Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20329

2026-07-14 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.8048
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-14
Publicatiedatum
2026-07-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.8048
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel; Syrië; vrees vanwege afvalligheid of niet-praktiseren, Koerdische etniciteit en problemen van eisers vader niet aannemelijk; voldoende gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Aleppo; motivering artikel 3 van het EVRM ontbrak; motiveringsgebrek in beroep hersteld; beroep gegrond met in stand laten rechtsgevolgen.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.561 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: NL26.8048


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 8 november 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 9 februari 2026 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.



1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D.A.H. Ahmed als tolk en de gemachtigde van verweerder.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?





Het asielrelaas


2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren in [geboorteplaats] , Syrië, op [geboortedatum] 1985. Eiser heeft de Koerdische etniciteit en de Syrische nationaliteit. Eiser verbleef tot begin 2014 in [plaats] in Syrië en is vanwege de oorlog met zijn gezin gevlucht naar Turkije. Vervolgens is eiser in 2023 via Griekenland naar Nederland gereisd. Eiser verklaart te geloven in God, maar hij leeft de islamitische leefregels niet na. Eiser verklaart dat zijn vader in 2001 is beschuldigd door het oude regime, omdat hij werd verdacht van betrokkenheid bij de PKK. Eisers vader is in 2018 door gewapende Turkse groeperingen zoals Hamzat, Amshat en Sultan Morad gearresteerd en gemarteld en ook eisers broer is aangehouden. Om vrij te komen heeft eisers vader onder meer veel geld moeten betalen en heeft eisers broer moeten beloven om als spion te gaan werken. Na zijn vrijlating is eisers broer gevlucht naar Turkije. Eiser was toen al in Turkije. Daarna is eisers vader, voor het laatst tussen 2021 en 2022, bedreigd met de mededeling dat als ze zijn zoons te pakken zouden krijgen, zij zouden worden overgeleverd aan de Turkse autoriteiten. Daarnaast verklaart eiser dat hij als Koerd een slechte positie heeft in Syrië. Bij terugkeer vreest eiser dat hij als zoon van zijn vader om deze reden zal worden opgepakt, en zal worden vermoord omdat hij Koerd is en wordt gezien als een ongelovige. Ook vreest eiser bij terugkeer voor rekrutering door de SDF.



Het bestreden besluit


3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende geloofwaardig geachte relevante elementen:


identiteit, nationaliteit en herkomst;


de problemen van eisers vader.




3.1.
Verweerder volgt eisers gestelde identiteit, evenals zijn niet-praktiserende geloofsovertuiging en zijn Koerdische etniciteit. Verweerder volgt ook de problemen die eisers vader heeft gehad naar aanleiding van zijn toegedichte betrokkenheid bij de PKK door gewapende groeperingen die banden hebben met Turkije. Verweerder volgt namelijk dat de vader van eiser drie keer heeft vastgezeten, dat hij tot 2022 is lastiggevallen bij zijn huis door gewapende groeperingen en dat hij is bevraagd over de verblijfplaats van eiser en dat hem is verteld dat eiser zal worden uitgeleverd aan Turkije als ze hem te pakken krijgen.



3.2.
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond, omdat eiser volgens verweerder geen gegronde vrees voor vervolging heeft, en dus geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Verweerder vindt eisers vrees voor vervolging vanwege zijn niet-praktiserende levenswijze niet aannemelijk. Ook acht verweerder het niet aannemelijk dat eiser vrees heeft voor vervolging vanwege zijn Koerdische etniciteit. Daarbij wordt ook de vrees om vervolging vanwege de problemen die eisers vader in het verleden heeft gehad niet aannemelijk geacht. Verweerder vindt daarnaast dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Syrië. Volgens verweerder heeft eiser zijn vrees voor rekrutering door de SDF niet aannemelijk gemaakt. Daarbij heeft eiser, volgens verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld.



Wat vindt eiser in beroep?



4. Eiser voert in beroep aan dat hetgeen hij in de zienswijze heeft aangevoerd als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Verder voert eiser – kort samengevat – aan dat verweerder erkent dat eiser zich in Syrië terughoudend moet opstellen met betrekking tot zijn afvalligheid. Terwijl van een vreemdeling mag niet worden verlangd dat hij zich terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofsovertuiging. Hierdoor kan het bestreden besluit volgens eiser de toetsing in rechte niet doorstaan. Eiser stelt daarnaast dat hij in de zienswijze onderbouwd heeft aangetoond dat het voornemen, waarin wordt gesteld dat Koerdische mensen niets te vrezen hebben in Syrië in 2026, onjuist is. Doordat eiser een Koerdische naam heeft, loopt hij al risico. De associatie met zijn vader vormt daarbij een risicoverhogende factor. Dat volgt ook uit hetgeen zijn broer is overkomen. Verweerder weigert in te zien welke problemen er spelen in Syrië en dus waar eiser in Syrië tegenaan zal lopen. Verweerder gaat daar ongemotiveerd aan voorbij. De informatie die eiser aanlevert over ontvoeringen en aanhoudingen van Koerden is rechtstreeks afkomstig van bewoners in dat gebied. In het bestreden besluit is daarnaast ondanks het verzoek daartoe geen beoordeling gemaakt van de risico’s die specifiek eiser loopt bij terugkeer wegens de cumulatie van de risicofactoren: eisers afvalligheid, zijn Koerdische etniciteit, de negatieve belangstelling vanwege eisers vader, het hebben van een gezin met een zieke echtgenote en vier jonge dochters. Eiser verwijst ten aanzien van het risico op ernstige schade naar de in de zienswijze aangehaalde jurisprudentie.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en zal het daarom vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te houden. Hieronder legt de rechtbank dat uit.



Vrees vanwege afvalligheid


6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië gegronde vrees heeft vanwege zijn afvalligheid dan wel het niet praktiseren van de islam. In dit kader heeft verweerder mogen tegenwerpen dat uit landeninformatie volgt dat er in Syrië geen sprake is van bestraffing of andere vormen van vervolging voor het niet naleven van de islamitische leefregels. Uit deze landeninformatie blijkt dat er geen strenge (islamitische) leefregels zijn ingevoerd door de overgangsregering van HTS. Verweerder heeft ter zitting ook terecht gewezen op het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026, waarin staat dat de geraadpleegde bronnen niet bekend waren met concrete voorbeelden van atheïsten en afvalligen van de islam die in de verslagperiode problemen ondervonden. De beroepsgrond slaagt niet.



Koerdische etniciteit


7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor vervolging vanwege zijn Koerdische etniciteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit het landenbeleid voor Syrië volgt dat het behoren tot de Koerdische bevolkingsgroep niet als risicoprofiel is aangemerkt. Dat betekent dat Koerden in het algemeen niet enkel vanwege hun etniciteit te vrezen hebben voor vervolging. Ook is er geen informatie bekent dat Koerden in Syrië in het algemeen te vrezen hebben voor vervolging door de SDF, die hoofdzakelijk uit Koerden bestaat en door Koerden geleid wordt. Daarbij stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiser geen concrete aanknopingspunten aanvoert waaruit blijkt dat hij wel vanwege zijn Koerdische etniciteit persoonlijk te vrezen heeft bij terugkeer. Ook betrekt verweerder daarbij terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op maatschappelijk en sociaal gebied niet kan functioneren bij terugkeer, daarom is er geen sprake van dusdanig ernstige discriminatie dat deze als daad van vervolging is aan te merken. Eiser voert aan dat hij van zijn Syrische contacten hoort dat er daar ontvoeringen en aanhoudingen van Koerden plaatsvinden. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser deze stelling niet heeft onderbouwd en dat daarbij zou worden verwacht dat daarover gerapporteerd zou worden.




Problemen van eisers vader (van 2018 tot 2022)


8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eisers vrees vanwege de problemen van eisers vader niet aannemelijk zijn. Verweerder wijst er terecht op dat die problemen spelen sinds 2018 en dat eiser sindsdien nooit persoonlijk iets van de gewapende groeperingen heeft vernomen. Daarbij verklaart eiser dat zijn vader sinds 2022 geen problemen meer heeft gehad. Verweerder heeft ook mogen betrekken dat eiser verklaart dat de gewapende groeperingen sterke banden hebben met Turkije en eiser zelf nooit persoonlijke problemen heeft gehad in Turkije, terwijl hij daar van 2014 tot 2023 verbleef. Verweerder heeft het terecht niet aannemelijk gevonden dat de gewapende groeperingen eiser in het vizier hebben. Daarbij zijn de machtsverhoudingen sinds de val van het regime van Assad veranderd, en heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eiser niet aannemelijk gemaakt heeft dat de gewapende groeperingen nu onderdeel zijn van de huidige regering.



Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld


9. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden.



9.1.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.



9.2.
Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.


10. Verweerder heeft in het voornemen en het bestreden besluit ten aanzien van de situatie van willekeurig geweld alleen verwezen naar het eigen beleid, waarin is vastgelegd dat voor [plaats] , het gebied van terugkeer van eiser, een relatief lager niveau van willekeurig geweld geldt. Daarentegen heeft verweerder in het briefverweer nader onderbouwd waarom er in [plaats] sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft er in het briefverweer terecht op gewezen dat uit het Algemeen ambtsbericht van Syrië van januari 2026 blijkt dat het aantal geweldsincidenten in [plaats] gedurende de verslagperiode relatief stabiel was en in vergelijking met de vorige verslagperiode afnam. Het aantal burgerdoden is eind 2025 afgenomen in vergelijking met het begin van dat jaar. Ook keren er in Syrië op grote schaal ontheemde mensen terug, ook naar [plaats] . Verder waren er in [plaats] meerdere incidenten met ontplofbare oorlogsresten, maar werden deze ook geruimd. In [plaats] vonden meerdere operaties plaats die waren gericht op het uitschakelen van ISIS-cellen. Dit waren gerichte operaties waarbij er niet per definitie een verhoogd risico bestond op willekeurige (burger)slachtoffers. Dat eiser bij terugkeer naar Syrië zal terugkeren naar Afrin en niet naar [plaats] , zoals hij – pas ter zitting – heeft gesteld, heeft verweerder in het bestreden besluit niet kunnen toetsen. Dat verweerder dat niet in de beoordeling heeft betrokken, kan hem dan ook niet worden verweten. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld, dat hem bekend is dat ook voor Afrin een relatief lager niveau van willekeurig geweld geldt en in het licht van het door eiser gestelde, kan de rechtbank dit volgen.




10.1.
Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er in het verweerschrift terecht op gewezen dat de humanitaire situatie in Syrië niet (of nauwelijks) te wijten is aan een actor die partij is bij een lopend gewapend conflict. Verweerder wijst er terecht op dat de huidige humanitaire situatie vooral een erfenis is van het regime van Assad en dus niet wordt veroorzaakt of in stand gehouden door huidige gewapende confrontaties. Eiser heeft niet gesteld, noch aannemelijk gemaakt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in [plaats] veroorzaken en/of in stand houden.



10.2.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in [plaats] .

11. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser geen relevante persoonlijke kenmerken heeft aangevoerd die maken dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft aangevoerd dat hij een verhoogd risico loopt vanwege zijn afvalligheid, Koerdische etniciteit en vanwege de problemen van zijn vader, maar deze problemen houden verband met een vrees voor gericht geweld in plaats van een verhoogd risico op willekeurig geweld. De rechtbank heeft onder rechtsoverweging 6, 7 en 8 al overwogen dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser om die redenen geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiser stelt voorts dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, doordat hij een echtgenote heeft die niet mobiel is en omdat hij vier jonge dochters heeft. Ter zitting heeft eiser echter verklaard dat zijn echtgenote en dochters, die nog in Turkije verblijven, in Turkije zullen blijven als eiser moet terugkeren naar Syrië. Daardoor vormt dit geen individuele omstandigheid bij de beoordeling of eiser een groter risico loopt op willekeurig geweld of ernstige schade.



Artikel 3 EVRM en humanitaire omstandigheden


12. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft eerder geoordeeld dat verweerder moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt namelijk dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat uitleg en interpretatie van beide bepalingen autonoom moet plaatsvinden. Verweerder kan dus niet voor zijn motivering van artikel 3 EVRM verwijzen naar de motivering van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, en vice versa.



12.1.
Verweerder dient dus een zelfstandige beoordeling te maken van een mogelijke schending van het refoulementverbod door de heersende humanitaire omstandigheden. In dit verband heeft verweerder gewezen op het arrest Sufi en Elmien de hiervoor genoemde uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank. Bij de beoordeling van een mogelijke schending van het refoulementverbod door de heersende humanitaire omstandigheden is van belang dat het EHRM twee situaties onderscheidt:

1. In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor

2) In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.



12.2.

Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, geldt de ‘lichtere toets’, zoals beschreven in de eerste situatie, en moet gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ In de tweede situatie, waarin de humanitaire situatie niet meer gerelateerd kan worden aan de strijdende partijen, geldt de ‘zwaardere toets’ en in dat geval is slechts sprake van refoulement in ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Het is in de eerste plaats aan eiser om dergelijke risico’s op refoulement aannemelijk te maken.
13. De rechtbank stelt vast dat eiser in het bestreden besluit geen volledige, zelfstandige beoordeling heeft gemaakt van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM vanwege de humanitaire omstandigheden in [plaats] . Dit is een motiveringsgebrek en alleen al daarom is het beroep gegrond.




13.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich met de aanvullende motivering in het verweerschrift en de mondelinge toelichting op de zitting echter voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM wegens de humanitaire omstandigheden in [plaats] . Verweerder mocht in dit kader aan eiser tegenwerpen dat, hoewel de humanitaire situatie complex is en dat 84% van de bevolking ‘people in need’ betreffen, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hijzelf in dergelijke omstandigheden zal belanden en ‘a person in need’ zal worden bij terugkeer naar [plaats] . Ook al zou dus de zwaardere toets ten onrechte zijn toegepast, en zou moeten worden uitgegaan van het gegeven dat de humanitaire omstandigheden een doelbewuste gevolg van de thans strijdende partijen is, dan nog heeft eiser niet met bronnen of andere objectieve bewijsmiddelen aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar [plaats] niet zal kunnen voorzien in de meest basale levensbehoeftes zoals voedsel, hygiëne en onderdak. In dit verband is van belang dat eiser tijdens zijn nader gehoor heeft verklaard dat hij nog steeds familie in [plaats] heeft wonen en ook dat eiser ter zitting heeft verklaard dat zijn vrouw en kinderen in Istanbul zullen blijven en dus niet zullen terugkeren naar Syrië. Een schending van het refoulementverbod bij terugkeer van eiser naar [plaats] , ongeacht of de humanitaire situatie doelbewust is veroorzaakt door actoren in het conflict of niet, is dan ook niet aannemelijk. Dat eiser bij terugkeer naar Syrië zal terugkeren naar Afrin en niet naar [plaats] , zoals hij (eerst) ter zitting heeft gesteld, is een individuele keus en doet aan het voorgaande niets af.





Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, omdat het aanvankelijk van een ondeugdelijke motivering was voorzien. Omdat de afwijzing van de asielaanvraag met de schriftelijke aanvullende motivering van het verweerschrift en de mondelinge aanvullende motivering ter zitting alsnog deugdelijk is gemotiveerd, laat de rechtbank, gelet op rechtsoverweging 13.1 van deze uitspraak, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag en het terugkeerbesluit in stand blijven.

14. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, waarde per punt € 934,-, wegingsfactor 1) vanwege de door een derde verleende beroepsmatige rechtsbijstand. Omdat eiser op toevoeging is bijgestaan, dient verweerder dit bedrag aan de gemachtigde van eiser te betalen.





Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;


veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van €1.868,-.





Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).


Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel uit de Vreemdelingenwet 2000 verwijst zij naar het artikel zoals dat luidde tot 12 juni 2026.


Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X en Y).


Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN).


Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.


Uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.


Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (Elgafaji), paragraaf 28.


EHRM 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), paragraaf 278-283.