Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20376
2026-06-30
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.34155
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring, beroep, Arrest Aroja, informatiefolder, bewaringsgronden, lichter middel, ongegrond.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2015:674 Raad van State 23-02-2015
- ECLI:NL:RVS:2015:1309 Raad van State 10-04-2015
- ECLI:EU:C:2014:1320
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2026:148
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.513 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34155
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Procesverloop
Bij besluit van 24 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 24 juni 2026 de maatregel van bewaring opgeheven wegens een overdracht van eiser aan Duitsland op die dag.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om na de zitting te reageren op een beroepsgrond die ter zitting naar voren is gebracht. Verweerder heeft hier schriftelijk op diezelfde dag op gereageerd. Vervolgens heeft eiser op 25 juni 2026 gereageerd. Daarna is het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Arrest Aroja
2. Eiser doet een beroep op het arrest Aroja en heeft gesteld dat eiser bij elkaar opgeteld meer dan 180 dagen in bewaring heeft gezeten. Verweerder heeft volgens eiser ten onrechte geen verlengingsbesluit uitgebracht in de onderhavige procedure.
2.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser de Duitse nationaliteit heeft en daarmee EU-burger is. Op 15 december 2016 heeft verweerder vastgesteld dat eiser niet langer rechtmatig verblijf heeft in Nederland en dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten. Verder stelt de rechtbank vast dat het arrest Aroja gebaseerd is op artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn en dus ziet op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen. Zoals hiervoor is vastgesteld is eiser een EU-burger. De rechtbank is daarom van oordeel dat het arrest niet van toepassing is in deze zaak. De beroepsgrond slaagt niet.
Informatiefolder
3. Eiser stelt dat uit het dossier blijkt dat aan hem geen informatiefolder is uitgereikt. Dit vormt een gebrek, waarbij de belangenafweging in het voordeel van eiser moet uitvallen.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat aan eiser bij de uitvaardiging van de maatregel van bewaring, geen informatiefolder is uitgereikt. Het niet voldoen aan de informatieplicht maakt de maatregel van bewaring niet zonder meer onrechtmatig. Dat is pas het geval als de met de bewaring te dienen belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen (zie de Afdelingsuitspraak van 15 november 2023). De belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit. Weliswaar is eiser niet schriftelijk in een taal die hij verstaat op de hoogte gesteld van de redenen van bewaring, maar dit betekent niet dat hij niet wist waarom hij in bewaring is gesteld. Uit het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat eiser heeft verklaard de aanwezige Duitse tolk goed te kunnen verstaan, maar dat hij de Duitse brief niet kan lezen. Vervolgens is aan eiser door de tolk in het Duits meegedeeld op welke gronden de maatregel zal worden opgelegd. Eiser gaf aan alles wat de tolk had gezegd te begrijpen. Aan eiser is ook meegedeeld dat hij recht heeft op rechtsbijstand, waarop eiser meerdere malen heeft aangegeven dat hij hier geen gebruik van wilde maken. Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat de inhoud van de informatiefolder mondeling in het Duits aan eiser kenbaar is gemaakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad. De stelling dat eiser had verklaard de Nederlandse taal een beetje te kunnen lezen en dat de informatiefolder dan ook in het Nederlands had kunnen worden uitgereikt, leidt niet tot een ander oordeel. Er is dan ook geen sprake van dat de met de bewaring te dienen belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.
Bewaringsgronden
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. De zware gronden 3a, 3b en 3h en de lichte gronden 4c en 4d, en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
5. Eiser stelt dat verweerder een minder ingrijpend middel dan de inbewaringstelling had moeten toepassen. Hij wijst erop dat hij verslaafd is aan alcohol en wiet en dat hij tijdens zijn verblijf in de OBS door een arts is bezocht. Volgens eiser maakt dit de inbewaringstelling onevenredig bezwarend voor hem.
5.1.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hierbij van belang kunnen vinden dat de (niet betwiste) gronden die aan de bewaringsmaatregel ten grondslag zijn gelegd een onttrekkingsrisico onderbouwen. Daarnaast is eiser al zeven keer eerder gedwongen uitgezet naar Duitsland en hij verklaart niet zelfstandig terug te willen keren. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser ten aanzien van zijn medische en psychische problemen vanuit detentie de zorg kan krijgen die hij nodig heeft. Niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is. De enkele stelling van eiser dat zijn medische, dan wel psychische situatie maakt dat hij niet in bewaring kan blijven, is daarvoor onvoldoende. Verder is bij de bewaring rekening gehouden met de medische situatie van eiser. De arrestantenzorg is hiervan op de hoogte gebracht. Daarnaast is eiser geïnformeerd dat hij tijdens zijn insluiting op een politielocatie altijd een arts of het medische team van het detentiecentrum kan raadplegen. Tevens is dienstdoende arts op 24 mei 2026 over eiser in kennis gesteld, waarop deze aangaf eiser later die dag te zullen bezoeken. Verweerder heeft ter zitting ook toegelicht dat eiser verschillende malen met de arts heeft gesproken. Ten aanzien van de medische en psychische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet hoeven volstaan met het opleggen van een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:EU:C:2026:148.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34155
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Procesverloop
Bij besluit van 24 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 24 juni 2026 de maatregel van bewaring opgeheven wegens een overdracht van eiser aan Duitsland op die dag.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om na de zitting te reageren op een beroepsgrond die ter zitting naar voren is gebracht. Verweerder heeft hier schriftelijk op diezelfde dag op gereageerd. Vervolgens heeft eiser op 25 juni 2026 gereageerd. Daarna is het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Arrest Aroja
2. Eiser doet een beroep op het arrest Aroja en heeft gesteld dat eiser bij elkaar opgeteld meer dan 180 dagen in bewaring heeft gezeten. Verweerder heeft volgens eiser ten onrechte geen verlengingsbesluit uitgebracht in de onderhavige procedure.
2.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser de Duitse nationaliteit heeft en daarmee EU-burger is. Op 15 december 2016 heeft verweerder vastgesteld dat eiser niet langer rechtmatig verblijf heeft in Nederland en dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten. Verder stelt de rechtbank vast dat het arrest Aroja gebaseerd is op artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn en dus ziet op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen. Zoals hiervoor is vastgesteld is eiser een EU-burger. De rechtbank is daarom van oordeel dat het arrest niet van toepassing is in deze zaak. De beroepsgrond slaagt niet.
Informatiefolder
3. Eiser stelt dat uit het dossier blijkt dat aan hem geen informatiefolder is uitgereikt. Dit vormt een gebrek, waarbij de belangenafweging in het voordeel van eiser moet uitvallen.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat aan eiser bij de uitvaardiging van de maatregel van bewaring, geen informatiefolder is uitgereikt. Het niet voldoen aan de informatieplicht maakt de maatregel van bewaring niet zonder meer onrechtmatig. Dat is pas het geval als de met de bewaring te dienen belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen (zie de Afdelingsuitspraak van 15 november 2023). De belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit. Weliswaar is eiser niet schriftelijk in een taal die hij verstaat op de hoogte gesteld van de redenen van bewaring, maar dit betekent niet dat hij niet wist waarom hij in bewaring is gesteld. Uit het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat eiser heeft verklaard de aanwezige Duitse tolk goed te kunnen verstaan, maar dat hij de Duitse brief niet kan lezen. Vervolgens is aan eiser door de tolk in het Duits meegedeeld op welke gronden de maatregel zal worden opgelegd. Eiser gaf aan alles wat de tolk had gezegd te begrijpen. Aan eiser is ook meegedeeld dat hij recht heeft op rechtsbijstand, waarop eiser meerdere malen heeft aangegeven dat hij hier geen gebruik van wilde maken. Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat de inhoud van de informatiefolder mondeling in het Duits aan eiser kenbaar is gemaakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad. De stelling dat eiser had verklaard de Nederlandse taal een beetje te kunnen lezen en dat de informatiefolder dan ook in het Nederlands had kunnen worden uitgereikt, leidt niet tot een ander oordeel. Er is dan ook geen sprake van dat de met de bewaring te dienen belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.
Bewaringsgronden
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. De zware gronden 3a, 3b en 3h en de lichte gronden 4c en 4d, en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
5. Eiser stelt dat verweerder een minder ingrijpend middel dan de inbewaringstelling had moeten toepassen. Hij wijst erop dat hij verslaafd is aan alcohol en wiet en dat hij tijdens zijn verblijf in de OBS door een arts is bezocht. Volgens eiser maakt dit de inbewaringstelling onevenredig bezwarend voor hem.
5.1.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hierbij van belang kunnen vinden dat de (niet betwiste) gronden die aan de bewaringsmaatregel ten grondslag zijn gelegd een onttrekkingsrisico onderbouwen. Daarnaast is eiser al zeven keer eerder gedwongen uitgezet naar Duitsland en hij verklaart niet zelfstandig terug te willen keren. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser ten aanzien van zijn medische en psychische problemen vanuit detentie de zorg kan krijgen die hij nodig heeft. Niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is. De enkele stelling van eiser dat zijn medische, dan wel psychische situatie maakt dat hij niet in bewaring kan blijven, is daarvoor onvoldoende. Verder is bij de bewaring rekening gehouden met de medische situatie van eiser. De arrestantenzorg is hiervan op de hoogte gebracht. Daarnaast is eiser geïnformeerd dat hij tijdens zijn insluiting op een politielocatie altijd een arts of het medische team van het detentiecentrum kan raadplegen. Tevens is dienstdoende arts op 24 mei 2026 over eiser in kennis gesteld, waarop deze aangaf eiser later die dag te zullen bezoeken. Verweerder heeft ter zitting ook toegelicht dat eiser verschillende malen met de arts heeft gesproken. Ten aanzien van de medische en psychische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet hoeven volstaan met het opleggen van een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:EU:C:2026:148.