatie aan de [straatnaam] wordt verwacht om zijn re-integratie te hervatten.



2.7.

[verzoekende partij] heeft hierop om 10:08 uur per e-mail gereageerd dat hij nog aan het herstellen is van zijn operatie, klachten ervaart en op grond van het advies van de bedrijfsarts zich eerst moet richten op herstel en contact moet opnemen met zijn behandelaar als het herstel niet vordert. [verzoekende partij] heeft aangegeven dat hij daarom nog niet kan bevestigen dat hij op 9 februari 2026 met zijn re-integratie kan starten en eerst zijn medisch herstel en het advies van zijn behandelaar wil afwachten.



2.8.
Biesieklette heeft hierop om 10:29 uur per e-mail gereageerd dat zij het advies van de arbodienst inmiddels heeft ontvangen en dat daarin duidelijk staat dat [verzoekende partij] vanaf week 7 van 2026 zijn re-integratie kan hervatten. Omdat dit een bindend advies betreft, betekent dit volgens Biesieklette dat [verzoekende partij] op 9 februari 2026 start met zijn re-integratie. Biesieklette heeft daarbij aangegeven dat [verzoekende partij] , indien hij ondanks het advies van de bedrijfsarts toch niet kan starten, contact moet opnemen met de arbodienst en dat Biesieklette totdat een aangepast medisch advies zou zijn uitgebracht uitgaat van het huidige medische advies en hem op 9 februari 2026 op het werk verwacht.



2.9.

[verzoekende partij] heeft vervolgens om 15:13 uur een e-mail gestuurd aan de bedrijfsarts. Daarin heeft hij aangegeven dat Biesieklette van hem verwacht dat hij op 9 februari 2026 start met re-integratie, maar dat hij nog steeds klachten ervaart als aanhoudende pijn en bloedingen na de operatie, waarvoor hij om 15:30 uur een afspraak in het ziekenhuis gepland heeft staan. [verzoekende partij] heeft de bedrijfsarts gevraagd om aan te geven of het medisch verantwoord is om te starten met re-integratie of dat eerst het advies van zijn behandelaar dient te worden afgewacht.



Maandag 9 februari 2026




2.10.

[verzoekende partij] heeft op 9 februari 2026 om 10:31 uur telefonisch contact gehad met de arbodienst. Vervolgens heeft hij Biesieklette om 10:40 uur via WhatsApp bericht dat hij contact heeft opgenomen met de arbodienst en zijn situatie heeft toegelicht. [verzoekende partij] heeft aangegeven dat de arbodienst het verder in behandeling neemt en het medisch advies terugkoppelt en dat hij Biesieklette zal informeren zodra hij bericht heeft ontvangen.



2.11.
Biesieklette heeft [verzoekende partij] om 16:35 uur per e-mailbrief bericht dat zij van de arbodienst een bevestiging heeft gekregen dat de bedrijfsarts heeft geoordeeld dat [verzoekende partij] zijn re-integratie met ingang van week 7 van 2026 dient te hervatten op de gebruikelijke locatie, werktijden en uren en dat de arbodienst daarbij heeft laten weten dat dit advies ook rechtstreeks met [verzoekende partij] is gedeeld. Biesieklette heeft aangegeven dat het niet verschijnen op het werk door [verzoekende partij] , ondanks het advies van de bedrijfsarts, neerkomt op het niet meewerken aan de re-integratieverplichtingen en daarmee op werkweigering. Biesieklette heeft [verzoekende partij] gesommeerd om op 10 februari 2026 zijn werkzaamheden te hervatten conform het advies van de bedrijfsarts en aangekondigd dat het loon met ingang van 9 februari 2026 wordt stopgezet. In de e-mailbrief heeft Biesieklette erop gewezen dat het blijven weigeren om het advies van de bedrijfsarts op te volgen en het niet hervatten van de werkzaamheden kan leiden tot verdere arbeidsrechtelijke maatregelen, waaronder ontslag op staande voet. Biesieklette heeft daarbij herhaald dat de bestaande afspraken van kracht blijven totdat er een schriftelijk aangepast advies van de bedrijfsarts is afgegeven.



2.12.

[verzoekende partij] heeft om 20:50 uur een e-mail gestuurd aan de bedrijfsarts. [verzoekende partij] heeft daarin aangegeven dat de bedrijfsarts hem heeft geadviseerd om contact op te nemen met het ziekenhuis indien klachten voor 10 februari 2026 niet zouden verbeteren. Volgens [verzoekende partij] heeft hij dat gedaan en is in het ziekenhuis een ontsteking na de operatie vastgesteld, waarvoor hij medicatie heeft gekregen. Volgens [verzoekende partij] ervaart hij nog steeds pijnklachten, is sprake van aanhoudende bloedingen en is zijn herstel onvoldoende. [verzoekende partij] heeft de bedrijfsarts gevraagd om zijn situatie opnieuw te beoordelen en aan te geven wat medisch verantwoord is met betrekking tot zijn re-integratie.



Dinsdag 10 februari 2026




2.13.

[verzoekende partij] heeft om 12:05 uur een e-mail gestuurd aan de arbodienst, met Biesieklette in cc. In deze e-mail heeft hij aangegeven dat zijn klachten zijn toegenomen, dat hij onder behandeling is en medicatie gebruikt en dat hij ernstige stress en slaapproblemen ervaart. [verzoekende partij] heeft met spoed verzocht om een nieuwe afspraak bij de bedrijfsarts voor een herbeoordeling van zijn belastbaarheid en re-integratiemogelijkheden.



2.14.
Biesieklette heeft de arbodienst om 13:59 uur per e-mail gevraagd hoe zij met het verzoek vanuit [verzoekende partij] moet omgaan en wat dit betekent voor zijn re-integratie. De arbodienst heeft Biesieklette vervolgens per brief bericht dat de e-mails van [verzoekende partij] van 6 februari 2026 zijn voorgelegd aan de bedrijfsarts en dat de bedrijfsarts geen aanleiding ziet om de Bijstelling probleemanalyse te wijzigen.



Woensdag 11 februari 2026




2.15.
Biesieklette heeft [verzoekende partij] op 11 februari 2026 om 15:37 uur per e-mailbrief op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat onder meer het volgende:


“(…) Van de arbodienst hebben wij bevestigd gekregen dat de bedrijfsarts heeft geoordeeld dat u met ingang van week 7 uw re-integratiewerkzaamheden dient te hervatten op uw gebruikelijke locatie, werktijden en uren. De arbodienst heeft ons tevens bevestigd dat dit advies ook rechtstreeks met u is gedeeld.



Op 6 februari hebben wij u per e-mail verzocht om uw re-integratie conform dit advies te hervatten. Op 9 februari 2026 hebben wij u schriftelijk gesommeerd om uw werkzaamheden conform dit advies te hervatten en u gewezen op de consequenties indien u hieraan geen gehoor zou geven.



Desondanks bent u op 10 en 11 februari niet verschenen op het werk. U heeft daarbij aangegeven dat u zelf van mening bent dat u nog niet kunt werken en dat u een herbeoordeling wenst, terwijl de bedrijfsarts heeft aangegeven dat zijn medische oordeel ongewijzigd blijft en dat u kunt werken.



Binnen het kader van re-integratie is uitsluitend het oordeel van de bedrijfsarts bepalend voor uw inzetbaarheid. Door dit advies niet op te volgen en niet te verschijnen op het werk, handelt u in strijd met uw re-integratieverplichtingen. Dit kwalificeert als ernstige en verwijtbare werkweigering (…) en levert een dringende reden op (…).”







3Het geschil


3.1.

[verzoekende partij] verzoekt om (verkort weergegeven):



primair




I. Biesieklette te veroordelen tot betaling van € 31.266,37 bruto aan billijke vergoeding, € 2.749,93 bruto aan transitievergoeding en € 4.926,42 bruto aan vergoeding wegens onregelmatige opzegging;




subsidiair




II. Biesieklette te veroordelen tot betaling van € 2.749,93 bruto aan transitievergoeding;




primair en subsidiair




III. Biesieklette te veroordelen:


- tot nabetaling van € 500,11 bruto aan ingehouden salaris in januari 2026 en € 290,64 bruto aan ingehouden salaris in februari 2026, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie, te vermeerderen met vakantietoeslag en overige emolumenten en de wettelijke verhoging;

- tot betaling van € 1.172,33 aan buitengerechtelijke kosten;

- tot betaling van de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen;

- in de kosten van de procedure.



3.2.

[verzoekende partij] legt aan zijn verzoek – samengevat – het volgende ten grondslag. Biesieklette is ten onrechte overgegaan tot ontslag op staande voet zodat van een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst door Biesieklette geen sprake is. Als gevolg hiervan is Biesieklette primair een billijke vergoeding, de transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding verschuldigd. Voor het geval het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekende partij] , dient subsidiair alsnog een transitievergoeding te worden toegekend, omdat het niet toekennen daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In beide gevallen, dus zowel primair als subsidiair, geldt dat Biesieklette het loon dat zij onterecht heeft ingehouden over januari en februari 2026 dient na te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging, en de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente over de te betalen bedragen moet voldoen.



3.3.
Biesieklette verzoekt om de verzoeken van [verzoekende partij] af te wijzen, met veroordeling van [verzoekende partij] in de proceskosten. Op het verweer van Biesieklette wordt hieronder – voor zover van belang – nader ingegaan.








4De beoordeling



Ontslag op staande voet




4.1.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is. Het moet gaan om zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet hoeft te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals de leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet zou hebben. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer.



Onverwijlde opzegging





4.2.

[verzoekende partij] stelt zich op het standpunt dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven, kort gezegd omdat Biesieklette reeds op 9 februari 2026 bekend zou zijn geweest met het niet hervatten van de re-integratiewerkzaamheden. Dit standpunt wordt niet gevolgd. Op 9 februari 2026 heeft Biesieklette [verzoekende partij] onder aankondiging van een loonstop gesommeerd om op 10 februari 2026 zijn werkzaamheden te hervatten conform het advies van de bedrijfsarts. Toen [verzoekende partij] ook op 10 februari 2026 niet verscheen, heeft Biesieklette naar aanleiding van de e-mail van [verzoekende partij] van die ochtend de arbodienst gevraagd wat het verzoek om een herbeoordeling betekende voor de re-integratie. De arbodienst heeft geantwoord dat er geen aanleiding was om de Bijstelling probleemanalyse te wijzigen. Vervolgens heeft Biesieklette [verzoekende partij] , ondanks de eerdere waarschuwing en de aangekondigde loonstop, nog een dag de gelegenheid gegeven om zijn werkzaamheden te hervatten. Toen [verzoekende partij] ook op 11 februari 2026 niet op het werk verscheen, is hem diezelfde dag ontslag op staande voet verleend wegens het in strijd met het advies van de bedrijfsarts herhaaldelijk niet nakomen van re-integratieverplichtingen en daarmee weigeren van werk. Het ontslag is daarmee onverwijld gegeven.



Dringende reden





4.3.
Aan de dringende reden voor het ontslag op staande voet heeft Biesieklette ten grondslag gelegd dat [verzoekende partij] in strijd met het advies van de bedrijfsarts herhaaldelijk zijn re-integratieverplichtingen niet is nagekomen en werk heeft geweigerd. Niet in geschil is dat [verzoekende partij] ondanks herhaalde verzoeken en een officiële waarschuwing met aankondiging van een loonstop en verdergaande arbeidsrechtelijke maatregelen, waaronder een ontslag op staande voet, op 9, 10 en 11 februari 2026 niet op het werk is verschenen. De kantonrechter is van oordeel dat dat ten onrechte is geweest, omdat in redelijkheid van [verzoekende partij] gevergd kon worden om met ingang van 9 februari 2026 zijn (re-integratie)werkzaamheden in aangepast werk, zoals geadviseerd door de bedrijfsarts, te verrichten. Uit de brief van de bedrijfsarts van 4 februari 2026 aan Biesieklette blijkt immers dat [verzoekende partij] daartoe in staat werd geacht. Ondanks de e-mails van Biesieklette van 6 februari 2026 en de schriftelijke waarschuwing van 9 februari 2026 is [verzoekende partij] blijven weigeren om op het werk te verschijnen en om (re-integratie)werkzaamheden te verrichten, dan wel een poging daartoe te doen. [verzoekende partij] heeft daarmee zijn verplichtingen bij ziekte en re-integratie geschonden.



4.4.

[verzoekende partij] stelt dat hij het advies van de bedrijfsarts van 4 februari 2026 aan Biesieklette pas na het ontslag op staande voet heeft ontvangen en zelf altijd is uitgegaan van het advies in de Bijstelling probleemanalyse. Zelfs indien deze stelling juist zou zijn en [verzoekende partij] niet bekend was met het aangepaste advies, dan nog bestond er geen aanleiding om te weigeren naar het werk te komen. [verzoekende partij] was er immers van op de hoogte dat de bedrijfsarts van oordeel was dat hij zijn werkzaamheden kon hervatten. Biesieklette heeft hem op 6 februari 2026 bericht hoe het meest recente advies van de bedrijfsarts luidde en dat daaruit volgde dat [verzoekende partij] op 9 februari 2026 zijn werkzaamheden diende te hervatten. Biesieklette heeft deze boodschap diezelfde dag en ook op 9 februari 2026 middels een officiële waarschuwing herhaald. [verzoekende partij] wist derhalve dat van hem werd verlangd dat hij zijn werkzaamheden zou hervatten en dat de bedrijfsarts hem daartoe ook daadwerkelijk in staat achtte. Onder die omstandigheden bestond er geen goede reden om niet op het werk te verschijnen.



4.5.
Voor zover [verzoekende partij] meent dat hij op 9, 10 of 11 februari 2026 zodanige beperkingen had dat hij zijn werkzaamheden niet kon hervatten, of zelfs niet in staat was om op kantoor te verschijnen voor overleg met Biesieklette, geldt dat hij dit onvoldoende heeft onderbouwd. Bovendien heeft hem dit er niet toe mogen bewegen om dan maar niet naar het werk te komen, omdat het advies van de bedrijfsarts nu juist was dat hij in aangepast werk kon hervatten. Een herbeoordeling was op dat moment niet afgegeven. Biesieklette heeft er herhaaldelijk terecht op gewezen dat het geldende advies leidend is totdat een nieuw advies van de bedrijfsarts beschikbaar is. [verzoekende partij] heeft echter, zonder dat er een aangepast advies van de bedrijfsarts lag en ondanks de waarschuwing van Biesieklette, zonder deugdelijke grond geweigerd te voldoen aan het redelijke verzoek van Biesieklette tot hervatting van zijn werkzaamheden.



4.6.

[verzoekende partij] voert aan dat van een dringende reden geen sprake kan zijn, omdat Biesieklette voor het niet naleven van de re-integratieverplichtingen per 9 februari 2026 het loon heeft stopgezet en van bijkomende omstandigheden die het ontslag op staande voet rechtvaardigen geen sprake is. Het is juist dat bij het niet naleven van redelijke (controle)voorschriften in beginsel opschorting of stopzetting van het loon de aangewezen sanctie is. De Hoge Raad heeft in het arrest Vixia/Gerrits (ECLI:NL:HR:2004:AO9549) echter geoordeeld dat dit er niet aan in de weg staat dat niet-naleving van dergelijke voorschriften gepaard kan gaan met andere feiten en omstandigheden die, in onderlinge samenhang, wel kunnen leiden tot het oordeel dat een dringende reden voor ontslag op staande voet aanwezig is.



4.7.
Naar het oordeel van de kantonrechter is in dit geval sprake van dergelijke bijkomende omstandigheden. [verzoekende partij] is tot drie keer toe niet het op werk verschenen om zijn werkzaamheden te hervatten. Op 9 februari 2026 is hij gewaarschuwd dat hij zich op het werk diende te melden en is hij, onder aankondiging van een loonstop, gesommeerd om te verschijnen. Daarbij is hem tevens medegedeeld dat bij niet-naleving een ontslag op staande voet kon volgen. Deze waarschuwing, sommatie, loonstop en waarschuwing voor ontslag hebben geen effect gesorteerd. [verzoekende partij] zag daarin kennelijk geen enkele prikkel om op het werk te verschijnen, al was het maar om met Biesieklette in gesprek te gaan over zijn re-integratie. Daar komt bij dat [verzoekende partij] vanaf maart 2025 zijn re-integratieverplichtingen niet steeds nakomt en daarvoor ook al diverse keren is gewaarschuwd en eerder een loonstop opgelegd heeft gekregen. Binnen een tijdsbestek van nog geen jaar hebben zich twee vergelijkbare situaties voorgedaan als de situatie die heeft geleid tot het ontslag op staande voet. Uit de in maart, november en december 2025 gestuurde (waarschuwings)brieven van Biesieklette (zoals kort weergegeven in r.o. 2.3.) komt een beeld naar voren van [verzoekende partij] als een werknemer die, ondanks adviezen van de bedrijfsarts dat hij in staat is werkzaamheden te verrichten, meent zelf te kunnen bepalen of hij al dan niet in staat is om zijn (aangepaste) werkzaamheden te hervatten. Dit heeft zich ook voorgedaan op 9, 10 en 11 februari 2026. [verzoekende partij] was op dat moment een gewaarschuwd mens en het moet voor hem dan ook duidelijk zijn geweest dat zijn weigering om op deze dagen op het werk te verschijnen een dringende reden zou opleveren. Het ontslag op staande voet is dan ook rechtsgeldig gegeven.



Geen opzegverbod





4.8.
Het beroep van [verzoekende partij] op het opzegverbod tijdens ziekte wordt verworpen, omdat dit opzegverbod niet geldt indien de opzegging plaatsvindt wegens een dringende reden. Zoals hiervoor is overwogen, is daarvan in dit geval sprake.



Geen billijke vergoeding





4.9.
Het verzoek van [verzoekende partij] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat het ontslag rechtsgeldig is.



Geen transitievergoeding





4.10.
Hoewel een dringende reden niet zonder meer samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, is de kantonrechter van oordeel dat de feiten en omstandigheden die aan de dringende reden ten grondslag liggen en wat daarover is overwogen in dit geval ook ernstige verwijtbaarheid opleveren. De aard van deze feiten en omstandigheden rechtvaardigt de conclusie dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de [verzoekende partij] . [verzoekende partij] stelt dat hij onbekend was met het advies van de bedrijfsarts van 4 februari 2026 aan Biesieklette en zich zo goed mogelijk heeft gehouden aan het advies van de bedrijfsarts dat hem bekend was, maar zelfs als dat juist zou zijn, zijn dat geen omstandigheden op grond waarvan het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De conclusie is dat [verzoekende partij] geen recht heeft op een transitievergoeding. Het verzoek om Biesieklette te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding dat [verzoekende partij] zowel primair als subsidiair heeft gedaan wordt daarom afgewezen.



Geen vergoeding vanwege onregelmatige opzegging





4.9.
Biesieklette heeft [verzoekende partij] terecht op staande voet ontslagen. Biesieklette was daarom niet gehouden een opzegtermijn in acht te nemen en zij is daarom evenmin verplicht een vergoeding aan [verzoekende partij] te betalen.



Geen nabetaling van het loon





4.11.
Wat betreft januari 2026 stelt [verzoekende partij] dat € 500,11 bruto aan salaris te weinig is betaald als gevolg van een onterechte inhouding van het loon over 29 en 30 december 2025. Vastgesteld wordt dat uit de brief van 15 januari 2026 volgt dat [verzoekende partij] op die dagen zijn werkzaamheden bij Biesieklette heeft hervat en dat Biesieklette heeft toegezegd deze dagen alsnog uit te betalen. [verzoekende partij] stelt dat Biesieklette desondanks het salaris over deze dagen heeft ingehouden, maar dat dit daadwerkelijk het geval is blijkt niet duidelijk uit de door hem overgelegde salarisstrook over januari 2026. Los van die salarisstrook heeft hij onvoldoende toegelicht waaruit blijkt dat het in januari 2026 uitbetaalde salaris onjuist zou zijn. Daarom wordt geoordeeld dat Biesieklette over januari 2026 niet meer loon verschuldigd is dan reeds is betaald. Het verzochte bedrag wordt afgewezen. De daaraan gekoppelde nevenvorderingen (verstrekking specificatie, betaling emolumenten en wettelijke verhoging) delen in dat lot.



4.12.
Wat betreft februari 2026 stelt [verzoekende partij] dat Biesieklette over 9, 10 en 11 februari 2026 ten onrechte het loon heeft ingehouden. [verzoekende partij] baseert dit standpunt op min of meer dezelfde stellingen als die hij ten grondslag heeft gelegd aan zijn betoog dat geen sprake is van een dringende reden. Om dezelfde redenen als die hebben geleid tot het oordeel dat wel sprake is van een dringende reden, is de kantonrechter van oordeel dat de loonstop over deze dagen terecht is toegepast. Biesieklette is over februari 2026 derhalve niet meer loon verschuldigd dan reeds is voldaan. Het gevorderde bedrag wordt daarom afgewezen, net als de daaraan gekoppelde nevenvorderingen.



Geen buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente





4.13.
Uit het voorgaande volgt dat Biesieklette geen enkel bedrag aan [verzoekende partij] verschuldigd is. Voor toewijzing van de verzochte buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente bestaat daarom geen aanleiding.



Proceskosten





4.14.

[verzoekende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Biesieklette worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 865,00 (tarief WWZ tegenspraak gemiddeld)
- nakosten € 144,00
Totaal € 1.009,00





5De beslissing


De kantonrechter:



5.1.
wijst de verzoeken van [verzoekende partij] af;



5.2.
veroordeelt [verzoekende partij] in de proceskosten van € 1.009,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en bepaalt dat als [verzoekende partij] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend [verzoekende partij] ook de kosten van betekening moet betalen;



5.3.
verklaart de veroordeling ten aanzien van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.


Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. A.J. Japenga en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.