Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20355

2026-03-31 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.1261 en NL26.1262
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-31
Publicatiedatum
2026-07-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.1261 en NL26.1262
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel; eiser is met onbekende bestemming vertrokken; beroep is niet-ontvankelijk.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.567 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummers: NL26.1261 en NL26.1262


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen




[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Gigengack).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Hij heeft op 28 november 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 2 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.



1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser is niet verschenen. De gemachtigde van eiser is met bericht vooraf niet ter zitting verschenen.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?





Het asielrelaas


2. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998. Eiser legt aan zijn asielaanvraag kort gezegd het volgende ten grondslag. Eiser verklaart dat hij in Algerije afvallig is geworden en niet meer in de islam gelooft. Eiser heeft dit verteld tegen vrienden en als gevolg daarvan is hij twee keer aangevallen. Door die aanvallen heeft eiser besloten Algerije te verlaten. In Europa is eiser in aanraking gekomen met het christendom. Eiser heeft zich later tot het christendom bekeerd. Eiser verklaart ook homoseksueel te zijn. Hij vreest daarom bij terugkeer naar Algerije gevaar te lopen.



Het bestreden besluit


3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:


identiteit, nationaliteit en herkomst;


problemen vanwege afvalligheid;


bekering tot het christendom;


homoseksualiteit en problemen als gevolg daarvan.




3.1.
Verweerder vindt de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen die eiser heeft door zijn afvalligheid vindt verweerder ook geloofwaardig. De identiteit van eiser vindt verweerder niet geloofwaardig, vanwege onder meer het gebruik van meerdere aliassen met verschillende geboortedata en nationaliteiten. Verweerder vindt ook niet geloofwaardig dat eiser bekeerd is tot het christendom. Eisers homoseksualiteit en de problemen als gevolg daarvan vindt verweerder ook niet geloofwaardig.



3.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zijn vrees bij terugkeer naar Algerije vanwege het niet meer geloven in de islam niet aannemelijk heeft gemaakt. Dat eiser uit Algerije komt is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn en is ook niet genoeg om risico op ernstige schade aan te nemen.



3.3.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft op 17 april 2025 al een terugkeerbesluit gekregen en hem is op die datum ook een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.



Wat vindt eiser in beroep?



4. Eiser voert aan dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiser loopt bij terugkeer naar Algerije een reëel risico op ernstige schade vanwege zijn afvalligheid van de islam. Eiser stelt dat hij in het nader gehoor uitvoerig heeft verklaard over zijn afvalligheid en de problemen die hij daardoor heeft ondervonden.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



5. Verweerder heeft de rechtbank op 13 februari 2026 bericht dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Ter onderbouwing is een kopie uit het INDIGO systeem overgelegd.



5.1.
De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank op 24 februari 2026 bericht dat zij sinds de opheffing van de aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring geen contact meer met hem heeft gehad en ook niet weet waar hij momenteel verblijft.



5.2.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser een actueel en reëel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.



5.3.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat wanneer een vreemdeling, die een asielaanvraag heeft ingediend, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in principe vanuit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem in eerste instantie gezochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als een vreemdeling nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt.



5.4.
In dit geval heeft eiser na de opheffing van zijn vreemdelingenbewaring verweerder niet op de hoogte gesteld van zijn verblijfplaats en heeft hij sinds die tijd ook geen contact meer met zijn gemachtigde. Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat eiser geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland of een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank heeft verder ook geen concrete aanknopingspunten om hiervan af te wijken.





Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

7. Omdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het samenhangende beroep is een voorlopige voorziening niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om deze reden af.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.



De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Rechtsmiddel

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).


De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie onder meer de uitspraak van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.