Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20344
2026-05-28
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
SGR 25/5423
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep ongegrond. Het college heeft terecht aangenomen dat het bouwplan in strijd is met de bestemmingen ‘Woondoeleinden’ en ‘Tuin.’ Het college heeft voldoende gemotiveerd dat het bouwplan de open structuur van de tuin aantast en dat verdere bebouwing van de tuin stedenbouwkundig onwenselijk is. De stelling van eisers dat de installatieruimte slechts beperkte impact heeft op het beschermd stadsgezicht, omdat deze niet zichtbaar is vanaf de openbare weg, leidt niet tot een ander oordeel.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2024:4624 Raad van State 13-11-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:1677 Raad van State 16-04-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.998 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5423
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. C.M. Koningferander),
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, het college
(gemachtigde: J. van Egmond).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een installatiegebouw voor een warmtepomp en buffervat in de tuin bij de woning van eisers aan de [adres] . Eisers zijn het niet eens met de weigering van de omgevingsvergunning. Zij voeren daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht weigeren. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van een installatiegebouw voor een warmtepomp en buffervat in de tuin bij hun woning.
2.1.
Met het besluit van 29 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eisers afgewezen.
2.2.
Met het besluit van 10 juli 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eisers is het college bij het primaire besluit gebleven.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
Eisers hebben nadere stukken ingediend.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en vergezeld door [naam 1] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 2] .
Beoordeling door de rechtbank
3. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 heeft iedere gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat geldt voor het gehele grondgebied. In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan zijn onder meer de bestemmingsplannen opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Zuidelijke Schil”. Dit bestemmingsplan maakt dan ook deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Leiden.
4. De voor de beoordeling van deze zaak belangrijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Feitelijke situatie
5. Eisers zijn eigenaar van het perceel [adres] . In 2014 is door de toenmalige eigenaar een aanbouw gerealiseerd aan de achterzijde van de woning op het perceel. Eisers hebben aan de achtergevel van deze aanbouw een installatieruimte voor een warmtepomp en een buffervat gerealiseerd. Eisers wensen deze installatieruimte te legaliseren en hebben daarom een omgevingsvergunning aangevraagd.
Omvang van het geding
6. Tussen partijen is niet in geschil dat voor de installatieruimte een omgevingsvergunning vereist is. Ook is niet in geschil dat de installatieruimte grotendeels binnen de bestemming “Woondoeleinden” en voor een klein deel binnen de bestemming “Tuin” is gerealiseerd. Verder staat vast dat de installatieruimte is gelegen binnen het beschermd stadsgezicht Zuidelijke Schil.
Standpunten van partijen
7. Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan van eisers in strijd is met het omgevingsplan. Voor zover het bouwplan binnen de bestemming “Woondoeleinden” ligt, wordt het maximaal toegestane bebouwingspercentage overschreden. Voor zover de installatieruimte is gerealiseerd binnen de bestemming “Tuin”, geldt dat binnen deze bestemming geen gebouwen zijn toegestaan. De binnenplanse afwijkmogelijkheid bij de bestemming “Tuin” is volgens het college in dit geval niet bruikbaar, omdat niet wordt voldaan aan alle hiervoor geldende voorwaarden. Verder is het bouwplan volgens het college in strijd met de overkoepelende bestemming “Beschermd stadsgezicht”. Het college wenst niet mee te werken aan een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan, omdat geen sprake is van de hiervoor vereiste evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
8. Eisers betogen dat het college de gevraagde omgevingsvergunning ten onrechte heeft geweigerd. Volgens eisers past het bouwwerk binnen de bestemming “Woondoeleinden”. Daartoe voeren zij aan dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat binnen die bestemming het maximale bebouwingspercentage van 30% van de gronden buiten het bebouwingsvlak is overschreden. Verder menen zij dat het aangevraagde bouwwerk, voor zover dat is gerealiseerd binnen de bestemming “Tuin”, kan worden toegestaan door binnenplans of buitenplans van het omgevingsplan af te wijken. Het college heeft de installatieruimte volgens eisers ten onrechte aangemerkt als een gebouw, terwijl deze ruimte moet worden aangemerkt als een aanbouw dan wel een bijbehorend bouwwerk. Bovendien wordt volgens eisers voldaan aan de voorwaarden om gebruik te maken van de binnenplanse afwijkmogelijkheid uit artikel 16.4.1 van het omgevingsplan. Verder is volgens eisers niet aannemelijk gemaakt dat de installatieruimte een aantasting vormt van de cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht, nu het bouwwerk vanaf de openbare weg niet zichtbaar is en niet leidt tot verlies van het groene karakter of de open ruimten in de tuin.
Is sprake van strijd met het omgevingsplan?
Is sprake van strijd met de bestemming “Woondoeleinden”?
9. De rechtbank stelt vast dat de installatieruimte grotendeels is gebouwd op gronden met de bestemming “Woondoeleinden”. Ingevolge artikel 9.3.4, onder b, van het omgevingsplan, mag binnen deze bestemming per bouwperceel ten hoogste 30% van de niet als bebouwingsvlak aangeduide gronden worden bebouwd met aanbouwen en bijgebouwen. Een bouwperceel is, zoals gedefinieerd in artikel 1, onder 22, van het omgevingsplan, een aaneengesloten stuk grond waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan. Het bebouwingsvlak is, zoals gedefinieerd in artikel 1, onder 14, van het omgevingsplan, een op de kaart (mede) door bebouwingsgrenzen omsloten vlak, dat voorzien is van een hoogteaanduiding, waarbinnen gebouwen mogen worden gebouwd. Op het perceel van eisers is binnen de woonbestemming een bebouwingsvlak aanwezig waarin de woning van eisers is gelegen. Buiten dit bebouwingsvlak, maar binnen de bestemming “Woondoeleinden”, is reeds een aanbouw gerealiseerd. Uit de omgevingsvergunning voor deze aanbouw van 16 oktober 2014 blijkt dat met deze aanbouw de maximaal toegestane 30% bebouwing buiten het bebouwingsvlak reeds is overschreden. Die overschrijding neemt verder toe door de installatieruimte, die eveneens buiten het bebouwingsvlak is gerealiseerd. Ook uit het kaartmateriaal dat het college met zijn verweerschrift heeft overgelegd, blijkt duidelijk dat ruimschoots meer dan 30% van de gronden buiten het bebouwingsvlak binnen de bestemming “Woondoeleinden” is bebouwd. Het college heeft daarom terecht aangenomen dat het bouwplan strijd oplevert met deze bestemming.
Is sprake van strijd met de bestemming “Tuin”?
9.1.
De rechtbank stelt vast dat de installatieruimte gedeeltelijk is gebouwd op gronden met de bestemming “Tuin”. Ingevolge artikel 16.3.1 van het omgevingsplan zijn binnen deze bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Nu de installatieruimte bestaat uit vier wanden en een voor mensen middels een deur toegankelijke en overdekte ruimte is, wordt voldaan aan de definitie van een gebouw zoals opgenomen in artikel 1, onder 31, van het omgevingsplan. Dat eisers betogen dat de ruimte niet volledig overdekt is, maakt dit niet anders, omdat de planregels geen volledige overdekking vereisen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bouwplan van eisers in strijd is met de bestemming “Tuin”.
9.2.
Omdat het bouwplan in strijd is met de bestemmingen “Woondoeleinden” en “Tuin”, is een omgevingsvergunning vereist voor de activiteit afwijken van het omgevingsplan. Deze omgevingsvergunning kan alleen worden verleend indien sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit volgt voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit uit artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van artikel 22.281 van het omgevingsplan dient ook bij afwijking van het omgevingsplan met toepassing van de beoordelingsregels die hiervoor in het omgevingsplan zijn opgenomen, sprake te zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bouwplan van eisers niet voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Mocht het college de gevraagde omgevingsvergunning weigeren?
10. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de weigering van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat het college over het bouwplan advies heeft ingewonnen bij Erfgoed Leiden en de afdeling Stedenbouw. Deze adviezen liggen ten grondslag aan het primaire en het bestreden besluit. Met verwijzing naar deze adviezen heeft het college het standpunt ingenomen dat de open groenstructuur van de binnengebieden binnen het beschermd stadsgezicht onder druk staat. Daarbij weegt mee dat het maximale bebouwingspercentage op het perceel van eisers reeds is overschreden. De toevoeging van extra bebouwing wordt daarom onwenselijk geacht, omdat dit leidt tot een verdere verdichting van het achtererf. Ook het plaatsen van een nieuw gebouw tegen de bestaande aanbouw van een karakteristiek pand wordt door het college als een verrommeling van het achtererf gezien. Verder is van belang geacht dat de eerder vergunde aanbouw is ontworpen als onderdeel van het hoofdgebouw. Met de toevoeging van de installatieruimte verdwijnt de architectonische eenheid tussen het hoofdgebouw en de toegevoegde bebouwing. Omdat de gronden met een woonbestemming bijna volledig zijn bebouwd, acht het college het behoud van het groene karakter van de tuin extra belangrijk.
10.2.
De rechtbank overweegt dat het college – gelet ook op de hem toekomende beleidsruimte – voldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan de open structuur van de tuin aantast en dat verdere bebouwing van de tuin stedenbouwkundig onwenselijk is. De stelling van eisers dat de installatieruimte slechts beperkte impact heeft op het beschermd stadsgezicht omdat deze niet zichtbaar is vanaf de openbare weg, leidt niet tot een ander oordeel. Ook een bouwwerk dat achter de tuinmuur ligt, kan de groenstructuur en de openheid van het groene binnengebied aantasten. Het betoog van eisers geeft verder geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van de overgelegde adviezen en de daarop gebaseerde onderbouwing.
10.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bouwplan niet leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning reeds daarom mogen weigeren. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat deze weigering onevenredig is gelet op de met de weigering te dienen doelen. Hierbij heeft het college meer gewicht mogen toekennen aan de ruimtelijke belangen bij weigering van de omgevingsvergunning dan aan het persoonlijke belang van eisers bij verlening hiervan. Het college heeft toegelicht dat ook binnen het beschermd stadsgezicht gestreefd wordt naar verduurzaming en dat realisatie van een warmtepomp op het achtererf mogelijk is, mits de hiervoor geldende richtlijnen in acht worden genomen. Het college heeft in dit verband geen gewicht hoeven toekennen aan het feit dat het aangevraagde bouwwerk voorafgaand aan het bestreden besluit al was gerealiseerd. Dat het bouwwerk is gerealiseerd voordat hiervoor een vergunning was verleend, is een omstandigheid die voor rekening van eisers dient te worden gelaten.
10.4.
Uit het voorgaande volgt dat de installatieruimte in strijd is met het omgevingsplan en dat het college heeft mogen weigeren om van het omgevingsplan af te wijken, omdat die afwijking niet voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Reeds daarom mocht de aanvraag om een omgevingsvergunning worden afgewezen. Wat eisers voor het overige hebben aangevoerd kan hieraan niet afdoen en behoeft daarom geen bespreking. Het betoog van eisers slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Ingevolge artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ingevolge artikel 1, onder 14, van het omgevingsplan is een bebouwingsvlak een op de kaart (mede) door bebouwingsgrenzen omsloten vlak, dat voorzien is van een hoogteaanduiding, waarbinnen gebouwen mogen worden gebouwd.
Ingevolge artikel 1, onder 22, van het omgevingsplan is een bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan.
Ingevolge artikel 1, onder 31, van het omgevingsplan is een gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
Ingevolge artikel 9.3.4 van het omgevingsplan geldt, voor zover relevant, het volgende voor gronden met de bestemming “Woondoeleinden”:
Het bebouwingsvlak mag voor 100% worden bebouwd.
Per bouwperceel mag ten hoogste 30% van de niet als bebouwingsvlak aangeduide gronden worden bebouwd met aanbouwen en bijgebouwen, met dien verstande dat
- in totaal niet meer dan 35 m2 van de betreffende gronden door deze gebouwen
mag worden ingenomen;
- door een aanbouw de bebouwingsgrens met maximaal 2,5 meter mag worde
overschreden.
Ingevolge artikel 16.3.1 van het omgevingsplan mogen er binnen de bestemming “Tuin” uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd met een hoogte van maximaal 2,7 meter.
Ingevolge artikel 16.4.1 van het omgevingsplan kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 16.3.1 ten behoeve van de bouw van een aanbouw aan een hoofdgebouw en/of van een bijgebouw mits:
dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de desbetreffende functie op de begane grond;
dit noodzakelijk is om te beschikken over een bergruimte voor fietsen, tuinbenodigdheden, plantenkasje, volière of dierenhok;
geen onevenredige schade zal worden toegebracht aan waardevolle bomen;
e oppervlakte niet meer zal bedragen dan 20 m2 en hierbij tevens de voor tuin aangewezen gronden met niet meer dan 15 % worden bebouwd;
de goothoogte van een aanbouw niet meer zal bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag vermeerderd met 0,25 meter en de goothoogte van een bijgebouw niet meer dan 2,50 m.
het niet mogelijk is de aanbouw of het bijgebouw te bouwen op gronden in een aangrenzende bestemming waarbinnen bebouwing is toegestaan of waarbinnen de maximaal toegestane bebouwing al is gerealiseerd.
het bepaalde sub f geldt niet voor zover het bijgebouw bestaat uit een berging voor fietsen of tuingereedschap, dierenhok of volière over een grondoppervlakte van maximaal 8 m2.
de bebouwing wordt gesitueerd in het tuingedeelte gelegen achter de voorgevel bouwgrens.
Ingevolge artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Ingevolge artikel 25.1 van het omgevingsplan zijn de op de kaart voor beschermd stadsgezicht aangewezen gronden mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de met het beschermd stadsgezicht verbonden cultuurhistorische waarden, zoals nader omschreven in de toelichting bij de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht.
Ingevolge artikel 22.280 van het omgevingsplan geldt, voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van het omgevingsplan is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de daarbij aangegeven regels, deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.
Ingevolge artikel 22.281 van het omgevingsplan wordt, voor zover de in het tijdelijke deel van het omgevingsplan gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 van het omgevingsplan bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4624.
Uitspraak van de Afdeling van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1677.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5423
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. C.M. Koningferander),
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, het college
(gemachtigde: J. van Egmond).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een installatiegebouw voor een warmtepomp en buffervat in de tuin bij de woning van eisers aan de [adres] . Eisers zijn het niet eens met de weigering van de omgevingsvergunning. Zij voeren daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht weigeren. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van een installatiegebouw voor een warmtepomp en buffervat in de tuin bij hun woning.
2.1.
Met het besluit van 29 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eisers afgewezen.
2.2.
Met het besluit van 10 juli 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eisers is het college bij het primaire besluit gebleven.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
Eisers hebben nadere stukken ingediend.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en vergezeld door [naam 1] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 2] .
Beoordeling door de rechtbank
3. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 heeft iedere gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat geldt voor het gehele grondgebied. In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan zijn onder meer de bestemmingsplannen opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Zuidelijke Schil”. Dit bestemmingsplan maakt dan ook deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Leiden.
4. De voor de beoordeling van deze zaak belangrijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Feitelijke situatie
5. Eisers zijn eigenaar van het perceel [adres] . In 2014 is door de toenmalige eigenaar een aanbouw gerealiseerd aan de achterzijde van de woning op het perceel. Eisers hebben aan de achtergevel van deze aanbouw een installatieruimte voor een warmtepomp en een buffervat gerealiseerd. Eisers wensen deze installatieruimte te legaliseren en hebben daarom een omgevingsvergunning aangevraagd.
Omvang van het geding
6. Tussen partijen is niet in geschil dat voor de installatieruimte een omgevingsvergunning vereist is. Ook is niet in geschil dat de installatieruimte grotendeels binnen de bestemming “Woondoeleinden” en voor een klein deel binnen de bestemming “Tuin” is gerealiseerd. Verder staat vast dat de installatieruimte is gelegen binnen het beschermd stadsgezicht Zuidelijke Schil.
Standpunten van partijen
7. Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan van eisers in strijd is met het omgevingsplan. Voor zover het bouwplan binnen de bestemming “Woondoeleinden” ligt, wordt het maximaal toegestane bebouwingspercentage overschreden. Voor zover de installatieruimte is gerealiseerd binnen de bestemming “Tuin”, geldt dat binnen deze bestemming geen gebouwen zijn toegestaan. De binnenplanse afwijkmogelijkheid bij de bestemming “Tuin” is volgens het college in dit geval niet bruikbaar, omdat niet wordt voldaan aan alle hiervoor geldende voorwaarden. Verder is het bouwplan volgens het college in strijd met de overkoepelende bestemming “Beschermd stadsgezicht”. Het college wenst niet mee te werken aan een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan, omdat geen sprake is van de hiervoor vereiste evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
8. Eisers betogen dat het college de gevraagde omgevingsvergunning ten onrechte heeft geweigerd. Volgens eisers past het bouwwerk binnen de bestemming “Woondoeleinden”. Daartoe voeren zij aan dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat binnen die bestemming het maximale bebouwingspercentage van 30% van de gronden buiten het bebouwingsvlak is overschreden. Verder menen zij dat het aangevraagde bouwwerk, voor zover dat is gerealiseerd binnen de bestemming “Tuin”, kan worden toegestaan door binnenplans of buitenplans van het omgevingsplan af te wijken. Het college heeft de installatieruimte volgens eisers ten onrechte aangemerkt als een gebouw, terwijl deze ruimte moet worden aangemerkt als een aanbouw dan wel een bijbehorend bouwwerk. Bovendien wordt volgens eisers voldaan aan de voorwaarden om gebruik te maken van de binnenplanse afwijkmogelijkheid uit artikel 16.4.1 van het omgevingsplan. Verder is volgens eisers niet aannemelijk gemaakt dat de installatieruimte een aantasting vormt van de cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht, nu het bouwwerk vanaf de openbare weg niet zichtbaar is en niet leidt tot verlies van het groene karakter of de open ruimten in de tuin.
Is sprake van strijd met het omgevingsplan?
Is sprake van strijd met de bestemming “Woondoeleinden”?
9. De rechtbank stelt vast dat de installatieruimte grotendeels is gebouwd op gronden met de bestemming “Woondoeleinden”. Ingevolge artikel 9.3.4, onder b, van het omgevingsplan, mag binnen deze bestemming per bouwperceel ten hoogste 30% van de niet als bebouwingsvlak aangeduide gronden worden bebouwd met aanbouwen en bijgebouwen. Een bouwperceel is, zoals gedefinieerd in artikel 1, onder 22, van het omgevingsplan, een aaneengesloten stuk grond waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan. Het bebouwingsvlak is, zoals gedefinieerd in artikel 1, onder 14, van het omgevingsplan, een op de kaart (mede) door bebouwingsgrenzen omsloten vlak, dat voorzien is van een hoogteaanduiding, waarbinnen gebouwen mogen worden gebouwd. Op het perceel van eisers is binnen de woonbestemming een bebouwingsvlak aanwezig waarin de woning van eisers is gelegen. Buiten dit bebouwingsvlak, maar binnen de bestemming “Woondoeleinden”, is reeds een aanbouw gerealiseerd. Uit de omgevingsvergunning voor deze aanbouw van 16 oktober 2014 blijkt dat met deze aanbouw de maximaal toegestane 30% bebouwing buiten het bebouwingsvlak reeds is overschreden. Die overschrijding neemt verder toe door de installatieruimte, die eveneens buiten het bebouwingsvlak is gerealiseerd. Ook uit het kaartmateriaal dat het college met zijn verweerschrift heeft overgelegd, blijkt duidelijk dat ruimschoots meer dan 30% van de gronden buiten het bebouwingsvlak binnen de bestemming “Woondoeleinden” is bebouwd. Het college heeft daarom terecht aangenomen dat het bouwplan strijd oplevert met deze bestemming.
Is sprake van strijd met de bestemming “Tuin”?
9.1.
De rechtbank stelt vast dat de installatieruimte gedeeltelijk is gebouwd op gronden met de bestemming “Tuin”. Ingevolge artikel 16.3.1 van het omgevingsplan zijn binnen deze bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Nu de installatieruimte bestaat uit vier wanden en een voor mensen middels een deur toegankelijke en overdekte ruimte is, wordt voldaan aan de definitie van een gebouw zoals opgenomen in artikel 1, onder 31, van het omgevingsplan. Dat eisers betogen dat de ruimte niet volledig overdekt is, maakt dit niet anders, omdat de planregels geen volledige overdekking vereisen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bouwplan van eisers in strijd is met de bestemming “Tuin”.
9.2.
Omdat het bouwplan in strijd is met de bestemmingen “Woondoeleinden” en “Tuin”, is een omgevingsvergunning vereist voor de activiteit afwijken van het omgevingsplan. Deze omgevingsvergunning kan alleen worden verleend indien sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit volgt voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit uit artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van artikel 22.281 van het omgevingsplan dient ook bij afwijking van het omgevingsplan met toepassing van de beoordelingsregels die hiervoor in het omgevingsplan zijn opgenomen, sprake te zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bouwplan van eisers niet voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Mocht het college de gevraagde omgevingsvergunning weigeren?
10. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de weigering van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat het college over het bouwplan advies heeft ingewonnen bij Erfgoed Leiden en de afdeling Stedenbouw. Deze adviezen liggen ten grondslag aan het primaire en het bestreden besluit. Met verwijzing naar deze adviezen heeft het college het standpunt ingenomen dat de open groenstructuur van de binnengebieden binnen het beschermd stadsgezicht onder druk staat. Daarbij weegt mee dat het maximale bebouwingspercentage op het perceel van eisers reeds is overschreden. De toevoeging van extra bebouwing wordt daarom onwenselijk geacht, omdat dit leidt tot een verdere verdichting van het achtererf. Ook het plaatsen van een nieuw gebouw tegen de bestaande aanbouw van een karakteristiek pand wordt door het college als een verrommeling van het achtererf gezien. Verder is van belang geacht dat de eerder vergunde aanbouw is ontworpen als onderdeel van het hoofdgebouw. Met de toevoeging van de installatieruimte verdwijnt de architectonische eenheid tussen het hoofdgebouw en de toegevoegde bebouwing. Omdat de gronden met een woonbestemming bijna volledig zijn bebouwd, acht het college het behoud van het groene karakter van de tuin extra belangrijk.
10.2.
De rechtbank overweegt dat het college – gelet ook op de hem toekomende beleidsruimte – voldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan de open structuur van de tuin aantast en dat verdere bebouwing van de tuin stedenbouwkundig onwenselijk is. De stelling van eisers dat de installatieruimte slechts beperkte impact heeft op het beschermd stadsgezicht omdat deze niet zichtbaar is vanaf de openbare weg, leidt niet tot een ander oordeel. Ook een bouwwerk dat achter de tuinmuur ligt, kan de groenstructuur en de openheid van het groene binnengebied aantasten. Het betoog van eisers geeft verder geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van de overgelegde adviezen en de daarop gebaseerde onderbouwing.
10.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bouwplan niet leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning reeds daarom mogen weigeren. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat deze weigering onevenredig is gelet op de met de weigering te dienen doelen. Hierbij heeft het college meer gewicht mogen toekennen aan de ruimtelijke belangen bij weigering van de omgevingsvergunning dan aan het persoonlijke belang van eisers bij verlening hiervan. Het college heeft toegelicht dat ook binnen het beschermd stadsgezicht gestreefd wordt naar verduurzaming en dat realisatie van een warmtepomp op het achtererf mogelijk is, mits de hiervoor geldende richtlijnen in acht worden genomen. Het college heeft in dit verband geen gewicht hoeven toekennen aan het feit dat het aangevraagde bouwwerk voorafgaand aan het bestreden besluit al was gerealiseerd. Dat het bouwwerk is gerealiseerd voordat hiervoor een vergunning was verleend, is een omstandigheid die voor rekening van eisers dient te worden gelaten.
10.4.
Uit het voorgaande volgt dat de installatieruimte in strijd is met het omgevingsplan en dat het college heeft mogen weigeren om van het omgevingsplan af te wijken, omdat die afwijking niet voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Reeds daarom mocht de aanvraag om een omgevingsvergunning worden afgewezen. Wat eisers voor het overige hebben aangevoerd kan hieraan niet afdoen en behoeft daarom geen bespreking. Het betoog van eisers slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Ingevolge artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ingevolge artikel 1, onder 14, van het omgevingsplan is een bebouwingsvlak een op de kaart (mede) door bebouwingsgrenzen omsloten vlak, dat voorzien is van een hoogteaanduiding, waarbinnen gebouwen mogen worden gebouwd.
Ingevolge artikel 1, onder 22, van het omgevingsplan is een bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan.
Ingevolge artikel 1, onder 31, van het omgevingsplan is een gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
Ingevolge artikel 9.3.4 van het omgevingsplan geldt, voor zover relevant, het volgende voor gronden met de bestemming “Woondoeleinden”:
Het bebouwingsvlak mag voor 100% worden bebouwd.
Per bouwperceel mag ten hoogste 30% van de niet als bebouwingsvlak aangeduide gronden worden bebouwd met aanbouwen en bijgebouwen, met dien verstande dat
- in totaal niet meer dan 35 m2 van de betreffende gronden door deze gebouwen
mag worden ingenomen;
- door een aanbouw de bebouwingsgrens met maximaal 2,5 meter mag worde
overschreden.
Ingevolge artikel 16.3.1 van het omgevingsplan mogen er binnen de bestemming “Tuin” uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd met een hoogte van maximaal 2,7 meter.
Ingevolge artikel 16.4.1 van het omgevingsplan kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 16.3.1 ten behoeve van de bouw van een aanbouw aan een hoofdgebouw en/of van een bijgebouw mits:
dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de desbetreffende functie op de begane grond;
dit noodzakelijk is om te beschikken over een bergruimte voor fietsen, tuinbenodigdheden, plantenkasje, volière of dierenhok;
geen onevenredige schade zal worden toegebracht aan waardevolle bomen;
e oppervlakte niet meer zal bedragen dan 20 m2 en hierbij tevens de voor tuin aangewezen gronden met niet meer dan 15 % worden bebouwd;
de goothoogte van een aanbouw niet meer zal bedragen dan de hoogte van de begane grondlaag vermeerderd met 0,25 meter en de goothoogte van een bijgebouw niet meer dan 2,50 m.
het niet mogelijk is de aanbouw of het bijgebouw te bouwen op gronden in een aangrenzende bestemming waarbinnen bebouwing is toegestaan of waarbinnen de maximaal toegestane bebouwing al is gerealiseerd.
het bepaalde sub f geldt niet voor zover het bijgebouw bestaat uit een berging voor fietsen of tuingereedschap, dierenhok of volière over een grondoppervlakte van maximaal 8 m2.
de bebouwing wordt gesitueerd in het tuingedeelte gelegen achter de voorgevel bouwgrens.
Ingevolge artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Ingevolge artikel 25.1 van het omgevingsplan zijn de op de kaart voor beschermd stadsgezicht aangewezen gronden mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de met het beschermd stadsgezicht verbonden cultuurhistorische waarden, zoals nader omschreven in de toelichting bij de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht.
Ingevolge artikel 22.280 van het omgevingsplan geldt, voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van het omgevingsplan is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de daarbij aangegeven regels, deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.
Ingevolge artikel 22.281 van het omgevingsplan wordt, voor zover de in het tijdelijke deel van het omgevingsplan gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 van het omgevingsplan bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4624.
Uitspraak van de Afdeling van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1677.