Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20327
2026-07-14
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.5373
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel; Syrië; beroep gegrond vanwege een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek in 3 EVRM-beoordeling; problemen vanwege buitenechtelijke relatie ongeloofwaardig; de vrees voor vervolging vanwege problemen met groeperingen niet aannemelijk; voldoende gemotiveerd dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Damascus.
Citeert (11)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:23822 Rechtbank Den Haag 11-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24023 Rechtbank Den Haag 11-12-2025
- ECLI:EU:C:2026:448
- ECLI:EU:C:2023:843
- ECLI:EU:C:2021:472
- ECLI:NL:RVS:2025:3153 Raad van State 16-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3611 Rechtbank Den Haag 23-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10271 Rechtbank Den Haag 20-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3611 Rechtbank Den Haag 23-02-2026
- ECLI:EU:C:2009:94
- ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.664 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5373
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Saakjan),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft op 11 februari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 23 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
H. Rida was als tolk aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1970 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in 2018 samen met zijn twee zoons van Jahbat Al Nusra wapens heeft moeten vervoeren die hij in [plaats 1] weer moest afgeven aan Hayat Tahrir Al Sham (HTS). Eiser heeft de wapens echter niet aan HTS maar aan iemand anders afgegeven, namelijk iemand die hem in [plaats 1] onderdak bood en in ruil voor een overbrenging naar Turkije. Eiser heeft tot april 2018 gewoond in [plaats 2] en heeft, na korte tijd in [plaats 1] te hebben verbleven, Syrië vervolgens verlaten. Volgens eiser beschouwt HTS, die nu de huidige machthebber in [plaats 2] is, hem om deze reden als verrader en zullen ze hem vermoorden omdat hij de wapens niet aan hen heeft afgegeven. De veiligheidsdienst heeft bij eisers vrouw in Syrië naar eiser en zijn zoons geïnformeerd. Eiser verklaart dat hij ook niet kan terugkeren naar Syrië vanwege de oorlog, de onzekerheid en de onveiligheid. Zijn huis is vernietigd door bombardementen. Daarnaast vreest eiser bij terugkeer naar Syrië vermoord te worden door de familie van een vrouw met wie hij in 2009 en 2010 een buitenechtelijke relatie heeft gehad.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen in 2018 met groeperingen;
problemen vanwege een intieme relatie met een andere vrouw in 2009 en 2010.
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook de problemen in 2018 met groeperingen vindt verweerder geloofwaardig. De problemen vanwege een intieme relatie met een andere vrouw in 2009 en 2010 vindt verweerder niet geloofwaardig, omdat eiser dit asielmotief niet heeft onderbouwd met objectieve documenten en omdat de verklaringen van eiser daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
3.1.
Op basis van de geloofwaardig geachte elementen heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op ernstige schade loopt als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De asielaanvraag is afgewezen als ongegrond en aan eiser is een terugkeerbesluit naar Syrië met een vertrektermijn van 4 weken opgelegd. Van eiser wordt verwacht dat hij terugkeert naar [plaats 2] .
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de beschikking ondeugdelijk is gemotiveerd en in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Met betrekking tot de problemen vanwege zijn buitenechtelijke relatie voert eiser aan dat hij hierover voldoende en ook geloofwaardig heeft verklaard en dat verweerder in het nader gehoor op specifieke punten had moeten doorvragen als hij de verklaringen te summier vond. Over de tegenwerping dat eiser en zijn zoon over de wapens tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd, voert eiser aan dat er aan de zijde van verweerder sprake is van een gebrek aan transparantie, dat er geen “level playing field oftewel gelijk speelveld” is en dat er strijd is met het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor. Verder voert eiser aan dat hij wel degelijk een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië, vanwege in de eerste plaats zijn gezondheidstoestand, in de tweede plaats het risico op wraak wegens het niet inleveren van de wapens en in de derde plaats het risico op eerwraak van de familie van de vrouw met wie hij een buitenechtelijke relatie heeft gehad. Ook heeft verweerder de veiligheidssituatie in Syrië in het algemeen en ook de veiligheidssituatie in [plaats 2] in het bijzonder gebagatelliseerd. Ter onderbouwing heeft eiser verwezen naar jurisprudentie en het recent verschenen Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026, waaruit blijkt dat Syrië een van de onveiligste landen ter wereld is, wat niet in de besluitvorming is betrokken. Het feit dat verweerder de beantwoording van prejudiciële vragen over subsidiaire bescherming aan het Europees Hof van Justitie niet afwacht, getuigt volgens eiser van onzorgvuldige besluitvorming. Tot slot voert eiser aan dat hij om medische redenen niet terug kan naar Syrië althans dat hem tenminste om die redenen uitstel van vertrek moet worden verleend.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Volle toetsing
6. De rechtbank stelt voorop dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Ebilum heeft geoordeeld dat asielrechters een volledig en ex nunc onderzoek moeten verrichten naar alle feitelijke en juridische elementen in een zaak. Daarom toetst de rechtbank alle onderdelen van het besluit volledig en zonder terughoudendheid, waarbij zij afziet van termen als ‘niet ten onrechte’.
Geloofwaardigheid problemen vanwege buitenechtelijke relatie
7. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over de bedreigingen wegens zijn buitenechtelijke relatie in 2009 en 2010 dermate summier zijn dat niet geloofwaardig is dat de familie van de vrouw met wie hij een relatie heeft gehad daadwerkelijk naar hem op zoek is. De omstandigheid dat de vrouw in 2015 eenmaal contact heeft gezocht met eiser en hem toen heeft gewaarschuwd dat haar familie naar eiser op zoek is, in samenhang met het feit dat eiser daarna nooit meer iets van haar heeft vernomen, is onvoldoende om de gestelde problemen te onderbouwen. De stelling dat eiser zijn telefoonnummer heeft veranderd, doet hier niets aan af omdat daaruit niet kan worden afgeleid dat de familie van de vrouw heeft geprobeerd contact met eiser te zoeken. Verweerder heeft daarbij ook terecht betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij niet weet of de familie van de vrouw überhaupt nog in Syrië verblijft. Het standpunt van eiser dat verweerder meer had moeten doorvragen, volgt de rechtbank evenmin, omdat niet duidelijk is geworden wat verweerder dan had moeten vragen en wat eiser dan zou hebben geantwoord wat tot een andersluidend besluit zou hebben geleid.
Geen gegronde vrees voor vervolging vanwege problemen met groeperingen
8. Allereerst staat niet ter discussie dat uit Syrië komen op zichzelf niet voldoende is om vluchteling te zijn.
9. Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiser in 2018 in opdracht van Jahbat Al Nusra wapens heeft meegenomen naar [plaats 1] en ook dat eiser deze wapens niet heeft ingeleverd bij HTS. Dat eiser hierdoor bij terugkeer naar Syrië problemen zal ondervinden, heeft verweerder echter terecht niet aannemelijk geacht. In de eerste plaats mag verweerder eiser tegenwerpen dat hij een andere verklaring heeft afgelegd dan zijn zoon [naam] over de gestelde problemen. Volgens de zoon van eiser is er eenmalig een huisbezoek gebracht bij zijn moeder/eisers echtgenote en is daarbij geen boodschap achtergelaten, terwijl eiser verklaart dat zijn echtgenote om de 10 à 15 dagen wordt bezocht en eiser daarbij ‘verrader’ wordt genoemd. Verweerder heeft het verschil tussen hun verklaringen op deze essentiële onderdelen zo groot mogen vinden dat niet aannemelijk wordt geacht dat eiser daadwerkelijk om deze reden voor vervolging te vrezen heeft. De rechtbank heeft geen aanleiding eraan te twijfelen dat verweerder, op verzoek van de rechtbank, de relevante passages uit het gehoor van de zoon van eiser heeft overgelegd. Dat eiser vaker contact heeft met zijn echtgenote dan de zoon met zijn moeder heeft verweerder geen verschoonbare reden voor het verschil in verklaringen hoeven vinden, omdat daarmee de tegenstrijdigheid nog niet is weggenomen. In de tweede plaats acht verweerder niet aannemelijk dat eiser alleen vanwege het niet inleveren van de wapens door het huidige regime als verrader wordt gezien. Verweerder wijst er terecht op dat eiser de situatie omschreef als chaotisch en dat hem niet werd verteld waar hij de wapens moest inleveren en niemand naar hem toe kwam om de wapens in ontvangst te nemen. Verweerder heeft daarbij ook mogen betrekken dat eiser geen aanhanger is van het vorige regime. Daarbij wijst verweerder er terecht op dat de echtgenote van eiser en andere achtergebleven gezinsleden geen problemen hebben ondervonden na hun terugkeer uit Libanon. Eisers verklaring over de lijst waarop zijn naam zou zijn genoteerd bij het in ontvangst nemen van het wapen, wijkt ook af van de verklaring van zijn zoon daarover. Zijn zoon verklaart dat ook de namen van passagiers die geen wapens moesten meenemen werden genoteerd. Bovendien heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er een verband is tussen de lijst en de mensen die bij zijn echtgenote zouden zijn langsgekomen.
Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld
10. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden.
10.1.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.
10.2.
Bij de beoordeling of er sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.
11. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat over het algemeen het aantal burgerslachtoffers in [plaats 2] , het gebied van terugkeer van eiser, gelet op het aantal inwoners sinds de machtsovername laag is gebleven. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat zelfs als alle burgerslachtoffers het gevolg zouden zijn van willekeurig geweld in plaats van gericht geweld, dat het aantal dan alsnog te beperkt is om te concluderen dat er sprake is van een meer dan een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft daarnaast in zijn verweerschrift terecht geconcludeerd dat er in [plaats 2] een dalende trend in geweldsincidenten te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat [plaats 2] onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 2 (november 2025) en 17 (juli 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in [plaats 2] . Verder waren er in [plaats 2] vier incidenten met ontplofbare oorlogsresten. In de verslagperiode was er sprake van ontheemding in [plaats 2] , maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook naar schatting 12.194 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [plaats 2].
11.1.
Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er in het verweerschrift terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is. Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en [plaats 2] in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden.
12. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser geen relevante persoonlijke kenmerken heeft aangevoerd die maken dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft aangevoerd dat hij een verhoogd risico loopt vanwege zijn problemen met groeperingen vanwege het vervoeren van wapens, de rechtbank heeft in rechtsoverweging 9 al overwogen dat verweerder terecht concludeert dat eiser geen gegronde vrees heeft daarvoor. Daarbij houdt deze omstandigheid verband met een vrees voor gericht geweld in plaats van een verhoogd risico op willekeurig geweld. Ook voert eiser aan dat hij een verhoogd risico loopt vanwege het risico op eerwraak door zijn buitenechtelijke relatie, daarover heeft de rechtbank in rechtsoverweging 7 overwogen dat verweerder terecht concludeert dat dit niet geloofwaardig is. Eiser voert daarnaast ook aan dat hij diabetes heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daardoor een groter risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder mocht daarbij uitgaan van het rapport van de Deense immigratiedienst waaruit blijkt dat behandeling en medicatie voor diabetes is [plaats 2] beschikbaar zijn. De stelling van eiser dat het Bureau Medische Advisering van verweerder niet bekend is met specifieke behandelmogelijkheden voor diabetes in Syrië doet hier niet aan af omdat eiser ook geen informatie heeft overgelegd waaruit zou moeten blijken dat die behandelmogelijkheden er niet zijn.
De humanitaire situatie in het kader van artikel 3 van het EVRM
13. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft eerder geoordeeld dat verweerder moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt namelijk dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat uitleg en interpretatie van beide bepalingen autonoom moet plaatsvinden. Verweerder kan dus niet voor zijn motivering van artikel 3 EVRM verwijzen naar de motivering van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, en vice versa.
13.1.
Verweerder dient dus een zelfstandige beoordeling te maken van een mogelijke schending van het refoulementverbod door de heersende humanitaire omstandigheden. In dit verband heeft verweerder gewezen op het arrest Sufi en Elmien de hiervoor genoemde uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank. Bij de beoordeling van een mogelijke schending van het refoulementverbod door de heersende humanitaire omstandigheden is van belang dat het EHRM twee situaties onderscheidt:
1. In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor
2) In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
13.2.
Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, geldt de ‘lichtere toets’, zoals beschreven in de eerste situatie, en moet gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ In de tweede situatie, waarin de humanitaire situatie niet meer gerelateerd kan worden aan de strijdende partijen, geldt de ‘zwaardere toets’ en in dat geval is slechts sprake van refoulement in ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Het is in de eerste plaats aan eiser om dergelijke risico’s op refoulement aannemelijk te maken.
14. De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn standpunt dat er geen sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM, omdat niet is gebleken dat verweerder daar voldoende onderzoek naar heeft gedaan. Verweerder mocht wel de aangevoerde omstandigheden met betrekking tot de gewapende groeperingen en de buitenechtelijke relatie onvoldoende vinden. Verweerder heeft daarnaast betrokken dat eiser diabetes heeft, maar nog los van de vraag of het standpunt dat de ziekte onvoldoende is om aan te nemen dat er sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM te volgen is, is dat kennelijk de enige omstandigheid die is betrokken bij de 3 EVRM-beoordeling. Niet (kenbaar) is betrokken in welke omstandigheden eiser bij terugkeer naar Syrië in het algemeen en [plaats 2] in het bijzonder terecht zou komen, terwijl eiser Syrië al in 2018 heeft verlaten. Zo is bijvoorbeeld niet bekend of eiser nog familie of een netwerk heeft in Syrië. In het nader gehoor is weliswaar aan eiser gevraagd in welke omstandigheden hij terecht zou komen indien hij zou terugkeren naar Syrië, maar eiser heeft deze vraag, nadat hij om verduidelijking van de vraag had verzocht, blijkens het gehoorverslag opgevat als het verzoek om over zijn problemen in Syrië voorafgaand aan zijn uitreis te verklaren. De gehoormedewerker heeft hem daarin ook niet gecorrigeerd en niet doorgevraagd naar een antwoord op de gestelde vraag. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dus onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag in welke omstandigheden eiser bij terugkeer terecht zou komen, wat een zorgvuldigheidsgebrek oplevert. Ook zijn er uit het dossier geen door eiser aangevoerde gegevens bekend waaruit blijkt in welke situatie eiser bij terugkeer terecht komt. Hierdoor blijft onduidelijk of eiser terecht komt in een situatie die een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM oplevert tegen de achtergrond van zijn diabetes en de humanitaire omstandigheden in [plaats 2] en is de conclusie van verweerder dat hier geen sprake van is onvoldoende gemotiveerd. Gelet op het voorgaande zal het beroep gegrond worden verklaard en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank komt daarom niet toe aan de overige beroepsgronden.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder moet een nieuw besluit op eisers asielaanvraag nemen en daarbij rekening houden met de overwegingen in deze uitspraak, in het bijzonder met de beoordeling in het kader van artikel 3 van het EVRM.
16. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 23 januari 2026;
draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een totaalbedrag van
€ 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel uit de Vreemdelingenwet 2000 verwijst zij naar het artikel zoals dat luidde tot 12 juni 2026.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Uitspraken van de Meervoudige Kamers van de Rechtbank Haarlem (11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23822) en de Rechtbank Den Bosch (11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24023).
De uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder rechtsoverweging 58.
Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).
Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X en Y).
Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN).
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
Uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.
Zie ook de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10271.
Zie ook de uitspraak van de Meervoudige Kamer van de Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.3.
EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (Elgafaji), paragraaf 28.
EHRM 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), paragraaf 278-283.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5373
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Saakjan),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft op 11 februari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 23 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
H. Rida was als tolk aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1970 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in 2018 samen met zijn twee zoons van Jahbat Al Nusra wapens heeft moeten vervoeren die hij in [plaats 1] weer moest afgeven aan Hayat Tahrir Al Sham (HTS). Eiser heeft de wapens echter niet aan HTS maar aan iemand anders afgegeven, namelijk iemand die hem in [plaats 1] onderdak bood en in ruil voor een overbrenging naar Turkije. Eiser heeft tot april 2018 gewoond in [plaats 2] en heeft, na korte tijd in [plaats 1] te hebben verbleven, Syrië vervolgens verlaten. Volgens eiser beschouwt HTS, die nu de huidige machthebber in [plaats 2] is, hem om deze reden als verrader en zullen ze hem vermoorden omdat hij de wapens niet aan hen heeft afgegeven. De veiligheidsdienst heeft bij eisers vrouw in Syrië naar eiser en zijn zoons geïnformeerd. Eiser verklaart dat hij ook niet kan terugkeren naar Syrië vanwege de oorlog, de onzekerheid en de onveiligheid. Zijn huis is vernietigd door bombardementen. Daarnaast vreest eiser bij terugkeer naar Syrië vermoord te worden door de familie van een vrouw met wie hij in 2009 en 2010 een buitenechtelijke relatie heeft gehad.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen in 2018 met groeperingen;
problemen vanwege een intieme relatie met een andere vrouw in 2009 en 2010.
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook de problemen in 2018 met groeperingen vindt verweerder geloofwaardig. De problemen vanwege een intieme relatie met een andere vrouw in 2009 en 2010 vindt verweerder niet geloofwaardig, omdat eiser dit asielmotief niet heeft onderbouwd met objectieve documenten en omdat de verklaringen van eiser daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
3.1.
Op basis van de geloofwaardig geachte elementen heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op ernstige schade loopt als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De asielaanvraag is afgewezen als ongegrond en aan eiser is een terugkeerbesluit naar Syrië met een vertrektermijn van 4 weken opgelegd. Van eiser wordt verwacht dat hij terugkeert naar [plaats 2] .
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de beschikking ondeugdelijk is gemotiveerd en in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Met betrekking tot de problemen vanwege zijn buitenechtelijke relatie voert eiser aan dat hij hierover voldoende en ook geloofwaardig heeft verklaard en dat verweerder in het nader gehoor op specifieke punten had moeten doorvragen als hij de verklaringen te summier vond. Over de tegenwerping dat eiser en zijn zoon over de wapens tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd, voert eiser aan dat er aan de zijde van verweerder sprake is van een gebrek aan transparantie, dat er geen “level playing field oftewel gelijk speelveld” is en dat er strijd is met het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor. Verder voert eiser aan dat hij wel degelijk een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië, vanwege in de eerste plaats zijn gezondheidstoestand, in de tweede plaats het risico op wraak wegens het niet inleveren van de wapens en in de derde plaats het risico op eerwraak van de familie van de vrouw met wie hij een buitenechtelijke relatie heeft gehad. Ook heeft verweerder de veiligheidssituatie in Syrië in het algemeen en ook de veiligheidssituatie in [plaats 2] in het bijzonder gebagatelliseerd. Ter onderbouwing heeft eiser verwezen naar jurisprudentie en het recent verschenen Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026, waaruit blijkt dat Syrië een van de onveiligste landen ter wereld is, wat niet in de besluitvorming is betrokken. Het feit dat verweerder de beantwoording van prejudiciële vragen over subsidiaire bescherming aan het Europees Hof van Justitie niet afwacht, getuigt volgens eiser van onzorgvuldige besluitvorming. Tot slot voert eiser aan dat hij om medische redenen niet terug kan naar Syrië althans dat hem tenminste om die redenen uitstel van vertrek moet worden verleend.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Volle toetsing
6. De rechtbank stelt voorop dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Ebilum heeft geoordeeld dat asielrechters een volledig en ex nunc onderzoek moeten verrichten naar alle feitelijke en juridische elementen in een zaak. Daarom toetst de rechtbank alle onderdelen van het besluit volledig en zonder terughoudendheid, waarbij zij afziet van termen als ‘niet ten onrechte’.
Geloofwaardigheid problemen vanwege buitenechtelijke relatie
7. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over de bedreigingen wegens zijn buitenechtelijke relatie in 2009 en 2010 dermate summier zijn dat niet geloofwaardig is dat de familie van de vrouw met wie hij een relatie heeft gehad daadwerkelijk naar hem op zoek is. De omstandigheid dat de vrouw in 2015 eenmaal contact heeft gezocht met eiser en hem toen heeft gewaarschuwd dat haar familie naar eiser op zoek is, in samenhang met het feit dat eiser daarna nooit meer iets van haar heeft vernomen, is onvoldoende om de gestelde problemen te onderbouwen. De stelling dat eiser zijn telefoonnummer heeft veranderd, doet hier niets aan af omdat daaruit niet kan worden afgeleid dat de familie van de vrouw heeft geprobeerd contact met eiser te zoeken. Verweerder heeft daarbij ook terecht betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij niet weet of de familie van de vrouw überhaupt nog in Syrië verblijft. Het standpunt van eiser dat verweerder meer had moeten doorvragen, volgt de rechtbank evenmin, omdat niet duidelijk is geworden wat verweerder dan had moeten vragen en wat eiser dan zou hebben geantwoord wat tot een andersluidend besluit zou hebben geleid.
Geen gegronde vrees voor vervolging vanwege problemen met groeperingen
8. Allereerst staat niet ter discussie dat uit Syrië komen op zichzelf niet voldoende is om vluchteling te zijn.
9. Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiser in 2018 in opdracht van Jahbat Al Nusra wapens heeft meegenomen naar [plaats 1] en ook dat eiser deze wapens niet heeft ingeleverd bij HTS. Dat eiser hierdoor bij terugkeer naar Syrië problemen zal ondervinden, heeft verweerder echter terecht niet aannemelijk geacht. In de eerste plaats mag verweerder eiser tegenwerpen dat hij een andere verklaring heeft afgelegd dan zijn zoon [naam] over de gestelde problemen. Volgens de zoon van eiser is er eenmalig een huisbezoek gebracht bij zijn moeder/eisers echtgenote en is daarbij geen boodschap achtergelaten, terwijl eiser verklaart dat zijn echtgenote om de 10 à 15 dagen wordt bezocht en eiser daarbij ‘verrader’ wordt genoemd. Verweerder heeft het verschil tussen hun verklaringen op deze essentiële onderdelen zo groot mogen vinden dat niet aannemelijk wordt geacht dat eiser daadwerkelijk om deze reden voor vervolging te vrezen heeft. De rechtbank heeft geen aanleiding eraan te twijfelen dat verweerder, op verzoek van de rechtbank, de relevante passages uit het gehoor van de zoon van eiser heeft overgelegd. Dat eiser vaker contact heeft met zijn echtgenote dan de zoon met zijn moeder heeft verweerder geen verschoonbare reden voor het verschil in verklaringen hoeven vinden, omdat daarmee de tegenstrijdigheid nog niet is weggenomen. In de tweede plaats acht verweerder niet aannemelijk dat eiser alleen vanwege het niet inleveren van de wapens door het huidige regime als verrader wordt gezien. Verweerder wijst er terecht op dat eiser de situatie omschreef als chaotisch en dat hem niet werd verteld waar hij de wapens moest inleveren en niemand naar hem toe kwam om de wapens in ontvangst te nemen. Verweerder heeft daarbij ook mogen betrekken dat eiser geen aanhanger is van het vorige regime. Daarbij wijst verweerder er terecht op dat de echtgenote van eiser en andere achtergebleven gezinsleden geen problemen hebben ondervonden na hun terugkeer uit Libanon. Eisers verklaring over de lijst waarop zijn naam zou zijn genoteerd bij het in ontvangst nemen van het wapen, wijkt ook af van de verklaring van zijn zoon daarover. Zijn zoon verklaart dat ook de namen van passagiers die geen wapens moesten meenemen werden genoteerd. Bovendien heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er een verband is tussen de lijst en de mensen die bij zijn echtgenote zouden zijn langsgekomen.
Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld
10. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden.
10.1.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.
10.2.
Bij de beoordeling of er sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.
11. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat over het algemeen het aantal burgerslachtoffers in [plaats 2] , het gebied van terugkeer van eiser, gelet op het aantal inwoners sinds de machtsovername laag is gebleven. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat zelfs als alle burgerslachtoffers het gevolg zouden zijn van willekeurig geweld in plaats van gericht geweld, dat het aantal dan alsnog te beperkt is om te concluderen dat er sprake is van een meer dan een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft daarnaast in zijn verweerschrift terecht geconcludeerd dat er in [plaats 2] een dalende trend in geweldsincidenten te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat [plaats 2] onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 2 (november 2025) en 17 (juli 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in [plaats 2] . Verder waren er in [plaats 2] vier incidenten met ontplofbare oorlogsresten. In de verslagperiode was er sprake van ontheemding in [plaats 2] , maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook naar schatting 12.194 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [plaats 2].
11.1.
Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er in het verweerschrift terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is. Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en [plaats 2] in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden.
12. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser geen relevante persoonlijke kenmerken heeft aangevoerd die maken dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft aangevoerd dat hij een verhoogd risico loopt vanwege zijn problemen met groeperingen vanwege het vervoeren van wapens, de rechtbank heeft in rechtsoverweging 9 al overwogen dat verweerder terecht concludeert dat eiser geen gegronde vrees heeft daarvoor. Daarbij houdt deze omstandigheid verband met een vrees voor gericht geweld in plaats van een verhoogd risico op willekeurig geweld. Ook voert eiser aan dat hij een verhoogd risico loopt vanwege het risico op eerwraak door zijn buitenechtelijke relatie, daarover heeft de rechtbank in rechtsoverweging 7 overwogen dat verweerder terecht concludeert dat dit niet geloofwaardig is. Eiser voert daarnaast ook aan dat hij diabetes heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daardoor een groter risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder mocht daarbij uitgaan van het rapport van de Deense immigratiedienst waaruit blijkt dat behandeling en medicatie voor diabetes is [plaats 2] beschikbaar zijn. De stelling van eiser dat het Bureau Medische Advisering van verweerder niet bekend is met specifieke behandelmogelijkheden voor diabetes in Syrië doet hier niet aan af omdat eiser ook geen informatie heeft overgelegd waaruit zou moeten blijken dat die behandelmogelijkheden er niet zijn.
De humanitaire situatie in het kader van artikel 3 van het EVRM
13. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft eerder geoordeeld dat verweerder moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt namelijk dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat uitleg en interpretatie van beide bepalingen autonoom moet plaatsvinden. Verweerder kan dus niet voor zijn motivering van artikel 3 EVRM verwijzen naar de motivering van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, en vice versa.
13.1.
Verweerder dient dus een zelfstandige beoordeling te maken van een mogelijke schending van het refoulementverbod door de heersende humanitaire omstandigheden. In dit verband heeft verweerder gewezen op het arrest Sufi en Elmien de hiervoor genoemde uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank. Bij de beoordeling van een mogelijke schending van het refoulementverbod door de heersende humanitaire omstandigheden is van belang dat het EHRM twee situaties onderscheidt:
1. In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor
2) In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
13.2.
Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, geldt de ‘lichtere toets’, zoals beschreven in de eerste situatie, en moet gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ In de tweede situatie, waarin de humanitaire situatie niet meer gerelateerd kan worden aan de strijdende partijen, geldt de ‘zwaardere toets’ en in dat geval is slechts sprake van refoulement in ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Het is in de eerste plaats aan eiser om dergelijke risico’s op refoulement aannemelijk te maken.
14. De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn standpunt dat er geen sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM, omdat niet is gebleken dat verweerder daar voldoende onderzoek naar heeft gedaan. Verweerder mocht wel de aangevoerde omstandigheden met betrekking tot de gewapende groeperingen en de buitenechtelijke relatie onvoldoende vinden. Verweerder heeft daarnaast betrokken dat eiser diabetes heeft, maar nog los van de vraag of het standpunt dat de ziekte onvoldoende is om aan te nemen dat er sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM te volgen is, is dat kennelijk de enige omstandigheid die is betrokken bij de 3 EVRM-beoordeling. Niet (kenbaar) is betrokken in welke omstandigheden eiser bij terugkeer naar Syrië in het algemeen en [plaats 2] in het bijzonder terecht zou komen, terwijl eiser Syrië al in 2018 heeft verlaten. Zo is bijvoorbeeld niet bekend of eiser nog familie of een netwerk heeft in Syrië. In het nader gehoor is weliswaar aan eiser gevraagd in welke omstandigheden hij terecht zou komen indien hij zou terugkeren naar Syrië, maar eiser heeft deze vraag, nadat hij om verduidelijking van de vraag had verzocht, blijkens het gehoorverslag opgevat als het verzoek om over zijn problemen in Syrië voorafgaand aan zijn uitreis te verklaren. De gehoormedewerker heeft hem daarin ook niet gecorrigeerd en niet doorgevraagd naar een antwoord op de gestelde vraag. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dus onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag in welke omstandigheden eiser bij terugkeer terecht zou komen, wat een zorgvuldigheidsgebrek oplevert. Ook zijn er uit het dossier geen door eiser aangevoerde gegevens bekend waaruit blijkt in welke situatie eiser bij terugkeer terecht komt. Hierdoor blijft onduidelijk of eiser terecht komt in een situatie die een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM oplevert tegen de achtergrond van zijn diabetes en de humanitaire omstandigheden in [plaats 2] en is de conclusie van verweerder dat hier geen sprake van is onvoldoende gemotiveerd. Gelet op het voorgaande zal het beroep gegrond worden verklaard en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank komt daarom niet toe aan de overige beroepsgronden.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder moet een nieuw besluit op eisers asielaanvraag nemen en daarbij rekening houden met de overwegingen in deze uitspraak, in het bijzonder met de beoordeling in het kader van artikel 3 van het EVRM.
16. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 23 januari 2026;
draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een totaalbedrag van
€ 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel uit de Vreemdelingenwet 2000 verwijst zij naar het artikel zoals dat luidde tot 12 juni 2026.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Uitspraken van de Meervoudige Kamers van de Rechtbank Haarlem (11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23822) en de Rechtbank Den Bosch (11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24023).
De uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder rechtsoverweging 58.
Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).
Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X en Y).
Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN).
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
Uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.
Zie ook de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10271.
Zie ook de uitspraak van de Meervoudige Kamer van de Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.3.
EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (Elgafaji), paragraaf 28.
EHRM 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), paragraaf 278-283.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.