Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20330

2026-07-14 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.22963
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-14
Publicatiedatum
2026-07-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.22963
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel; Syrië; beroep gegrond vanwege een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek door ontbreken 3 EVRM-beoordeling; vrees voor problemen met de YPG en Koerdische etniciteit niet aannemelijk; voldoende gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Hasaka.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.340 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: NL26.22963


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 5 februari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 22 april 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.



1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. J.J. van Kuijk als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. H. Ahmed was aanwezig als tolk.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?





Het asielrelaas


2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1973, heeft de Syrische nationaliteit en de Koerdische etniciteit. Eiser is afkomstig uit [plaats] in Syrië en heeft het land in 2017 of 2018 verlaten en tot november of december 2023 in Turkije verbleven voordat hij naar Nederland reisde. Eiser heeft Syrië verlaten vanwege de algemene veiligheidssituatie, omdat IS kwam. Eiser vreest voor de Koerdische groepering YPG, omdat hij in 2017 en 2018 heeft geweigerd zich bij hen aan te sluiten. Ook vreest eiser als Koerd voor de huidige Syrische regering, Ahmad Sharaa en specifiek de groeperingen Hamzat en Amshat.



Het bestreden besluit


3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:


eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;


eiser is door zijn buurman gevraagd om te vechten voor YPG;


eiser vreest voor zijn veiligheid als Koerd onder de nieuwe machthebbers in Syrië.




3.1.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Dat eiser door zijn buurman is gevraagd om te vechten voor YPG vindt verweerder ook geloofwaardig. De vrees van eiser voor zijn veiligheid als Koerd onder de nieuwe machthebbers in Syrië wordt door verweerder niet beoordeeld op geloofwaardigheid.



3.2.
Dat eiser uit Syrië komt is volgens verweerder onvoldoende om aan te nemen dat hij een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder vindt daarbij eisers vrees voor YPG niet aannemelijk, omdat er geen concrete dreiging is, eiser niet wordt gezocht, de persoon die erop aanstuurde dat eiser zich aansloot bij de YPG vermoedelijk is overleden en eiser de vrees voor de YPG niet bij zijn aanmeldgehoor heeft vermeld. Volgens verweerder heeft eiser ook niet te vrezen voor vervolging vanwege zijn Koerdische etniciteit. Daarbij heeft eiser zijn persoonlijke vrees voor groeperingen als Hamzat en Amshat niet aannemelijk gemaakt. Volgens verweerder loopt eiser bij terugkeer naar Syrië ook geen risico op ernstige schade. Verweerder neemt een relatief lager niveau van willekeurig geweld aan voor Syrië en meer specifiek voor de provincie [plaats] , waar eiser vandaan komt. Daarbij zijn er geen individuele omstandigheden waardoor eiser een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Ook valt volgens verweerder de precaire humanitaire situatie niet onder de reikwijdte van het willekeurig geweld.



3.3.
Verweerder heeft de asielaanvraag op grond van het voorgaande afgewezen als ongegrond en ook geen aanleiding gezien voor het ambtshalve verlenen van een reguliere verblijfsvergunning of uitstel van vertrek om medische redenen. Aan eiser is een terugkeerbesluit, gericht op vertrek naar Syrië, met een vertrektermijn van 4 weken uitgereikt.



Wat vindt eiser in beroep?



4. Eiser voert in beroep aan dat hij wel gegronde vrees heeft voor de YPG. Er is namelijk sprake van een concrete dreiging blijkens een telefoongesprek dat eiser heeft gehad en twee bezoeken aan zijn familie door de YPG. Daarbij heeft eiser een periode geen problemen ondervonden omdat hij in 2017 is gevlucht, maar hij loopt juist risico bij terugkeer. Dat de leidinggevende persoon bij de YPG is overleden, maakt de situatie in Syrië niet minder risicovol voor eiser. Ook moet het nader gehoor en niet het aanmeldgehoor, leidend zijn.

Eiser vreest dat hij in Syrië gevaar loopt vanwege zijn Koerdische etniciteit. Verweerder heeft de situatie van de Koerden in Noordoost-Syrië onvoldoende beoordeeld en gaat niet in op de risico’s die Koerden lopen door groeperingen als Hamzat en Amshat. Door zijn weigering om zich aan te sluiten bij de YPG loopt eiser met betrekking tot deze groeperingen een persoonlijk risico. Dat eiser als Koerd in het verleden in Syrië kon functioneren, betekent niet dat hij dat in de inmiddels veranderde situatie ook kan.
Er is geen sprake van een laag niveau van willekeurig geweld in Syrië zoals verweerder meent, omdat de situatie in Syrië instabiel is. Verweerder is daarbij onvoldoende ingegaan op de situatie in [plaats] , waar eiser vandaan komt. Eiser heeft daarnaast persoonlijke omstandigheden aangevoerd waarom hij een groter risico loopt op willekeurig geweld. Eiser is Koerdisch en komt uit [plaats] , de veiligheidssituatie is daar instabiel, er zijn meerdere gewapende actoren actief en de positie van Koerden staat er onder druk. Ook vreest hij voor de YPG. Daarbij is er daar sprake van ontplofbare oorlogsresten en ernstige tekorten aan basisvoorzieningen. Verweerder had deze omstandigheden in onderlinge samenhang moeten beoordelen. Daarbij stelt verweerder een te strenge eis door te verlangen dat eiser aantoont dat hij persoonlijk doelwit zal zijn van willekeurig geweld.
Daarnaast legt verweerder de lat te hoog door zich op het standpunt te stellen dat eiser aannemelijk moet maken dat hij persoonlijk slachtoffer zal worden van willekeurig geweld, zoals nog niet ontplofte munitie. Ontplofbare oorlogsresten zijn wijdverspreid in Syrië, en ook in [plaats] , waardoor dit een alledaags risico vormt.
Verweerders beoordeling van de humanitaire situatie schiet tekort. Uit de bronnen die eiser in de zienswijze heeft aangevoerd, blijkt dat er sprake is van waterschaarste, uitval van voorzieningen, beperkte toegang tot voedsel, gebrekkige gezondheidszorg, grootschalige ontheemding en slecht functionerende infrastructuur. Verweerder legt de lat te hoog door te verwachten dat eiser aantoont dat hij geen toegang zal hebben tot basisvoorzieningen.
Verweerder schuift de door eiser aangevoerde jurisprudentie en bronnen daarnaast te gemakkelijk terzijde.




Wat is het oordeel van de rechtbank met betrekking tot eisers aanhoudingsverzoek?



5. Ter zitting is namens eiser primair verzocht de behandeling van het beroep uit te stellen tot na de uitspraak van de hoogste bestuursrechter naar aanleiding van de zitting van 11 mei 2026 over de veiligheidssituatie in Syrië. De rechtbank ziet, in verband met de eerdere uitspraak van de meervoudige kamer van deze zittingsplaats, hiertoe geen aanleiding.



Wat is het oordeel van de rechtbank met betrekking tot eisers beroep?



6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is, eiser krijgt dus gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.



Problemen met de YPG


7. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers vrees voor de YPG niet aannemelijk is. Eiser heeft verklaard dat zijn buurman in 2017 bij hem is langsgekomen met de vraag of hij zich bij de YPG wilde aansluiten. Verweerder wijst er terecht op dat er geen sprake was van concrete dreiging, omdat er geen consequenties aan eisers weigering werden verbonden. Eiser is daarbij in 2017 één keer telefonisch benaderd en zijn familie is destijds tweemaal bezocht door YPG, maar eiser heeft daarna niets meer van de YPG vernomen. Daarbij heeft eiser zelf verklaard dat de leidinggevende die de opdracht heeft gegeven om eiser bij de YPG te vragen inmiddels waarschijnlijk is overleden. Verweerder wijst er terecht op dat niet blijkt dat eiser persoonlijk wordt gezocht. Op basis van het voorgaande heeft verweerder eiser niet hoeven volgen in zijn stelling dat hij door de YPG risico loopt bij terugkeer naar Syrië.



Vrees vanwege Koerdische etniciteit


8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor vervolging vanwege zijn Koerdische etniciteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit het landenbeleid voor Syrië volgt dat het behoren tot de Koerdische bevolkingsgroep niet als risicoprofiel is aangemerkt. Dat betekent dat Koerden in het algemeen niet enkel vanwege hun etniciteit te vrezen hebben voor vervolging. Ook heeft verweerder er op zitting terecht op gewezen dat in het Algemeen ambtsbericht 2026 staat dat er enkele Koerden in de overgangsregering, dus in de hoogste politiek-bestuurlijke functies, zaten, wat afbreuk doet aan de gestelde vrees. Daarbij stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiser geen concrete aanknopingspunten aanvoert waaruit blijkt dat hij wel vanwege zijn Koerdische etniciteit persoonlijk te vrezen heeft bij terugkeer. Dat eiser heeft geweigerd zich aan te sluiten bij de YPG wordt niet als dusdanig aangemerkt, omdat eisers vrees voor de YPG niet aannemelijk is, zoals hiervoor onder 7 overwogen. Het gestelde risico dat Koerden in Noordoost-Syrië als gevolg van groeperingen als Hamzat en Amshat zouden lopen, wordt door eiser niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. Eiser betwist daarnaast niet dat hij tot zijn vertrek in 2017 in Syrië heeft kunnen functioneren op sociaaleconomisch en maatschappelijk niveau, en daarbij toegang had tot onderwijs, medische zorg en de arbeidsmarkt.



Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld


9. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden.



9.1.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.



9.2.
Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.


10. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat er in [plaats] , het gebied waar eiser naar zou moeten terugkeren, sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat het aantal burgerslachtoffers in [plaats] sinds de machtsovername laag is gebleven in vergelijking met het aantal inwoners. Blijkens het Algemeen Ambtsbericht van 2026 schatte het IOM het bevolkingsaantal in december 2025 op 1.348.235 personen, van wie 24% binnenlands ontheemden. Tussen 1 mei 2025 en 31 december 2025 registreerde ACLED 220 geweldsincidenten in [plaats] . In 62 gevallen ging het om gevechten, in 17 gevallen om explosies/geweld op afstand en in 141 gevallen om geweld tegen burgers. Het maandelijkse aantal geweldsincidenten fluctueerde tussen 18 (juli en oktober 2025) en 40 (september 2025). Het SNHR documenteerde in 2025 minstens 3.666 burgerdoden, onder wie 9 burgerdoden in de provincie [plaats] . De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de concrete situatie in [plaats] . Eiser heeft ook geen recentere bronnen overgelegd die verweerders standpunt zouden kunnen weerleggen.
Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat het bestaan van ontplofbare oorlogsresten in [plaats] nog niet betekent dat er daardoor sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld.




10.1.
Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er in het verweerschrift terecht op gewezen dat een slechte humanitaire situatie niet zonder meer valt onder de bescherming van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Verweerder benadrukt dat, ondanks dat er een precaire humanitaire situatie is, dit niet onder de reikwijdte van willekeurig geweld valt omdat het geen gevolg is van een lopend gewapend conflict. Uit hetgeen eiser heeft aangevoerd volgt ook niet dat de gestelde slechte humanitaire omstandigheden in [plaats] worden veroorzaakt of in stand worden gehouden door partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict. De rechtbank is daarom van oordeel dat uit de stukken onvoldoende blijkt dat er een verband is tussen het geweld van de huidige strijdende partijen en de slechte humanitaire omstandigheden in [plaats] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, met inachtneming van dat wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende gemotiveerd dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Damascus.



10.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in deze zaak voldoende heeft gemotiveerd dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in [plaats] .
11. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder daarmee een te hoge eis stelt aan eiser. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van zijn individuele en persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft aangevoerd dat hij een verhoogd risico loopt vanwege zijn problemen met de YPG en vanwege zijn Koerdische etniciteit, de rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 7 en 8 al overwogen dat verweerder terecht concludeert dat eiser geen gegronde vrees heeft daarvoor. Daarbij houden deze omstandigheden juist verband met een vrees voor gericht geweld in plaats van een verhoogd risico op willekeurig geweld. Eisers gestelde vrees dat terugkeerders extra risico lopen voor ontplofbare oorlogsresten, kan niet worden gevolgd en is ook niet onderbouwd.



De humanitaire situatie in het kader van artikel 3 van het EVRM


12. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft eerder geoordeeld dat verweerder moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt namelijk dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat uitleg en interpretatie van beide bepalingen autonoom moet plaatsvinden. Verweerder kan dus niet voor zijn motivering van artikel 3 EVRM verwijzen naar de motivering van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, en vice versa.



12.1.
Verweerder dient dus een zelfstandige beoordeling te maken van een mogelijke schending van het refoulementverbod door de heersende humanitaire omstandigheden. In dit verband heeft verweerder gewezen op het arrest Sufi en Elmien de hiervoor genoemde uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank. Bij de beoordeling van een mogelijke schending van het refoulementverbod door de heersende humanitaire omstandigheden is van belang dat het EHRM twee situaties onderscheidt:

1. In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor

2) In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.



12.2.
Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, geldt de ‘lichtere toets’, zoals beschreven in de eerste situatie, en moet gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ In de tweede situatie, waarin de humanitaire situatie niet meer gerelateerd kan worden aan de strijdende partijen, geldt de ‘zwaardere toets’ en in dat geval is slechts sprake van refoulement in ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Het is in de eerste plaats aan eiser om dergelijke risico’s op refoulement aannemelijk te maken.


13. Eiser heeft aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit in bovenbedoelde zin niet uitgelaten over de vraag of eiser bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Dit is een motiveringsgebrek dat verweerder niet heeft hersteld. Nu er geen volledige en individuele beoordeling is geweest van de vraag of eiser een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM en er niet is gebleken van het onderzoeken en betrekken van de daartoe relevante (persoonlijke en algemene) omstandigheden, zal het beroep gegrond worden verklaard en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank komt daarom niet toe aan de overige beroepsgronden.






Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder moet een nieuw besluit op eisers asielaanvraag nemen en daarbij rekening houden met de overwegingen in deze uitspraak, in het bijzonder met de beoordeling in het kader van artikel 3 van het EVRM.

15. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,-.






Beslissing


De rechtbank



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit van 22 april 2026;


draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;


veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van €1.868,-.






Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).


Artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel uit de Vreemdelingenwet 2000 verwijst zij naar het artikel zoals dat luidde tot 12 juni 2026.


In de zaken met zaaknummers BRS.26.000081, BRS.26.001006, BRS26.000714 en BRS.26.000868.


Uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611.


Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026, pagina 106.


Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).


Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X en Y).


Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN).


Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.


Uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.


Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (Elgafaji), paragraaf 28.


EHRM 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), paragraaf 278-283.


1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.